Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 12

Chapter 123,943 wordsPublic domain

De prins, blij, druk, sprak veel, wees hier, wees daar met zijn zweep, smakte tegen de paardjes, vroeg wat aan Cornélie, of zij de streek niet mooi vond.... Langzaam, spierig spannend de achterbeenen, trokken de paardjes op. Het slot breidde zich uit, massief, massaal. Het meer zonk weg. De horizonnen werden wijder, als een wereld; zweem van een bries woei iets weg van den oranjebloesemadem. De weg werd breed, gemakkelijk, vlak. Als een fort, als een stad, breidde zich het slot uit, achter zijn getinde muren met poort bij poort. Zij reden binnen, over een hof, onder een gewelf een tweede hof binnen, door een tweede gewelf een derde hof in. En Cornélie omving een gevoel van ontzag, een vizioen van zuilen, bogen, beelden, arcades en fonteinen. Zij stegen uit.

Urania kwam haar tegemoet, omhelsde, verwelkomde haar met innigheid en bracht haar de trappen op, de gangen door naar hare kamer. De vensters stonden open; zij zag uit op het meer en op de stad en op den Dom. En nog eens kuste Urania haar en deed haar zitten. En het viel Cornélie op, dat Urania mager was geworden en niet meer had haar vroegere schittermooiheid van Amerikaansch jong meisje, met dat onbewuste van cocotte, in haar oogen, in haar glimlach, in haar kleeding. Zij was veranderd. Zij was een beetje afgevallen, en zij was niet zoo mooi meer, alsof haar schoonheid was geweest een schijn van korten tijd, meer frischheid dan lijn. Maar had zij haar glans verloren, zij had gewonnen een zekere distinctie, een zekeren stijl: iets, dat Cornélie verbaasde. Hare gebaren waren stiller, haar stem was zachter, haar mond scheen kleiner en spleet niet telkens open om witte tanden te toonen; haar toilet was doodeenvoudig: een blauwe rok en witte blouse. Cornélie had moeite te begrijpen, dat de jonge prinses di Forte-Braccio, hertogin di San Stefano, miss Urania Hope was, uit Chicago. Een weemoed was over haar gekomen, die haar flatteerde, al was zij minder mooi. En Cornélie dacht, dat zij eenig verdriet had, dat haar temperde en nuanceerde, maar dat zij ook met tact zich voegde naar hare zoo geheel nieuwe omgeving. Zij vroeg Urania of zij gelukkig was. Urania zei van ja, met haar glimlach van weemoed, die zoo nieuw was en zoo verbaasde. En zij vertelde. In Nice hadden zij een aardigen winter gehad. Maar met een cosmopolitischen club van kennissen, want hoewel haar nieuwe familie heel vriendelijk was, was ze zeer neêrbuigend en Virgilio's kennissen--vooral de dames--sloten haar bijna beleedigend uit. Zij had al in haar bruiloftsdagen gemerkt, dat de aristocratie haar tolereeren zoû, maar dat men nooit vergeten kon, dat zij de dochter was van Hope, tricot-fabrikant in Chicago. Zij had gezien, dat zij niet de eenige was, die, al was zij nu prinses, hertogin, geduld werd en geduld alleen om hare millioenen: er waren er anderen als zij. Vriendschap had zij niet gesloten. Men was gekomen op haar jours en bals: men was met Gilio frère et compagnon en koek en ei; de dames tutoyeerden hem, lachten met hem, flirtten met hem en schenen het heel goed te vinden, dat hij een paar millioen getrouwd had.... Tegen Urania waren zij maar even, ternauwernood, beleefd. De dames vooral, de heeren waren gemakkelijker. Maar het deed haar leed, vooral van al die hooge vrouwen van adel--al de beroemde namen van Italië--die haar neêrbuigend bejegenden, en altijd haar wisten uit te sluiten buiten elke intimiteit, elke intime bijeenkomst, elke intime samenwerking voor feesten, van liefdadigheid. Was alles al besproken, dan vroegen zij aan de prinses di Forte-Braccio om meê te doen, dan boden zij haar de plaats aan, die haar toekwam, en zelfs met scrupuleuze nauwgezetheid. Duidelijk behandelden zij haar als prinses en gelijke voor de wereld, voor het publiek. Maar in haar eigen côterie bleef zij Urania Hope. En de enkele andere burgerlijke millionair-elementen zochten haar, natuurlijk, op, maar _zij_ hield die terug en Gilio vond dat goed. En wat had Gilio haar gezegd, toen zij hem haar nood eens klaagde? Dat zij, met tact, zeer zeker haar pozitie winnen zoû, maar met een groot geduld en na vele, vele jaren. Zij weende nu, haar hoofd op Cornélie's schouder: ach, zij, ze dacht: wel nooit zoû zij ze winnen, die trotsche vrouwen! Wat was ook zij, een Hope, vergeleken bij al die beroemde geslachten, die te zamen Italië's oude glorie maakten en zich, als de Massimo's, lieten afstammen van de Romeinen?

Of Gilio lief was? Jawel, maar dadelijk had hij haar behandeld als "zijn vrouw". Al zijne aardigheid, al zijne vroolijkheid was voor anderen: hij sprak nooit veel met haar. En de jonge prinses weende: zij voelde zich eenzaam, zij verlangde soms naar Amerika. Zij had ook nu haar broêr bij zich gevraagd, een aardige jongen van zeventien jaar, die bij gelegenheid van haar huwelijk was overgekomen en wat gereisd had door Europa, voor hij weêr naar zijn hoeve trok, in de Far West. Hij was haar lieveling, hij troostte haar, maar over enkele weken zoû hij gaan. En wat hield zij dan over? O, wat was ze blij, dat Cornélie gekomen was! En wat zag ze er goed uit, zoo mooi als zij haar nog nooit had gezien! Van der Staal had aangenomen: hij kwam over een week. Fluisterend vroeg ze: zouden zij niet trouwen? Cornélie antwoordde beslist van neen; zij trouwde niet, zij trouwde nooit meer. En in eens, oprecht, zich niet kunnende verbergen voor Urania, deelde zij haar mede, dat zij niet meer woonde in de Via dei Serpenti: dat ze woonde in Duco's atelier. Urania schrikte voor dat breken met alle conventie, maar zij beschouwde haar vriendin als een vrouw, die dingen mocht doen, die een ander niet doen mocht. Dus alleen hun geluk en hun liefde, fluisterde zij als bang, en zonder de maatschappelijke sanctie? Urania herinnerde zich Cornélie's imprecaties tegen het huwelijk en vroeger, tegen den prins. Maar nu mocht zij Gilio toch wel een beetje? O, zij, Urania, zoû niet jaloersch meer zijn. Zij vond het heerlijk, dat Cornélie gekomen was, en Gilio, die zich verveelde, had ook zoo naar haar uitgezien. Och neen, Urania was niet meer jaloersch....

En haar hoofd op Cornélie's schouder, en hare oogen altijd vol tranen, scheen zij alleen maar wat vriendschap, wat vriendelijkheid te vragen, wat lieve woorden en liefkoozing, het rijke Amerikaansche kind, dat nu den titel droeg van een oud Italiaansch geslacht. En Cornélie voelde voor haar, omdat zij leed, omdat zij niet meer was een kleine mensch, wier levenslijn haar lijn toevallig kruiste. Zij sloot haar in haar armen, zij troostte haar--het schreiende prinsesje--als met een nieuwe vriendschap: zij nam haar als vriendin aan in haar leven, niet meer als kleine mensch. En toen Urania zich, staaroogend, herinnerde de waarschuwing van Cornélie, sprak Cornélie daarover heen en zei, dat zij, Urania, meer moed moest hebben. Tact had zij, ingeboren. Maar moedig moest zij zijn, het leven onder oogen zien....

Zij stonden op, en voor het open venster, elkaâr omvattend in de armen, zagen zij uit. De klokken van den Dom beierden in de lucht; de Dom rees edel, trotsch op uit heel laag dakgewriemel, een reuzekathedraal voor zulk een kleine stad: immens symbool van geestelijke heerschersmacht over het eerbiedig neêrgeknielde dakenstadje. En het ontzag, dat Cornélie vervuld had in den hof, tusschen de arcades, beelden en fonteinen, vervulde haar opnieuw, omdat een roem en grootheid, stervende, maar niet gestorven, vermolmd, maar niet verteerd, scheen op te schemeren en schaduwen uit het mystieke blauw van het meer, uit den eeuwenbouw der kathedraal, langs de oranje-heuvels tot in het slot, waar aan een open raam een vreemde jonge vrouw stond, ontmoedigd, maar wier millioenen die schim van roem en grootheid eischte om voort te duren, nog enkele geslachten na....

Het is mooi en hoog, zooveel verleden, dacht Cornélie. Het is groot.... Maar toch is het niets meer. Het is een schim. Want het is weg, het is alles weg, het is alles maar herinnering van adeltrotsche menschen, van eng denkende zielen, die niet naar de toekomst zien....

En de toekomst, met een verwarring van sociale raadsels, met het gewuif van nieuwe banieren en wimpels, wemelde toen voor haar blik, in de lange lichtspiralen, die, blauwe vraagteekens, trillerden voor hare oogen, tusschen het meer en den hemel.

XXXIII.

Cornélie had zich verkleed en zij ging hare kamer uit. Zij liep den corridor af en zag niemand. Zij wist den weg niet, maar liep voort; plotseling, voor haar, treedde een breede trap naar beneden, tusschen twee reien van marmeren reuzenkandelabers, en Cornélie kwam in een atrio, die opende op het meer: de wandvakken met fresco's, van Mantegna--in beeld gebrachte daden der San Stefano's--welfden naar een koepel toe, die, met lucht en wolkjes beschilderd, open scheen en waar, rondom een balustrade, zich neêrkijkende engeltjes en nimfen groepten.

Zij trad naar buiten en zag Gilio. Hij zat op de balustrade van het terras, rookte een cigarette en zag uit naar het meer. Nu kwam hij naar haar toe.

--Ik wist bijna zeker, dat u hier langs zoû komen. Is u niet moê? Mag ik u eens rondleiden? Heeft u onze Mantegna's gezien? Ze hebben veel geleden. Ze zijn in het begin van deze eeuw gerestaureerd. Ja, ze zien er gedelabreerd uit, niet waar? Ziet u die kleine mythologische scène daarboven, van Giulio Romano? Kom hier, door deze poort. Maar ze is gesloten. Wacht....

Hij riep buiten, iets naar beneden. Na een poos kwam een oude dienaar met zwaren sleuteltros en bood ze den prins.

--Ga maar, Egisto! Ik weet de sleutels wel.

De man ging. De prins opende een zware bronzen deur. Hij wees haar de reliefs.

--Giovanni da Bologna, zeide hij.

Zij gingen voort, door een zaal met arazzi; de prins wees het plafond van Ghirlandajo aan: apotheoze van den eenigen Paus uit het geslacht der San Stefano's. Toen door een zaal met spiegels, beschilderd door Mario de'Fiori. De stoffige mufheid van een niet onderhouden muzeum, met een waas van verwaarloozing en onverschilligheid, beklemde den adem; de witte zijden venstergordijnen waren geel van ouderdom, bezoedeld door vliegen; de roode overgordijnen van Venetiaansch damast hingen aan rafel en rag, door mot opgevreten; de beschilderde spiegels waren dof verweerd; van de Venetiaansche glaskronen de armen gebroken. Slordig ter zijde geschoven, stonden als rommel op een zolder, de kostbaarste kabinetten, ingelegd met bronzen, parelmoêren en elpen paneelen, mozaiektafels van lapis-lazuli, malachiet en groene, gele, zwarte en roze marmers; de arazzi: Saul en David, Esther, Holofernus, Salomo, leefden niet meer met de emotie der figuren, alsof zij verstikt waren onder de grauwe laag van stof, die dik poeierde boven hun vergane weefsels, en alle kleur neutralizeerde.

Door de immense zalen, half donker in haar gordijnenduister, dreef als een weemoed, een melancholie van verbittering, hopeloos, overwonnen, een langzame versterving van grootheid en grootschheid; tusschen de meesterstukken der beroemdste schilders gaapten treurige vakken van leêgte, getuigend van nijpend geldgebrek, van schilderijen, toch voor fortuinen nog verkocht.... Cornélie herinnerde zich iets, enkele jaren her, van een proces, van een poging om, tegen de wet in, Rafaëls over de grenzen te zenden en te verkoopen in Berlijn.... En door de spectrale zalen leidde Gilio haar, vroolijk als een jongen, luchtig als een kind, blij zijne afleiding te hebben, haar haastig, zonder liefde en belang namen noemend, die hij gehoord had van zijn kindsheid, maar zich toch vergissende, zich verbeterende, en eindelijk lachend er voor uitkomend, dat hij niet meer wist.

--En hier is de camera degli sposi....

Hij zocht aan den sleutelbos, lezend op de koperen etiquette, opende knarsend toen de deur, en zij traden binnen.

En het was eensklaps als een innige exquize pracht van intimiteit: een groot slaapvertrek, geheel goud, geheel dof goud, vertaand en verteerd en verteederd goudweefsel; aan de wanden arazzi van goudkleur: de geboorte van Venus uit het gulden schuim van een gouden oceaan, Venus met Mars, Venus met Adonis, Venus met Cupido: de bleekroze naaktheid der mythologie heel even oplevend in niets dan gouden atmosfeer en sfeer, in gouden bosschen tusschen bloemen van goud; en cupido's en zwanen en duiven en evers van goud; pauwen van goud aan fonteinen van goud; water en wolken van goudelement, en al het goud vertaand en verteerd en verteederd tot éen kwijnenden zonsondergang van stervende glanzen: het praalbed goud, onder een baldakijn van goudbrokaat, waarop de familiewapens zwaar en relief geborduurd: de sprei van goud, maar àl het goud zonder leven; al het goud tot een weemoed geworden van bijna grauwende glinstering, uitgewischt, weggevaagd, afgestompt, of de stoffige eeuwen er eene schaduw over hadden geslagen, er spinneweb over hadden gespreid.

--Wat is dit mooi! zei Cornélie.

--Onze beroemde bruidskamer, lachte de prins. Vreemde ideeën hadden die oude lui, den eersten nacht te slapen in zoo een bizonder vertrek. Trouwden zij in onze familie, dan sliepen zij hier den eersten nacht. Het was zoo een bijgeloof. De jonge vrouw bleef alleen trouw, als zij hier den eersten nacht met haar gemaal had doorgebracht. Arme Urania! Wij hebben hier niet geslapen, signora mia, tusschen al die indecente godinnen der liefde. Wij huldigen de familietraditie niet meer. Urania is dus door het noodlot gedoemd mij ontrouw te worden. Tenzij ik die doem van haar overneem....

--In die familie-traditie werd van de trouw van de mannen zeker niet gerept?

--Neen, daar werd--en wordt nog altijd--heel weinig prijs op gesteld....

--Het is prachtig, herhaalde Cornélie, en zag rond. Wat zal Duco het hier prachtig vinden. O prins, ik heb nog nooit zoo een kamer gezien! Zie Venus daar met Adonis gewond, zijn hoofd in haar schoot, de nimfen weeklagend er om.... Het is een sprookje....

--Het is mij te veel goud....

--Misschien was het vroeger zoo, te veel goud....

--Veel goud, dat denoteerde rijkdom en liefdekracht. De rijkdom is nu voorbij....

--Maar nu is het goud zoo verzacht, zoo vergrauwd....

--De liefdekracht is gebleven: de San Stefano's hebben steeds veel bemind.

Hij schertste door en toonde de wulpschheid der tafereelen en waagde een toespeling.

Zij deed of zij niet hoorde, zij zag naar de afazzi. In de tusschenvakken dronken gouden pauwen aan gouden fonteinen en speelden cupido's met duiven.

--Ik hoû zooveel van je! fluisterde hij aan haar oor en omvatte haar middel. Engel, engel!

Zij weerde hem af.

--Prins....

--Zeg Gilio...!

--Waarom kunnen wij niet liever goede vrienden blijven....

--Omdat ik meer dan vriendschap wil.

Zij maakte zich nu geheel los.

--Ik niet, antwoordde zij koel.

--Heeft u dan alleen éen lief?

--Ja....

--Dat kan niet zijn.

--Waarom....

--Omdat u hem dan zoû trouwen. Als u niemand liefhad dan hem, Van der Staal, zoû u hem trouwen.

--Ik ben tegen het huwelijk.

--Praatjes. U trouwt hem niet om vrij te zijn. En als u vrij wil zijn, mag ik ook vragen, mijn moment van liefde.

Zij zag hem vreemd aan, hij voelde hare minachting.

--U begrijpt ... mij in het geheel niet, sprak zij langzaam en medelijdend.

--U mij wel.

--O ja. U is zoo heel eenvoudig.

--Waarom wil u niet?

--Omdat ik niet wil.

--Waarom niet?

--Omdat ik niet voor u voel.

--Waarom niet!? dwong hij, en zijn handen krimpten ineen.

--Waarom niet? herhaalde zij. Omdat ik u vroolijk en aardig vind om gekheid meê te maken, maar omdat uw temperament verder niet beantwoordt aan het mijne.

--Wat weet u van mijn temperament?

--Ik zie u.

--U is geen dokter.

--Ik ben een vrouw.

--En ik een man.

--Maar niet voor mij.

Razend, met een vloek, pakte hij haar in zijn trillende armen. Voordat zij het verhinderen kon, had hij haar woest gezoend. Zij wrong zich los en sloeg hem vlak in zijn gezicht. Hij vloekte weêr, greep wild, maar hooger richtte zij zich op.

--Prins! zeide zij, luid schaterlachend; u denkt toch niet mij te kunnen dwingen?

--Natuurlijk.

Zij lachte schamper.

--U kan niet, zeide zij luid. Want ik wil niet en ik laat mij niet dwingen.

Hij zag rood, hij was razend. Hij was nog nooit zoo getart en weêrstaan, hij had altijd overwonnen.

Zij zag hem stormen op haar af, maar rustig wierp zij de deur der kamer open.

De lange galerijen en zalen strekten zich uit, als eindeloos. Er was iets in dat perspectief van ancestrale ruimte, dat hem weêrhield. Hij was meer woest, dan beredeneerd geweldenaar. Zij liep heel langzaam voort, aandachtig kijkend links en rechts.

Hij voegde zich aan hare zijde.

--U heeft me geslagen, hijgde hij, razend. Dat vergeef ik u nooit. Nooit!

--Ik vraag u vergeving, sprak zij met haar liefste stem en lach. Ik moest mij toch verdedigen.

--Waarom?

--Prins, zeide zij met overreding; waarom nu toch die boosheid en die passie en die drift. U kan zoo lief zijn; verleden in Rome was u zoo charmant. Wij waren zulke goede vrienden. Ik genoot van uw conversatie en uw geest en van uw goed hart. Nu is alles bedorven.

--Neen, smeekte hij.

--Jawel. U wil me niet begrijpen. Uw temperament antwoordt niet aan het mijne. Begrijpt u dat niet? U dwingt me grofheden te zeggen, omdat u zelf grof is.

--Ik...?

--Ja; u gelooft niet aan de eerlijkheid van mijn onafhankelijkheid.

--Neen!

--Is dat dan hoffelijk tegenover een vrouw?

--Ik ben maar hoffelijk, tot zeker oogenblik.

--Wij zijn dat oogenblik voorbij. Wees dus nu weêr hoffelijk als vroeger.

--U speelt met mij. Ik zal het nooit vergeten, ik zal mij wreken.

--Dus een strijd op leven en dood?

--Neen, op zege, voor mij....

Zij waren de atrio genaderd.

--Ik dank u voor uw rondgeleide, zeide zij, een beetje spotachtig. De camera degli sposi, vooral, was magnifique. Laat ons niet meer zoo boos zijn.

Zij bood haar hand.

--Neen, zeide hij; u heeft mij hier geslagen in mijn gezicht. Mijn wang gloeit nog. Ik neem uw hand niet aan.

--Arme wang, plaagde zij. Arme prins! Sloeg ik hard?

--Ja....

--Hoe kan ik dien gloed weêr dooven?

Hij zag haar aan, nog hijgend, boos en rood, met flonkerende karbonkeloogen.

--U is zoo coquet, als ik geen Italiaansche ken.

Zij lachte.

--Met een zoen? vroeg zij.

--Demon! siste hij tusschen zijne tanden.

--Met een zoen? herhaalde zij.

--Ja, sprak hij. Daar, in onze camera degli sposi.

--Neen, hier.

--Demon! zei hij, zachter nog en sissender. Zij kuste hem vluchtig. Toen bood zij hem de hand.

--En nu is dit voorbij. Het incident gesloten.

--Engel, duivelin, siste hij haar achterna.

Zij keek over de balustrade naar het meer. De avond was gevallen en het meer schemerde in mist. Zij dacht niet meer aan hem, hoewel hij noch achter haar stond. Zij vond hem als een jonge jongen, die soms haar amuzeerde en nu ondeugend was geweest. Zij dacht aan hem niet meer; zij dacht aan Duco.

--Wat zal hij het hier mooi vinden, dacht zij. O, ik verlang naar hem!...

Er ruischte achter hen iets van de kleêren van een vrouw. Het waren Urania en de marchesa Belloni.

XXXIV.

Urania vroeg Cornélie binnen te komen, omdat het nu niet gezond was buiten, in de mist-uitwademing van het meer, met het ondergaan van de zon. De marchesa groette koel, stijf, knipte hare oogen dicht en deed of zij zich Cornélie niet heel goed herinnerde.

--Ik kan me dat begrijpen, zei Cornélie, vinnig glimlachend. U ziet zoo iederen dag andere locataires in uw pension, en ik ben veel korter gebleven, dan u eigenlijk wel rekende. Ik hoop, dat mijn kamers weêr gauw genomen zijn en u geen schade heeft gehad door mijn vertrek, marchesa?

De marchesa Belloni keek haar in stomme verbazing aan. Zij was hier, op San Stefano, in haar element van markiezin; zij, de schoonzuster van den ouden prins, sprak hier nooit over haar vreemdelingen-pension; zij ontmoette hier nooit hare gasten van Rome, die alleen als toeristen op bepaalde uren het kasteel wel eens bezochten, terwijl zij, de marchesa, enkele weken er haar zomervilligiatura doorbracht. Zij had hier ook afgelegd hare smedigheid van kille kamers aan te prijzen, haar handelstact van zooveel te vragen als zij maar dorst. Zij droeg hier haar gefrizeerden leeuwenkop met een hooge waardigheid en zij droeg wel hare kristallen brillanten in de ooren, maar een glimmend nieuw zijden spencer om haar ampelen boezem. Zij kon het niet helpen, dat zij, een geboren gravin, zij, de marchesa Belloni,--de markies was een broêr geweest van de overleden prinses--geene distinctie had, trots al hare kwartieren, maar zij voelde zich toch, die zij was, aristocrate. De kennissen, de monsignori, die zij wel eens op San Stefano ontmoette, verbloemden in hun gesprekken het pension Belloni, en noemden het palazzo Belloni.

--O ja, zeide zij eindelijk, met haar voornaam knippende oogen, heel koel. Nu herinner ik mij u ... hoewel ik uw naam ben vergeten.... Een vriendin van de prinses Urania, niet waar? Het doet mij pleizier u terug te zien, erg veel pleizier....

--En wat zegt u van het huwelijk van uw vriendin? vroeg zij, terwijl zij een oogenblik naast Cornélie de trap opging, tusschen de marmeren kandelabers van Mino da Fiesole. Gilio, nog boos en rood, en niet door den kus gekalmeerd, had zich verwijderd en Urania was hen vlug vooruit geloopen.

De marchesa wist van Cornélie's eerste tegenwerking, van haar vroegere raadgevingen aan Urania, en zij was er zeker van, dat Cornélie zoo had gedaan had, omdat zij voor zichzelve aan Gilio gedacht had. In hare vraag klonk ironie en triomf.

--Dat het in den hemel besloten was, antwoordde Cornélie, ook ironisch. Ik geloof, dat er op dit huwelijk een zegen rust.

--De zegen van Zijne Heiligheid, zei de marchesa naïef, niet begrijpend.

--Natuurlijk; de zegen van Zijne Heiligheid,... en de zegen van den Hemel....

--Ik dacht, dat u niet godsdienstig was?

--Soms.... Als ik over hun huwelijk denk, word ik zeer godsdienstig. Wat een rust voor de ziel van de prinses Urania, dat zij Katholiek is geworden. Wat een geluk voor haar leven, dat zij il caro Gilio heeft getrouwd. Er is toch nog geluk en vrede in het leven.

De marchesa vermoedde vaag iets van haar spot, en vond haar een gevaarlijke vrouw.

--En u, heeft onze godsdienst geen bekoring voor u?

--Heel veel! Ik heb veel gevoel voor mooie kerken en schilderijen. Maar dat is een artistieke opvatting. U zal dat wel niet begrijpen, want ik geloof niet, dat u artistiek is, marchesa? En ook het huwelijk heeft bekoring voor me, een huwelijk als dat van Urania. Zoû u mij ook niet eens kunnen helpen, marchesa? Dan blijf ik een heelen winter in uw pension, en, wie weet, dan word ik misschien nog wel Katholiek ook.... U zoû voor mij Rudyard nog wel eens kunnen probeeren, en als dat niet ging, de twee monsignori.... Dan word ik het zeker.... En winstgevend zoû het zeker zijn.

De marchesa zag haar hoog, wit van woede aan.

--Winstgevend....

--Als u mij een Italiaanschen titel bezorgt, maar met geld, zeker zoû dat winstgevend zijn.

--Hoe meent u?

--Vraag dat maar eens aan den ouden prins en aan de monsignori, marchesa....

--Wat weet u?! Wat denkt u?

--Ik? Niets! antwoordde Cornélie koel. Maar ik heb een double vue. Ik zie soms in eens iets.... Hoû mij dus maar te vriend, en doe niet meer, of u uw oude locataires vergeet.... Is hier de kamer van de prinses Urania? Gaat u eerst binnen, marchesa: na u....

De marchesa trad rillende binnen: zij dacht aan duivelarij. Hoe wist die vrouw _iets_ van haar onderhandelingen met den ouden prins en de monsignori? Hoe vermoedde zij, dat het huwelijk van Urania en hare bekeering haar eenige tienduizend lire's had aangebracht?

Zij had niet alleen een les gehad: zij rilde, zij was bang. Was die vrouw dan de duivel? Had zij de mal' occhio? En de marchesa maakte in de plooien van haar japon met pink en wijsvinger de bezwering der gettatura, en lispelde: vade retro, satanas....