Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 15

Chapter 154,141 wordsPublic domain

Zij trok hem op den divan, wierp zich aan zijn hals en vertelde de scène van de camera dei sposi. Zij vertelde hem van de duizend lire en van den armband. Zij verklaarde hem, dat zij hierover gezwegen had, om hem niet over geldzorgen te spreken, terwijl hij zijn aquarel voor de tentoonstelling in Londen voltooide.

--Duco, ging zij voort. Ik ben gisteren zoo geschrikt, toen ik Gilio dat mes zag trekken. Ik voelde mij flauw vallen, maar ik heb het niet gedaan. Ik had hem nog nooit zoo gezien, zoo hevig, zoo tot alles in staat.... Ik voelde toen pas, hoeveel ik van je hield.... Ik had hem vermoord, als hij je verwond had....

--Je hadt niet met hem moeten spelen, zeide hij streng. Hij heeft je lief ...

Maar ondanks zijn strengen toon, trok hij haar vaster naar zich toe.

Zij legde met iets als schuldbewustzijn haar hoofd vleiend tegen hem aan.

--Hij is alleen wat verliefd ... verdedigde zij zich, zwakjes.

--Hij is heel gepassionneerd verliefd ... Je hadt niet met hem mogen spelen....

Zij antwoordde niet meer, hem met de hand vleiende zijn gezicht. Zij vond hem heel lief, dat hij haar zoo berispte: zij hield van dien strengen, ernstigen toon, dien hij bijna nooit tegen haar aannam. Zij wist, dat zij die behoefte tot flirt in zich had, gehad had van heel jong meisje: zij telde het niet, het was onschuldig amuzement. Zij was het niet met Duco eens, maar zij vond het onnoodig er over door te gaan: het was als het was, zij dacht er niet over, zij streed er niet tegen: het was als een verschil van opinie, bijna van smaak, dat niet telde. Zij lag te gemakkelijk tegen hem aan, na de agitatie van gisteren avond, na een slapeloozen nacht, na een overhaast vertrek, na drie uur sporens in de brandende warmte, om er veel tegen in te praten. Zij vond de stille koelte van het atelier lief, de eenzaamheid met hen beiden, na de drie weken op San Stefano. Er was hier een rust, een komen tot zichzelve, die zalig was. Het hooge raam was opgetrokken en de warme lucht vloot weldadig in en temperde zich in de natuurlijke kilte van het noordelijke vertrek. Duco's ezel, leêg, stond in afwachting. Het was er hun thuis, tusschen al die kleur en vorm van kunst rondom haar heen. Zij begreep nu die kleur en vorm: zij leerde Rome. Zij leerde dat alles in den droom van haar geluk. Zij dacht weinig over de Vrouwenkwestie en de kritieken over haar brochure keek zij nauwlijks in en interesseerden haar weinig. Zij vond den engel van Lippo mooi, en zij vond mooi het tryptiekblad van Gentile da Fabriano en de flonkerkleuren der oude kazuifels. Het was wel heel weinig na de schatten van San Stefano, maar het was het hunne en hun home. Zij sprak niet meer, zij voelde zich tevreden, zij rustte uit aan Duco's borst, en hare vingers streelden zijn gezicht.

--De Banieren zijn zoo goed als verkocht, zeide hij: voor negentig pond. Ik zal van middag telegrafeeren naar Londen ... En dan kunnen we gauw den prins die duizend lire teruggeven.

--Het is het geld van Urania, zeide zij zwakjes.

--Maar ik wil die schuld niet langer hebben ...

Zij voelde, dat hij een beetje boos was, maar zij was in geen stemming om over geldzaken te praten, en een zalige loomte doorvloeide haar aan zijn borst....

Ben je boos, Duco?

--Neen ... maar je hadt het niet moeten doen....

Hij nam haar vaster tegen zich aan, om haar te laten voelen, dat hij niet op haar brommen wilde, al vond hij, dat zij verkeerd had gehandeld. Zij vond, dat zij goed had gehandeld om hem niet te spreken over de duizend lire, maar zij verdedigde zich niet. Het zouden nuttelooze woorden zijn en zij voelde zich te tevreden, om over geld te praten.

--Cornélie, zeide hij; laten wij trouwen....

Zij zag hem aan, verschrikt, opgeschrikt uit hare zaligheid.

--Waarom?

--Niet om onszelven. Wij zijn even gelukkig, niet getrouwd. Maar om de wereld, de menschen.

--Om de wereld, de menschen?

--Ja; wij zullen ons hoe langer hoe meer geizoleerd gaan voelen. Ik heb er wel eens met Urania over gesproken. Zij had er veel verdriet over, maar zij tolereerde ons.... Zij vond het een onmogelijke verhouding. Zij heeft misschien gelijk. Wij kunnen nergens komen. Op San Stefano deed men nog of men niet wist, dat wij samen woonden. Dat is nu uit....

--Wat kan je schelen de opinie van "kleine onverschillige menschen, die bij toeval je pad kruisen", zooals je zegt....

--Dat is nu niet meer zoo: aan den prins zijn wij geld schuldig en Urania is de eenige vriendin, die je hebt....

--Ik heb jou: ik heb niemand noodig.

Hij kuste haar.

--Heusch, Cornélie, het is beter, dat wij trouwen. Dan zal niemand je meer beleedigen kunnen als de prins je heeft durven doen.

--Hij heeft bekrompen ideeën: hoe kan je willen trouwen om wereld en menschen als San Stefano en den prins.

--De geheele wereld is zoo en wij zijn in de wereld. Wij leven te midden van andere menschen. Het is onmogelijk zich geheel te izoleeren en izolement straft zichzelve later. Wij moeten ons aansluiten bij andere menschen: het is onmogelijk altijd op je eigen te bestaan, zonder eenig gemeenschapsgevoel.

--Duco, ik herken je niet meer: het zijn zulke maatschappelijke ideeën.

--Ik heb meer nagedacht in den laatsten tijd.

--Ik verleer juist na te denken.... Mijn lieveling, wat ben je ernstig van morgen. En dat terwijl ik zoo heerlijk tegen je aanlig, om uit te rusten van al die emotie, en die warme reis.

--Heusch Cornélie, laten wij trouwen....

Zij schuurde een weinig nerveus tegen hem aan, ontevreden, dat hij doorging en met geweld haar zalige stemming vernielde....

--Je bent een akelige jongen. Waarom moeten wij trouwen. Het zoû niets aan onzen toestand veranderen. Wij zouden ons toch niet met andere menschen bemoeien. Wij leven zoo heerlijk hier, in je kunst. Wij hebben niets anders noodig dan elkaâr, en je kunst en Rome. Ik hoû nu zoo veel van Rome: ik ben heelemaal veranderd. Er is hier iets wat mij telkens weêr aantrekt. Op San Stefano had ik heimwee naar Rome en ons atelier. Je moet weêr een ander motief zoeken--om aan het werk te gaan. Als je niets doet, dan denk je na ... in een maatschappelijke richting ... en dat is niets voor jou. Ik herken je zoo niet. En zoo klein maatschappelijk nog. Om te trouwen! In Godsnaam waarom, Duco? Je kent mijn ideeën over het huwelijk. Ik heb mijn ondervinding: het is beter van niet....

Zij was opgestaan en werktuigelijk zocht zij in een portefeuille tusschen half-affe schetsen.

--Je, ondervinding ... herhaalde hij. Wij kennen elkaâr te goed om voor iets bang te zijn.

Zij trok de schetsen uit de portefeuile: het waren de ideeën, die bij hem opgeschoten waren en die hij had aangeteekend, terwijl hij werkte aan de Banieren. Zij zag ze na en strooide ze uit.

--Bang te zijn? herhaalde zij vaag. Neen, hernam zij plotseling vaster. Een mensch kent zich en een ander nooit. Ik ken je niet, ik ken mijzelf niet.

Iets waarschuwde haar in het diepst van zich: trouw niet, geef hem niet toe. Het is beter van niet, het is beter van niet.... Het was nauwlijks een fluisterende zweeming van waarschuwend voorgevoel, het was onuitgedacht, onbewust en zielediep geheimzinnig. Want zij was het zich niet bewust, zij dacht het niet, zij hoorde het nauwlijks in zich. Het ging door haar heen en het was geen gevoel en het liet alleen achter een tegenwerkende onwil in haar, zeer duidelijk.... Pas jaren later zoû zij dien onwil begrijpen....

--Neen Duco, het is beter van niet....

--Denk er nu eens over na, Cornélie.

--Het is beter van niet, herhaalde zij star. Toe, laat ons er niet meer over spreken. Het is beter van niet, maar ik vind het zoo akelig het je te weigeren, omdat jij het verlangt. Ik weiger je anders nooit iets. Ik zoû anders alles voor je willen doen. Maar dit voel ik zoo: het ... is beter ... van niet!

Zij kwam als eéne liefkoozing naar hem toe en omhelsde hem.

--Vraag het mij niet meer. Wat een wolk op je gezicht! Ik zie, dat je er nog altijd over denken zult.

Zij streelde over zijn voorhoofd als om zijn rimpels weg te vegen.

--Denk er niet meer over na. Ik hoû van je, ik hoû van je! Ik wil niets anders dan jou.... Ik ben gelukkig, zooals wij zijn. Waarom jij ook niet? Omdat Gilio grof is geweest en Urania "prim?" Kom je schetsen eens bezien. Ga je gauw aan het werk? Ik vind het heerlijk als je werkt. Dan ga ik weêr wat schrijven: een causerie over een oud Italiaansch kasteel. Mijn souvenirs van San Stefano. Misschien wel een novelle en de pergola als achtergrond. O, die mooie pergola.... Maar gisteren, dat mes! Zeg Duco, ga je weêr werken? Laten wij samen eens zien. Wat had je toen veel ideeën! Maar word niet te symbolistisch: ik meen, krijg niet die trucs, die repetities van je eigen.... Die vrouw hier, die is wel mooi.... Ze loopt zoo in onbewust-zijn die hellende lijn af en die duwende handen om haar heen, en die roode bloemen in den afgrond.... Zeg Duco, wat meende je er meê?

--Ik weet niet: het was mezelf niet heel duidelijk....

--Ik vind het wel mooi, maar ik hoû niet van die schets. Ik weet niet waarom. Ik vind er iets akeligs in. Ik vind die vrouw dom. Ik hoû niet van die hellende lijnen: ik hoû van opgaande lijnen, als in de Banieren. Dat vloeide alles uit den nacht naar boven, naar de zon! Wat was dat mooi! Hoe jammer, dat wij het nu niet meer hebben, dat het verkocht wordt. Als ik schilder was, zoû ik nooit wat kunnen verkoopen. Ik zal de schetsen ervan bewaren, als souvenir. Vindt je het niet vreeslijk, dat wij het niet meer hebben...?

Hij beaamde het: hij miste ook zijn Banieren: hij had ze lief. En hij zocht met haar tusschen de andere studiën en schetsen. Maar behalve de onbewuste vrouw was er niets onder, dat hem duidelijk genoeg was, om uit te werken. En Cornélie wilde niet, dat hij de onbewuste vrouw afmaakte: neen, ze hield niet van die hellende lijnen.... Maar toen vond hij nog schetsen van landschapsstudiën, van wolken en luchten, over de Campagna, Venetië en Napels.

En hij zette zich aan het werk.

XLII.

Zij waren heel zuinig, zij hadden eenig geld en de maanden droomden voorbij, in den blakenden zomer van Rome. Zij leefden hun vereenzaamd geluksleven voort, zonder iemand anders te zien dan Urania, die een enkelen keer in Rome kwam, hen opzocht, bij hen déjeuneerde in het atelier en 's avonds weêr vertrok. Toen schreef Urania hen, dat Gilio het niet meer uithield te San Stefano, en dat zij op reis gingen, eerst naar Zwitserland, later naar Ostende. Zij kwam nog eenmaal om afscheid te nemen, en toen zagen zij niemand meer.

Vroeger had Duco nog wel eens gekend een enkelen artist, een schilder-landgenoot in Rome: nu kende hij niemand meer, nu zag hij niemand. En hun leven in het koele atelier was als een eenzaam oaze-bestaan te midden van de zonwoestijn van Rome, in Augustus. Zij gingen niet de bergen in, naar een koelere plaats, voor de zuinigheid. Zij gaven niet meer uit dan het allerhoogst noodzakelijke en hunne bohême-armoede was toch geluk in hun decor van tryptiek- en kazuifelkleuren.

Het geld echter bleef schaarsch. Duce verkocht eens een enkele aquarel, maar soms moesten zij wel eens hun toevlucht nemen tot het verkoopen van een bibelot. En het ging Duco altijd zeer aan het hart te scheiden van iets, dat hij verzameld had. Zij hadden weinig behoeften, maar soms moest de huur van het atelier worden betaald. Cornélie schreef soms een brief, een schets, en kocht ervan wat zij noodig had voor haar toilet. Zij had een zekeren chic van dragen, een talent er elegant uit te zien in een oude versleten blouse. Zij was coquet op haar haar, op haar huid, op haar tanden, op haar nagels. Met een nieuwe voile droeg zij een ouden hoed; met een oude wandeljapon, een paar frissche handschoenen, en zij droeg alles met coquetterie. Thuis, in haar rozen peignoir, die geen kleur meer had, had zij een lijn van zoo groote bevalligheid, dat Duco haar telkens schetste. Zij gingen bijna nooit meer naar een restauratie. Cornélie kookte thuis wat, verzon gemakkelijke recepten, haalde een fiasco wijn in de eerste de beste "Olio e vino" waar de koetsiers aan tafeltjes zaten te drinken, en zij aten thuis lekkerder en goedkooper dan in de osteria. En Duco, nu hij niet meer kocht bij de antiquaires aan den Tiber, gaf niets uit. Maar het geld bleef schaarsch. Toen zij eens een zilveren crucifix hadden verkocht, voor veel te weinig geld, was Cornélie zoo ontmoedigd, dat zij snikte aan Duco's borst. Hij troostte haar, streelde heur haar en verklaarde, dat hij niet veel om het crucifix gaf. Maar zij wist, dat het crucifix een heel mooi werk was van een onbekende uit de zestiende eeuw, en dat hij er veel leed van had het niet meer te bezitten. En ernstig zeide zij hem, dat het zoo niet langer kon gaan, dat zij hem, niet tot lastpost kon wezen, en dat zij maar scheiden moesten: dat zij iets zoeken zoû, naar Holland terug zoû gaan.... Hij schrikte van haar wanhoop, en zei, dat het niet hoefde, dat hij wel voor haar zorgen kon, als voor zijn vrouw, maar dat hij nu eenmaal zoo een onpractische jongen was, die niets anders kon dan een beetje kladderen, en niet eens genoeg om er van te leven. Maar zij zeide, dat hij zoo niet spreken mocht, dat hij een groot artist was, die niet had een geldmakende, gemakkelijke vruchtbaarheid, maar daarom des te hooger stond. Zij zeide, dat zij niet van zijn geld wilde leven, dat zij voor zichzelve wilde zorgen. En zij verzamelde de verwaaide resten van hare feministische ideeën. Nog eens vroeg hij haar toe te staan in een huwelijk: zij zouden zich verzoenen met zijn moeder en mevrouw Van der Staal zoû hem weêr geven wat zij hem vroeger gaf, toen hij nog met zijn moeder bij Belloni woonde. Maar zij wilde ten eerste van geen huwelijk weten en ten tweede van geen onderstand van zijn moeder, evenmin als hij geld van Urania wilde. Hoe dikwijls had Urania hun niet haar hulp geboden! Hij had nooit gewild: hij was zelfs boos geweest, toen Urania een blouse aan Cornélie had gegeven, en zij die met een zoen had aangenomen. Neen, het ging niet langer: zij moesten maar scheiden: zij zoû naar Holland terug, iets zoeken. Het was gemakkelijker in Holland dan in den vreemde.... Maar hij was zoo wanhopig, om hun geluk, dat wankelde voor zijn oogen, dat hij haar vasthield aan zijn borst, en ook zij snikte, de armen om zijn hals. Waarom scheiden? vroeg hij. Zij zouden sterker te zamen zijn. Hij kon niet meer buiten haar, zijn leven zoû zonder haar geen leven zijn. Hij leefde vroeger in zijn droom, hij leefde nu in de werkelijkheid van hun geluk.

En het bleef er bij: zij _konden_ niets veranderen, zij leefden zoo gierig mogelijk, om bij elkaâr te blijven. Hij werkte zijn landschappen af, die hij altijd verkocht, maar hij verkocht ze dadelijk, voor veel te weinig geld, om maar niet behoeven te wachten. Maar toen dreigde weêr het gebrek en zij dacht er over naar Holland te schrijven. Juist echter ontving zij een brief van hare moeder, daarna een brief van eene harer zusters. En zij vroegen haar in die brieven of het waar was, wat men vertelde in Den Haag, dat zij leefde met Van der Staal. Zij had zich altijd zoover beschouwd van Den Haag en de Haagsche menschen, dat zij er nooit over had gedacht, dat haar leven bekend kon worden. Zij sprak zoo niemand, zij kende zoo niemand met Hollandsche relaties.... Hoe dan ook, hare onafhankelijkheid was nu bekend. En zij beantwoordde die brieven in een feministischen toon: zeide hare antipathie tegen het huwelijk, bekende, dat zij leefde met Van der Staal. Zij schreef koel en zakelijk, om in Den Haag indruk te maken als vrije vrouw. Men kende er natuurlijk hare brochure. Maar zij begreep, dat zij nu aan Holland niet meer kon denken. Ze schreef hare familie af. Het scheurde toch nog iets in haar, het onbewuste van familieband. Maar de band was reeds zoo los, door te weinig sympathie, vooral in de dagen van haar scheiding. En zij voelde zich geheel alleen: zij had alleen haar geluk, hare liefde, Duco. O, het was genoeg, het was genoeg voor heel haar leven. Als zij alleen maar geld verdienen kon! Maar hoe? Zij ging naar den Hollandschen consul: zij vroeg hem raad: het gaf niets. Voor liefdezuster was zij ongeschikt: zij wilde dadelijk verdienen en studeeren kon zij niet. In een winkel staan, dat kon zij. En zij bood zich aan, zonder Duco er iets van te zeggen, maar niettegenstaande haar versleten manteltje, vond men haar overal te veel dame, en vond zij het salaris te weinig voor een heelen dag arbeid. En toen zij voelde, dat zij het niet in haar bloed had te werken voor haar brood, trots al hare ideeën, al hare logiek, trots hare brochure en haar vrije-vrouwschap, voelde zij zich radeloos tot wanhoop toe, en terwijl zij naar huis ging, moê, afgebeuld door trappenklimmen en nuttelooze gesprekken van sollicitatie, kwam de oude klacht op hare lippen:

--O God, zèg mij, wat ik doen moet...!!

XLIII.

Urania schreef zij geregeld, naar Zwitserland, naar Ostende, en Urania schreef altijd zoo lief terug en bood hare hulp aan. Maar Cornélie weerde steeds af, bang nu Duco er meê te kwetsen. Zij, voor zich, voelde grootere gemakkelijkheid, vooral nu het tot haar kwam, dat zij toch niet werken kon. Maar zij begreep het in Duco en eerbiedigde het. Voor zich had zij echter aangenomen, nu hare fierheid toch wankelde, nu hare ideeën in-een stortten, te zwak voor den stadigen druk van het steenharde leven. Het was als een groote vinger, die even langs huisjes van kaarten ging: met zorg en trots opgebouwd, viel alles plat neêr bij de minste beroering. Alleen vast bleef staan hare liefde en haar geluk, onwankelbaar te midden der ruïne. O, wat had zij hem lief, hoe eenvoudig waar was hun geluk! Wat was hij haar dierbaar, om zijn zachtheid, om zijne kalmte, zijn gemis aan drift, of zijne zenuwen zich alleen maar gespannen hadden tot het fijner voelen van kunst. Zij voelde zoo heerlijk, dat het onverstoorbaar was, gevonden voor altijd. Zonder dat geluk hadden zij ook nooit van dag tot dag hun moeilijke leven kunnen sleepen. Nu voelden zij die zwaarte niet dagelijks, als trokken zij samen den last, van den eenen dag op den anderen, voort. Nu voelden zij die zwaarte maar soms, als de volgende dag geheel duister was en zij niet wisten waar zij hun levenslast sleepten, in het donkere van die toekomst. Maar zij overwonnen altijd weêr: zij hadden elkaâr te lief om bij den last in-een te zinken. Zij vonden altijd weêr wat moed: glimlachend steunden zij elkanders kracht.

Het werd September, Oktober, en Urania schreef, dat zij terugkwamen te San Stefano en er een paar maanden blijven zouden, voor zij dien winter naar Nice gingen. En op een morgen, onverwachts, kwam Urania in het atelier. Zij vond Cornélie alleen: Duco was naar een kunstkooper. Zij begroetten elkander heel innig.

--Ik ben zoo blij je terug te zien! babbelde Urania vroolijk. Ik ben blij weêr in Italië te zijn en nog een tijd te San Stefano te blijven. En hier is alles als het was, in jullie gezellig atelier? Je bent gelukkig? O, ik behoef het niet te vragen...!

En uitbundig, als een kind, omhelsde zij Cornélie, nooit kracht vindende af te keuren het al te vrije leven van hare vriendin, en vooral niet nu, na haar eigen zomer te Ostende... Zij zaten naast elkaâr op den divan, Cornélie in haar ouden peignoir, dien zij droeg met hare geheel eigen gratie, en de jonge prinses in haar lichtgrijs tailorpak, dat zeer nieuwerwetsch plakte om hare vormen, ruischend van zwaar zijden voering, met haar hoed van zilverpailletten en zwarte veêren, hare bejuweelde vingers, spelende met een zeer langen horlogeketting, die zij droeg om den hals: de laatste mode-nieuwigheid. Cornélie kon bewonderen zonder ijverzucht en zij liet Urania opstaan, draaien voor haar heen, vond den snit van haar rok mooi; zei, dat haar hoed haar allerliefst stond en bekeek met aandacht de ketting. En zij verdiepte zich in die chiffons: Urania beschreef toiletten van Ostende ... en Urania bewonderde Cornélie's ouden peignoir. Cornélie lachte. Na Ostende vooral, niet waar? lachte zij vroolijk. Maar Urania, ernstig, meende het: Cornélie droeg dat met een chic! En van topic veranderend, zeide zij, dat zij heel ernstig spreken wilde. Dat zij misschien iets voor Cornélie wist, nu deze nooit haar--Urania's --hulp wilde aannemen. In Ostende had zij kennis gemaakt met een oude Amerikaansche dame, Mrs. Uxeley, een type. Zij was negentig jaar en woonde 's winters in Nice. Zij was schat- en schatrijk: een petroleum-koninginne-vermogen. Zij was negentig, maar deed nog steeds of zij vijf-en-veertig was. Zij ging uit, kwam in de wereld, coquetteerde. Men lachte haar uit, maar men accepteerde haar, om haar geld en haar prachtige feesten. In Nice kwam de geheele cosmopolitische kolonie ten harent. Urania haalde een casino-blaadje van Ostende te voorschijn en las voor een journalistisch mededeelinkje over een bal in Ostende, waarin Mrs. Uxeley genoemd werd: la femme la plus élégante d'Ostende. De journalist had daar item zooveel voor gekregen, de geheele wereld lachte er om en amuzeerde zich. Mrs. Uxeley was een karikatuur, maar met genoeg tact om als ernst aangenomen te worden. Nu, en Mrs. Uxeley zocht iemand. Zij had altijd bij zich een dame, een jong meisje, een jonge vrouw, als gezelschap, en tallooze dames hadden elkaâr al bij haar afgewisseld. Zij had nichten bij zich gehad, verre nichten, heel verre nichten en geheel vreemden. Zij was lastig, capricieus, onmogelijk: het was algemeen bekend. Wilde Cornélie het eens probeeren? Urania had er al met Mrs. Uxeley over gesproken en hare vriendin gerecommandeerd. Cornélie vond het niet erg aanlokkelijk. Maar er was over te denken. Mrs. Uxeley's gezelschapsdame bleef tot November, tot "the old thing" over Parijs naar Nice terugging. En in Nice zouden zij elkaâr veel zien, Cornélie en Urania. Maar Cornélie vond het vreeslijk Duco te verlaten. Zij dacht, dat het nooit gaan zoû Zij hielden zoo van elkaâr, zij waren zoo aan elkaâr gewend. Finantieel zoû het alles heel goed zijn--een gemakkelijk leven, dat haar toelachte na dien knak harer moreele fierheid--maar zij kon er niet aan denken Duco te verlaten. En wat zoû Duco in Nice doen! Neen, zij kon, zij kon niet: zij bleef bij hem.... Zij voelde een onwil te gaan, als een hand, die haar tegenhield. Zij zei Urania de oude dame maar af te schrijven, iemand anders te zoeken. Zij kon niet. Wat had zij aan zulk een leven--afhankelijk, maar finantieel onafhankelijk--zonder Duco! En toen Urania weg was--zij ging door naar San Stefano--was Cornélie blij, dadelijk geweigerd te hebben dit domme gemakkelijke afhankelijke leven van dame-de-compagnie bij een oude rijke toot. Zij zag rond in het atelier. Zij had het lief met zijne mooie kleuren, zijn edele oude dingen, en achter dat gordijn haar bed, achter dat schutsel haar petroleumstel, als een keukentje. Het was, in zijn bohême van kostbare bibelots en zeer primitief comfort, haar onmisbaar geworden, haar home. En toen Duco thuis kwam, en zij hem omhelsde, vertelde zij hem van Urania en Mrs. Uxeley, blij te kunnen nestelen tegen hem aan. Hij had een paar aquarellen verkocht. Er was totaal geen reden hem te verlaten. Hij wilde het ook niet, hij zoû het nooit willen. En zij hielden elkaâr vast omhelsd, als voelden zij iets, dat hen zoû kunnen scheiden, een onafwendbare noodzakelijkheid, of handen zweefden rondom hen heen, hen duwende, hen leidende, hen tegenhoudende en verdedigende, een strijd van handen, als een wolk om hen beiden; handen, die met geweld zochten te splitsen hun glinstere levenslijn, hun samengesmolten levenslijn, als was die te smal voor hunne beider voeten, en de handen ze wringen zouden uiteen, om in twee spiralen de groote lijn uiteen te laten slingeren. Zij zeiden niets: in elkanders armen zagen zij het leven aan, huiverden zij voor de handen, voelden zij het naderen van den dwang, die al dichter wolkte om hen heen. Maar zij voelden zich warm tegen elkaâr: nauw in hunne omhelzing sloten zij hun klein geluk, verborgen zij het tusschen henbeiden in, opdat de handen het niet zouden aanwijzen, beroeren, duwen....