Langs lijnen van geleidelijkheid
Part 10
Zij hadden slechts eene afleiding; het huwelijk van den prins en Urania: een diner, een bal en de ceremonie in San Carlo, te midden van geheel de Romeinsche aristocratie, die de rijke Amerikaansche echter met reserve ontving. Maar toen de prins en de prinses di Forte-Braccio naar Nice vertrokken, was alle afleiding voorbij en gleden de dagen weêr voort langs de zelfde lieflijke goudene lijn. En Cornélie behield alleen éen onaangename herinnering: hare ontmoeting tijdens die feestdagen met mevrouw Van der Staal, die haar genieerd had op die feesten, haar den rug had toegedraaid en haar had doen begrijpen, dat alle vriendschap uit was. Zij had er zich in geschikt; zij had begrepen hoe moeilijk het was--zelfs al had mevrouw Van der Staal haar te woord willen staan--aan een vrouw als deze, vastgegroeid in hare sociale en wereldsche conventie, te verklaren haar eigen hoogmoedige ideeën van vrijheid, onafhankelijkheid en geluk. En ook de meisjes had zij genieerd, begrijpende, dat mevrouw Van der Staal dat wenschte. Zij was om dit alles niet boos, en niet gekwetst; zij begreep het wel in de moeder van Duco: zij was er alleen een beetje treurig om, want zij hield van mevrouw Van der Staal: zij hield van de beide meisjes.... Maar zij begreep het geheel: het kon niet anders, mevrouw Van der Staal wist, vermoedde alles. De moeder van Duco kon niet anders handelen, al ontkenden de prins en Urania, uit vriendschap, allen band tusschen Duco en haar, Cornélie--al nam de Romeinsche wereld hen tijdens die huwelijksfeesten eenvoudig aan als vrienden, als kennissen, als landgenooten--wat zij ook fluisterde en glimlachte achter een waaier. Maar nu waren die feesten gedaan, nu waren ze voorbij dat kruispunt met wereld en mensch: nu glooide hun gouden richting weêr zacht en effen voor hen uit....
Toen was het, dat Cornélie, die niet dacht aan Den Haag, een brief ontving uit Den Haag. De brief was van haar vader en telde ettelijke bladzijden, hetgeen haar van hem verwonderde, want hij schreef nooit. Hetgeen zij las verschrikte haar zeer maar ontmoedigde haar toch niet dadelijk geheel en al, misschien omdat zij niet voorzag het gewicht van haar vaders mededeeling. Hij smeekte haar om vergeving. Hij was al lang in financieele moeilijkheden. Hij had veel verloren. Zij moesten verhuizen, in een kleiner huis. De stemming in hun huis was bitter; mama huilde den heelen dag, de zusters kibbelden; de familie gaf raad; de kennissen waren onaangenaam. En hij smeekte haar om vergeving. Hij had gespeculeerd en verloren. En hij had ook verloren haar eigen klein kapitaaltje, dat hij beheerde, het legaat van haar peettante. Hij vroeg haar hem niet te hard te beschuldigen. Het had anders kunnen loopen en dan was zij driemaal zoo rijk geweest. Hij bekende het, hij had verkeerd gehandeld--maar hij was toch haar vader en hij vroeg haar, zijn kind, om vergeving en verzocht haar terug te komen.
Zij schrikte eerst hevig, maar hernam spoedig hare kalmte. Zij was in een te gelukkige stemming van levensharmonie, dan dat het bericht haar vermocht neêr te slaan. Zij ontving den brief in bed, bleef nog wat liggen, dacht na, kleedde zich toen aan, at als gewoonlijk, en ging toen naar Duco. Hij ontving haar met enthouziasme, en toonde haar drie nieuwe schetsen.... Zij verweet hem zachtjes, dat hij zich te veel liet afleiden van zijn hoofdidee, en dat deze afdwalingen hem vermoeien zouden in zijn werkkracht, in zijn doorzettingsvermogen. Zij drong hem toch vooral aan de "Banieren" te blijven werken. En zij zag met aandacht naar de groote aquarel, naar de antieke, in-een stortende Forumstad; de optocht der Vrouwen naar de Wereldstad van de Toekomst, daar hoog in het dagen van licht.... En eenslaps kwam het tot haar, dat ook haar verleden was ingestort, en dat de brokkelende bogen dreigend hingen boven haar hoofd. Zij liet hem toen lezen den brief van haar vader. Hij las tweemaal, zag haar aan verbijsterd, en vroeg wat zij doen zoû. Zij zeide, dat zij er reeds over na had gedacht, maar dat zij nog alleen maar wist het allerdadelijkste, dat zij doen zoû. Hare kamers opzeggen, en bij hem komen, in zijn atelier. Zij had juist nog genoeg om hare kamers te betalen. Maar dan was zij zonder geld. Totaal zonder geld. Zij had nooit van haar man een toelage willen hebben. Alleen wachtte zij het honorarium van haar artikel. Hij strekte haar dadelijk de handen toe, trok haar tot zich en kuste haar, en zeide, dat dit ook dadelijk zijn idee was geweest. Komen bij hem, samenleven met hem. Hij had wel genoeg--een kleinigheid van vaderlijk erfdeel; hij verdiende er bij: hij zoû genoeg hebben voor beiden. En zij lachten en kusten elkaâr en zagen rond in het atelier. Duco sliep in een klein aangrenzend hokje: iets van een lange muurkast. En zij zagen rond wat zij konden doen. Cornélie wist het: hier, een gordijn drapeeren over een koord, daarachter haar bed, haar waschtafel. Meer had zij niet noodig. Alleen dat kleine hoekje; anders had Duco geen goed licht. Zij waren heel vroolijk en vonden het een allergezelligst idee. Zij gingen dadelijk uit, kochten een ijzeren bedje, een toilettafel, en hingen zelve het gordijn op. Toen gingen ze beiden de koffers pakken in de Via dei Serpenti--en dineerden in de osteria. Cornélie stelde voor nu en dan eens thuis te te eten, dat was goedkooper.... Thuis gekomen, was zij er over uit, dat hare installatie zoo weinig plaats innam, nauwlijks een paar vierkante meter, met dat kleine bedje achter dat gordijn. Zij waren dien avond heel vroolijk. De bohême van hun toestand amuzeerde hen. Zij waren in Italië, in het land van zon, van schoonheid en lazzaroni, van bedelaars, die droomen op de trappen van een kathedraal, en zij voelden zich verwant aan die zonnige armoede. Zij waren gelukkig, zij hadden niets noodig. Zij zouden leven van niets. Van zoo weinig, ten minste. En zij zagen de toekomst glimlachend en helder in. Zij waren nu dichter bij elkaâr, zij leefden nu dichter aaneen gesloten. Zij hadden elkander lief en waren gelukkig, in een land van schoonheid, in een ideaal van edel symbool en leven-omvattende kunst.
Den volgenden morgen werkte hij ijverig, zonder een woord, verloren in zijn droom, in zijn werk, en zij, stil ook, tevreden, gelukkig, zag aandachtig hare blouses en rokken na, en bedacht, dat zij in geen jaar nog iets noodig zoû hebben, en dat hare oude kleêren voldoende waren voor hun leven van geluk en eenvoud.
En zij antwoordde haar vader heel kort, dat zij hem vergaf, meêleed met hen allen, maar niet terugkwam in Den Haag. Zij zoû wel in haar eigen onderhoud voorzien, met schrijven. Italië was goedkoop. Meer schreef zij niet. Zij repte niet van Duco. Zij scheidde zich van hare familie af, in den geest, en in het leven. Zij had geene sympathie bij hen allen ontmoet tijdens haar treurig huwelijk, tijdens de lijdensdagen van hare scheiding, en nu, op hare beurt, voelde zij geene warmte. En haar geluk maakte haar eenzijdig en egoïst. Zij verlangde niets dan Duco, niets dan hun samenleven van samenstemming. Hij werkte en lachte haar nu en dan toe waar zij lag op den divan en nadacht. Zij zag naar de ten strijde opgaande vrouwen; ook zij zoû niet op een divan kunnen blijven liggen, ook zij zoû moeten strijden. Zij voorgevoelde, dat zij zoû moeten strijden: voor hèm. Hij was nu in zijn kunstijver, maar als die na een rezultaat, na een succes voor zich en de wereld, verslapte--momenteel--zoû dit gewoon en logisch zijn en zoû _zij_ moeten strijden. Hij was het edele in hun beider leven, zijn kunst kon niet hare broodwinning worden. Zijn fortuintje was bijna niets. Zij zoû willen werken en geld verdienen voor hen beiden, opdat hij zoû kunnen blijven in het reine principe van zijne kunst. Maar hoe, hoe strijden, werken, hoe werken voor hun leven en voor hun brood? Wat kon zij? Schrijven? Het gaf zoo weinig. Wat anders? Een lichte weemoed omving haar, omdat zij weinig kon. Zij had kleine talentjes en handigheden: zij schreef een goeden stijl, zij zong, speelde piano, zij kon een blouse maken en zij wist wat van koken af. Zij zoû zelve nu en dan wat koken en hare kleêren zelve naaien. Maar dat alles was zoo klein, zoo weinig. Strijden, werken? Hoe? Enfin, doen zoû zij, wat zij kon. En eensklaps nam zij een Baedeker, bladerde er in en zette zich voor Duco's schrijftafel, waaraan ook zij schreef. En zij dacht even na en begon een causerie. Een reisbrief voor een blad, over de omstreken van Napels: dat was gemakkelijker dan dadelijk over Rome te beginnen. En in het atelier, waar een lichte stookwarmte hing, omdat het op het Noorden was en kil, werd het geluidenloos stil: alleen kraste nu en dan even hare pen, of zocht hij tusschen zijn crayons en penseelen. Zij schreef enkele bladzijden maar vond haar slot niet.... Toen stond zij op, hij wendde zich om en lachte haar toe: zijn glimlach van vriendelijk geluk....
En zij las hem voor wat zij geschreven had. Het was niet de stijl van hare brochure. Het was geen invective: het was een lieftallige reisbrief....
Hij vond het wel aardig, maar nu niet zoo héel bizonder.... Maar dat behoefde ook niet, verdedigde zij zich. En hij omhelsde haar, voor haar ijver en haar moed. Het regende dien dag en zij gingen niet uit voor hun lunch; zij had eieren en tomaten en op een petroleumstel maakte zij een ommelet. Zij dronken alleen water en aten er heel veel brood bij. En terwijl de regen geeselde tegen het groote, gordijnlooze atelierraam aan, genoten zij hun maal, gezeten als twee vogels, die schuilen bij elkaâr, dicht bij elkaâr, om niet nat te worden.
XXVIII.
Het was een paar maanden na Paschen: het waren de lentedagen van Mei. De vloed der toeristen was, dadelijk na de groote kerkfeesten, weggestroomd, en Rome was al heel warm en werd heel stil. Op een morgen, dat Cornélie liep over de Piazza di Spagna, waar de zonneschijn neêrvloot langs de roomgele façade der Trinita de' Monti, over de monumentale trap, waar maar enkele bedelaars en de laatste bloemenjongen in een hoekje schaduw zaten te droomen met knippende oogleden, zag Cornélie den prins op zich afkomen. Hij groette haar met een blijden glimlach en trad haastig op haar toe.
--Wat ben ik blij u te ontmoeten. Ik ben voor een paar dagen in Rome en ik moet naar San Stefano, naar mijn vader, voor zaken. Vervelend zaken, vooral deze. Urania is in Nice. Maar het is er warm, wij gaan weg. Wij komen juist van een trip door de Middellandsche zee. Vier weken op het yacht van een vriend. Het was heerlijk! Waarom is u niet eens bij ons in Nice gekomen, zooals Urania u geschreven heeft te doen?
--Ik kon waarlijk niet komen....
--Ik ben u gisteren gaan opzoeken in de Via dei Serpenti. Maar men vertelde mij, dat u verhuisd was....
Hij zag haar aan met een spotlachje in zijn kleine, glinsterende oogen. Zij zweeg.
--Toen heb ik niet verder indiscreet willen zijn, voltooide hij met bedoeling.... Waar gaat u heen?
--Ik moet naar het postkantoor.
--Ik heb niets te doen. Mag ik met u meêloopen. Is het u niet te warm om te wandelen?
--O, neen, ik hoû van de warmte. Zeker, loopt u meê. Hoe gaat het met Urania?
--Goed, uitstekend. Zij is uitstekend. Zij is prachtig, eenvoudig prachtig. Ik had het nooit gedacht. Ik had het nooit durven denken. Zij houdt zich briljant. Wat haar aangaat heb ik geen berouw van mijn huwelijk. Maar verder, wat een tegenvaller, wat een deceptie. Gesu mio!
--Waarom?
--U wist, niet waar--hoe weet ik nog niet--u wist voor hoeveel ik me verkocht? Geen vijf millioen, maar tien millioen. Ach, signora mia, wat al deceptie. U heeft mijn schoonvader gezien tijdens ons huwelijk. Wat een Yankee, wat een kousenkoopman en wat een handelsvent! Wij kunnen daar niet tegen op. Ik niet, en papa niet, en de marchesa niet. Eerst beloften, contracten, jawel. Maar dan pingelen hierop, pingelen daarop. Wij kunnen dat niet. Ik niet. En papa ook niet. Alleen tante kon pingelen. Maar ze was niet tegen den kousenkoopman opgewassen. Dat had ze nog niet geleerd al de jaren, dat ze pension-mama was geweest. Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Nu ja, maar ongeveer zooveel hebben we wel gekregen, plus nog een hoop beloften, voor onze kindskinderen, als iedereen dood is. Ach, signora, signora, ik was rijker toen ik niet getrouwd was! Het is waar, toen had ik schulden, nu niet. Maar Urania is van een zuinigheid, van een praktischheid. Ik had dat nooit zoo gedacht.... Het is iedereen tegengevallen, papa, tante, de monsignore's. U moest ze eens bijwonen met elkaâr. Ze hadden elkaâr wel de oogen willen uitkrabben. Papa heeft bijna een beroerte gehad, tante raakte handgemeen met de monsignore's.... Ach, signora, signora, ik hoû daar niet van. Ik ben een slachtoffer. Winters lang hebben ze met me gehengeld. Maar ik woû niet, ik stribbelde tegen: ik liet de vischjes niet happen. En nu is het er dan van gekomen. Nog geen drie millioen. Lire's, geen dollars. Ik was zoo dom, ik dacht eerst, dat het dollars zouden zijn. En Urania is van een zuinigheid. Ik krijg mijn zakgeld van haar. Zij beheert alles, zij doet alles. Zij weet precies hoeveel ik verlies in den club. Neen, u lacht, maar het is treurig. Ziet u wel, dat ik soms zoû kunnen huilen! En dan heeft ze zulke vreemde ideeën. Bij voorbeeld, wij hebben nu ons appartement in Nice en wij houden mijn kamers in het Palazzo Ruspoli aan, als pied-à-terre in Rome. Dat is genoeg: wij komen toch nooit veel in Rome, omdat wij "zwart" zijn en Urania dat saai vindt. 's Zomers zouden wij hier of daar zijn, op een badplaats. Mooi, dat was nu eenmaal afgesproken. Maar nu krijgt Urania in eens het idee om San Stefano uit te kiezen als zomerverblijfplaats! San Stefano!! Ik vraag u. Ik hoû het er niet uit. Het is waar, het ligt hoog, het is er koel: het klimaat is er aangenaam: een frische berglucht. Maar, ik heb meer noodig om te leven dan berglucht. Ik heb meer noodig om te leven dan berglucht. O, u zoû Urania niet herkennen. Ze is zoo koppig soms. Het staat nu onwrikbaar vast: 's zomers San Stefano. En het ergste is: ze heeft er papa's hart meê gestolen. Ik ben dus het kind van de rekening. Ze staan twee tegen mij, éen. En het allerergste is..., dat Urania gezegd heeft, dat we heél zuinig moeten zijn, om San Stefano op te knappen. Het is er een beroemde historische, maar vervallen boel. Wat wil u, we hebben nooit veine gehad. Nadat er eens een Forte-Braccio Paus is geweest ... is onze ster getaand en hebben we nooit meer geluk gehad. San Stefano is het type van vervallen grootheid. U moet het eens zien. Zuinig zijn, om San Stefano op te knappen! Dat is nu Urania's ideaal. Ze heeft zich in het hoofd gezet onze voorvaderlijke woning eere aan te doen. Enfin, ze steelt er papa's hart meê en hij is zijn beroerte te boven gekomen. Maar begrijpt u nu, dat il povero Gilio armer is dan voor hij aandeelen had in een kousenfabriek te Chicago??
Zijn woordenstroom was niet te breidelen. Hij voelde zich diep ongelukkig, klein, geslagen, getemd, overwonnen, vernietigd en hij had behoefte zijn hart te luchten. Zij waren de post al voorbij geloopen en kwamen nu op hun passen terug. Hij zocht sympathie bij Cornélie en hij vond die in de glimlachende oplettendheid, waarmeê ze zijn klachten aanhoorde. Zij antwoordde, dat het toch voor Urania prouveerde, dat zij gevoel had voor San Stefano.
--O ja, gaf hij nederig toe. Ze is heel goed. Ik had het nooit gedacht. Ze is op-end-op prinses-hertogin. Het is prachtig. Maar de tien millioen, weg illuzie! Maar zeg mij, wat ziet u er goed uit! U wordt iederen keer, dat ik u zie, mooier en mooier. Weet u wel, dat u een heele mooie vrouw is? U moet zeker heel gelukkig zijn! U is een bizondere vrouw, ik heb het altijd gezegd. Ik begrijp u niet.... Mag ik eerlijk spreken? Zijn wij goede vrienden? Ik begrijp u niet. Wat u nu gedaan heeft, vind ik zoo iets ontzettends.... Ik heb daar nooit van gehoord in onze wereld.
--Uw wereld is de mijne niet, prins.
--Nu ja, maar toch, uw wereld zal daaromtrent wel de zelfde ideeën hebben. En die kalmte, die fierheid, dat geluk, waarmeê u rustig doet.... waar u lust in heeft. Ik vind het ontzaglijk. Ik sta ervan versteld.... En toch ... is het jammer. In mijn wereld is men heel gemakkelijk.... Maar dàt mag niet!
--Prins, nog eens, ik heb geen wereld. Mijn wereld is mijn eigen sfeer.
--Ik begrijp dat niet.... Zeg mij, hoe moet ik het Urania zeggen? Want ik zoû het zoo heerlijk vinden als u eens kwam te San Stefano. Och toe, doe het, kom ons eens gezelschap houden. Ik smeek u er om. Wees barmhartig, doe een goed werk.... Maar zeg mij eerst, hoe moet ik het aan Urania zeggen....
Zij lachte.
--Wat?
--Dat wat men mij vertelde in de Via dei Serpenti: dat uw adres voortaan luidde: Via del Babuino, atelier van den heer Van der Staal....
Zij zag hem, lachende, bijna medelijdend aan.
--Het is te moeilijk voor u, om te zeggen, antwoordde zij zachtjes neêrbuigend. Ik zal het zelf aan Urania schrijven en haar mijn gedrag verklaren.
Hij was blijkbaar verlucht.
--Dat is heerlijk, uitstekend! En ... komt u op San Stefano?
--Neen, ik kan niet, heusch niet.
--Waarom niet?
--In den kring, waarin u leeft, kan ik niet meer komen, na mijn verandering van adres, zeide zij, half lachend, half ernstig.
Hij haalde de schouders op.
--Hoor eens, sprak hij. U kent onze Romeinsche maatschappij. Als zekere convenances worden geëerbiedigd ... is alles geoorloofd.
--Juist, maar die convenances eerbiedig ik juist niet....
--Dat is dan ook verkeerd van u. Geloof mij, ik zeg het u als vriend.
--Ik leef naar mijn eigen wet en verlang niet uw wereld binnen te treden.
Hij vouwde de handen.
--Ja, ja, dat weet ik wel. U is een "nieuwe vrouw." U heeft uw eigen wet. Maar ik smeek u, heb medelijden met mij. Ontferm u over mij. Kom te San Stefano.
Zij meende in zijne stem een verleiding te hooren en daarom zeide zij:
--Prins, al kon het overeenkomen met de convenances van uw wereld ... dan nog zoû ik niet willen, want ik wil Van der Staal niet verlaten.
--Kom eerst, en later komt hij. Urania zal hem gaarne raad willen vragen omtrent eenige artistieke kwesties, betreffende het "opknappen" van Stefano. Wij hebben daar veel schilderijen. En antieken. Toe, doe dat. Ik ga morgen naar San Stefano. Urania volgt mij na een week. Ik zal haar voorstellen u spoedig te vragen....
--Waarlijk prins ... zoo binnen kort kan ik niet....
--Waarom niet?
Zij zag hem lang aan.
--Wil ik heel eerlijk zijn?
--Natuurlijk.
Zij waren de post al een paar malen voorbijgeloopen. Het was doodstil op straat, er liep niemand. Hij zag haar vragend aan.
--Nu dan, sprak zij; wij zijn in groote geldelijke moeilijkheden. Wij hebben op het oogenblik niets in huis. Ik heb mijn kapitaaltje verloren en het weinigje wat ik verdiend heb met het schrijven van een artikel is op. Duco werkt hard, maar hij is aan een groot werk bezig en verdient niets. Over twee maanden wacht hij eenig geld. Maar op dit oogenblik hebben wij niets. Eenvoudig niets. Daarom ben ik van morgen in een winkel aan den Tiber gaan informeeren hoeveel de koopman geven woû voor een paar antieke schilderijen, die Duco verkoopen wil. Hij scheidt ongaarne van ze. Maar het kan niet anders. U ziet dus, dat ik niet komen kan. Ik zoû hem niet willen verlaten en dan, ik zoû geen geld hebben voor de reis en ook geen decente garderobe....
Hij zag haar aan. Hare opbloeiende schoonheid had hem eerst getroffen; nu trof hem, dat haar rok wat gesleten was, hare blouse niet frisch meer was, hoewel zij een paar rozen in den ceintuur droeg.
--Gesu mio! riep hij uit. En dat vertelt u mij zoo kalm, zoo rustig....
Zij glimlachte en haalde de schouders op.
--Wat wil u? Dat ik er over jammer?
--Maar u is een vrouw ... een vrouw om eerbied voor te hebben! riep hij uit. Hoe is Van der Staal er onder?
--Hij is wel een beetje gedrukt. Hij heeft nooit finantieele moeilijkheid gekend. En het verhindert hem met al zijn talent te werken. Maar ik hoop hem tot eenigen steun te zijn in dezen ongelukkigen tijd. U ziet dus, prins, dat ik niet kan komen te San Stefano.
--Maar waarom heeft u ons niet geschreven? Waarom ons geen geld gevraagd?
--Het is heel lief van u dat te zeggen, maar het idee is zelfs niet bij ons opgekomen.
--Te fier?
--Te fier, ja.
--Maar wat een toestand? Wat kan ik voor u doen? Mag ik u een paar honderd lire geven? Ik heb een paar honderd lire bij me. En ik zal Urania zeggen, dat ik ze u gegeven heb.
--Neen prins, dank u. Ik ben u heel dankbaar, maar ik kan het niet aannemen.
--Van _mij_ niet?
--Neen.
--Van Urania niet?
--Ook niet van haar.
--Waarom?
--Ik wil mijn geld verdienen en kan geen aalmoes ontvangen.
--Een mooi principe. Maar voor het oogenblik.
--Blijf ik het nog getrouw.
--Mag ik u wat zeggen.
--Wat dan?
--Ik bewonder u. Meer dan dat. Ik heb u lief. Zij maakte een beweging met de hand en fronste de wenkbrauwen.
--Waarom mag ik dat niet zeggen. Een Italiaan houdt zijn liefde niet in zich verborgen. Ik heb u lief. U is mooier en edeler en hooger dan ik mij ooit een vrouw zoû kunnen voorstellen.... Wees niet boos: ik vraag u niets. Ik ben een mauvais sujet maar op het oogenblik voel ik waarachtig nog zoo iets in me, dat u op onze oude familieportretten ziet. Een bij toeval overgebleven atoom van ridderlijkheid. Ik vraag u niets. Ik zeg u alleen, ook uit Urania's naam nu: u kan altijd op ons rekenen. Urania zal boos zijn, dat u haar niet geschreven heeft.
Zij gingen nu de post in en zij kocht een paar postzegels.
--Daar gaan mijn laatste soldi, zeide zij lachend en toonde haar leêge beurs. Wij hadden ze noodig voor een paar brieven aan een tentoonstellingscomité in Londen. Brengt u mij naar huis?
Zij zag eensklaps, dat hij tranen in zijn oogen had.
--Neemt u tweehonderd lire van mij aan! smeekte hij.
Zij dankte glimlachend van neen.
--Eet u thuis? vroeg hij.
Zij keek hem komisch aan.
--Ja, zeide zij.
Hij wilde niet verder vragen, bang haar te kwetsen.
--Wees lief, sprak hij; en dineer samen van avond met mij. Ik verveel mij. Ik heb op het oogenblik geen kennis in Rome. Iedereen is weg. Niet in het Grand-Hôtel, maar in een gezellige restauratie waar men mij kent. Ik kom u halen, om zeven uur. Wees lief, en doe het! Om mij!
Zijn tranen kon hij niet weêrhouden.
--Gaarne, sprak zij zacht, met haar glimlach.
Zij stonden in de poort van het huis der Via del Babuino, waar het atelier was. Hij hief haar hand aan zijn lippen, en kuste ze innig. Toen groette hij met den hoed en vertrok haastig. Zij ging langzaam de trappen op, hare aandoening bedwingend, voor zij het atelier binnentrad.
XXIX.
Zij vond Duco lusteloos, liggend op den divan. Hij had een zware hoofdpijn en zij zette zich naast hem.
--Wel? vroeg hij.
--De man woû tachtig lire geven voor den Memmi, zeide zij; maar hij beweerde, dat het tryptiekblad niet was van Gentile da Fabriano: hij herinnerde zich het blad bij je gezien te hebben.
--De man leutert, antwoordde hij; of hij zoekt mijn Gentile voor niets te krijgen.... Cornélie, ik kan ze eigenlijk niet verkoopen.
Nu Duco, dan zullen we wel wat anders vinden, sprak ze, en legde haar hand op zijn van hoofdpijn verwrongen voorhoofd.
--Misschien een paar kleinere dingen, een paar bibelots ... kreunde hij.
--Misschien ... Wil ik er van middag nog eens teruggaan?
--Neen, neen ... Dan ga _ik_. Maar eigenlijk kunnen wij zulke dingen wel koopen, maar nooit verkoopen.
--Neen Duco, gaf zij lachende toe. Maar ik heb gisteren geïnformeerd wat ik voor een paar braceletten krijgen kon, en die zal ik van middag van de hand doen. En dan kunnen we wel een maand rondscharrelen. Maar ik woû je iets vertellen. Weet je wien ik ontmoet heb?
--Neen.
--Den prins.
Zijn voorhoofd fronste.
--Ik hoû niet van dien ploert, sprak hij.
--Ik heb het je al eens gezegd, Duco: ik vind hem geen ploert. En ik geloof ook niet, dat hij dat is. Hij vroeg ons te dineeren voor van avond, heel eenvoudig.
--Neen, ik heb geen lust....
Zij zweeg. Zij stond op, kookte water op een spiritusstel en zette thee.