Part 6
De schipper was tegen zooveel brutaliteit niet bestand en kroop heel gedwee te kooi. Ik aan ’t roer, trotsch als een koning en een paar kornuiten, even slaperig en eigenwijs als ikzelf naast mij in den stuurstoel. De rest sliep. Heel netjes bracht ik den voorsteven naar ’t westen, de wind was buitengewoon gunstig en goedmoedig, zoodat we aan ’t zeil weinig of niet hadden te manoeuvreeren en zonder eenige moeite hield ik een paar uren lang ons bottertje prachtig in den koers, een beetje Zuid van West, want als je van Harderwijk pal West gaat, dan belandt je ergens in de buurt van Edam.
Eindelijk werden de sterren al bleeker en bleeker, maar gelukkig ging ook de mist optrekken, hoewel hij nog dicht genoeg was. Opeens zie ik aan stuurboord, vlak bij een grijzige rietzoom. Ha, denk ik, we zijn al bij IJdoorn en ik houd af naar bakboord, maar ’t is net, of dat riet mij niet wil loslaten. Ik houd af en af, maar ben niet leep genoeg, om te bedenken, dat ik mijn schip nu eindelijk een halve cirkel laat beschrijven en opeens laat een dartel morgenkoeltje mijn zeil overstag gaan. Tegelijk neemt de schuit een sprongetje voorwaarts, schuifelt langs riet, strijkt over modder, rijst op een golfje even omhoog en bonkt dan neer op hard graniet. Op ’t zelfde oogenblik dwarrelt de nevelsluier uiteen en ik zie links van ons het mooie Muiderslot met zijn torenspitsen midden in ’t morgenrood. We zijn gestrand bij de Papenlaan. Ik had het een beetje te goed gedaan en dat is eigenlijk glad verkeerd. Een beetje Zuid van West, maar mijn beetje was op den langen duur iets te groot geworden en ik was terecht gekomen niet bij IJdoorn, maar juist aan ’t puntje van den rietzoom bij ’t Uilenbosch. Daar was ik toen langs geloopen en zoo kwam ik met volle kracht op den breeden buitenberm van den Zeedijk bij de Papenlaan.
Natuurlijk waren dadelijk schipper en passagiers bij de hand en ik werd in de allerfijnste bewoordingen geprezen om mijn beleid. De schipper was razend en triomfantelijk tegelijk. Wij gleden een voor een langs een vaarboom op den dijk neer en toen de schipper zag, dat de wind naar ’t Noorden kromp, terwijl ’t over een uur of vier vloed zou zijn—er staat daar niet minder dan drie decimeter tij—verklaarde hij, zich zonder ons wel te kunnen redden.
De zon ging weer op net als den vorigen dag, en wij wandelden weer ook. Maar ’t valt een mensch veel moeilijker, om tien kilometer te moeten loopen door de stommiteit van een kameraad, dan veertig kilometer af te leggen voor zijn plezier. ’t Eenige wat er bij de vrienden de lust nog in hield, was, dat ze mij overlaadden met complimentjes over mijn zeemanschap en sterrenkunde en ik heb het waarlijk aan hun aanmoedigingen niet te danken gehad, dat ik later toch nog opgeklommen ben tot de waardigheid van „schipper van een jol”.
DE ZUIDERZEE DROOGLEGGING.
Eigenlijk hoort dit hoofdstuk niet thuis in een boek, waarin de Zuiderzee wordt beschreven, zooals zij er tegenwoordig uitziet, met al de mooie en weinig gekende landschapjes en stedekes om hare kust. Maar de uitgeefster van dit Zuiderzee-album vond de drooglegging van genoeg belang, om er een kort hoofdstuk over te schrijven, en er een schetsje aan toe te voegen, wat er van de Zuiderzee gaat worden, als al die groote plannen tot afsluiting en drooglegging eens worden verwezenlijkt. Was dit boek alleen voor ouderen geschreven, dan had dit hoofdstuk wel kunnen worden weggelaten, want het zal nog wel een lieve tijd duren, voor we van Urk naar Schokland kunnen wandelen! Maar de jonge plaatjes-verzamelaars zullen het hopelijk nog wel beleven, dat er een album kan verschijnen over het IJselmeer, zooals thans over de Zuiderzee!
Ge moet dan weten, dat het al een heele tijd geleden is, dat de eerste plannen tot drooglegging werden gemaakt, zoo omstreeks 1850. Wij bedachtzame Nederlanders houden nu eenmaal veel van plannen maken, wat ook veel voor heeft, want het eerste plan is lang niet altijd het beste. Zoo heeft men achtereenvolgens wel een tien ontwerpen gemaakt. Eerst een plan om een dijk te leggen langs de eilanden om niet meer of minder dan de heele Zuiderzee en de Wadden in te palmen. Dat was echter niet raadzaam, omdat door den sterken stroom der zeegaten ’t leggen van een afsluitdijk zeer moeilijk en gevaarlijk zou zijn, terwijl men ook geen raad zou weten met het IJselwater, dat langs een nieuw kanaal van Kampen naar den Helder zou moeten worden geleid.
Daarom kwam men later op de gedachte, dat IJselwater te laten vloeien in een nieuw te vormen IJselmeer, dat door sluizen naar zee kon afwateren. De afsluitdijk zou dan loopen over Wieringen naar de Friesche kust bij Piaam. Van de Zuiderzee, die door die afsluiting een groot zoet watermeer zou worden, zouden dan worden afgenomen vier groote hoeken, die achtereenvolgens zouden worden ingepolderd. Bij dit nieuwe plan van de Zuiderzee-vereeniging, ontworpen omstreeks 1890, en later overgenomen door een Staatscommissie, blijven de zandgronden van de Wadden en de noordelijke helft der Zuiderzee onbedijkt en eveneens het diepe en vrij onvruchtbare middelstuk van de Zuiderzee, dat IJselmeer wordt. Daarentegen worden de vruchtbare kleigedeelten, welke groote overeenkomst vertoonen met de IJpolders tusschen Amsterdam en Velzen, bijna geheel ingepolderd.
Dit plan is nu, min of meer in onderdeelen gewijzigd, voor de derde maal in behandeling genomen en dient ge dus wel te weten, wat het zooal beteekent. Het komt er op neer, dat feitelijk een twaalfde provincie aan ons land zal zijn toegevoegd, wanneer 30 jaar, nadat men bij Wieringen met het groote werk begonnen is, het laatste stukje land onder de Friesche kust zal zijn drooggelegd en bemalen. Immers die 4 groote polders hebben tezamen een oppervlakte van ongeveer 210.000 H.A., terwijl Zeeland maar 181.000 H.A. groot is. Natuurlijk moeten groote stukken grond worden gebruikt voor den aanleg van wegen, sloten, dijken, voor de ontworpen dorpen met hunne kerken, scholen, enz., terwijl ook een gedeelte zandgrond is. Berekend wordt echter, dat er ruim 190.000 H.A. vruchtbaar land zal overblijven, dat is dus ongeveer 11 Haarlemmermeerpolders. Op den duur zullen hierin 250.000 menschen komen te wonen, gerekend naar verhouding van Zeeland, dat een kleine 240.000 menschen telt.
Verdere cijfers zullen we nu maar niet geven, omdat ge zonder dat wel zult voelen, welk een groot en ook welk een nuttig werk hier gedaan kan worden. Er zijn bovendien nog andere groote voordeelen aan verbonden, waarvan we alleen noemen de vluggere en betere verbinding tusschen Holland en Friesland door een spoorweg op den afsluitdijk over Wieringen; en de groote verbetering van de landerijen in Noord-Holland en Friesland, die aan de Zuiderzee grenzen of liever op de Zuiderzee water loozen. Dit laatste is, vooral voor Friesland, dat nooit zoet water kan inlaten, van zeer groote beteekenis.
Natuurlijk heeft zoo’n groot werk ook groote bezwaren. Het is zeer kostbaar (meer dan 200 millioen gulden, ongeveer evenveel als de Nederlandsche staat elk jaar in zijn geheel uitgeeft), het is nog al riskant, omdat die groote afsluitdijk en ook de meerdijken midden in zee moeten worden neergelegd (29 K.M. zeedijk en 170 K.M. meerdijken), het duurt erg lang (ongeveer 30 jaar), en bovendien zal de Zuiderzee-visscherij moeten verdwijnen, voor zooverre zij niet wordt vervangen door de zoetwatervisscherij in het nieuwe IJselmeer. Er is bij de plannen op gerekend, om de visschers schadeloos te kunnen stellen.
Er is nog een bezwaar. Al die kleine oude plaatsjes die in dit boek zijn beschreven, als Blokzijl, Vollenhove, Elburg, Harderwijk, Monnikendam, Medemblik worden havensteden àf, en gaan hunne schilderachtige stadshoekjes aan haven en kust verliezen... ’t Worden dan landstadjes als Montfoort of Bolsward, Dokkum of Schagen. De Zuiderzee heeft die stadjes niet kunnen teruggeven de oude roem van vroeger eeuwen en heeft ze gemaakt tot de „Villes mortes du Zuiderzee”, om met Havard te spreken. Wat de zee echter niet heeft kunnen doen, zal straks het vruchtbare land doen, dat tal van marktplaatsen noodig heeft, waar het zijn producten verkoopen, zijn behoeften koopen kan. Wellicht voert Thijsse onze jonge lezers en lezeressen een volgend jaar wel eens naar onze mooie Noord-Hollandsche polders, of naar de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden, die heel wat mooier en bovenal nuttiger zijn dan de banken en grienden en slibben van de Zuiderzee. Een beter pleidooi voor de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee zal wellicht niet geleverd kunnen worden!
E. A. V.