# Langs den Congo tot Brazzaville De Aarde en haar Volken, 1906

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/langs-den-congo-tot-brazzaville-de-aarde-en-haar-volken-1906-14121/index.md

Gelukkig dat er anderen gevonden worden, die door hunne manier van optreden deze opinie logenstraffen. Er zijn voorbeelden van maandenlange karavaanreizen, soms door één enkelen blanke, vergezeld van talrijke dragers ondernomen, gedurende welke het niet eenmaal voorkwam, dat het gedrag der zwarten tot eenige ontevredenheid aanleiding gaf. Een weinig tact doet hier wonderen, waarover zij, die zoo spoedig de hand tot slaan opheffen, verbaasd zouden staan.

Gelukkig ook dat de overheid, zoowel in den onafhankelijken Congo-staat als in Fransch Congo, den inboorlingen het vertrouwen gegeven heeft, dat klachten over lichamelijke kastijding met gerustheid voor het gerecht gebracht kunnen worden; de vrees voor straf houdt velen tenminste nu van hunne ruwe manier van optreden terug. Aan den Beneden-Congo, in de omgeving van Boma en Leopoldville en in het Fransche gebied te Brazzaville en omstreken behoort de chicot tamelijk wel tot het verleden. Ten zeerste te hopen is het, dat de regeering ook in de hooger gelegen streken spoedig op afdoende wijze tegen dit ergerlijke misbruik zal kunnen optreden.

Per stoomboot of per kano, het typische inlandsche vervoermiddel te water, verlaten we te Kinshassa het gebied van den Congo-Staat om, na den wijden Stanley-Pool overgestoken te zijn, te Brazzaville de Fransche Colonie te betreden.

Wie voor eenige jaren Brazzaville bezocht, zou door den aanblik der hier en daar verspreid liggende onaanzienlijke gebouwen zeker niet op de gedachte gekomen zijn, dat hij zich bevond in de tweede hoofdplaats der groote Fransche kolonie aan den Congo.

Vooral na een bezoek aan den Congo-Vrijstaat, waar overal de Staat zoo in alle opzichten op den voorgrond treedt, moest het den bezoeker van Brazzaville opvallen, hoe èn het gouvernement èn de handel zich hier met een veel bescheidener plaats vergenoegden, dan dit aan den overkant der rivier het geval was.

Zeker moet bij deze beoordeeling niet uit het oog verloren worden, dat Brazzaville, wat betreft de verbinding met de kust en het verkrijgen van de hulpmiddelen voor den bouw van huizen etc. en voor het onderhoud der blanken benoodigd, in ongunstiger omstandigheden verkeerde, dan het reeds beschouwde gedeelte van den Vrijstaat. In den tijd toen de spoorweg tusschen Matadi en Kinshassa nog niet bestond, was Loango, een plaatsje aan de kust van den Oceaan gelegen, de stapelplaats, waar de meeste goederen, uit Europa aangevoerd, werden opgeslagen en van waaruit ze per karavaan, langs een langen en moeilijken weg, naar Brazzaville vervoerd moesten worden. Wèl waren groote en vele bezwaren aan dit transport verbonden. De reis het binnenland in, nam 20 à 30 dagen in beslag en vooral in den regentijd (van November tot einde Mei ongeveer) waren de moeilijkheden niet licht te achten. Zware regens en niet minder de tornado's, de van hevige stormen en geweldige slagregens vergezeld gaande onweersbuien, van welker hevigheid men zich in gematigder luchtstreken moeilijk een voorstelling maken kan, belemmerden zeer het geregeld verkeer. De vochtigheid van den bodem, waarop men dikwijls overnachten moest, was bovendien zeer nadeelig voor den gezondheidstoestand der dragers. De eindelooze vlakten zijn in dien tijd des jaars bedekt met welig opschietend gras, dat 3-5 M. hoog wordt; dit harde, scherpe gras, neergeslagen door den wind en den regen, bedekt het smalle voetpad, waarover de dragers achter elkander voortgaan, met een verward kluwen, dat niettemin altijd nog enkele meters hoog is. Men gaat er niet alleen tusschen- maar ook onderdoor; het beneemt aan alle zijden, ook naar boven, het uitzicht; met moeite vindt men hierin zijn weg, en als de zon er op schijnt is de drukkende hitte er bijna ondraaglijk. Op vele plaatsen treft men deze grasvlakten aan. Ook het trekken door de bosschen, waaronder vooral het Mayumba-bosch berucht is, was in dat gedeelte van het jaar eene lastige onderneming. Over berghellingen en door diepe valleien strekt dit bosch zich uit. De hellingen zijn dikwijls zóó steil, dat men er met behulp van lianen, wortels en stronken tegen opklimt of er langs afdaalt; in de diepten is de bodem doorweekt en op vele plaatsen herschapen in een moeras. Het doorwaden der menigvuldige stroompjes, op enkele gedeelten is 10 per dag geen zeldzaamheid, is altijd tijdroovend en lastig, soms gevaarlijk; in den regentijd in dubbele mate.

Zoo voorttrekkende, brachten de negers de 30-35 K.G. zware lasten naar hunne bestemming. Landwaarts ingaande bestonden deze natuurlijk uit alle soorten van handelsgoederen, levensmiddelen en factorij-benoodigdheden; teruggaande bracht de karavaan ivoor en gom-elastiek naar de kust over. Wel was er een kortere weg, n.l. per boot naar Matadi en vandaar over Manyanga langs eene karavaan-route van ± 15 dagen naar Brazzaville, doch door de dikwijls voorkomende twisten tusschen de stammen onderling, vooral in die streken, was deze weg meestal gesloten.

Dat de ontwikkeling van Brazzaville in dien tijd geen hooge vlucht nam, en er integendeel van ontwikkeling nog bijna geen sprake was, kan veilig voor een deel aan de lastige verbinding met de kust toegeschreven worden. Doch slechts voor een deel; een der groote oorzaken was zeker de weinige energie en vooral ook het gebrek aan tact van de regeering.

In den tijd toch toen het gouvernement te Brazzaville slechts een paar armelijke gebouwen had, waarin de enkele ambtenaren nagenoeg zonder meubelen of ander comfort gehuisvest waren, stonden te Leopoldville, waar men toch bijna even groote verkeersmoeilijkheden te overwinnen had, reeds flinke huizen voor de talrijke geëmployeerden van den Staat; had deze er een werf, waarop hij zijne stoombooten bouwde; een inrichting waar verscheidene blanken aan de machinerieën, hiervoor benoodigd, bezig waren e.d.

De karavaan-dienst van af de kust was in den Congo-Vrijstaat ook veel beter geregeld dan in het Fransche gebied. Bijna overal had hier de regeering, toen geen spoorweg nog het verkeer vergemakkelijkte, wegen aangelegd, die behoorlijk van plantengroei gezuiverd en goed onderhouden werden. Over de meeste stroompjes waren bruggen geslagen en over de geheele lengte vond men, op elke 4 of 5 uren afstand, huizen, die tot pleisterplaats voor doortrekkende reizigers dienden. In nagenoeg al deze posten hield een neger in staatsdienst verblijf om te zorgen voor water, hout om vuren aan te leggen, en dergelijke benoodigdheden. De Staat zag verder nauwkeurig toe op de capita's, d.z. geleiders der karavanen, die aansprakelijk waren voor het aantal dragers waartoe zij zich verbonden hadden en voor de goede overkomst van het transport.

Waar de regeering van de Fransche kolonie zelfs niet bij machte scheen, in den onmiddellijken omtrek van Brazzaville de wegen ook maar eenigszins te doen onderhouden, ligt het voor de hand, dat van toezicht op den langen karavaanweg naar de kust, aan deze zijde der rivier bijna in 't geheel geen sprake was.

De weg bestond eenvoudig uit het smalle negerpad, dat de dorpen onderling verbond; van bruggen etc. was geen spoor te ontdekken. Ook het toezicht op de karavanen zelf en de contrôle over de goede aankomst liet veel te wenschen over. Wel had ook hier iedere capita een vergunning van het gouvernement noodig en was hij verplicht deze bij vertrek en aankomst op de Fransche posten te vertoonen, waardoor er ook op het aantal dragers eenig toezicht uitgeoefend werd, doch de gelden, die de regeering hierdoor van de handelshuizen, welke deze vergunningen moesten koopen, ontving, werden niet besteed voor verbetering van en toezicht op den weg, die de eenige verbinding met de kust vormde. Het ontbrak niet aan voorschriften en besluiten, doch de Franschen misten gewoonlijk de middelen en dikwijls den ernstigen wil, deze te doen nakomen. Meermalen kwam het b.v. voor, dat sommige lasten, waaronder dan dikwijls onderdeelen van booten en machinerieën, die met ongeduld verwacht werden, niet aankwamen. Bij onderzoek bleek dan meestal dat dergelijke stukken eenvoudig langs den weg weggeworpen waren en de dragers zich naar hunne dorpen begeven hadden, vooral als deze zich eenigszins in de nabijheid der route bevonden. Dikwijls ook vond men balen manufacturen, kisten kralen e.d., die reeds jarenlang vermist waren, toevallig in verschillende dorpen terug en, wat wel eigenaardig is, gewoonlijk waren ze ongeschonden bewaard en ontbrak er niets aan den inhoud.

Vooral de ontwikkeling van den handel in het Fransche gebied kon en kan op verre na niet op één lijn gesteld worden met wat de Staat in dit opzicht bereikte. 't Is waar, er is heel wat aan te merken op de manier van handeldrijven in den Vrijstaat èn door de particuliere maatschappijen èn door de regeering zelf, en 't ware zeker te wenschen, dat vooral de gom-elastiek-productie zich wat minder ontwikkeld had en de belangen der negers wat meer in 't oog gehouden waren; doch hoewel de Franschen zich niet onbetuigd lieten om de wonde plekken hierin te helpen aanwijzen, er is in dit opzicht, waar het Fransch Congo geldt, niet alleen veel maar zelfs weinig minder te zeggen dan waar het betreft den Congo-Vrijstaat.

Eén inrichting te Brazzaville echter--en dit is een bewijs te meer dat de langzame ontwikkeling van de Fransche kolonie niet alleen aan de boven omschreven moeilijkheden geweten kan worden--kon de vergelijking met de beste Europeesche nederzettingen in den Congo-Vrijstaat doorstaan niet alleen, maar zocht er tevergeefs haars gelijke,--de factorij n.l. die hier gebouwd werd door de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap. Deze groote Hollandsche Vennootschap, die haren handel op den Congo dreef reeds vóór de vestiging van den Vrijstaat of de Fransche kolonie, stichtte al jaren geleden hare factorijen langs de rivier; eerst langs het benedengedeelte, doch al spoedig na de reis van Stanley, al dieper en dieper het land ingaande tot aan den Stanley-Pool. Van uit Kinshassa ondernamen de Hollanders reeds hunne tochten naar het binnenland, tot aan Stanley-Falls zelfs, in de allereerste jaren der vestiging van den Vrijstaat, toen er van Franschen invloed aan de overzijde nog nagenoeg niets te bespeuren viel.

In den invloed, dien dit groote handelshuis in den Boven-Congo, vooral door de zeldzame energie van zijn begaafden vertegenwoordiger ter plaatse, steeds meer ontwikkelde, zag de Staat een gevaarlijken factor bij de vestiging van zijn gezag, zoodat na een eindelooze reeks van moeilijkheden de Vennootschap haren hoofdzetel voor het binnenland verplaatste naar de overzijde van den Stanley-Pool, naar Brazzaville.

De factorij van het "Maison hollandaise", zooals het huis bij de blanken, of van "m'fumu n'tangu" (m'fumu = heer, prins, n'tangu = zon, m'tumu n'tangu = prins als de zon, zonneprins, zooals het wijd en zijd van Stanley-Falls tot aan de kust bij de negers bekend is), werd al spoedig een modelinrichting in deze streken. Zoowel wat de uitgestrektheid als wat den aanleg van het terrein en de inrichting der magazijnen en woonhuizen betreft, liet deze factorij alles, wat Brazzaville verder te aanschouwen gaf, in de schaduw. Toen de verbinding van de enkele Fransche handelsinrichtingen met de "Post"--het terrein waar het gouvernement zich gevestigd had--niets was dan een smal pad, dat zelfs nog niet altijd van gras gezuiverd werd, had men op deze factorij wegen aangelegd, honderden M. lang en verscheidene M. breed, aan weerszijden beplant met palmboomen, die men uit den omtrek bijeengebracht had. Men vond er o.a. een keurig aangelegde laan van mango's, bijna 1 K.M. lang, die, met de velerlei vruchtboomen en de bamboe- en koffieaanplantingen, van de factorij bijna een park vormden en de bewondering wekten van allen, die Brazzaville bezochten. Geen der hier verblijvende blanken, 't zij vertegenwoordigers der Fransche handelshuizen, 't zij ambtenaren van het gouvernement, verzuimde dan ook het Hollandsche Huis te bezoeken, en allen maakten gaarne gebruik van de gulle gastvrijheid die er hun steeds geboden werd. Terwijl zelfs de hoogste ambtenaren der regeering zich vergenoegen moesten met een woning van grauwe klei gebouwd en met riet gedekt, waarin de noodigste meubels zelfs ontbraken, waren de Hollanders gehuisvest in goed ingerichte huizen, tamelijk wel gemeubeld, voorzien van houten, witgekalkte daken en tegen de zonnestralen, ook ter zijde, door veranda's beschut. De factorij had verder een veestapel; men vond er bloemperken, groentetuinen, manioc-aanplantingen voor de negers, die er verblijf hielden en een "oranje-park", dat sinaasappelen, manderijnen en citroenen leverde. Ondanks de groote bedrijvigheid waarvan men er altijd getuige kon zijn, was de factorij steeds, in tegenstelling met de meeste Fransche nederzettingen, een voorbeeld van de grootste netheid en orde.

Ook de aanwezigheid der hutten van de honderden zwarten, die er altijd in dienst waren, liet in dit opzicht niets te wenschen. Op verschillende punten der factorij woonden deze zwarte werklieden, eenigszins van de hoofdwegen af, in afzonderlijke dorpen als 't ware, bijeen. Men vond daar de tamelijk goed gebouwde hutten der Sierra Leona's en Accra's, inboorlingen uit de Engelsche bezittingen aan de kust, die zich hier verhuurden als timmerlieden en metselaars. Ze zijn, over 't algemeen, vooral eerstgenoemden, flinke werklui; spreken goed Engelsch, kunnen meerendeels lezen en schrijven, ontvangen zelfs de in hun vaderland verschijnende couranten per post en zijn bijna zonder uitzondering trotsch op het feit, dat zij bewoners zijn van een Engelsche kolonie en deel uitmaken van het, in hunne schatting, nagenoeg alles omvattende Engelsche rijk. Ook van de kust afkomstig zijn de Whyboys, die reeds in hunne armelijke hutten hunne mindere ontwikkeling toonen. Onder gezag van een headman komen zij, in gezelschappen van 30-60, uit Liberia. Zij zijn zeer gehecht aan hun vaderland en hun blijdschap kent geen grenzen, wanneer zij, na volbrachten diensttijd zich weer naar hun geboorteplaats mogen inschepen. Zij spreken wat gebroken Engelsch en worden in dienst genomen voor allerlei werk aan bootenbouw en in magazijnen, waarvoor zij door hunne groote lichaamskracht, gewoonlijk bijzonder geschikt zijn.

Van een geheel ander type zijn de Loango's en Cabinda's, bewoners van de Portugeesche bezittingen aan de kust. De meesten hunner spreken Portugeesch doch hebben van den omgang met blanken meestal niet veel goeds overgenomen. Zij zijn gelukkig, als zij dezen in zijne kleeding kunnen nadoen; loopen, zoodra zij als koks, waschlui of tafeljongens iets verdiend hebben, met hoed en wandelstok, maar zijn dikwijls bekend om hun drankzucht, hun weinige eerlijkheid en hun onbetrouwbaarheid.

Ook uit den omtrek trekt de factorij hare werklieden. Begeerig naar de eenige meters goedkoope katoenen stof, die er maandelijks te verdienen vallen, komen de jongens uit de omliggende Balali- en Bacongo-dorpen dikwijls dagreizen ver loopen om hunne diensten aan te bieden. Na 12 maanden (zij tellen de manen) werk, dat gewoonlijk bestaat in terreinonderhoud, vee hoeden, op eenden en kippen passen, waterdragen etc., keeren zij dan, rijk met hunnen voorraad n'toie naar hunne dorpen terug, om zich meestal na verloop van eenigen tijd opnieuw te komen aanbieden, totdat zij genoeg verdiend hebben om zich in het dorp, als bezitters van een hut, eenige geiten en kippen, naar hun genoegen te kunnen nederzetten.

Bovendien trof men, buiten deze geregelde bevolking der factorij nog een aantal negers aan, van allerlei stammen diep uit de binnenlanden afkomstig, die als houthakkers dienst deden op de booten en hier tijdelijk hunne hutten opsloegen. En voor al deze handen was er altijd werk; nooit stond het bedrijvige leven stil en dikwijls zelfs kwam men arbeidskrachten te kort.

Evenzeer als de regeering had ook dit handelshuis natuurlijk te kampen met de moeilijkheden van het transport. Niettemin dreef men reeds een geregelden handel met de hooger gelegen streken; voortdurend brachten dragers goederen van de kust aan; niet alleen handelsgoederen en levensmiddelen, maar geheele stoombooten. Deze laatste werden in dien tijd, zooveel mogelijk in lasten van 30 K.G. uit elkander genomen, per karavaan aangebracht, waarna ze dan aan den oever der rivier in elkander werden gezet.

Overal in den omtrek was "m'fumu n'tangu" bij de inboorlingen bekend, en zonder twijfel zagen de meeste negerstammen in dit handelshuis machtiger lichaam dan in de administratie der kolonie.

Tot het aanzien, dat het Hollandsche Huis in deze uitgestrekte landstreken genoot, droeg niet weinig bij--'t dient ter eere van zijn chefs en employés gezegd--dat hier steeds streng gewaakt werd tegen machtsmisbruik. Men had natuurlijk geen soldaten of gewapende lieden in zijn dienst om de negers tot levering van de verschillende voortbrengselen te dwingen; men beproefde ook geen dwang, doch zocht slechts overal den vrijen ruilhandel te ontwikkelen, en--het huis bevond er zich goed bij.

Van zeer groot belang was begrijpelijkerwijs het bestaan van dit machtige handelshuis voor de Franschen bij de vestiging van hun gezag aan den Boven-Congo. Ontelbare malen stond het de regeering bij met zijne--voor dien tijd en die streken--rijke hulpmiddelen. Dikwijls voorzagen zijn magazijnen de Fransche posten aan de kust, bij Manyanga, of te Brazzaville, van de noodige handelsgoederen of levensbehoeften, en verscheidene malen bood het te Brazzaville zijn booten aan de regeering aan voor het vervoer naar boven van expedities en goederen; aanbiedingen, die steeds gaarne en dankbaar aanvaard werden. Meerdere beroemd geworden Fransche missies vertrokken zoo op Hollandsche stoombooten, met behulp van Hollandsch personeel naar de plaatsen hunner bestemming.

Meer en meer echter, naarmate de invloed der Franschen in den Congo grooter werd, naarmate de regeering meer ambtenaren en grooter hulpmiddelen kreeg, begon men met leede oogen de groote ontwikkeling van den Hollandschen handel gade te slaan; het duurde niet lang of de Vennootschap ondervond hiervan de gevolgen. Het "La France et ses Colonies pour les Français", zoo dikwijls door regeeringspersonen en handelaars geuit, vond misschien nergens zoo sterk zijn toepassing als hier. Hoewel men het huis zijn reeds verkregen factorijen niet ontnemen kon, maakte men het den handel op een andere wijze ongeveer onmogelijk. Zonder rekening te houden met reeds verkregen rechten, werden uitgestrekte gedeelten der kolonie in concessie uitgegeven aan uitsluitend Fransche maatschappijen, die enkele jaren geleden, tengevolge van kunstmatig opgewekte belangstelling en overdreven voorstellingen, in grooten getale werden opgericht.

Binnen korten tijd was het recht van handeldrijven met de inboorlingen in bijna het gansche Fransche gebied tot de maatschappijen, die eigenaars werden dezer concessies, beperkt, waardoor nagenoeg de geheele kolonie voor den vrijen handel gesloten was. Vertoogen mochten niet baten. Men beriep zich op de tractaten waarbij de vestiging van Europeesche natiën in de Congo-streken geregeld werd--doch zonder resultaat.

't Gevolg was, dat voor de Hollandsche vennootschap het bezit harer met moeite verworven factorijen langs de bovenrivieren bijkans waardeloos werd; van handeldrijven toch was geen sprake meer, nu ongeveer al deze factorijen lagen in de concessie van de een of andere in Frankrijk opgerichte maatschappij.

Wel heeft men het Hollandsche element niet kunnen verdrijven en hield het Huis zich, ondanks alle moeilijkheden en tegenwerking, staande door transportdiensten en 't zoeken van nieuwe handelsverbindingen, doch de vrije ontwikkeling van zijnen handel werd voor goed gefnuikt.

Het resultaat dezer verdeeling in concessies is evenwel nòch voor de regeering, nòch voor den handel gunstig geweest. En geen wonder ook. Door de onbekendheid met de toestanden aan den Congo, onderschatte men al te zeer de moeilijkheden die te overwinnen waren; men stelde zich gouden bergen voor van de opbrengst der uitgestrekte concessies, waar men het recht van alleenhandel hebben zou en dus over de geheele gom-elastiek-productie te beschikken had. De teleurstelling bleef dan ook niet uit. De nieuw opgerichte maatschappijen ondervonden al spoedig dat oude toestanden, vooral in een land als Midden-Afrika, maar niet met éen slag te wijzigen zijn. De vestiging in Brazzaville zonder eerst vasten voet aan de kust te hebben, bracht onvoorziene hindernissen en ongedachte kosten mede. Bovendien, de reis van deze plaats naar de meeste der concessies was op zichzelf reeds bezwaarlijk genoeg; hoeveel te moeilijker en kostbaarder werd het niet, alle benoodigdheden en handelsartikelen naar die verafgelegen streken op te voeren! En dan de handel zelf. Het verkennen der uitgestrekte terreinen, waarvan zelfs geen kaarten bestonden; het uitzoeken der goede punten voor factorijen-bouw; het bekend worden met de eigenaardigheden der bevolking, die dikwijls nog nooit in aanraking geweest was met Europeanen; het juist beoordeelen der artikelen, waaraan door de negers waarde gehecht zou worden, en waarvoor ze hunne producten, zoo deze tenminste in de concessie gevonden werden, wat ook nog niet altijd het geval was, zouden willen inruilen,--het waren even zoovele moeilijkheden, waarop nagenoeg in 't geheel niet gerekend was.

Vreemd is het dan ook niet, dat de plotseling opgewekte belangstelling voor den Congo-handel in Frankrijk spoedig aanmerkelijk bekoelde. Tal van maatschappijen bereikten nooit eenig resultaat; vele brachten het niet verder dan het opzoeken hunner concessies, doch konden tot den eigenlijken handel maar nooit goed geraken. Andere leidden een kwijnend bestaan en zagen de opbrengst van de met moeite verworven voortbrengselen uit hun gebied, verzwolgen door de verbazend hooge kosten, die de vestiging in deze streken medebrengt; zelfs waren er maatschappijen, die nooit vasten voet kregen in hunne concessie. Enkelen slechts is het gelukt, den handel in hun gebied tot ontwikkeling te brengen.

Het gevolg der geringe ontwikkeling van den handel gevoelde de regeering der kolonie in een voortdurend gebrek aan de noodige geldmiddelen om haar gezag ook maar eenigszins voldoende te kunnen vestigen. Eerst in den laatsten tijd, nu Brazzaville tot zetel der regeering gemaakt is, heeft het gouvernement hier eenige behoorlijke gebouwen; tot voor kort was deze voornaamste vestiging der Franschen aan den Boven-Congo nog niet te vergelijken met vele der posten, die de État Indépendant langs de bijrivieren diep in het binnenland opgericht had. Nog zijn er geheele streken, waar geen regeeringsambtenaar te vinden is; zelfs heeft men toegelaten, dat sommige concessies jarenlang in exploitatie gebracht waren, zonder dat er ook maar eenige regeeringspost bestond in geheel de wijde uitgestrektheid. En zelfs waar men de posten vond, hadden ze zeer dikwijls gebrek aan het noodigste personeel. Van toezicht op de handelingen van hen, wier belang toch medebracht zooveel en zoo goedkoop mogelijk producten te verzamelen, was in sommige streken dan ook geen sprake; van bescherming der inboorlingen tegen willekeurige handelingen, in vele gevallen evenmin.

Het gelukkige voorschrift, waarbij in den Franschen Congo met alle lichamelijke straffen gebroken werd, heeft helaas niet kunnen beletten, dat ook hier vele ergerlijke daden van machtsmisbruik voorgekomen zijn, waaraan in enkele gevallen zelfs regeeringsambtenaren schuldig waren.

