Langs den Congo tot Brazzaville De Aarde en haar Volken, 1906

Part 2

Chapter 2 3,722 words Public domain Markdown

De gereedstaande trein, in tegenstelling met de goederentreinen bekend als de expres, zou in Europa hoogstens op den naam tram aanspraak kunnen maken. Behalve de machine zijn er slechts drie rijtuigen, een waggon 1e klasse, een dito 2e en een bagagewagen. De gesteldheid van den weg maakt het niet wel mogelijk de treinen langer te maken; bij veel aanvraag om plaatsen, wat wel eens voorkomt na aankomst eener mail uit Europa, laat men liever twee treinen achter elkander loopen; ook gebeurt het niet zelden dat in dit geval een deel der passagiers zich een paar dagen wachten moet getroosten.

Van de zenuwachtige drukte, die dikwijls het vertrek der treinen in de beschaafde wereld voorafgaat, bemerken we hier geen spoor. De negers, belast met het inladen der bagage, hebben blijkbaar geen haast en evenmin hebben dit de tien of twaalf passagiers, die de reis gaan ondernemen. Men zoekt een plaats of wandelt, nu het nog aangenaam koel is, wat langs het treintje op en neer in afwachting van het sein tot vertrek, dat zich meer of minder lang wachten laat, naarmate er wat meer of minder bagage te laden is. Er wordt trouwens op geen vijf minuten gekeken; we hebben den geheelen dag tijd om Thysville, dat ongeveer halfweg ligt, te bereiken en 't maakt niet veel uit, of we er een uur vroeger of later aankomen.

Is eindelijk alles in orde en hebben blanken en zwarten in hunne respectieve waggons--het gebeurt zelden dat een der eerstgenoemden 2e of een der laatsten 1e klasse reist--plaats genomen, dan verkondigen een paar stooten op de fluit, dat de reis een aanvang neemt en spoedig hebben we Matadi achter ons.

't Gezelschap waarmede we de reis maken bestaat, met uitzondering van enkele ouderen, d.w.z. zij die na reeds eenige jaren in den Congo doorgebracht te hebben weder naar hun werkkring terugkeeren, voor 't grootste gedeelte uit nieuw-aangekomenen, die zich vol verwachting naar hunne bestemming begeven.

De draaibare rieten fauteuils, waarvan er aan elke lange zijde van het rijtuig zes geplaatst zijn, en het tafeltje, dat zich tusschen elke twee zetels bevindt, maken het mogelijk zich tamelijk goed voor de lange reis in te richten. Overigens laat de inrichting der wagens wel iets te wenschen over. Van ramen is geen sprake; wind en regen kunnen ongehinderd door de geheel open zijkanten naar binnen komen en maken den rit er dikwijls niet aangenamer op. Het grootste ongerief echter vormen de massa's stof, hoofdzakelijk fijne aschdeeltjes uit de locomotief afkomstig, die onophoudelijk naar binnen waaien; er is meestal geen uur na het vertrek verloopen of aangezicht en handen zijn er dermate door verontreinigd, dat men met verlangen naar wat water uitziet. De enkelen die hierop gerekend hebben, door in een paar flesschen waschwater mede te voeren, worden benijd door hen, die, minder bekend met de eigenaardigheden dezer spoorreis, dit verzuimden en wien nu niets overblijft dan gebruik te maken van de gelegenheid tot verfrissching, die zich enkele malen voordoet, wanneer n.l. de trein eenige minuten stopt om uit een aan den weg op een hooge stelling geplaatsten bak zijn watervoorraad, voor den stoomketel benoodigd, aan te vullen.

De helderwitte kleeding, waarin velen onvoorzichtig genoeg de reis aanvingen, heeft het zwaar te verantwoorden en nog voordat we aan het eerste eenigszins groote station gekomen zijn, deelt ook deze reeds in de algemeene vergrijzing. Het hardst te verduren evenwel hebben het de oogen; bijna niemand komt aan het einde der reis, zonder dat de pijnlijke oogleden hem op onaangename wijze aan dit ongerief herinneren.

Dranken of eetwaren zijn onderweg niet te krijgen; hoogstens koopt men van inlanders, die men hier en daar, terwijl de trein oponthoud heeft, somtijds ontmoet, eenige eieren of bananen; het benoodigde, behalve brood en conserven ook glazen, vorken, messen, servetten, etc. voert ieder dan ook zelf mede.

Het is voorzeker geen luxe-trein waarin we plaats namen, en men is gewoonlijk verheugd te Kinshassa aan te komen; doch heeft de reis ook hare lichtzijde.

Het uitzicht is bijna overal belangwekkend genoeg om wat ongerief over het hoofd te zien; vooral het bergachtige land, de Palla-Balla geheeten, dat we al aanstonds na het vertrek van Matadi doorrijden, biedt een grootschen aanblik. De ruwe bergmassa's stapelen zich boven en achter elkander op; ten deele kaal, ten deele met ondoordringbare bosschen bedekt, strekken zich de hellingen in eindelooze verscheidenheid uit; hier steil oprijzend tot ontzagwekkende hoogte, daar nederdalend in nauwe dalen en ravijnen, die den aanschouwer doen duizelen. In duizenden bochten wringt zich onze trein door deze bergklompen heen. De weg gaat ten deele door de diepe ravijnen, tusschen steile, hooge muren, die ons met vernietiging schijnen te dreigen en die veelal ternauwernood ruimte genoeg overlaten om onzen trein te laten passeeren; die ontzaglijke bergklompen geven ons een gevoel van onmacht als we, uit de diepte er naar opziende, slechts zeer, zeer hoog een stuk van den blauwen hemel kunnen bespeuren. Straks weer kruipen we tegen een steile helling op, hoog boven alle omringende lagere toppen uit, om een oogenblik later in razende vaart bergafwaarts te snellen. We rijden over steenvlakten, waar de zonnestralen, door den gloeienden rooden of witten bodem teruggekaatst, ons oog verblinden, en door bosschen, waarin nauwelijks een straal der zon den grond bereikt en waar we in de verkwikkende koelte verademing vinden. Langs hellingen gaat het, waar de noodige ruimte in de steenmassa moest worden uitgehouwen. Aan de eene zijde staat hier de loodrechte, afgehakte bergwand nog op geen meter afstand; aan de andere zijde zien we bijkans loodrecht neer op bosschen, diep onder ons in het dal gelegen. Zóo smal is hier de weg, dat we naast de lijn zelfs geen grond meer bespeuren en we, ons vooroverbuigende, langs de steile helling loodrecht naar beneden blikken.

Op enkele plaatsen wordt de rotswand beneden ons door den Congostroom bespoeld. We bespeuren de helling niet die ons draagt, en schijnen te zweven boven het water, dat diep beneden ons zijn weg naar de zee vervolgt.

Eenige K.M. volgen we den onstuimigen loop van de Lufu, die zich onder 't vormen van een reeks watervalletjes en stroomversnellingen naar den Congo voortspoedt; behalve den Lufu passeeren we de niet minder snel stroomende Quillo-rivier, beide linker-zijrivieren van den Congo. Vervolgens de Inkissi, waarover te midden eener grootsche wildernis een brug geslagen werd onder bezwaren, die moeielijk te overschatten zijn. Er komt geen eind aan de bochten en draaien in den weg; altijd door gaat het bergop-, bergafwaarts; onophoudelijk gilt de stoomfluit seinen toe aan de negerjongens, die op iederen wagen als remmer dienst doen, om, als het naar beneden gaat den loop te kunnen temperen. Er zijn punten, van waaruit wij de spoorbaan op vijf of zes plaatsen tegelijk in verschillende richtingen kunnen zien, een gevolg van de steile hellingen, plotselinge hoogten of laagten en dergelijke hinderpalen, waardoor de ingenieurs, met den aanleg belast, verplicht waren den weg dikwijls in cirkel- of slangvormige lijn tegen bergen op, of naar omlaag te leiden.

Na den nacht in Thysville doorgebracht te hebben, gaat het den volgenden dag verder, nu wat meer geregeld in dezelfde richting.

Tusschen Tumba en Kinshassa is het terrein minder woest en vertoont vooral over het laatste gedeelte een min of meer afloopende, onafzienbare vlakte, met hier en daar eenige heuvels. Behalve de schaarsche boomgroepen bemerken we, als eenige plantengroei, dor gras, waartusschen de witte zandgrond overal te voorschijn komt. Uren lang rijden we door deze dorre, eenzame streek voort, tot we eindelijk heel in de verte, vóór ons uit, het water van Stanley-Pool in de zon zien blinken en de plek bespeuren, waar Kinshassa ligt. Spoedig komen we voorbij n'Dolo, een der eindstations aan den Pool gelegen en bereiken vervolgens Kinshassa, het doel onzer spoorreis. Een onaanzienlijk houten gebouwtje, zonder eenige andere gebouwen in den omtrek, eenzaam te midden der vlakte gelegen, doet hier dienst als station.

Een groot gedeelte der reizigers, bestemd voor Fransch-Congo, verlaat den trein, om van hieruit de rivier naar Brazzaville over te steken; een ander gedeelte vervolgt de reis tot het eenige K.M. verder gelegen Leopoldville, na Boma de belangrijkste plaats in den Congo-Vrijstaat. Het eigenlijke eindpunt van den spoorweg is n'Dolo; hier en te Kinshassa worden de meeste handelsgoederen, van Matadi aangevoerd, gelost, om in stoombooten overgeladen en verder de rivier op verzonden te worden. Langs dit gedeelte van den Congo liggen dan ook de verschillende factorijen, vertegenwoordigende de Belgische, Hollandsche of Engelsche firma's, die langs den bovenloop der rivier hunne vestigingen bouwden. Geen wonder dat n'Dolo en Kinshassa, van waar de rivier opwaarts weder over duizenden K.M. bevaarbaar wordt, evenals Matadi, voor den handel belangrijke punten werden. De Staat zag het gewicht van deze plek in en bouwde er zijn hoofdvestiging voor den geheelen Boven-Congo, Leopoldville. Toch was men in de keuze der plaats voor deze nederzetting niet gelukkig. Leopoldville ligt eenige K.M. lager aan de rivier dan Kinshassa en n'Dolo, juist beneden den Stanley-Pool en op het punt, waar de bergketens, die bij den Pool een verbazend wijde kom vormen, van weerszijden naar elkander toekomen. De breedte der rivier, voor Kinshassa ± 4 K.M. bedragende, wordt hierdoor plotseling tot op 1/3 teruggebracht, wat natuurlijk een ongemeen sterken stroom tengevolge heeft. Bovendien hebben de booten--bijna 100 in aantal--die de verbinding van Leopoldville met alle hooger gelegen staatsposten in stand houden, nog de gevaarlijke, onder water liggende rotsen te passeeren, welke juist in deze vernauwing der rivier veelvuldig voorkomen en die ongetwijfeld altijd een ernstigen hinderpaal voor de scheepvaart blijven zullen.

Juist voor Leopoldville bemerken we, midden in de rivier, de eerste der talrijke cataracten, die zich tot Matadi in een bijna onafgebroken reeks uitstrekken. 't Is dan ook niet vreemd, dat velen zich met verwondering afvragen hoe de staat zijn tweeden belangrijken zetel kon vestigen op een plaats, zóó gevaarlijk en zóó moeilijk te bereiken voor schepen.

Zeker is Leopoldville de moeite van een bezoek wel waard, al hebben we dan ook vanaf Kinshassa een weg van bijna 2 uren gaans af te leggen. De grootsche werken, die men er heeft aangelegd, zijn een bewijs te meer voor de energie, waarmede de Congo-Staat zich in Afrika vestigde en er een geregeld bestuur tracht in te voeren.

Wij vinden er de op Europeesche wijze gebouwde woning van den "Commissaire de district" benevens de huizen voor de tientallen van ambtenaren, op de regeeringsbureaux werkzaam en voor het niet minder talrijke personeel, bij den aanleg van verschillende kunstwerken, voor den bouw van magazijnen, stoombooten enz., benoodigd. Ten koste van schatten gelds legde de Staat een reusachtige kade langs de rivier aan ten behoeve der vele stoombooten, die onophoudelijk te Leopoldville uit alle hooger gelegen streken van den Congo-staat aankomen; men maakte er een sleephelling, waardoor de grootste booten zonder veel moeite op het droge gehaald kunnen worden om de noodige reparatiën te ondergaan. Een machinesmederij is er ingericht benevens een flinke werf, van waar reeds ongeveer 100 booten, die de Staat voor zijn dienst noodig heeft, te water werden gelaten en men bezoekt Leopoldville nooit, zonder dat men er getuige van zijn kan, dat er voortdurend nieuwe vaartuigen, grooter en beter ingericht dan de vorige, op stapel staan. De honderden blanken, die te Leopoldville geregeld verblijf houden, gewoonlijk vermeerderd met tientallen officieren en hoogere of lagere ambtenaren, die voortdurend per boot van "boven" of per spoor van "beneden" aankomen, maken van Leopoldville een bedrijvige plaats. In alles treedt de regeering hier op den voorgrond; op een enkel handelshuis na is alles hier "Staat". Politie-post, justitie-gebouwen, hospitaal, een groot gebouw ingericht tot eetzaal, waar alle blanken in staatsdienst gezamenlijk den maaltijd gebruiken, postkantoor, kazerne voor de talrijke inlandsche bezetting van Leopoldville, tot zelfs een chemisch laboratorium, werden hier door het bestuur opgericht. Hier, waar alles met de grootste regelmaat toegaat, gevoelt men te zijn in het middenpunt eener machtige organisatie, eener krachtsontwikkeling, die zich tot op duizenden mijlen in het rond gevoelen laat.

In de nog geen 20 jaren, die sedert de oprichting van den onafhankelijken Congo-Staat verloopen zijn, is het dezen gelukt, tot aan de uiterste grenzen van zijn gebied zijn invloed te doen gelden.

Tot uitoefening van het bestuur is het rijk verdeeld in districten, elk met een districtschef aan het hoofd, die onder de onmiddellijke bevelen van de hoogste ambtenaren, de "inspecteurs d'État", den vice-gouverneur en den gouverneur staan. Elk der districten, die in uitgestrektheid de meeste der Europeesche rijken overtreffen, is onderverdeeld in zônes, met een "chef de zône" aan het hoofd; onder dezen eindelijk staan een groot aantal "chefs de poste", elk belast met het bestuur van een staatspost, die door het gansche rijk, op alle punten, die eenigszins van belang zijn, werden opgericht. Aan de "chefs de poste" is het directe bestuur over de bevolking in hun gebied toevertrouwd; zij zijn belast met de rechtspraak en hebben voor de naleving der wetten en besluiten te zorgen.

Door het geheele reusachtige Rijk heen werden wegen aangelegd, zoodat het centrale bestuur te Boma en te Leopoldville in geregelde en tamelijk goede verbinding is zelfs met de uiterste posten, die aan de oostgrens tot in het gebied van den Boven-Nijl, aan de zuidgrens tot aan de bronnen van de Zambesi gevonden worden. Met regelmatige tusschenpoozen van ± 2 weken varen goed ingerichte stoomschepen naar Stanley-ville--dat 2000 K.M. hoogerop aan de rivier ligt--en bovendien zijn vele langs den Congo gelegen posten telephonisch met Leopoldville en Boma verbonden. Ten behoeve van den telephoon, die zich welhaast tot Stanley-ville toe uitstrekt, werd door bosschen en over bergen langs de rivier een weg aangelegd, verscheidene meters breed, in lengte den beroemden postweg op Java verre overtreffende. Over deze geheele lengte wonen, op elke 10 K.M. afstand, zwarte beambten die met het onderhoud belast zijn.

Van Stanley-ville opwaarts tot het Lado, het uiterste punt in het N.O., en in Z.O. richting tot voorbij het Tanganyika-meer, zorgen reeksen van posten, langs zijrivieren of aan groote wegen gelegen, voor geregelde cano- of karavaantransporten ten behoeve der reizende staats-ambtenaren en voor den postdienst en het goederenvervoer. De reis, dwars door Afrika, die vroeger met zoo ontzaglijk veel bezwaren gepaard ging, is nu in enkele maanden te maken, nagenoeg zonder ontbering of gevaar en zelfs zonder dat het noodig is, in wildernissen of onbewoonde oorden te overnachten. Van dag tot dag liggen langs de geheele karavaan- of kano-route, van de groote meren tot Stanley-Falls, de staatsposten of de door de regeering opgerichte blokhuizen, die gelegenheid tot logeeren bieden. Van uit Stanley-ville bereikt men in enkele weken Leopoldville met de goed ingerichte staatsbooten, waarvan sommige meer dan 20 hutten tellen.

Naar alle richtingen is het verkeer op dezelfde wijze geregeld. Brieven worden per post overal heen verzonden en niemand is zoo ver verwijderd of brieven uit Europa, via Leopold-ville of Stanley-ville verzonden, kunnen hem bereiken. In twee maanden is een brief, van uit Europa naar Stanley-ville, het hart van Afrika, verzonden, op zijn bestemming en in 2 à 3 maanden meer, na cano- en karavaanreizen, komen de poststukken aan op de punten aan de uiterste grenzen gelegen. Naar Europeesche begrippen is dit wel een verbazend lange tijd, maar men vergete niet, dat het hier betreft het gedeelte der wereld dat voor enkele tientallen van jaren nog zoo goed als onbekend was; waar doorheen te reizen als de moeilijkst uit te voeren en meest gevaarvolle onderneming gold en waar reizen, met de grootste nauwgezetheid en zonder kosten te ontzien, voorbereid, altijd jaren in beslag namen. Als bewijs voor de geregelde verbindingen, die heden ten dage bestaan, diene het volgende:

Een gewone brief, uit Europa verzonden aan iemand, wonend te Kinshassa, ging bij vergissing per Oost-Afrikaansche lijn. De brief kwam aan te Mozambique, aan de oostkust gelegen. Van hieruit reisde hij, dwars door Portugeesch Oost-Afrika, langs het Nyassa-meer en bereikte aan het Tanganyika-meer de eerste staatspost. Van post op post, eerst per karavaan, vervolgens per cano verzonden, kwam hij aan te Stanley-ville en enkele weken later ontving de geadresseerde hem, een weinig gekreukt en bezoedeld wel is waar, doch in ongeschonden toestand. De poststempels, waarmede de enveloppe bedekt was, maakten het mogelijk de route nauwkeurig na te gaan en bewezen, dat voor een brief nauwelijks 6 maanden voldoende waren om geheel alleen van uit Europa de reis dwars door het donkere werelddeel te volbrengen.

Hoe meer we de hedendaagsche toestanden bezien en vergelijken met die van 20 jaren geleden, des te meer staan we verbaasd over en gevoelen we bewondering voor wat in dit betrekkelijk korte tijdsverloop werd tot stand gebracht. Maar--des te meer ook betreuren we het, dat een grootsch werk, goed en flink begonnen en aanvankelijk tot een goed einde gebracht, de inrichting van een geordend bestuur over een streek, waar de meest barbaarsche gewoonten onder de bewoners bestonden, een werk aldus dat tot zegen van millioenen ondernomen werd, bezoedeld is geworden door misdadige handelingen van sommigen, die er aan hadden mede te arbeiden. Dubbel jammer ook dat de staat, hoewel als zoodanig niet in gebreke gebleven om machtsmisbruik, waar dit mogelijk was, te straffen, toch zelf niet geheel vrij te pleiten is van de beschuldiging, niet altijd met de noodige kalmte en zachtheid te zijn opgetreden bij de vestiging en uitoefening van zijn bestuur.

Zijn machtigen arm te doen eerbiedigen, er desnoods met geweld ontzag voor af te dwingen, en eerst daarna te redeneeren, is, het moet helaas gezegd, dikwijls de stelregel geweest, waarnaar te werk gegaan werd bij de vestiging in nieuwe streken. We kennen verscheidene volksstammen voldoende, om de meening te kunnen uitspreken dat veel geweld achterwege had kunnen blijven, als men van het begin af het vertrouwen der negers door rechtvaardigheid, welwillendheid en het uitroeien alleen van verkeerde gewoonten had trachten te winnen. Zoo men, langzaam voortgaande, met bezadigdheid overal opgetreden was, inplaats van altijd voorop te stellen dat de negerchefs van inmenging van den Staat in hunne gebruiken niets wilden weten, had er zeker meer wederzijdsch vertrouwen blijven bestaan dan thans, nu men eenvoudig zijn wil heeft kenbaar gemaakt en desnoods heeft doen eerbiedigen. Zoo goed als het den eersten reizigers in het Congo-gebied is kunnen gelukken, contracten met negerhoofden af te sluiten, waarbij dezen het recht van vestiging der blanken erkenden, zoo goed had de Staat zich in zeer veel gevallen op minzame wijze kunnen verstaan met de groote prinsen, die een machtigen invloed op de meeste stammen hebben, als men niet steeds zijn macht vooropgesteld had. Krachtig ingrijpen zou, voornamelijk bij hoofden die belang hadden bij den slavenhandel, zeker niet te vermijden geweest zijn, doch dit was dan zelfs nog een daad van humaniteit geweest, waar het gold een einde te maken aan de vele gruwzame gebruiken, die onder de bevolking bestonden. Later, toen de Staat zich eenmaal had doen kennen als de macht die, zoo mogelijk goedschiks, anders met geweld, maar toch in elk geval, zonder omwegen bezit kwam nemen van het land, is gewapend optreden tegen hoofden, die Boele Matadi ongaarne hun gebied zagen naderen, dikwijls noodig geworden.

Dezelfde opmerkingen gelden op het gebied van belasting-inning.

Natuurlijk heeft de regeering inkomsten noodig om hare vele uitgaven te bestrijden; voor een groot deel verkrijgt zij deze uit de opbrengst der producten, ivoor en gom-elastiek, die de verschillende dorpen, elk tot een zeker bedrag, moeten leveren. Het moet erkend worden dat men niet altijd behoorlijke middelen te baat genomen heeft, om deze voortbrengselen te verkrijgen.

In plaats van de dorpen, vooral in het begin, niet te hoog te belasten en de negers, door te wijzen op de betere toestanden die geschapen werden, wat met deze belastingen te verzoenen, is dikwijls bijna het onmogelijke gevergd en zijn er voorbeelden van, dat vrouwen en kinderen opgepakt en weggevoerd, en chefs tot jarenlangen dwangarbeid veroordeeld werden. Met behulp eener uit de inlanders zelf gerecruteerde politie- en troepenmacht dwong men de bewoners van vele streken tot aanmaak van gom-elastiek tot elken prijs; in ontoegankelijke wildernissen, waar de moerassige ondergrond, slangen en viervoetige roofdieren het werken levensgevaarlijk maken, werden en worden helaas duizenden gedwongen, de gomgevende lianen op te zoeken.

Behalve de belastingen en deze verplichte arbeid werkt nog een andere factor mede om de bevolking van groote streken het juk van den Staat te doen haten, en wel, de gedwongen levering van levensmiddelen. De regeering n.l. legt verschillenden hoofden de verplichting op, eene bepaalde hoeveelheid kippen, eieren, manioc (het hoofdvoedsel van vele stammen) etc. op daartoe aangewezen markten te leveren.

Meermalen geen rekening houdende met de draagkracht der streek, en dikwijls evenmin met de woonplaats van hen die deze levensmiddelen moeten aanbrengen, dwingt men zoodoende de bewoners van vele dorpen, ongelooflijke afstanden af te leggen, teneinde ze te verkrijgen, of ter markt te brengen.

Ook werkt men, door de dorpshoofden voor de levering aansprakelijk te stellen, ze desnoods gewapenderhand bij te staan of te dwingen, machtsmisbruik in de hand. Niet zelden veroorzaakt de te hooge druk wanhopige uitbarstingen, altijd weer gevolgd door onderdrukkingen, die door hun ruw geweld wel wrok, maar zeker geen toenadering tot stand brengen.

Zeer te betreuren is het ook, dat de Staat in zijn rechtspleging de lichamelijke straf opnam en zijnen zelfstandigen ambtenaren, als chefs de poste en kapiteins der rivierbooten b.v., het recht geeft deze straffen uit te spreken.

De barbaarsche chicot, een soort zweep van ineengedraaide reepen nijlpaardenhuid vervaardigd, waarmede men de arme slachtoffers, dikwijls na enkele slagen op den blooten rug, bloedend verwondt, werd en wordt helaas nog al te veel gebruikt. Er zijn blanken, die er een soort van genoegen in scheppen, met dat verfoeilijke, niet genoeg te veroordeelen werktuig voortdurend spelenderwijs in de hand te loopen, als teeken misschien hunner macht, of waardigheid wellicht? Wel is het toedienen van lichamelijke straffen, niet uitgesproken door vertegenwoordigers der regeering, strafbaar en worden de bedrijvers, bij een aanklacht ook vervolgd, maar ook de Staat zelf moest ze niet toepassen, doch liever trachten het gruwzaam misdrijf, dat in Afrika een soort burgerrecht verkreeg, met krachtige hand overal uit te roeien. De bewering, dat dergelijke straffen noodig zijn, en men er in vele gevallen niet buiten zou kunnen, wordt in Afrika dikwijls geuit. Zij echter, die van deze meening zijn, missen òf het geduld, òf het rechtvaardigheidsgevoel om te beproeven of men met negers ook op andere wijze kan omgaan; of wel, zij wordt uitgesproken door lieden, die zich nooit de moeite gaven, de zwarten ook maar eenigszins van nabij te leeren kennen. Velen toch veronderstellen maar eenvoudig, dat het wel zoo zijn zal.