Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 11

Chapter 113,910 wordsPublic domain

--Beste Duco, ik heb het lunch wat genegligeerd. Een kop thee en een boterham is alles wat ik je kan offreeren. Heb je veel honger?

--Neen, zeide hij ontwijkend.

Zij neuriede, terwijl zij de thee inschonk, in een antiek kopje. Zij sneed het brood en bracht hem zijn kopje op den divan. Toen zette zij zich naast hem, ook met een kopje in de hand.

--Cornélie, willen we liever niet lunchen in de osteria....

Zij toonde hem lachend haar leêge beurs.

--Hier zijn de postzegels, sprak ze.

Hij wierp zich ontmoedigd in de kussens.

--Mijn beste jongen, ging zij voort; wees niet zoo down. Van middag heb ik weêr geld, van die braceletten. Ik had ze eerder moeten verkoopen. Heusch Duco, het heeft niets te beteekenen. Waarom heb je niet gewerkt. Het zoû je opgewekt hebben.

--Ik had geen lust en ik heb hoofdpijn....

Zij zweeg even. Toen zeide zij:

--De prins was boos, dat wij hem niet geschreven hadden om hulp. Hij woû me tweehonderd lire geven....

--Je hebt ze toch geweigerd? vroeg hij woest.

--Natuurlijk, zeide zij kalm. Hij vroeg ons te logeeren op San Stefano, waar zij van den zomer zijn. Dat heb ik ook geweigerd.

--Waarom?

--Ik zoû geen kleêren hebben Maar jij zoû toch ook geen lust hebben, wel?

--Neen, sprak hij mat.

Zij nam zijn hoofd tegen zich aan en streelde over zijn voorhoofd. Een breed vak van weêrkaatst middaglicht viel uit de blauwe lucht buiten door het atelierraam en het atelier was als een ineengewemel van stoffige kleur, waarin de silhouetten zich uitteekenden met hun onbewegelijk gebaar en onveranderlijke emotie. De reliefborduursels der kazuifels en stolen, de purperen en azuurblauwen van Gentile's tryptiekblad, de mystische weelde van Memmi's engel in zijn mantel van zwaarkreukend brokaat, de gouden lelietak in de vingers--waren als een opeengestapelde rijkdom van kleur en flonkerden in dat weêrkaatste licht als van handenvol juweelen. Op den ezel stond de aquarel der Banieren, fijn en edel. En zooals zij zaten op den divan, hij leunende het hoofd tegen haar aan, beiden drinkende hunne thee, waren zij harmonisch van geluk tegen dien achtergrond van kunst. En het scheen ongelooflijk, dat zij zich bezorgd maakten over een paar honderd lire, want het gloeide om hen heen van kleur als edelsteen, en haar glimlach bleef als een glans. Maar ontmoedigd stonden zijn oogen en slap hing zijn hand.

Zij ging dien middag nog even uit, maar kwam spoedig thuis, zeggende, dat zij de braceletten verkocht had en dat hij nu zonder zorg behoefde te zijn. En zij zong en bewoog zich vroolijk door het atelier. Zij had eenige inkoopen gedaan: een amandeltaart, beschuitjes, een half fleschje port. Zij had dat zelve meêgebracht in een mandje en zij pakte het al zingend uit. Hare levendigheid wekte hem op; hij stond op en zette zich eensklaps voor "De Banieren". Hij zag naar het licht en bedacht, dat hij nog wel een uur kon werken. Een heerlijkheid golfde in hem op toen hij de aquarel beschouwde: hij vond er veel goeds, veel moois in. Er was breedheid in en fijnheid; het was modern en toch geen truc van modernisme: er was gedachte in en toch zuiverheid van lijn en groep. En de kleur was van een rustige voornaamheid: paarsch en grijs en wit; violet en grauw en blank; duister, schemer, licht; nacht, dageraad, dag. De dag vooral, de hoog daar dagende dag, was van een witte, zelfbewuste zon: een blanke zekerheid, waarin de toekomst duidelijk werd. Maar als een wolk waren de wimpels, deviezen, vanen, banieren, uitwaaiende als een heraldische trotschheid boven de extazehoofden der strijdsters.... Hij zocht zijne kleuren, hij zocht zijn penseelen, hij werkte met ijver, tot hij geen licht meer had. En hij zette zich bij haar, gelukkig, tevreden. In de schemering dronken zij van den port en aten zij van de taart. Hij had wel lust, zeide hij: hij had honger....

Om zeven uur werd er geklopt. Hij schrikte op, ging naar de deur, en de prins trad binnen. Duco's voorhoofd bewolkte, maar de prins zag niets in het duisterende atelier. Cornélie stak een lamp op.

--Scusi, prins, zeide zij. Ik ben bepaald verlegen. Duco heeft geen lust uit te gaan--hij heeft gewerkt en is moê--en ik had niemand om u een boodschap te zenden, dat wij uw invitatie niet konden aannemen.

--Maar dat meent u toch niet! Ik had zoo vast gerekend u beiden te hebben. Wat doe ik anders met mijn avond...!

En met zijn woordvloed, zijn klagen van bedorven kind, zijn smeeken van verwende jongen, die zijn zin wilde hebben, begon hij Duco--onwillig, stroef--over te halen. Duco stond eindelijk op, haalde zijn schouders op, glimlachte meêlijdend, bijna beleedigend, maar gaf toe. Maar zijn gevoel van onwil kon hij niet bedwingen; zijn ijverzucht om de vlugge repartie's van Cornélie en den prins was altijd hevig in hem, als een pijn. In de restauratie was hij eerst stil. Toen deed hij een poging om meê te doen in het gesprek, zich herinnerende wat Cornélie hem gezegd had dien gewichtigen dag in de osteria: dat zij hèm, Duco, liefhad; dat zij tegen hem opzag, dat zij den prins zelfs niet vergeleek bij hem; maar.... dat hij niet vroolijk was en geestig.... En om die herinnering voelende zijn meerderheid, was hij, trots zijn jalouzie, een beetje glimlachend uit de hoogte tegen den prins, een beetje neêrbuigend en duldende zijn aardigheid en flirt, omdat het Cornélie amuzeerde, dat gespeel met vlugge woorden en kort op elkaâr slaande zinnetjes, als de dialoog van een Fransch tooneelstuk.

XXX.

Den volgenden dag zoû de prins 's morgens naar San Stefano gaan en heel vroeg schreef Cornélie hem het volgende briefje:

Waarde Prins.

Ik kom tot u met een verzoek. U was gisteren morgen zoo vriendelijk mij uw hulp aan te bieden. Ik meende toen uw zoo vriendschappelijk aanbod te kunnen weigeren. Maar ik hoop, dat u mij niet al te grillig vindt als ik mij van daag tot u wend met het verzoek: leen mij, wat u mij gisteren wilde aanbieden.

Leen mij tweehonderd lire. Ik hoop ze u zoo spoedig mogelijk te kunnen teruggeven. Het behoeft natuurlijk geen geheim voor Urania te zijn, maar laat Duco het niet weten. Ik heb gisteren mijn braceletten willen verkoopen, maar er slechts éen verkocht, voor heel weinig geld. De goudsmid wilde er mij te weinig voor geven, maar éen was ik wel gedwongen hem voor veertig lire te laten, want ik had geen soldo meer! En nu kom ik dus een beroep doen op uw vriendschap en u vragen: sluit in een couvert de tweehonderd lire en laat mij die _zelve_ komen afhalen bij den portier. Ontvang bij voorbaat de betuiging mijner innige erkentelijkheid.

Wat een gezelligen avond heeft u ons gisteren bezorgd. Zoo een paar uren van vroolijke kout aan een keurig diner doen mij goed. Hoe gelukkig ik mij voel, onze tegenwoordige toestand van geldelijke zorg drukt mij wel eens neêr, hoewel ik mij voor Duco ophoud. Tobben over geld stoort hem in zijn arbeid en knakt hem in zijn werkkracht. Ik spreek er hem dan ook zoo min mogelijk over, en vraag u dus uitdrukkelijk: laat hem buiten dit kleine geheim.

Nogmaals: ik ben u innig dankbaar.

CORNÉLIE DE RETZ.

Toen zij dien morgen uitging, begaf zij zich dadelijk naar het Palazzo Ruspoli.

--Is zijne Excellentie al vertrokken?

De portier boog eerbiedig, vertrouwelijk.

--Een uur geleden, signora. Zijne Excellentie liet mij achter een brief en een pakje, om u te overhandigen, als u mocht aankomen. Vergunt u mij even te halen....

Hij ging en kwam spoedig terug, en bood Cornélie pakje en brief.

Zij verwijderde zich door een zijstraat van het Corso, zij opende de enveloppe en vond tusschen eenige banknoten een briefje:

Mijn zeer vereerde.

Ik ben zoo blij, dat u zich eindelijk tot mij gewend heeft en zoo zal Urania het ook goed vinden. Ik geloof geheel in haar geest te handelen, als ik u niet tweehonderd lire, maar duizend lire zend, met het allernederigste verzoek die van mij te willen aannemen en te behouden zoolang u verkiest. Want ik durf natuurlijk niet zeggen: neem ze aan als een geschenk. Toch ben ik wel zoo vrijpostig u een souvenir te zenden. Toen ik namelijk las, dat u zich gedwongen gevoeld had een bracelet te verkoopen, deed mij deze mededeeling zulk een hevige smart aan, dat ik zonder mij te bedenken, ben aangewipt bij Marchesini en, zoo goed ik kon, een armband heb uitgekozen, dien ik u aan uw voeten smeek te willen aannemen. U mag dat aan uw vriend niet weigeren. Laat, zoowel voor Urania als voor Van der Staal mijn armband geheim blijven.

Ontvang nogmaals mijn innigen dank, dat u zich verwaardigd heeft mijn hulp te aanvaarden en wees verzekerd, dat ik dit gunstbewijs op den allerhoogsten prijs stel.

Uw zeer nederige dienaar,

VIRGILIO DI F.B.

Cornélie opende het pakje: zij zag in een fluweelen étui een armband in Etruskischen stijl: een smalle gouden band bezet met parelen en saffieren.

XXXI.

In de warme dagen van Mei was het ruime atelier, op het Noorden gelegen, koel, terwijl de stad, buiten, blaakte. Duco en Cornélie gingen niet uit voor de avond viel en zij er aan dachten ergens te dineeren. Rome was stil: de Romeinsche wereld was weg, de touristen waren weg. Zij zagen niemand en hunne dagen vloeiden weg. Hij werkte met ijver; de "Banieren" waren voltooid: beiden, hunne armen om elkaârs middel, haar hoofd op zijn schouder, zaten zij er voor, in een fier glimlachenden trots gedurende die laatste dagen nog vóór de aquarel verzonden zoû worden naar de Internationale Tentoonstelling te Knightsbridge, Londen. In hun gevoel voor elkaâr was nog nooit geweest zoo een reine harmonie, zoo een eenheid van samenstemming, als nu zijn groote arbeid klaar was. Hij voelde, dat hij nog nooit zoo edel had gearbeid, zoo vast en zonder weifeling, met zooveel zelfde kracht en toch zoo teêr en hij was er haar dankbaar voor. Hij bekende haar, dat hij nooit zoo had kunnen werken, als zij niet met hem had meêgedacht, had meêgevoeld, in hun ure-lange zitten peinzen, in hun ure-lange zitten staren op den optocht, de vrouwentheorie, die zich ontwikkelde uit den in zuilen neêrbrokkelenden nacht naar de Stad van louter nieuwe blankheid en òplichtenden glasbouw. Een rust was in zijn ziel, nu hij zoo groot en edel had gearbeid. Een fierheid was in beiden: een trots om hun leven, om hunne onafhankelijkheid, dat werk van hooge en voorname kunst. In hun geluk was veel eigendunk en neêrzien op de menschen, de menigte, de wereld. Vooral in het zijne. In het hare was iets stillers en iets nederigs, hoewel zij uiterlijk zich fier toonde als hij Haar artikel over den Maatschappelijken Toestand der Gescheiden Vrouw was als brochure verschenen en had succes. Haar naam werd met lof genoemd onder de vooruitstrevende vrouwen. Maar haar eigen daad maakte haar niet fier, als Duco's kunst haar fier maakte en trotsch op hem, en trotsch op hun leven en op hun geluk.

Terwijl zij las in Hollandsche couranten en tijdschriften de beschouwingen over haar brochure--bestrijdingen dikwijls, maar nooit kleinachtingen, en steeds erkennende hare autoriteit het woord in deze zaak te voeren--; terwijl zij haar brochure overlas, rees een twijfel in haar aan haar eigen overtuiging. Zij voelde hoe moeilijk het is zuiver te strijden voor een zaak, zooals die symboolvrouwen, daar op de aquarel, ten strijde togen. Zij voelde, dat zij geschreven had na eigen leed, na eigen ondervinding, en na eigen leed en ondervinding alléen; zij zag in, dat zij gegeneralizeerd had haar eigen levens- en leedgevoel, maar zonder dieperen blik in het wezen dier dingen; niet uit zuivere overtuiging, maar wel uit bitterheid en boosheid; niet uit nadenken, maar wel na treurig droomen over eigen lot; niet uit liefde voor de vrouwen, maar wel uit kleine haat tegen de maatschappij. En zij herinnerde zich het zwijgen destijds van Duco; zijn stille afkeuring, zijn intuïtief gevoelen, dat de bron van hare opwelling niet zuiver was, maar het bittere en troebele van haar eigen ondervinding. Nu had zij eerbied voor die intuïtie; nu zag zij in het waarlijk zuivere van hemzelven; nu voelde zij hem--om zijn kunst--hoog, edel, zonder bijbedoeling in zijn daad, scheppende de schoonheid om haarzelve. Maar ook voelde zij, dat zij hem hiertoe had gewekt. Dat was haar trots en haar geluk en inniger had zij hem lief. Maar om haarzelve was zij nederig. Zij voelde hare vrouwelijkheid, al het complexe van hare ziel, dat haar verhinderde voort te strijden voor het doel der Vrouwen. En zij dacht weêr aan hare educatie, aan haar man, haar kort maar treurig huwelijksleven.... en zij dacht aan den prins. Zij voelde zich zoo véel, en zij was gaarne éen geweest. Zij wiegelde in tegenstrijdigheid bij tegenstrijdigheid en zij bekende zich: zij kende niet zichzelve. Het gaf een schemering van weemoed in haar dagen van geluk....

Den prins.... Had zij hem niet maar schijnbaar fier verzocht Urania niet te zeggen, dat zij bij Duco woonde, omdat zijzelve dat wel zeggen zoû? In waarheid vreesde zij Urania's opinie... Haar hinderden de oneerlijkheden van het kleine leven: zij noemde de kruispunten van haar lijn met andere kleine-menschen-lijnen: het kleine leven. Waarom, zoodra zij kruiste zulk een punt, voelde zij als bij instinct, dat eerlijkheid niet altijd was verstandig? Waar was haar fierheid en haar trotschheid--niet schijnbaar, maar in werkelijkheid--zoodra zij vreesde voor Urania's kritiek, zoodra zij vreesde, dat die kritiek haar in het een of ander opzicht kon nadeel zijn? En waarom sprak zij Duco niet over Virgilio's armband? Zij sprak hem van de duizend lire niet, omdat zij wist, dat geldzaken hem drukten, en dat hij van den prins niet leenen wilde. Want zoo hij hiervan wist, zoû hij niet werken kunnen met zijn gewone kracht en lust en ijver.... Nu had hij onbezorgd gearbeid en haar verzwijgen was voor edel doel geweest. Maar waarom sprak zij niet van Gilio's bracelet....

Zij wist het niet. Zij had een paar keer, heel natuurlijk weg willen zeggen: zie, dat heb ik van den prins, omdat ik dien eenen armband heb verkocht.... Maar zij vermocht het niet te zeggen. Waarom, zij wist het niet. Was het om Duco's jalouzie? Zij wist het niet, zij wist het niet. Zij vond het rustiger den armband te verzwijgen, ook niet te dragen. Zij had hem eigenlijk gaarne willen terug zenden aan den prins. Maar zij vond dat onheusch na al zijn vriendelijkheid, na al zijn bereidwilligheid haar bij te staan.

En Duco.... hij dacht, dat zij de braceletten goed verkocht had, hij wist, dat zij van haar uitgever geld ontvangen had, voor haar brochure. Hij vroeg niet verder, en dacht verder niet over geld. Zij leefden heel eenvoudig.... Maar toch hinderde het haar, dat hij niet wist, al was het voor zijn arbeid goed geweest, dat hij niet had geweten.

Het waren kleine dingen. Het waren kleine wolkjes over de gouden luchten van hun groot en edel leven: hun leven, waar zij trotsch op waren. En zij zag ze alleen. En als zij zag zijn oogen, waaruit zijn levensfierheid straalde, als zij hoorde zijn stem, zoo zeker klinkend van zijn nieuwe werkkracht en levenstrots, en als zij voelde zijn omhelzing, waarin zij trillen voelde heel zijn geluk om haar ... zag zij de wolkjes niet meer, voelde ze in zich trillen heel haar geluk om hem, en had zij hem zoo lief, dat zij had kunnen sterven in zijn armen.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

* * * * *

LANGS LIJNEN VAN GELEIDELIJKHEID

DOOR

LOUIS COUPERUS

TWEEDE DEEL

L. J. VEEN--UITGEVER--AMSTERDAM

1887

* * * * *

XXXII.

Urania schreef allerliefst. Dat zij het, met den ouden prins, heel stil hadden op San Stefano; daar zij geen logé's vroegen omdat het kasteel te somber, te vervallen, te eenzaam was, maar dat zij het allergezelligst vinden zoû als Cornélie eenigen tijd bij hen kwam doorbrengen. En, voegde zij er bij, zij zoû Mr. Van der Staal ook eene invitatie zenden. De brief was geadresseerd: Via dei Serpenti, en werd Cornélie van hare vroegere woning nagezonden. Zij begreep dus, dat Gilio niet had gesproken van haar wonen in Duco's atelier, en zij begreep tevens, dat Urania hun liaison aannam, zonder kritiek....

De aquarel der Banieren was naar Londen verzonden en in het atelier, steeds koel, terwijl de stad blaakte, hing eene lichte werkeloosheid en vage verveling, nu Duco niet meer werkte. En Cornélie antwoordde Urania, dat zij gaarne aannam en beloofde over een week te zullen komen. Zij was blij, dat zij op het kasteel geen andere gasten zoû aantreffen, want zij had geen toiletten voor een vie-de-château. Maar met haar tact verfrischte zij haar garderobe, zonder veel geld uit te geven. Het nam haar al die dagen in beslag en zij naaide, terwijl Duco op den divan lag en cigaretten rookte. Hij ook had aangenomen, om Cornélie, en omdat die streek van het meer van San Stefano, waarover het kasteel heen zag, hem aantrok. Hij beloofde Cornélie glimlachend niet zoo stroef te zijn. Hij zoû zijn best doen vriendelijk te zijn. Hij zag wat hoog neêr op den prins. Hij vond hem een kwâjongen, zoo geen ploert meer. Hij vond hem een kind, zoo niet onedel en laag.

Cornélie vertrok; hij bracht haar naar het station. In het rijtuig kuste zij hem innig en zeide, hoe zij hem missen zoû, die enkele dagen.... Of hij gauw zoû komen? Over een week? Zij zoû naar hem verlangen: zij kon niet buiten hem. Zij zag hem diep in zijn oogen, die zij liefhad. Hij ook, hij zeide, hoe hij zich vervelen zoû, zoo zonder haar. Kon hij niet vroeger komen? vroeg ze. Neen, Urania had den datum vastgesteld....

Toen hij haar hielp in een coupé der tweede klasse was zij verdrietig te gaan zonder hem. De coupé was vol, zij nam de laatste plaats in. Zij zat tusschen een dikken boer en een oude boerevrouw: de boer hielp haar vriendelijk met haar valiesje in het net te plaatsen, en vroeg of het haar niet hinderen zoû, als hij zijn pijpje rookte. Zij zeide vriendelijk van neen. Over hen zaten twee priesters in versleten soutanes, en tusschen hun voeten hadden zij een onaanzienlijk bruin houten kistje staan: het was het Heilige Oliesel, dat zij brachten aan een stervende.

De boer maakte een praatje met Cornélie en vroeg of zij vreemdelinge was, en zeker Engelsch? De oude boerevrouw bood haar een mandarijn.

Het andere gedeelte van de coupé was ingenomen door een burgerfamilie, vader, moeder, een jongentje en twee kleine zusjes. De boemeltrein schudde, rammelde en slingerde, hield telkens op. De zusjes neurieden. Aan een station steeg uit de eerste klasse een dame met een meisje van vijf jaar, in wit japonnetje en met witte struisveêren op den hoed.

--Oh, che bellezza! riep het jongentje. Mama, mama, kijk! Is zij niet mooi? Is zij niet heerlijk? Divinamente! Oh, mama...!

Hij sloot zijne zwarte oogen, verliefd, verblind, door het witte meisje van vijf jaar. De ouders lachten, de priesters lachten, allen glimlachten. Maar het jongentje was niet verlegen.

--Era una bellezza! herhaalde hij nog eens met overtuiging en met een blik in het rond.

Het was heel warm in den trein. Buiten gloeiden de bergen wit aan de kimmen en glanstrilden als een vuur met weêrschijn van opaal. Vlak aan den spoorweg rees een rij van eucalyptusboomen, de bladeren sikkelvormig, een zwaren geur uitbroeiend. In de vlakte, dor en verschroeid, graasden de wilde buffels, onverschillig hun zwarten kroeskop oprichtend naar den trein. De boemeltrein schudde, rammelde en slingerde, hield telkens op. In de stikkende broeiwarmte slaapknikkelden de koppen op en neêr, terwijl een lucht van zweet, tabaksrook en oranjeschil zich mengde met den wasem der eucalyptussen buiten. De trein zwenkte een bocht, rammelde als een speelgoedtreintje --blikken wagentjes, die bijna buitelden over elkaâr. En een effen reep van rimpelloos lazuur: spiegel, metaal, kristal, saffier, werd zichtbaar en verbreedde zich tot een ovalen beker tusschen glooiïngen van bergland, gelijk een zeer diep neêrgezette vaas, waarin een heilige vloeistof heel blauw en zuiver onbewogen werd bewaard, en beschermd door een muur van rotsige heuvelen, die hooger opklommen en hooger, tot, bij het rammelend zwenken van den trein, rondom den klaren beker, hoog op een piek een slot zich hief, rotskleurig, breed, massief en kloosterachtig, met de helling af neêrloopende arcaden. Edel en somber droefgeestig rees het op en nauwlijks was zichtbaar uit den trein, wat rots was en wat bouwsteen, alsof het éene barheid was, alsof het slot natuurlijk uit de rots gegroeid was en in zijn groei had aangenomen iets van den vorm van menschelijke woning uit heel vroegere tijden. En of de ovale beker met zijn heilig blauwe water een goddelijke ontvangschaal was, sloten de bergen het meer van San Stefano af en hief zich het kasteel gelijk zijn sombere waker.

De trein slingerde even met een arabesk langs het water, maakte een bocht, en weêr een en hield op: San Stefano. Het was eene kleine stille stad, slaperig in de zon, zonder eenig leven en verkeer, en alleen 's winters iederen dag bezocht door toeristen, die uit Rome den Dom kwamen bezichtigen en het kasteel, en in de osteria den landwijn proefden. Toen Cornélie uitstapte, zag zij dadelijk den prins.

--Hoe lief, dat u ons in ons uilennest komt opzoeken! zeide hij opgetogen en drukte hare handen.

Hij leidde haar door het station naar zijn rijtuigje, een soort panier, met twee kleine paardjes, en een kleinen groom. Een kruier zoû den koffer brengen naar het kasteel.

--Ik vind het heerlijk, dat u komt! herhaalde hij nog eens. U is nog nooit in San Stefano geweest? U weet, dat de Dom beroemd is. Ik rijd u de heele stad door, de weg naar het kasteel is achterom....

Hij had een glimlach van pleizier. Hij zette de paardjes aan met zijn tong, met een herhaald schudden aan de teugels, als een kind. Zij vlogen over den weg, tusschen de lage, slaperige huisjes, over de plaats, waar in den gloei van de zon de prachtige Dom rees, lombardisch-romaansch van stijl, begonnen in de elfde, bijgebouwd in eeuw na eeuw, met links de campanile, rechts het battisterio: wonderen van bouwkunst in marmer, rood, zwart en wit, éen beeldhouwwerk van engelen, heiligen en profeten en overpoeierd als met een dikke stof van oudheid, die de kleuren van het marmer al lang getemperd had tot roze, grijs en geel en tusschen de groepen nevelde, als het allereenigste, dat over was gebleven van al die eeuwen, of zij tot stof waren gezonken tusschen iedere voeg.

De prins reed over een lange brug, wier bogen waren de overblijfselen van een antiek aquaduct, en nu stonden in de rivier, geheel verdroogd en waarin kinderen speelden. Toen liet hij de paardjes stapvoets klimmen, de weg klom steil naar boven, dor en rotsig zich boven de neêrzinkende valleien van olijven opslingerend naar het slot, en wijder steeds uitziende over het steeds wijder uitbreidende panorama van de in de zon vergloeide blauwig witte bergen en opalen horizonnen, met plotseling een blik op het meer: de ovale beker, dieper en dieper neêrgezonken, nu als in een gecanneleerden rand van zongeschroeide heuvels, dieper en afgronddieper blauwend, en opvangend in zijn mystisch blauw, al het blauw van den hemel, tot de lucht er tusschen trilde, als met lange lichtspiralen, die wemelden voor de oogen. Tot plotseling een bedwelming aandreef van oranjebloesem, een adem zwaar en zinnelijk als van een hijgende liefde, of duizende monden geuradem bliezen, die stikkend bleef hangen in de windstille lichtatmosfeer, tusschen hemel en meer.