Part 5
Later is er weer bijgebouwd, doch geen trotsche, rijke woningen, maar eenvoudige burgerhuisjes (124), ja zelfs boerenwoningen, zoodat nu de stad een wonderlijk allegaartje is geworden: in sommige deelen (141) net een boerendorp met water-en-melkgeveltjes, maar met boomgaarden en tuinen, waarin nog allerlei merkwaardige heesters en bloemen groeiden, waar onze voorvaderen zooveel pleizier in hadden. Dan eeuwenoude iepen en ahorns en verstrooid door alles heen nog oude gebouwtjes (131) met levendige geveltjes of brokstukken met heel mooie gevelsteentjes o.a. een prachtig scheepje in een gevel dichtbij ’t stadhuis. Het gebouw van het chirurgijnsgilde trekt wel het meest de aandacht, maar de voornaamste bezienswaardigheden blijven toch het stadhuis, de Dromedaris en de groote kerk (125) met den Zuidertoren (123).
Ik heb nog al veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van, want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten, naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen de hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan. Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.
En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken: „In ’t stille dal, in ’t groene dal”. Maar toen dat uit was, scheen de toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan vroeger dagen, klonk het door de ruimte: „Wie gaat mee, met ons over zee—Hou’ je roer recht”. Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen en de klokken zongen: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden”. Misschien zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroïca.
Het Stadhuis maakt een even fermen indruk als het meesterwerk van Van Campen op den Dam te Amsterdam en het bevat van binnen ook een massa herinneringen aan de vroegere grootheid. Maar voor den gewonen vluchtigen wandelaar is toch nog het aardigst, het mooie bronzen kanon, dat zoo maar vlak op straat is neergezet. Een heel gedicht, van niemand minder dan onzen Joost van den Vondel, vertelt hoe in 1622 dit stuk geschut, dat „het Roode Paard” wordt genoemd, uit een Duinkerker kaperschip, dat in de lucht vloog, terecht is gekomen op een Hollandsch vaartuig. De jeugdige Enkhuizenaars kunnen dus, zoodra ze hun letters kennen, hier op straat tegelijk historie en letterkunde beoefenen van het bovenste plankje. ’t Is een zeer mooi kanonnetje.
De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo’n goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn: hooger en zwaarder van romp, geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch: ophaalbrug, havens, en een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren. Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor dien Dromedaris; maar een paar schilders, die hier toen juist waren, zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!
Van Enkhuizen naar Medemblik (134) is weer prachtig wandelen of fietsen langs den dijk.
Het aardigst is het, om de stad te verlaten langs de zeekant, een smal pad achter een hooge steenen borstwering, altijd met een mooi uitzicht op de zee en op de stad. Eens is dit de vestingmuur geweest, zooals op de talrijke schilderijen en gravuren, die van deze beroemde Zuiderzeestad gemaakt zijn, nog duidelijk te zien is. Zooals het behoort stond er op een der bastions ook een korenmolen en daar is nu een klein plantsoentje, waarlangs we de eigenlijken zeedijk bereiken en daar krijgen we weer wat nieuws te zien. In den zomertijd is het land één bloemenveld, want we hebben hier de groote kweekerijen van bloemenzaad van de firma Sluis. Velden vol zonnebloemen, dahlia’s, goudsbloemen, O.-I. kers, anemonen, renonkels, akeleien, lupine, alles wat je maar bedenken kunt en dat hektaren bij hektaren.
Dat ziet er heel anders uit dan de bloembollenvelden bij Haarlem in het voorjaar. De mooie hyacinthen en tulpenbedden met bloem aan bloem in vakken van allerlei kleur liggen daar keurigjes afgeperkt tusschen hagen van elzen of haagbeuken en in de breede slooten blinkt het water haast gelijk met de oppervlakte van de bloemenvelden. Dat wisselt dan weer af met grazige weiden en met de parken en bosschen van deftige buitens, alles even keurig en rijk.
Deze Enkhuizer bloemenvelden zien er echter heel anders uit, ’t zijn echte akkers en de mooie bloemen worden hier haast net behandeld als suikerbieten of aardappels. Dat neemt echter niet weg, dat in den zomertijd deze uithoek van Noordholland een bezoek overwaard is en dat we er ons in verheugen, dat deze nieuwe tak van landbouw hier tot bloei is gekomen. Zelfs in de strook buitendijks staan de groote zonnebloemen uit te kijken over de Zuiderzee.
Eerst een heel eind voorbij de stad hebben we weer ’t gewone weiland links en een modderig buitenland rechts, dat weer altijd wemelt van vogels van allerlei pluimage, al naar den tijd van ’t jaar.
Heel op den noordelijksten hoek van den dijk staat weer een aardig bouwwerk, een bijzonder gevormde vuurtoren. Hij heet „de Gelderschen toren” (129), maar het opschrift in den krans van kleurige wapens vermeldt, dat „De Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland en West-Friesland hebben door de Heeren Nicolaas Witsen, Willem Crap, Gerard Moeskoker en Nicolaas Brouwer, burgemeesteren der steden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, gedaen oprichten dit baken, als Commissie tot de Pilotage. En wierden de eerste steenen gelegd door Johan Duyens, Dirk de Vries en Frederik Verbrugge op den 1sten Juli des selves jaars MDCC”. Toen kwam dus Enkhuizen al in de derde plaats, na Hoorn, en Medemblik ’t laatst.
Van den Gelderschen toren naar Medemblik is een heel stuk, maar ’t verveelt nooit. De dijk maakt velerlei bochten, aan de binnenzijde krijgen we telkens lange buurten en dorpjes, waarvan Andijk, om zijn muisjes bekend, ’t voornaamste is. Buitendijks is het soms zeer mooi van kwelderland en slikken, maar het allermooist is het laatste half uurtje als we in de verte Medemblik (121) zien liggen op zijn schiereiland, na Hoorn het allermooiste van de stadsfiguren langs onze Zuiderzee. De stad zelf is al van zeer weinig beteekenis en het mooiste sieraad, het oude slot van Radboud (132), waarvan nog lang niet zeker is, of Radboud er iets mee te maken had, hebben ze ingebouwd, zoodat het half verborgen is achter een conservenfabriek. Boe! Als we later wat geld over hebben, zullen we die conservenfabriek afbreken en het slot een mooie vrije standplaats geven. ’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen. Maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen.
ZEEVAART.
Natuurlijk heb ik ook de Zuiderzee bevaren en geen klein beetje, bij allerhande weersgesteldheid en in allerhande vaartuigen. Er bestaat keus genoeg. Mijn eerste Zuiderzee-reis, nu al lange jaren geleden, was met de nachtboot van Amsterdam naar de Lemmer, een tochtje dat ik mij nog opperbest herinner, vooral doordat we in den vroegen killen zomermorgen afschuwelijk zeeziek werden in ’t Val van Urk, waar nogal deining stond. Toen zijn we gaan wandelen in Gaasterland bij lekker zonnig zomerweer den heelen dag. Over Balk en Sloten wandelden we terug naar De Lemmer, om ’s nachts weer naar Amsterdam te stoomen en toen kwamen we er beter af. Dit is voor jongelui uit de hoofdstad, die niet te best bij kas zijn, een van de prettigste en goedkoopste manieren, om eens heel iets anders te zien en te beleven, dan gewoonlijk.
Later heb ik het nog op allerlei manieren geprobeerd; met de veerboot van Enkhuizen naar Staveren, met tjalken, beurtschepen, bottertjes, torpedobooten, motorjachten en ook met kleine wrakke mosselenschuitjes, die lekten als een zeef. Ik ben zelfs nog eens in Amsterdam ergens op het stadhuis geweest en daar is mij een papiertje uitgereikt, waarin ik beschreven werd als „schipper van een jol”. Waarvoor dat diende, weet ik eigenlijk niet meer, ’t zal wel iets met de belasting of politie te maken hebben gehad, want die komen overal bij te pas.
Dat jolletje had ik mij laten timmeren op een klein werfje in Amsterdam, dat ook al niet meer bestaat. Het vaartuigje was volkomen zeewaardig en toch zoo licht, dat twee man het over een dijk konden sjouwen. Ik had haast geschreven „met gemak”, want ik houd ervan, om over de dingen van dit leven met lof te spreken, maar als ik me herinner, hoe vaak „De Pijlstaart” mij een verrekten rug en bebloede handen heeft bezorgd, dan moet ik mij meer gematigd uitdrukken. Het schuitje was van greenenhout en had precies zestig gulden gekost, spiksplinternieuw, met de riemen incluis. Lang heb ik het niet gehad, want toen het eens ter reparatie was, is de werf failliet gegaan en door een „vergissing” is daarbij het Pijlstaartje gevlogen.
Maar wat hebben we er een plezier van gehad, vooral op zomeravonden. Het schuitje was gestald op een boerderij in de Watergraafsmeer en dan roeiden we in den laten namiddag eerst de Ringvaart af en dan het Nieuwe Diep over naar het Iepensloter sluisje. Daar hadden we dan een heele karwei, om onze Pijlstaart over den zwaren Zuiderzeedijk heen te krijgen. Het was echt sjouwen en sleepen en op de rotsblokken van den buitenberm ging er wel eens een splintertje verloren. Maar eindelijk lag hij goed en wel in zee en dan konden we gaan, waarheen wij wilden: naar den Modderdriehoek, naar de Batterij, of als we eens een heel avontuurlijke bui hadden heelemaal naar den Overkant, den hoek van IJdoorn om en dan bleek het, dat ons ranke notedopje heel wat wind en golfslag kon verdragen.
Als er dan in Schellingwou pas geschut was, moesten we oppassen om niet aangevaren te worden, want er komt dan soms een heele optocht opzetten van stoombooten en tjalken. Maar als we die goed en wel gekruist hadden, dan ging het om den vuurtoren heen langs de polder IJdoorn en daar slopen we langs alle kreken en binnenwatertjes, om daar de vogelwereld te bestudeeren, vooral om er op te letten, wat daar in den zomeravond kwam voorbij trekken of voedsel zoeken op het slib. Wat kon het daar kil en verlaten worden, als de zon was ondergegaan en de sluislichten van het Rijnkanaal bleek blonken tegen den avondhemel. De tureluurs en wulpen lieten hun welluidend gefluit hooren en in diep stilzwijgen kwamen scholen kemphaantjes voorbij schieten, terwijl heele gezelschappen kievitten hun avondbadje namen langs den rietzoom, waarin een bleeke lila schemering was van vele heemstplanten. Er was een weeïge geur van zeewier en de golfslag gleed langzaam langs de gladde, steil uitgeknaagde kleioevers.
We hadden soms rare ontmoetingen, want daar op de Amsterdamsche Zuiderzee gebeurt nog al eens wat. Heel rare smalle spitse schuitjes, nog lichter dan ’t onze, maar lang zoo zeewaardig niet en laag op ’t water, gleden voor ons uit, den roeier met den pet diep in de oogen, een klein roestkleurig hondje, tot geen enkel ras behoorend, op den achtersteven. We wisten wel, dat die baas een berucht wilddief en fuikenlichter was, dat hadden visschers, die ons eerst voor dieven hielden, ons wel verteld. Eens werden we aangehouden door een bootje met twee kanonniers van ’t fort en een andermaal, toen we ons wat te lang hadden opgehouden en haastig huiswaarts roeiden, werden we, zonder dat we ’t wisten, achtervolgd door de waterpolitie. Wij roeiden goed, maar die politiemannen roeiden beter en na een zeer opwekkende jacht kregen ze ons te pakken in ’t riet van ’t Nieuwe Diep.
Maar onze papieren waren in orde en wij waren een ervaring rijker. Ik heb in mijn schetsboeken uit dien tijd nog heel wat mislukte pogingen, om dat tooneel te vereeuwigen: het donkere water, het silhouet van ’t groote Gemeenlandshuis, onze hond pikzwart en doodstil op de voorplecht van de Pijlstaart, de politiemannen onze schuit vasthoudend en tegelijk bij ’t licht van hun dievenlantaarn onze papieren onderzoekend.
Ik geloof nog altijd, dat ze ’t geval maar half vertrouwden, maar de schipper van de Pijlstaart had een gerust geweten. Als ik weer eens in Amsterdam kwam te wonen, dan moest ik vast weer zoo’n bootje hebben.
Ik mag er anders niet op bluffen, dat ik een geboren zeeman ben, dat is o.a. een dertigtal jaren geleden ook eens zeer smadelijk gebleken. Dat kwam zoo. Met ons zeventienen jongelui wilden we een wandeltocht maken op de Veluwe, maar om zooveel plezier mogelijk te hebben, besloten we, daar niet heen te gaan per trein, maar per beurtschipper naar Harderwijk en dan weer met een bottertje terug naar Amsterdam. Het kwam goedkooper uit ook en dat is altijd iets, dat meetelt.
Wel, we hebben dat plannetje netjes uitgevoerd en dat reisje is alles met alles een van mijn prettigste herinneringen geworden.
Het beurtschip, (105), een flinke tjalk, vertrok Zaterdagnamiddag van de Prins Hendrikkade met ons allemaal aan boord, goed voorzien van proviand. ’t Was een heerlijke zomerdag en we dreven heel statig, zooals een tjalk dat doen kan, als er een goede, niet te sterke wind waait, het IJ af, dat toen nog niet zoo ingebouwd was met kaden en fabrieken als tegenwoordig. We stevenden netjes de groote schutkolk van de Oranjesluizen binnen, de laatste van allen.
De zware sluisdeuren werden achter ons dichtgezwaaid en daar lagen we nu met een aantal tjalken en botters, een stoomboot of drie, een mooi wit zeiljacht, (108), alles vol kleur en beweging en drukte. Spotzieke Bunschoter en Volendammer visschers interpelleerden ons over het doel van onze expeditie en we wisselden over en weer vriendelijkheden over elkanders uiterlijk, zoo schip als mensch. Voordat het gesprek een bedenkelijke wending kon krijgen, werd echter aller aandacht afgeleid door twee groote, glanzende, goudgele luchtballons, die in den hooge zonnigen hemel rustig over ons heen kwamen drijven, een groote tegenstelling met het druk gewoel tusschen de hooge steenen muren in den diepen killen sluiskolk.
Intusschen rezen we al hooger, en hooger, naarmate het water binnenstroomde door het rinket in de vloeddeuren en iedere schuit maakte zich gereed om zijn voorgangers voorbij te glippen, als die deuren zouden opengaan. Eindelijk zwaaiden ze van elkaar en dat was ook alweer heel mooi, hoe het vergezicht op de zonnige zee al breeder en breeder werd. De luchtballons gingen nog een poosje met ons mee, maar weken al meer en meer naar links af. Ze zijn, meen ik, in Friesland terechtgekomen.
Bij IJdoorn ging het gezelschap uit elkaar. De stoombooten hadden ons al eerder verlaten en we zagen ze ver voor ons als een paar smoezelige rookpluimen, de eene ging naar Kampen, de andere naar Hoorn. Het zeiljacht ging ook dien kant op, gevolgd door de Volendammers, de Bunschoters waren ons al voorgegaan naar het Oosten en op het laatste oogenblik schoof nog een Urker (26) ons opzij, met zoo’n lijnrechte balk-voorsteven en een van de bemanning gooide ons een groote levende krab aan boord, wat voor zoo’n Urker voor een groote snaakschheid mag gelden en door ons dan ook zeer werd gewaardeerd.
En toen werd het stil op zee. Ook wij kwamen tot kalmte, nadat we onder oppertoezicht van den schipper de heele tjalk hadden geinspecteerd en ons van de beteekenis van elk touwtje, blokje en haakje op de hoogte hadden gesteld. Misschien meer om ons te pleizieren, dan omdat het werkelijk pas gaf, zette de schipper ook alle zeilen bij: de kluiver en de fok, het grootzeil en de bezaan, wat wij alles met de grootste bewondering meemaakten, want de liefde voor het zeemansbedrijf is ieder Hollander aangeboren. Ook mag je op een tjalk niet te laag neerzien, want voornamelijk in dit soort van vaartuigen hebben onze voorvaderen op de Zeeuwsche wateren en op de Zuiderzee voor onze vrijheid gestreden. Verbeeld je eens, dat ze dat niet hadden gedaan.
Heel prettig zeilden we naar ’t Oosten en op dezen klaren zomerdag duurde het heel lang, eer we niets anders zagen dan lucht en zee. Daar ben ik trouwens niet eens zoo bijzonder op gesteld; ik houd er wel van, om bij het bevaren van onze Zuiderzee of onze Wadden de lijnen te zien van de duinen, of, als het niet anders kan, van onze zeedijken. Meestal komt die dijk als een smal groen zoompje uit de grauwe zee opduiken, behalve waar hij voorzien is van een betonberm; dat ziet er nog al akelig grijs uit en die beton-ingenieurs mogen wel wat bedenken, om dat zaakje wat op te vroolijken.
Het mooiste is echter niet de dijk zelf, maar alles wat er overheen komt kijken en hoe beter je een streek kent, des te aardiger je de dingen vindt. Wij hadden er tenminste veel plezier in, om elkaar het groote Gemeenlandshuis te wijzen en het witte dijkhuisje halfweg Muiden en Muiderberg, dat met zijn witte muurtjes haast nog meer in ’t oog valt, dan het torenrijke Muiderslot. Van Amsterdam zie je behalve de torens nog het langst de magere armen van de hijschkranen langs de kaden en op de werven. De dorpen in ’t binnenland en de groote boerderijen vertoonen hoofdzakelijk blauwe boomenmassa’s, een torenspitje, een fabrieksschoorsteen en hier en daar een fonkelend roode daknok. Dat alles gleed langzaam voorbij zoodat we ampel den tijd hadden, om alles behoorlijk op te nemen en te verwerken. Dat is het voordeelige van langzaam te varen.
Toen ’t avond werd, waren we Muiden al gepasseerd; we konden heel ver achter aan stuurboord nog net de havenlichten zien. De maan kwam op, een groote roode maan met een deuk in zijn linkerwang, maar naarmate hij hooger klom, werd hij al lichter en lichter en eindelijk zwom hij zilverwit tusschen lichte wolkjes en maakte op de kleine kabbelgolfjes van ons binnenzeetje een breede zilveren straat, die rechtstreeks naar onze bestemming leidde.
Soms gleed een groote zwarte schim dwars over dien weg, het een of ander schip, dat onzen weg kruiste, en één bleef een paar minuten met ons opvaren, want de schippers kenden elkaar en brulden over het water elkaar hun confidenties toe. Gaandeweg kregen we slaap en één voor één verdwenen we in ’t ruim van het schip, waar we een prachtig kermisbed hadden tusschen de meelzakken en de olievaten. Zoo kwam het, dat de meesten onzer niet eens merkten, hoe we in Harderwijk aankwamen en de schipper liet ons doorslapen tot drie uur, zooals was afgesproken. Toen frischten we ons op met een paar putsen zeewater, marcheerden door het stille stadje en de opkomende zon trof ons al goed en wel in ’t Leuvenumsche bosch.
Hoe we dien dag langs de kolenbranderijen zwierven naar den Zwarten Boer en vandaar langs Staverden naar het Uddeler meer, behoeft hier niet verteld te worden, ook niet hoeveel eieren we daar hebben gegeten. Toen moesten we nog naar het Speulder Bosch en eindelijk over Ermelo terug naar Harderwijk, waar we tegen den avond aankwamen, doodmoe maar gelukkig.
Na heel veel zoeken en loven en bieden vonden we een visscher, die ons voor een tientje dien nacht naar Amsterdam zou brengen en hij stond er voor in, dat we vroeg genoeg zouden aankomen, want we moesten daar vóór negenen alweer aan onze bezigheden. Natuurlijk zouden we aan boord wel gelegenheid vinden, om te rusten, misschien ook om te slapen.
Vol verwachting scheepten wij ons in. Ook van dat bottertje heb ik een menigte schetsen, want we hadden al den tijd om het in zijn deelen en onderdeelen te leeren kennen. Het had een half dek met een roefje voor den mast. In ’t achterschip had je in ’t midden de vischbun, bij het roer een nog al ruime zit- en staanplaats. Voorloopig bivakkeerden de meesten onzer echter op de voorplecht, dan had de schipper meer vrijheid van beweging. De wind was namelijk geheel gaan liggen en er kwam een nevel opzetten. Te zeilen viel er weinig en tot onze—ja wat zal ik zeggen?—beschaming, begon de triomfantelijke thuisreis hiermede, dat ons schippertje ons voortboomde over het Harderwijker zand, alsof onze Argo een mestpraam was in een poldervaartje. De hulpvaardigsten onder ons hielpen hem van tijd tot tijd een beetje en natuurlijk schoten wij wat op, maar de Groote Kerk van Harderwijk bleef maar altijd even groot.
Eindelijk kwam er een flauw zuchtje en de schipper was er als de kippen bij, om zijn zeil te hijschen, maar de allermiserabelste landrot kon wel merken, dat ’t niets gaf, want er hingen plooien in dat zeil van een halven meter diep. Harderwijk had nu een licht aangestoken en dat bleef maar aldoor even hoog. Niet even helder, want de nevel werd al dichter en dichter.
De schipper was een goedhartig mensch en spiegelde ons voor, dat mettertijd de wind wel zou aanwakkeren en dat dan de nevel moest verdwijnen. Onder de hand dook hij weg in zijn roefje en kwam weer te voorschijn met zijn handen vol met een soort van platte bruine koeken, die bij nadere kennismaking gerookte botjes bleken te zijn, waar hij ons allervrijgevigst op trakteerde en ze waren heel lekker. De meesten onzer hadden ook nooit geweten, dat er gerookte bot in de wereld bestond. Dat gaf nog heel wat afleiding, maar het duurde niet lang, of onze stemming werd al akeliger en akeliger. We begonnen elkander onaangenaamheden te zeggen, en als we niet zoo doodmoe waren geweest, dan weet ik nog niet, wat er al meer zou hebben kunnen gebeuren. Gelukkig daalden er een paar af door ’t roefje, om te gaan slapen, anderen strekten zich uit aan dek en ik weet nog wel, dat ik, voor dat alles ter ruste ging, bij stukjes en beetjes het geld ophaalde, om den schipper te betalen: ieder zestig cent.
Nu was de wind een beetje aangewakkerd en je hoorde werkelijk het welkome geluid van golfjes, klotsende tegen den boeg. Maar de mist werd eer dichter dan minder, gelukkig echter was het een lage nevel en kon je omhoog nog heel wat sterren zien. Nu, toen ik met mijn geld uit die voorplecht kwam, keek ik heel toevallig omhoog en zag de Poolster, recht boven onzen voorsteven; we stuurden dus pal Noord. Ik naar den schipper, die aan ’t roer stond.
„Weet je den weg wel, schipper?”
„Jawel”, zei de baas, „als ik de lichten maar zie, ik wacht tot den nevel optrekt”.
„Maar weet je wel, hoe je stuurt, waar is je kompas?”
„Ik heb geen kompas”.
Toen werd ik zoo kwaad als een spin en schopte den schipper een standje, want ik was al heelemaal negentien jaar en had een goede meening van mijzelf. „Wil je ons bij dit weer, zonder kompas naar Amsterdam brengen? Je stuurt recht op Stavoren aan. Weet je wat, ga maar slapen bij die anderen en geef mij ’t roer. Ik ken de sterren en ik breng je tobbe wel naar Pampus.”