Langs lijnen van geleidelijkheid
Part 14
--Een week! fluisterde zij. Een volle week, dat ik je niet gezien heb, Duco, mijn lieveling! Ik kan niet zoo lang zonder je. Bij alles wat ik dacht en zag, en bewonderde, dacht ik aan jou, hoe mooi je het hier zoû vinden. Je bent hier wel eens geweest, als toerist. O, dat is niet het zelfde. Het is hier juist zoo mooi om te blijven, om niet door te loopen, maar om te blijven. Dat meer, die Dom, die heuvels! Die zalen binnen. Verwaarloosd maar zoo mooi. De drie hoven zijn vervallen, de fonteinen brokkelen in elkaâr Maar de stijl van de atrio, de somberheid van de eetzaal, de poëzie van deze pergola ... Duco, is die pergola niet als een antieke ode? We hebben samen wel eens Horatius gelezen, jij vertaalde me de verzen zoo mooi, je improvizeerde zoo heerlijk! Wat ben je toch knap, je weet zoo veel, je voelt zoo mooi. Ik hoû van je oogen, van je stem, en van je heelemaal, van allemaal wat jou is ... ik kan het niet zeggen, Duco. Ik heb mij langzamerhand gewonnen gegeven aan elk woord van je, aan ieder gevoel van je, aan je liefde voor Rome, aan je liefde voor muzea, aan de manier, waarop je die luchten ziet, die je op je aquarellen wascht. Je bent zoo heerlijk kalm, bijna als dit meer. O, lach niet, weer me niet af: ik heb je in geen week gezien, ik heb behoefte zoo eens tegen je te spreken. Is het overdreven? Ik voel hier ook niet gewoon, er is iets in die lucht, in dat licht, dat me zoo laat spreken. Het is zoo mooi, dat ik bijna niet gelooven kan, dat het gewoon leven, gewone realiteit is.... Herinner je te Sorrento op het terras van het hôtel, toen we over de zee uitkeken, over die parelen zee, met Napels zoo wit ver af, toen heb ik zoo gevoeld, maar toen dorst ik zoo niet spreken: het was 's morgens, er waren menschen om ons heen, die wij wel niet zagen, maar die ons zagen en die ik om mij heen vermoedde: maar nu zijn wij alleen, en nu wil ik het je zeggen, in je armen, aan je borst: ik ben zoo gelukkig! Ik hoû zoo van jou! Ik voel mijn ziel, al mijn mooiste voor jou! Je lacht, maar je gelooft me niet. Toch? Geloof je me?
--Ja, ik geloof je, ik lach niet om je, ik lach zoo maar.... Ja, het is hier mooi.... Ik ook, ik voel mij zoo gelukkig. Ik ben zoo gelukkig om jou en om mijn kunst. Je hebt me werken geleerd, je hebt mij opgewekt uit mijn droomen! Ik ben zoo gelukkig om de Banieren: ik heb brieven uit Londen: ik zal je ze morgen laten lezen. Ik heb alles aan jou te danken. Het is bijna niet te gelooven, dat dit gewoon leven is. Ik heb het ook zoo stil gehad in Rome. Ik zag niemand, ik werkte maar wat--maar niet veel; en ik at in de osteria alleen. De twee Italianen, je weet wel, hadden, geloof ik, medelijden met me. O, het was een vreeslijke week. Ik kan niet meer buiten je. Herinner je je onze eerste wandelingen en gesprekken in Borghese, en op den Palatijn? Wat waren we toen nog vreemd aan elkaâr, zoo niet samengevoegd. Maar ik voelde het, geloof ik, dadelijk, dat het mooi zoû worden tusschen ons....
Zij zweeg, en bleef aan zijn borst. De krekel knerpte weêr als met een langen triller. Maar verder sliep alles....
--Tusschen ons.... herhaalde ze als in koorts, en ze omhelsde hem geheel.
De geheele nacht sliep, en terwijl zij hun leven ademden in elkanders armen, torsten boven hunne hoofden de betooverde karyatiden--faunen en nimfen--slapende het bladerdak der pergola, tusschen hen en de met starren bepoeierde lucht.
XXXVIII.
Gilio vond de villegiatura op San Stefano verschrikkelijk. Hij moest iederen morgen om zes uur reeds klaar zijn om met prins Ercole, Urania en de marchesa de mis bij te wonen, die de kapelaan in de slotkapel bediende. Daarna wist hij met zijn tijd geen raad. Hij was een paar malen gaan fietsen met Bob Hope, maar de jonge Far Wester was hem te energisch, even als zijne zuster, Urania. Hij flirtte en redetwistte wat met Cornélie, maar in stilte was hij nog steeds beleedigd, en boos op zichzelven en op haar. Hij herinnerde zich haar eerste komst op dien avond, in het Palazzo Ruspoli; toen zij zijn rendez-vous met Urania was komen storen. En in de gouden camera dei sposi was zij hem voor de tweede maal te sterk geweest! Hij ziedde als hij er aan dacht, en hij haatte haar, en hij zwoer zijn groote goden wraak te zullen nemen. Hij vloekte zijn eigen weifelmoedigheid. Hij was te zwak om woest te dwingen en hij had nooit behoeven te dwingen: hij was gewoon, dat men hem toegaf. En van haar, die Hollandsche, moest hij hooren over zijn temperament, dat niet beantwoordde aan het hare! Wat zat er in die vrouw? Wat meende zij er meê? Hij was zoo weinig gewoon te denken, hij was zoo een gedachteloos kind van de gemakkelijke natuur van Italië, zoo gewoon zich te laten leven naar zijn gril en impulsie, dat hij haar nauwlijks begreep,--ofschoon hij den zin van haar woorden vermoedde,-- nauwlijks begreep die terughoudendheid. Waarom zoo tegenover hem, de vreemde vrouw met hare nieuwe ideeën van den duivel; die zich niet stoorde aan de wereld, die niets van huwelijk weten wilde, die met een schilder leefde, als zijn maîtresse! Zij had geen godsdienst, en geen moraal--_hij_ wist van godsdienst en van moraal--zij was des duivels; demonisch was zij: wist zij niet alles van de manoeuvres van tante Lucia Belloni, en had tante Lucia hem niet dezer dagen gewaarschuwd, dat zij gevaarlijk was, demonisch, des duivels! Zij was een heks! Waarom wilde zij niet? Had hij niet gisteren nacht door den cour haar silhouet zien gaan in den maneschijn, duidelijk naast de figuur van Van der Staal, en had hij hen niet zien openen de deur van het terras der pergola? En had hij niet éen uur, twee uur, slapeloos gewacht, tot hij ze had zien keeren, sluitende de deur weêr achter zich? En waarom had zij lief alleen hèm, dien schilder? O, hij haatte hem met al de gloeiende haat van zijn ijverzucht, hij haatte haar, om hare uitsluitendheid, om hare minachting, om al hun scherts en flirt, als was hij een paljas, een clown! Wat vroeg hij? Een gunst van liefde zooals zij aan haar minnaar toestond! Hij vroeg niets ernstigs; geen eeden, geen levenslange banden: hij vroeg zoo weinig: een enkel uur van liefde. Het was van geen belang: hij had dat nooit van veel belang beschouwd. En zij, ze weigerde het hem. Neen, hij begreep haar niet, maar wel begreep hij, dat zij hem minachtte, en hij, hij haatte haar en hem. En toch was hij verliefd op haar met al de woede van zijn weêrstreefde passie. In de verveling dier villigiatura, waartoe zijn vrouw hem drong in haar nieuwe liefde voor hun vervallen uilennest, was hem zijn haat en de gedachte aan zijn wraak een bezigheid voor zijn leêge hersenen. Uiterlijk was hij de zelfde weêr als vroeger, en flirtte hij met Cornélie, en zelfs meer dan vroeger, om Van der Staal te plagen. En toen zijne nicht, de gravin di Rosavilla, zijn "witte" nicht--hofdame der koningin--hen voor enkele dagen kwam bezoeken, flirtte hij ook met haar, en poogde hij de ijverzucht van Cornélie te wekken, wat hem maar niet best gelukte, en troostte hij zich met de gravin. Zij stelde hem schadeloos voor zijn teleurstelling. Zij was geen jonge vrouw meer, maar zij had het koude, sculpturale Juno-type, een beetje dom: zij had de Juno-oogen, die puilden: zij was een der toongeefsters aan het Quirinaal en in de "witte" wereld, en haar galante reputatie was algemeen bekend. Zij had met Gilio nooit een liaison gehad, die langer duurde dan een uur. Zij had over de liefde eenvoudige ideeën, met weinig nuance. Vroolijk pervers amuzeerde zij Gilio. En flirtende in hoekjes, zijn voet op den hare, onder haar japon, vertelde Gilio haar van Cornélie, van Duco en van het avontuur in hunne camera dei sposi, en hij vroeg zijn nicht, of _zij_ begreep? Neen, de gravin di Rosavilla begreep ook niet zoo heel goed. Temperament? Ach ja, misschien hield zij--questa Cornelia,--meer van blond of bruin: er waren vrouwen, die deden keuze.... En Gilio lachte.... Het was zoo eenvoudig, l'amore, er was niet veel over te praten.
Cornélie was blij, dat Gilio de gravin had. Zij interesseerde zich met Duco, voor haar, Urania's, plannen; hij voerde gesprekken met den architekt. En Duco was verontwaardigd, en gaf den raad niet zooveel te verbouwen in die stijllooze restauratie-manier: het kostte hoopen met geld, en het bedierf alles.
Urania was uit het veld geslagen, maar Duco ging voort, brak den architect af, gaf den raad alleen bij te bouwen wat waarlijk stortte in elkaâr, maar zooveel mogelijk te stutten, te steunen en te behouden. En op een morgen verwaardigde zich prins Ercole met Duco, Urania en Cornélie de lange zalen af te loopen. Met alleen te onderhouden en geregeld--meende Duco--, met artistiek te schikken wat nu zonder gedachte op elkaâr stond gepakt, was al zoo veel te doen. De gordijnen? vroeg Urania. Laten, meende Duco: hoogstens nieuwe venstergordijnen, maar het oude roode Venetiaansche damast.... O laten, laten: het was zoo mooi: hier en daar, met veel zorg, kon het worden versteld. Hij schrikte van Urania's idee: nieuwe gordijnen! En de oude prins was verrukt, omdat de restauratie van San Stefano, op die manier, duizenden minder zoû kosten en artistieker zoû zijn: hij beschouwde het geld van zijne schoondochter als het zijne en had het nog liever dan haarzelve. Hij was verrukt: hij nam Duco meê naar zijn bibliotheek: hij toonde hem de oude missalen: de oude familieboeken en documenten, charters en schenkingen: hij toonde hem zijn munten en medailles. Het was alles verrommeld, verwaarloosd, eerst uit geldgebrek en toen uit onverschilligheid gekleinacht, maar nu wilde Urania, met geleerden uit Rome, Florence, Bologna, het familie-muzeum reorganizeeren. De oude prins voelde er wel voor, nu er weêr geld was. En de geleerden kwamen, verbleven op het kasteel, en heele morgens was Duco met hen bezig. Hij genoot. Hij leefde in zijne betoovering van verleden, niet meer in antieken tijd, maar in de middeneeuwen en Renaissance. De dagen waren te kort. En zijn liefde voor San Stefano werd zóó, dat eens een archivaris hem aanzag voor den jongen prins: den prins Virgilio. Aan het diner vertelde prins Ercole de anecdote. En allen lachten, maar Gilio vond de grap eenvoudig onbetaalbaar terwijl de archivaris, die meê aan tafel zat, niet wist hoe hij zich klein zoû maken in verontschuldiging.
XXXIX.
Gilio had den raad van zijne nicht, de gravin di Rosavilla, opgevolgd. Hij was dadelijk na den eten naar buiten geslopen, en hij liep de pergola af tot de rotonde, waarin het maanlicht viel, als in een witte schaal. Maar er was schaduw achter een paar karyatiden, en daar verborg hij zich. Hij wachtte een uur lang. Maar de nacht sliep, de karyatiden sliepen, roerloos staande en beurende het bladerdak. Hij vloekte en sloop naar binnen. Hij liep op de teenen de corridors af en luisterde aan de deur van Van der Staal. Hij hoorde niets, maar misschien sliep hij...?
Maar Gilio sloop verder een anderen corridor door, en luisterde aan de deur van Cornélie. Hij hield den adem in.... Jawel, er klonken stemmen. Zij waren samen! Samen!! Hij krampte de vuisten ineen en liep terug. Maar waarom wond hij zich op! Hij wist immers hunne verhouding. Waarom zouden zij hier niet samen komen. En hij klopte aan bij de gravin....
Den volgenden avond wachtte hij weêr bij de rotonde. Maar zij kwamen niet. Maar na enkele avonden, terwijl hij zat te wachten, zich verbijtend van ergernis, zag hij ze komen. Hij zag Duco de terraspoort achter zich sluiten: het slot knarste van verre, roestig. Langzaam zag hij ze aanloopen en naderen in het licht, vervagen in de schaduw, weêr uit komen in den maneschijn. Zij zetten zich op de marmeren bank.... Wat schenen zij gelukkig! Hij was jaloersch van hun geluk; jaloersch vooral van hem. En wat was zij zacht en teeder, zij, die hem, Gilio, maar goed genoeg vond voor amuzement, voor haar flirt: een clown: zij, de demonische vrouw, was engelachtig met wie zij lief had! Zij boog zich tot haar minnaar met een glimlachende liefkoozing, met een ombuiging van haren arm, met een naderen van hare lippen, met iets innig omstrikkends, met zoo een fluweelen loomte van liefde, als hij niet vermoed had in haar, met haar kouden flirtscherts tegen hem, Gilio. Zij leunde nu tegen Duco's arm, aan zijn borst, haar gezicht tegen het zijne.... O, haar zoen, nu, hoe zette hij Gilio in woede en vlam! Dat was niet meer hare ijskoude zinnen-onverschilligheid tegenover hem, Gilio, in de camera dei sposi! En hij kon zich niet langer inhouden: hij zoû hun dit oogenblik van hun geluk ten minste verstoren. En trillend in zijn zenuwen, kwam hij te voorschijn van achter de karyatide, en liep door de rotonde hen tegemoet. Zij zagen hem niet dadelijk, verloren in elkanders oogen.... Maar eensklaps schrikten zij, beiden tegelijk; de omhelzing van hunne armen viel plotseling, zij stonden in éene beweging op, zij zagen hem aankomen, hem klaarblijkelijk niet dadelijk herkennende. Pas toen hij vlak bij was, herkenden zij hem, en zagen, opgeschrikt, hem zwijgende aan, wat hij zeggen zoû. Hij boog ironisch.
--Een heerlijke avond, niet waar? Het uitzicht is mooi, zoo in den nacht, van de pergola af. U heeft gelijk hier eens te komen profiteeren. Ik hoop, dat ik u niet stoor met mijn onverwacht gezelschap!
Zijn trillende stem was zoo kwaadaardig twistzoekend, dat zij niet konden twijfelen aan zijn hevige ontstemming.
--Zeker niet, prins! antwoordde Cornélie, zich herstellende. Hoewel het mij verbaast, wat u hier doet, op dit uur.
--En wat doet u hier, op dit uur?
--Wat ik hier doe? Ik zit hier met Van der Staal....
--Op dit uur?
--Op dit uur! Wat meent u, prins, wat bedoelt u?
--Wat ik bedoel? Dat 's nachts de pergola gesloten is.
--Prins, zeide Duco; uw toon bevalt mij niet.
--En u bevalt mij heelemaal niet....
--Als u niet mijn gastheer was, gaf ik u een klap in uw gezicht....
Cornélie hield Duco's arm tegen: de prins vloekte en balde de vuisten.
--Prins, sprak zij. Het is klaarblijkelijk, dat u een scène met ons zoekt. Waarom? Wat heeft u er tegen, dat ik Van der Staal 's avonds hier ontmoet. Ten eerste is onze verhouding geen geheim voor u. En dan dunkt het mij onwaardig voor u ons hier te komen bespieden.
--Onwaardig? Onwaardig?--Hij was onmachtig zich meer te beheerschen.--Onwaardig ben ik, en klein, en grof, en geen man, en ik heb geen temperament, dat je aanstaat? Zijn temperament staat je wel aan, niet waar! Ik heb je zoen hooren klinken. Duivelin! Duivelin! Demon! Niemand heeft me zoo beleedigd als jij. Van niemand heb ik mij al zooveel laten welgevallen. Ik laat het mij niet langer! Jij, je hebt me geslagen, demon, duivelin! Hij, hij dreigt me met een slag. Mijn geduld is ten einde. Ik kan het niet verdragen, in mijn eigen huis, dat je mij weigert, wat je hem geeft.... Hij is niet je man! Hij is niet je man! Ik kan evenveel recht hebben als hij, en rekent hij uit, dat hij meer recht heeft dan ik, dan haàt ik hem!...
En hij vloog Duco aan, naar de keel, blind van woede. De aanval was zoo onverwacht, dat Duco struikelde. Zij worstelden samen, beiden razend. Al hunne verborgen antipathie sloeg uit als razernij. Zij hoorden niet Cornélie's smeeken, zij sloegen elkaâr met de vuist, zij omstrengelden elkanders beenen en armen, borst geperst aan borst. Toen zag Cornélie iets flikkeren. In het licht zag zij, dat de prins een mes trok. Maar zijn beweging zelve was een voordeel voor Duco, die zijn pols als in ijzer vastgreep en hem dwong op den grond, de knie stijf drukte op Gilio's borst en met de andere hand hem zijn keel omklemde.
--Laat los! krijschte de prins.
--Laat dat mes los! krijschte Duco.
De prins, onwillig, hield vol.
--Laat los! krijschte hij nog eens.
--Laat dat mes los Het mes viel uit zijn vingers. Duco greep het en stond op.
--Sta op! zeide hij. Wij kunnen, wanneer u wil, dit gevecht op minder primitieve manier morgen vervolgen. Niet meer met een mes, maar met degen of pistool.
De prins was opgestaan. Hij hijgde, blauw.... Hij kwam tot zichzelven.
--Neen, zei hij, langzaam. Ik wil niet duelleeren. Tenzij jij het wilt. Maar ik wil niet. Ik ben overwonnen.... Er is in haar een demonische kracht, die je altijd zoû laten winnen, welk spel wij ook speelden. Wij hebben al geduelleerd. Deze strijd zegt mij meer dan een geregeld duel. Alleen als jij het wenscht, heb ik er niets op tegen. Maar ik weet nu zeker, dat je me zoû dooden. _Zij_ beschermt je....
--Ik wensch geen duel, zei Duco.
Laat ons dan dezen strijd als een duel beschouwen, en geef mij nu een hand ... Duco strekte de hand. Gilio drukte die.
--Vergeef mij, zeide hij, neêrbuigend tot Cornélie; ik heb u beleedigd....
--Neen, zeide zij. Ik vergeef u niet.
--Wij hebben elkaâr te vergeven. Ik vergeef u uw slag.
--Ik vergeef u niets. Ik vergeef u dezen avond nooit, niet uw spionneeren, niet uw gebrek aan zelfbeheersching, niet uw recht, dat u op mij, ongetrouwde vrouw, meent te kunnen laten gelden, terwijl ik u geen recht geef, niet uw aanval, en niet uw mes.
--Wij zijn dus vijanden, voor altijd?
--Ja, voor altijd. Ik verlaat morgen uw huis....
--Ik heb verkeerd gehandeld, bekende hij nederig. Vergeef mij. Mijn bloed is hevig.
--Ik heb u totnogtoe gekend als een heer....
--Ik ben ook nog een Italiaan.
--Ik vergeef u niet.
--Ik heb u wel eens bewezen, dat ik een goed vriend kon zijn.
--Het is geen oogenblik het mij te herinneren.
--Ik herinner u alles, wat u zachter voor mij zoû kunnen stemmen.
--Dat is alles te vergeefs.
--Dus vijanden?
--Ja. Laat ons naar binnen gaan. Ik verlaat morgen uw huis....
--Ik wil alle boete doen, die u mij oplegt.
--Ik leg niets op. Ik wil dit gesprek eindigen en ik wil naar huis.
--Ik zal u voorgaan....
Hij deed zoo. Zij liepen de pergola af. Hij opende zelve de terraspoort en liet hen het eerst binnen.
Zij begaven zich zwijgend naar hunne kamers.
Het kasteel sliep in duister. De prins lichtte bij met een lucifer. Duco was het eerst bij zijn vertrek.
--Ik zal u verder bijlichten, sprak de prins nederig.
Hij vergezelde nog, met een tweede lucifer, Cornélie tot haar deur. Daar viel hij op zijn knieën.
--Vergeef mij, fluisterde hij met een snik in zijn keel.
--Neen, zeide zij.
En zonder meer sloot zij de deur achter zich. Hij bleef nog een oogenblik zoo geknield. Toen stond hij langzaam op. Zijn hals deed hem pijn. Zijn schouder voelde als ontwricht.
--Het is uit, mompelde hij. Ik ben overwonnen. Zij is nu sterker dan ik, maar niet omdat zij een duivel is. Ik heb ze samen gezien.... Ik heb hun omhelzing gezien. Ze is sterker, hij is sterker dan ik ... om hun geluk ... Ik voel, dat zij, om hun geluk, altijd sterker zullen zijn, dan ik....
Hij ging naar zijn kamer, die grensde aan Urania's slaapkamer. Een snikken golfde op in zijn borst. Hij wierp zich, gekleed, snikkend op zijn bed, zijn snikken inslikkend in den sluimerenden nacht, die door het kasteel heen donsde. Toen stond hij op, en zag uit het raam. Hij zag het meer. Hij zag de pergola, waar zij zoo even hadden gevochten. De nacht sliep er, de karyatiden blankten er, slapende, uit de schaduw op. En met den blik zocht hij de juiste plek van hun strijd en zijn nederlaag. En bijgeloovig, aan hun geluk, meende hij, dat er niet tegen te strijden zoû zijn, nooit.
Toen haalde hij de schouders op, als wierp hij zich een pak van den rug.
--Fa niente! troostte hij zich. Domani megliore....
Hij meende er meê, dat hij morgen, zoo niet déze, overwinning, wel een andere behalen zoû. En zijn oogen nog nat, sliep hij in als een kind.
XL.
Urania snikte zenuwachtig in Cornélie's armen, toen zij de jonge prinses zeide, dat zij dien morgen vertrok. Zij waren met Duco alleen in Urania's eigen salon.
--Wat is er gebeurd? vroeg zij snikkende.
Cornélie vertelde haar den vorigen avond.
--Urania, zeide zij ernstig; ik weet het, ik ben coquet. Ik vond het prettig met Gilio te praten; noem het flirten, als je wilt. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt, noch voor Duco, noch voor jou. Ik beschouwde het als amuzement en niet meer. Misschien heb ik verkeerd gedaan; ik heb je er vroeger al meê geërgerd. Ik heb je beloofd het niet meer te doen, maar het schijnt sterker dan ik. Het ligt in mijn natuur, en ik zal me er niet om verdedigen. Ik beschouwde het als zoo weinig, als aardigheid en amuzement. Maar misschien is het slecht. Vergeef je het mij? Ik ben zooveel van je gaan houden: het zoû me leed doen, als je me niet vergaf....
--Verzoen je met Gilio en blijf nog....
--Onmogelijk, mijn lieve meid. Gilio heeft mij beleedigd, Gilio heeft tegen Duco zijn mes getrokken, en ik vergeef hem die dubbele beleediging nooit. Het is dus onmogelijk langer te blijven.
--Ik blijf zoo alleen! snikte zij. Ik ook, ik hoû veel van je, ik hoû van jullie beiden. Is er geen middel.... Bob verlaat mij ook morgen. Ik blijf heelemaal alleen. Wat heb ik hier. Niemand, die van mij houdt....
--Je houdt heel veel over, Urania. Je hebt een doel om voor te leven; je kunt veel goed doen in je omgeving.... Je stelt belang in dit kasteel, dat je eigen nu is.
--Het is alles zoo hol! snikte zij. Het geeft me niets. Ik heb behoefte aan sympathie. Wie is er die van mij houdt? Ik heb geprobeerd van Gilio te houden, en ik hoû ook wel van hem, maar hij, hij geeft niets om mij. Niemand geeft hier om mij....
--Ik geloof, dat je armen van je houden. Je hebt een edel doel.
--Ik ben daar ook blij om, maar ik ben te jong, om alleen voor een doel te leven. Ik heb verder niets. Niemand geeft iets om mij hier.
--Prins Ercole toch....
--Neen, hij minacht me. Wil ik je wat vertellen? Ik heb je vroeger eens verteld, dat Gilio mij gezegd had ... dat er geen familie-juweelen waren, dat alles was verkocht? Herinner je je wel? Nu, er zijn familie-juweelen. Ik heb dat begrepen uit een gezegde van de gravin di Rosavilla. Er zijn familie-juweelen. Maar prins Ercole bewaart ze in de Banca di Roma. Zij minachten mij en ik ben eenvoudig onwaardig ze te dragen. En voor mij doen ze alsof er niets meer is. En het ergste is!... dat al hun kennissen, geheel hun côterie weet, dat ze er zijn en bewaard worden in de Bank, en dat ze allen prins Ercole gelijk geven. Mijn geld is hunner wel waardig, maar ik niet hun oude juweelen, de juweelen van hun grootmoeders!
--Het is een schande! zei Cornélie.
--Het is de waarheid! snikte zij. O, leg het bij; blijf hier nog, om mij....
--Oordeel zelf, Urania: het is ons heusch niet mogelijk.
--Het is waar, gaf zij zuchtende toe.
--Het is alles mijn schuld.
--Neen, neen; Gilio is soms zoo hevig ...
--Maar zijn hevigheid, zijn drift en zijn jaloezie zijn mijn schuld. Ik heb er spijt van, Urania, om jou. Vergeef mij. Kom mij in Rome opzoeken, als je er komt. Vergeet mij niet, en schrijf, niet waar. Nu moet ik mijn koffer pakken. Hoe laat gaat de trein?
--Tien uur vijf-en-twintig, zei Duco. Wij gaan samen.
--Kan ik afscheid nemen van prins Ercole? Laat belet voor mij vragen.
--Wat zal je hem zeggen?
--Het allereerste, dat mij in den geest komt: dat een vriendin in Rome erg ziek is, dat ik er heen ga en dat Van der Staal mij begeleidt, omdat ik zenuwachtig ben. Het kan me niets schelen wat prins Ercole denkt.
--Cornélie....
--Lieveling, ik heb heusch geen tijd meer. Omhels me, vergeef me. En vergeet mij niet. Adieu, we hebben een lieven tijd samen gehad: ik ben veel van je gaan houden....
Zij wrong zich van Urania los, ook Duco nam afscheid. Zij lieten de prinses snikkende alleen. Op den corridor ontmoetten zij Gilio.
--Waar gaat u heen? vroeg hij met zijn nederige stem.
--Wij gaan met den trein van tien uur vijf-en-twintig.
--Het doet mij veel leed....
Maar zij gingen door en lieten hem staan, terwijl in het salon Urania snikte.
XLI.
In den trein, in den brandenden morgen, waren zij stil, en zij vonden Rome als barstende uit zijne huizen, van zonnebrand. In het atelier was het echter koel, eenzaam en rustig.
--Cornélie, zeide Duco. Vertel mij wat er gebeurd is tusschen jou en den prins. Waarom heb je hem geslagen?