Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 13

Chapter 133,862 wordsPublic domain

In haar eigen salon schonk Urania thee. Het vertrek zag met drie spitsboogvensters uit op de stad en den antieken Dom, die in een oranje weêrkaatsing van laatste zonnelicht even opleefde uit zijn grauwe stof der eeuwen met de onduidelijke wemeling van zijn heiligen, profeten en engelen. De kamer, behangen met mooie arazzi, een allegorie van den Overvloed,--nimfen met uitstortende hoornen van overvloed--was half antiek, half modern, niet overal goed van smaak en zuiver van toon, met enkele afschuwelijke banaal moderne ornamenten, een enkel schreeuwend modern comfort, maar toch gezellig, bewoond, en Urania's home. Een jonge man rees op en Urania stelde hem Cornélie voor als haar broêr. De jonge Hope was een stevige frissche jongen van achttien jaar; hij droeg nog zijn fietspak: het mocht wel, zeide zijn zuster, om even een kop thee te drinken. Zij streelde hem lachend over zijn kortharigen ronden kop en gaf hem, met vergunning der dames, het eerst zijn kopje: dan zoû hij zich verkleeden. Hij zat er zoo vreemd, zoo nieuw, en zoo gezond, met zijn frisch roze teint, zijn breede borst, zijn sterke handen en stevige kuiten, zijn jeugd van jongen Yankee-boer, die, trots de millioenen van vader Hope, werkte op zijn hoeve, daar ver in de Far West, om zelve fortuin te maken; hij zat er zoo vreemd, op dat oude San Stefano, in het gezicht van dien streng symbolischen Dom, tegen dien achtergrond van antieke arrazi, en nog vreemder trof Cornélie eensklaps, de jonge nieuwe prinses.... Haar naam, haar Amerikaansche naam van Urania klonk goed: de prinses Urania, dat kreeg eensklaps een zeer goeden klank.... Maar het jonge vrouwtje, een beetje bleek, een beetje weemoedig, met haar Yankee-Engelsch tusschen de tanden, scheen haar eensklaps zoo niet op haar plaats in die vertaande glorie der San Stefano's.... Cornélie vergat telkens, dat zij was de prinses di Forte-Braccio: zij zag haar altijd als miss Hope. En toch had Urania een tact, een gemakkelijkheid, een assimilatie-vermogen; heel groot. Gilio was binnengekomen, en de enkele woorden, die zij sprak tegen haar man, waren, natuurlijk weg, waardig bijna, en toch, voor Cornélie met een klank van zich schikkende ontgoocheling, die haar Urania deed beklagen. Zij had van den begin af voor Urania een vage sympathie gevoeld: nu voelde zij inniger genegenheid. Zij had medelijden met dat kind, de prinses Urania. Gilio was slordig koel tegen haar, de marchesa neêrbuigend beschermend. En dan die ontzettende eenzaamheid, rondom haar, van al die vervallen grootheid. Zij streelde haar jongen broêr over het hoofd. Zij bedierf hem, vroeg of zijn thee goed was en propte hem vol met sandwiches, omdat hij honger had na zijn fietstoer. Zij had hem nu bij zich als iets van huis, als iets van Chicago: zij klampte zich bijna aan hem.... Maar verder was rondom haar de neêrdrukkende melancholie van het immense kasteel, de verwaarloosde glorie van zijn oud-meesterlijke kunstpracht, de laatdunkendheid van dien adelhoogmoed, die haar niet van noode had, maar wel haar millioenen. En voor Cornélie verloor zij alle belachelijkheid van Amerikaansche parvenue; en kreeg zij integendeel iets tragisch van jeugdig slachtoffer. Wat zaten zij er vreemd, zij, de jonge prinses en haar broêr, met zijn stevige kuiten!

Urania toonde haar portefeuille met platen en teekeningen: ideeën van een jongen architect uit Rome voor restauratie's van het kasteel. En Urania wond zich op, een kleur kwam op haar wangen toen Cornélie haar vroeg of zooveel restauratie wel mooi zoû zijn? Zij verdedigde haar architect. Gilio rookte onverschillig cigaretten en was uit zijn humeur. De marchesa zat als een idool, met haar leeuwenkop, waar de oorkristallen flonkerden. Zij was bang voor Cornélie en beloofde zich op haar hoede te zijn. Een hofmeester kwam aankondigen aan de prinses, dat het diner gereed was. En Cornélie herkende in hem den ouden Giuseppe van het pension Belloni, de oude aartshertogelijke hofmeester, die een lepel had laten vallen, zooals Rudyard haar had verteld. Zij zag Urania lachende aan, en Urania bloosde.

--Poor man! zeide zij, toen Giuseppe vertrokken was. Ja, ik heb hem maar van tante overgenomen. Hij had het zoo druk in het palazzo Belloni. Hij heeft hier heel weinig te doen, en hij heeft een jongen hofmeester onder zich. Het personeel moest toch worden uitgebreid. Hij heeft hier een prettigen ouden dag: poor old dear Giuseppe ... Bob, nu heb je je niet verkleed!

--Goed kind! dacht Cornélie, terwijl zij allen opstonden en Urania haar broêr als een bedorven jongen heel zachtjes verweet, dat hij met zijn kuiten aan tafel kwam.

XXXV.

Zij waren in de groote sombere eetzaal, met de bijna zwarte arazzi, met het bijna zwarte plafond in caissons, met al het bijna zwarte eiken beeldhouwwerk; met de zwarte monumentale schouw; er boven, in zwart marmer, het familiewapen. Het kaarsenlicht van twee groote zilveren luchters op tafel gaf alleen wat schijn over het damast en kristal, maar verder bleef de te groote zaal in een sombere duisternis van schaduw, in de hoeken opgehoopt met massa's dikke schaduw, dunnere schaduw van het plafond wazende af, als eene vervluchtiging van donker fluweel, dat boven den kaarsenschijn in atomen rondzweefde. De antieke oudheid van San Stefano drukte hier zwaar neêr als een ontzag, tegelijk met een melancholie van zwart zwijgen en zwarten hoogmoed. Hier klonken de woorden gedempt. Dit was nog geheel gebleven als het altijd geweest was, dit was als iets heiligs van hunne voorname traditie, en waaraan Urania niets zoû durven veranderen, als dorst zij er bijna niet spreken en eten. Men wachtte een oogenblik, toen een dubbele deur werd geopend. En als een schim trad binnen een groote oude grijze man, die zijn arm gestoken had door den arm van den geestelijke naast hem. De oude prins Ercole kwam heel langzaam en waardig nader, terwijl de kapelaan zijn tred regelde naar die langzame waardigheid. Hij droeg een lange zwarte jas van een ouden ruimen snit, die in plooien om hem hing met iets van een tabbaard, en op zijn glinsterend grijze haren, even golvend in den nek, een zwart fluweelen kalot. En men naderde hem met heel veel eerbied. De marchesa eerst, toen Urania, die hij heel langzaam--als wijdde hij haar--een kus gaf op het voorhoofd; toen naderde hem Gilio en kuste zijn vader onderdanig de hand. De grijsaard knikte den jongen Hope toe, die boog en wendde zijn blik naar Cornélie. Urania stelde haar voor. En als verleende hij een audientie, sprak de oude prins haar enkele minzame woorden toe en vroeg haar of Italië haar beviel. Toen Cornélie geantwoord had, ging prins Ercole zitten en gaf zijn kalot aan Giuseppe, die haar diep buigend aannam. Daarop zetten zich allen: de marchesa met den kapelaan over prins Ercole, die tusschen Cornélie en Urania zat, Gilio naast Cornélie, Bob Hope naast zijne zuster.

--Mijn kuiten zijn niet te zien, fluisterde hij zijn zuster toe.

--Cht! zeide Urania.

Giuseppe, herlevende in zijn oude waardigheid, vulde aan een dressoir, plechtstatig, de borden met soep. Hij vond zich hier in zijn element terug; hij was zichtbaar Urania dankbaar; hij had een trek van voornamen zielevrede en zag er in zijn rok uit als een oude diplomaat. Hij amuzeerde Cornélie, die dacht aan Belloni, als hij ongeduldig werd, omdat de gasten niet kwamen, als hij uitvaarde tegen de jonge blanc-becs van kellners, die de marchesa voor de goedkoopte in dienst nam. Toen twee lakeien de soep hadden rondgediend, stond de kapelaan op, en zei het Benedicite. Er werd nog geen woord gesproken. Men at de soep in stilte, terwijl de drie bedienden onbewegelijk stonden. De lepels tikkelden tegen het porcelein en de marchesa smakte. De luchters trillerden nu en dan en van het plafond viel drukkender de schaduw, als vervluchtiging van fluweel Toen wendde prins Ercole zich tot de marchesa. En beurtelings wendde hij zich tot iedereen met een vriendelijk neêrbuigende waardigheid, in het Fransch, in het Italiaansch. Het gesprek werd iets algemeener, maar de oude prins bleef het leiden. En hij was heel vriendelijk tegen Urania, merkte Cornélie op.... Maar Cornélie herinnerde zich Gilio's woorden: papa heeft bijna een beroerte gehad, omdat de oude Hope op Urania's bruidschat beknibbelde. Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Dollars? Lires!! En de oude prins scheen haar eensklaps toe als het vergrijsd egoïsme van San Stefano's glorie en adelhoogmoed, scheen haar toe de levende schim dier opschaduwing van verleden, zooals zij het dien middag gevoeld had, starende met Urania in het diepe, blauwe meer: de veel eischende schim; de millioenen eischende schim, de nieuwe levensvatbaarheid eischende schim; spectrale paraziet, die zijn gedeprecieerde symbolen verkocht had aan de ijdelheid van een nieuw koopmanshuis, maar in zijn voornaamheid niet had opgekund tegen de slimheid van den koopman. Hun prinsesse- en hertoginnetitel voor nog geen drie millioen lire's! Papa had bijna een beroerte gehad ... had Gilio gezegd. En Cornélie, in de afgemeten minzame stijfte van het door prins Ercole geleide gesprek, zag van den ouden prins-hertog,--zeventig jaar--, naar den jongen frisschen Far-Wester--achttien, en zag van hem naar prins Gilio: de hoop van het oude geslacht, hun eenige hoop. Hier, in de somberheid van die eetzaal, waar hij zich verveelde, bovendien nog uit zijn humeur, zag zij hem klein, nietig, dunnetjes, een schraal, gedistingeerd viveurtje; zijn karbonkeloogen, die vroolijk, pervers geestig schitteren konden, zagen nu mat onder de vallende oogleden uit op zijn bord, waarin hij lusteloos pikte.

Zij kreeg medelijden met hem, en zij dacht aan de gouden bruidskamer.... Zij minachtte hem een beetje. Zij beschouwde hem niet als een man, hij kon niet wat hij wilde: zij beschouwde hem meer als een stouten jongen. En hij moest jaloersch zijn van Bob, dacht zij: van zijn frisch bloed, dat tintelde onder zijn wangen, van zijn breede schouders en zijn breede borst. Maar toch, hij amuzeerde haar. Aardig kon hij zijn, vroolijk en geestig, en vlug, als hij was opgewekt, vlug in zijn woorden, in zijn geest. Zij hield wel van hem. En dan zijn goed hart. De armband en vooral de duizend lire. Zij dacht er steeds aan met aandoening; hoe was zij aangedaan geweest, tijdens die wandeling, voorbij de post heen en weêr; aangedaan om zijn brief en om zijn royale hulp. Hij had geen fond, hij was haar geen man: maar hij was geestig en had een zeer goed hart. Zij hield van hem, als van een vriend en prettig kameraad. Wat was hij neêrgeslagen en uit zijn humeur. Maar waarom waagde hij zich dan ook aan die dwaze attaques...!

Zij richtte nu en dan het woord tot hem, maar zij vermocht hem niet op te wekken. Trouwens, het gesprek sleepte stijf en minzaam voort, steeds geleid door prins Ercole. Het diner liep ten einde en prins Ercole rees op. Uit de handen van Giuseppe ontving hij zijn kalot, allen namen afscheid van hem, de deuren werden geopend en, aan den arm van zijn kapelaan, trok prins Ercole zich terug. Gilio, boos, verdween. De marchesa, nog rillende voor Cornélie, verdween en wees, in haar japon, de gettatura naar haar toe. En Urania nam Cornélie en Bob meê terug naar haar salon. Zij herademden alle drie. Zij spraken vrij uit, in het Engelsch nu: de jongen zei wanhopig, dat hij niet genoeg at, dat hij niet dorst eten tot zijn honger gestild was, en Cornélie lachte, hem prettig vindend, om zijn gezondheid, terwijl Urania beschuitjes voor hem zocht en een stuk cake, van de tea nog over, en hem brood en vleesch beloofde, voor zij naar bed zouden gaan. En zij ontspanden hun gemoed na het plechtstatige middagmaal. Urania zei, dat zij den ouden prins anders nooit zagen, dan aan het diner, maar zij zocht hem 's morgens altijd op, bleef een uurtje met hem spreken of speelde met hem schaak. Anders speelde hij schaak met den kapelaan. Zij had het druk, Urania. De reorganizatie der huishouding, indertijd overgelaten aan een arme bloedverwante, die nu in Rome van een pensioen leefde, kostte haar veel tijd: zij besprak in de morgenuren van détails met prins Ercole, die, niettegenstaande zijne afzondering, van alles op de hoogte was. Dan had zij de beraadslagingen met haar Romeinschen architect over de restauraties van het kasteel: zij hadden soms plaats in het kabinet van den ouden prins. Dan liet zij in de stad een groot gesticht bouwen, een Albergo dei Poveri, waarvoor de oude Hope haar afzonderlijk doteerde: gesticht voor oude mannen en vrouwen. Toen zij voor het eerst te San Stefano kwam, hadden haar getroffen de vervallen, in elkaâr stortende huizen en huisjes der arme wijken, melaatsch en schurftig van vuil, opgegeten door hun eigen gebrek, waar een geheele bevolking planteleefde als paddestoelen. Zij liet nu bouwen het gesticht voor de ouden, zij bezorgde op het domein werk aan de gezonden en jongen, zij bemoeide zich met de verwaarloosde kinderen, zij had een nieuwe school opgericht. Zij sprak over dit alles doodeenvoudig, de cake snijdende voor haar broêr Bob, die zich te goed deed na de etiquette van het diner. Zij noodigde Cornélie 's morgens eens meê te gaan naar het werk van de Albergo, naar de nieuwe school, onder twee geestelijken van Rome, haar door de monsignori aanbevolen.--

Door de spitsboogramen schemerde in de diepte de stad, en onder den zoelen, met starren bezaaiden, zomernacht, rees de silhouet van den Dom omhoog. En Cornélie dacht: het is niet alleen voor schim en schaduw, dat zij hier is gekomen, de rijke Amerikaansche, die adel zoo lief vond--"so nice"--het kind, dat staaltjes verzamelde van de baljaponnen der koningin--album, dat zij nu als "zwarte" prinses verborg--het meisje, dat met haar licht laken tailorpak trippelde door het Forum, en niet begreep noch oud Rome, noch nieuw dagende toekomst....

En nu Cornélie door de stille zware nacht van het kasteel van San Stefano ging naar haar eigen kamer, dacht zij: ik schrijf, maar zij doet. Ik droom en ik denk, maar zij, zij leert de kinderen, al is het met een priester; zij voedt en huisvest oude mannen en vrouwen.

Toen, in haar kamer, uitziende naar het meer onder den zomernacht, bepoeierd met sterren, dacht zij na, dat zij ook gaarne rijk zoû willen zijn en een groot arbeidsveld zoû willen hebben. Want nu had zij geen veld, nu had zij geen geld, en nu ... nu verlangde zij alleen naar Duco, en moest hij haar niet te lang alleen laten, op dit kasteel, in al deze sombere grootheid, die op haar drukte als met eeuwen.

XXXVI.

Den volgenden morgen leidde Urania's kamenier Cornélie door een warreling van galerijen naar buiten, waar men ontbijten zoû, toen zij op de trap Gilio ontmoette. De kamenier keerde terug.

--Ik heb nog altijd geleide noodig om mijn weg te vinden, lachte Cornélie.

Hij bromde wat.

--Hoe heeft u geslapen, prins?

Hij bromde iets.

--Zeg eens, prins, dat booze humeur moet veranderen. Hoort u? Het _moet_. Ik wil het. Ik wil vandaag geen bouderie meer zien, en hoop, dat u zoo spoedig mogelijk uw vroolijken, geestigen toon van gesprek weêr aanneemt, dien ik in u apprecieer.

Hij mopperde iets.

--Adieu, prins, zei Cornélie kort.

En zij keerde op haar weg terug.

--Waar gaat u heen? vroeg hij.

--Naar mijn kamer. Ik zal op mijn kamer ontbijten.

--Maar waarom?

--Omdat u me niet bevalt als gastheer.

--Ik niet?

--Neen, u niet. Gisteren beleedigt u me, ik verdedig mij, u blijft grof, ik ben dadelijk weêr lief als altijd, geef u een hand en zelfs een zoen. Aan het diner boudeert u me op een alleronbeleefdste manier. U gaat naar uw kamer zonder me goeden nacht te wenschen. U komt me van morgen tegen zonder me te begroeten. U bromt, boudeert en moppert als een stout kind. Uw oogen staan nijdig, u ziet geel van galligheid. Bepaald, u ziet er slecht uit. Het flatteert u niets. U is alleronaangenaamst, grof, onbeleefd, en klein. Ik heb geen lust met u te ontbijten in zoo een stemming.... En ik ga naar mijn kamer.

--Neen, smeekte hij.

--Jawel.

--Neen, neen.

--Nu wees dan anders. Doe u geweld aan, denk niet meer aan uw nederlaag, en wees lief tegen me. U doet maar als de beleedigde partij, terwijl ik de beleedigde ben. Maar ik kan niet boudeeren, en ik ben niet klein. Ik kan niet klein doen. Ik vergeef u, vergeef mij ook. Zeg iets liefs, zeg iets aardigs.

--Ik ben dol op u.

--Ik merk er niets van. Als u dol op me is, wees dan vriendelijk, beleefd, vroolijk en geestig. Ik eisch het van u als van mijn gastheer.

--Ik zal niet meer boudeeren ... maar ik hoû zooveel van u! En u heeft me geslagen.

--Vergeeft u nooit die zelfverdediging?

--Neen, nooit!

--Adieu, dan.

Zij keerde zich om.

--Neen, neen, ga niet terug. Ga meê naar de pergola, waar wij ontbijten. Ik vraag u vergiffenis. Ik maak u mijn excuzes. Ik zal niet grof meer zijn en niet klein. U, u is niet klein. U is de bizonderste vrouw, die ik ken. Ik aanbid u.

--Aanbid dan in stilte, en amuzeer me.

Zijn oogen, zijn zwarte karbonkeloogen, begonnen weêr op te leven, op te lachen; zijn gelaat ontrimpelde en klaarde op.

--Ik ben te verdrietig om amuzant te zijn.

--Ik geloof er niets van.

--Heusch, ik heb verdriet, ik lijd....

--Arme prins!

--U gelooft mij maar niet. U neemt me nooit in ernst aan. Ik moet maar uw clown, uw paljas zijn. En ik heb u lief, en mag niets hopen? Zeg, mag ik nooit iets hopen?

--Niet veel.

--U is onverbiddelijk, en zoo streng.

--Ik moet wel streng tegen u zijn, u is net een stoute jongen.... O, daar zie ik de pergola. Dus, u belooft me beterschap?

--Ik zal zoet zijn.

--En amuzant.

Hij zuchtte.

--Povero Gilio! zuchtte hij. Arme paljas!

Zij lachte. In de pergola waren Urania en Bob Hope. De pergola, begroeid met wijngaard en een roze bruidstraan, die met roze bloementrossen neêrhing, verhief een rij van marmeren karyatiden en hermen--nimfen, saters en faunen--wier bovenlijven eindigden in slank voetstuk van sculptuur en die met opgeheven handen het vlakke blad- en bloemdak steunden; terwijl in het midden een open rotonde was als een open tempel, de cirkelbalustrade ook door karyatiden verheven en waar een antieke sarkofaag tot cisterna was vermetseld. In de pergola was een tafel gedekt voor het ontbijt; men ontbeet hier zonder den ouden prins Ercole, ook de marchesa ontbeet op haar kamer. Het was acht uur, een morgenfrischheid ademde nog op uit het meer, een waas van blauw fluweel donsde over de heuvelen, waartusschen als in zacht gebogen cannelures het meer verzonk als een ovalen beker.

--O, wat is het hier mooi! riep Cornélie verrukt.

Het ontbijt was een zonnig en vroolijk maal, na het zwartsombere diner van gisteren. Urania was vol levendigheid over haar Albergo, die zij straks met Cornélie zoû bezoeken, Gilio vond zijne beminnelijkheid terug en Bob at goed. En toen Bob daarna ging fietsen, ging Gilio zelfs met de dames meê naar de stad. Zij reden stapvoets in een landauer den slotweg af. De zon werd warmer en het oude stadje blankte op, roomwit en witgrijs van huizen als steenen spiegels, waarin de zon kaatste; de pleintjes als putten, waarin de zon gloed goot. Voor het werk van de albergo hield de koetsier stil, stegen zij uit en de aannemer kwam plichtplegerig nader, de zweetende metselaars zagen uit naar den prins en de prinses. Het was smoorheet. Gilio veegde zich telkens het voorhoofd af, en school achter de parasol van Cornélie. Maar Urania was éen levendigheid en belangstelling, vlug en energisch in haar wit piqué pakje, met haar witten matelot onder haar witte parasol, tripte zij over balken langs stapelingen van baksteen en cement en kalkbakken met haar aannemer voort, liet zich verklaren en gaf raad, was het niet altijd eens, en trok een wijs gezicht; zeide, dat die en die afmetingen haar tegenvielen, geloofde niet wat de aannemer haar verzekerde, dat naarmate het gebouw vorderde, de afmetingen haar zouden meêvallen, schudde haar hoofd, drukte dìt op het hart, drukte dàt op het hart, alles in een vlug, niet geheel correct, en hakkelig Italiaansch, dat zij kauwde tusschen hare tanden. Maar Cornélie vond haar lief, vond haar aardig, Cornélie vond haar de prinses di Forte-Braccio. Er was geen twijfel aan. Terwijl Gilio, bang zijn licht flanellen pak en gele schoenen te bezoedelen aan de kalk, in de schaduw van haar parasol bleef, puffende van de warmte, zonder belang, was zijn vrouw onvermoeid, dacht zij niet, dat haar witte rok een vuilen rand kreeg, en sprak zij met den aannemer met een zekerheid, levendig maar waardig, om eerbied voor te hebben. Waar had dat kind dat geleerd? Waar had zij haar assimilatie-vermogen vandaan? Waar vandaan had zij die liefde voor San Stefano, die liefde voor zijn armen? Hoe had dat Amerikaansche meisje dat talent verkregen om hare hooge en nieuwe pozitie zoo goed te bekleeden? Admirabile!--vond Gilio haar en fluisterde het Cornélie in. Hij was niet blind voor hare kwaliteiten. Hij vond Urania prachtig, uitstekend; ze verbaasde hem altijd. Geen Italiaansche vrouw van zijn kringen zoû zoo geweest zijn. En ze hielden van haar. De bedienden van het kasteel hielden van haar, Giuseppe zoû voor haar door het vuur gaan, die aannemer bewonderde haar, de metselaars keken haar met eerbied na, omdat zij zoo knap was, en er zooveel van wist en zoo goed was voor hen en hun misère. Admirabile! zei Gilio. Maar hij pufte. Hij wist niets van steenen, balken en afmetingen en begreep niet, waar Urania dien technischen blik vandaan had. Zij was onvermoeid. Zij liep het heele werk door, terwijl hij smeekend naar Cornélie opzag. En eindelijk, in het Engelsch, bad hij zijn vrouw er nu in godsnaam meê uit te scheiden. Zij stegen in, de aannemer groette, de werklui groetten met iets van dankbaarheid en aanhankelijkheid. En ze reden naar den Dom, dien Cornélie wilde bezichtigen, en waar Gilio, terwijl Urania haar vriendelijk rondleidde, genade vroeg aan zijn dames, en op de trappen van het altaar ging zitten, de armen hangende over de knieën, om te bekoelen.

XXXVII.

Er waren zeven dagen verloopen en Duco was aangekomen. Het was na het plechtige diner in de sombere eetzaal, waar Duco was voorgesteld aan prins Ercole, en het was een zomeravond als een droom, toen Cornélie en Duco naar buiten gingen. Het kasteel lag al in zware rust, maar Cornélie had zich door Giuseppe een sleutel laten geven. En zij gingen naar buiten, naar de pergola. De starren poeierden als een blond licht over den nachthemel heen, en aan de toppen der heuvels kroonde de maan en trilde even terug in de mystieke diepte van het meer. Een adem van slapende rozen walmde uit den bloementuin aan de andere zijde der pergola, en beneden, in de dakvlakkende stad, stond aan zijn maanbelicht plein de Dom zijn reuzensilhouet uit tegen de starren. En een slapen was overal, over het meer, over de stad en achter de vensters van het kasteel; de karyatiden en hermen--de saters en nimfen--torsten slapend het looverdak van de pergola, als in een betooverde houding van dienaren der Slaapster. Een krekel knerpte, maar zweeg stil zoodra zij naderden, Duco en Cornélie. En zij zetten zich op een antieke bank, en zij sloeg om zijn lichaam haar armen en drukte zich tegen hem aan.