Langs de Zuiderzee

Part 4

Chapter 43,886 wordsPublic domain

Langs den dijk heeft ’t meer een klein stukje land overgelaten, waar nog een huisje op staat en verder is nog een oeverstreepje en daar groeien weer allerlei mooie planten, een paar soorten van orchideeën en vooral heel mooi de groote, vergiftige moeraswolfsmelk. Nergens in Nederland heb ik ze zoo groot gezien als hier: manshooge struiken met een omtrek van verscheidene meters, je zoudt ze voor wilgen kunnen houden.

Wie heel goed uitkijkt, ziet achter het meer een rietstrook, die zich uitstrekt van dicht bij Durgerdam (96) tot voorbij een gehuchtje, dat in ’t Noordwesten aan den oever van een blinkend water ligt en dat Holysloot (94, 95) heet. Die rietzoom wijst den loop aan van een kanaal, dat indertijd van Durgerdam (96) door Waterland en zelfs door Marken gegraven zou worden, omdat de weg over Pampus te ondiep werd. Het is echter nooit voltooid; het Groot Noord-Hollandsch Kanaal is ervoor in de plaats gekomen.

Al wandelend langs den dijk krijgen we aan de binnenzij nog meer meertjes, eerst het Barnegat, dat aan zijn Zuidkant begrensd wordt door een drassig veenland, dat trilt en wobbelt onder den voet. Ja, als je niet voorzichtig bent, dan kun je er wel doorzakken ook, ’t is daarom maar goed, om je daar niet te ver alleen te wagen. Maar ’t is het rijkste plantenplekje uit de buurt van Amsterdam, mooier nog dan ’t stukje tegenover het Muiderslot.

De buitenzijde van den dijk blijft altijd hetzelfde, eerst een strook gras en daaronder de berm van groote steenblokken, meest kleurig graniet, alleraardigst begroeid met korstmossen, maar ook wel veel van die zwarte zeskante of vijfkante bazaltblokken. Van afstand tot afstand verheft zich een reusachtige vlierstruik en als we gaan zoeken vinden we ook nog wel kleinere vliertjes, die zijn hier allemaal gezaaid door de trekvogels, voornamelijk door de spreeuwen.

Dra komen we aan het groote stoomgemaal van Uitdam en als we een minuut of tien zijn voortgewandeld, met het breede water van de Uitdammer Die aan onze linkerhand, bereiken we het dorp Uitdam zelf, dat niet zooals Durgerdam gelijkvloers met de kruin van den dijk ligt, maar geheel verscholen aan de binnenzijde. Als je op de Zuiderzee vaart, is er van dit dorp zoo goed als niets te zien, alleen de kruinen van de boomen en de nokken van de daken. Ik heb de huizen niet geteld, maar als er dertig staan zal ’t mooi zijn.

Nu komt er rechts weer een buitenland vol tureluurs, grutto’s, kemphanen, kieviten en leeuweriken en dan, als de dijk plotseling ombuigt naar het Westen, ligt daar voor ons op ’t water een soort van betooverde stad. Je ziet niets dan vlak op de golven een dichte groep van kleurige huizen, opeengedrongen rondom een kerk met slanken, spitsen toren. Dit alles is zoo vreemd en onverwacht en mooi, dat we eenigen tijd noodig hebben, om in dit Venetiaansch landschap ons veelbezocht visscherseiland Marken te herkennen. Het eiland is zoo laag en de kaden, die het omringen zoo onbeduidend, dat er van hier op een afstand van twee kilometer van groen land zoo als niets te zien is: alleen de huizen en de kerk en het water.

Ik denk er niet aan, om Marken (101) zelf te bezoeken, maar ’t zal mij nog dikwijls genoeg gebeuren, dat ik naar Monnikendam ga wandelen langs den Waterlandschen dijk en dat ik dan bewonderend zal uitzien naar dat drijvend droomendorp.

We hebben nu nog een klein uurtje te loopen, eer we Monnikendam bereiken en voortdurend houden we nu rechts dat mooie zeegezicht, in den zomer zeer levendig door de vrij drukke scheepvaart, die hier bestaat: visschertjes van Marken en visschertjes van Monnikendam, tjalken en andere vrachtschepen, jachten, motorbootjes, stoomertjes, die hier in den zomer het vreemdelingenverkeer onderhouden. Marken, Volendam, Edam, Monnikendam trekken jaar in jaar uit duizenden vreemdelingen, die hier allemaal het verkeerde idée komen opdoen, dat Nederland voornamelijk bestaat uit Doode Steden en raar aangekleede visscherlui.

Links blijven we Waterland zien en onder aan den dijk te midden van het groene hooiland weer kleine meertjes en oude veentjes en daaronder een paar, die begroeid zijn met een varensoort, die je in Holland slechts zelden aantreft, de prachtige Koningsvaren, dien we eigenlijk meer gewoon zijn te vinden in vochtige heidestreken en oude bosschen beoosten de Vecht en bezuiden de Waal.

En nu hebben we Monnikendam (109) vlak voor ons, ook alweer een prachtig stadsgezicht met iepenboomen langs de oude wallen en mooie hooge kerken en torens. Naar de zeezijde ziet het er merkwaardig uit, daar vindt je allemaal moeras en modderland met slootjes en slopjes, er hangen palingfuiken te drogen, maar men zoekt er tevergeefs een weg langs het Monnikendammer Gat, een straat òf kade langs ’t water. ’t Is, of de stad de ontrouwe zee den rug heeft toegedraaid.

Over de uitdrukking: „doode steden” heb ik mij al dikwijls genoeg geërgerd. Monnikendam, Edam, Hoorn en Enkhuizen zijn volstrekt niet dooder dan een paar dozijn andere steden in Nederland met evenveel of zelfs nog meer inwoners en ’t gaat niet aan, ze nu smadelijk te betitelen, omdat ze vroeger grooter zijn geweest. En hun achteruitgang hebben ze zichzelf niet te wijten, want ’t was toch wel onmogelijk, om de toegangen tot hun havens in de Zuiderzee zelve voortdurend maar te vergrooten en uit te diepen naarmate men in de wereld grootere zeeschepen bouwde. Alleen de allergrootste van de roemrijke Zuiderzeesteden uit de zestiende eeuw, het machtig Amsterdam heeft met inspanning van alle krachten de verbinding met de oceaan weten te behouden: eerst door de beroemde kameelen, toen door het Noord-Hollandsch kanaal, eindelijk door het Noordzeekanaal, dat nu alweer voor de derde maal in vijftig jaren vergroot moet worden.

Intusschen moet ik toegeven, dat ik van den Waterlandschen dijk nog nooit Monnikendam ben binnengekomen, of het was er doodstil. Soms zag je een paar kinderen, nog te jong voor school of werkplaats, maar overigens waren de straten doodsch en leeg. Maar wat ziet het er aardig uit, de mooie vischmarkt, het aardig stadhuis en bovenal de prachtige klokketoren, waar omhoog de vroolijke klokken naar alle kanten naar buiten komen kijken. Op de hoofdstraat, waar de tram door rijdt, staan nog veel deftige huizen uit den glorietijd, één met een flinken monnik boven op den rijk versierden gevel. Maar de beide kerken maken den indruk van buiten de stad te staan, de buurten er omheen zijn zoo goed als verdwenen.

Van Monnikendam naar Edam (110, 126) over Volendam is ook alweer op zichzelf een alleraardigste wandeling. Je gaat dan den eigenlijken dam over, die ’t binnenwater van de Gouwzee afscheidt. Dat binnenwater draagt den onsmakelijken naam van „Stinkevuil” maar we willen hopen, dat die onverdiend is.

Nu gaan we Oostwaarts den dijk langs, aldoor met een prachtig gezicht op Monnikendam (111) en op Marken. (102) Dit eiland naderen we weer van zeer nabij, als we aan den Janhagelhoek zijn gekomen en halfweg Janhagelhoek en Marken zie je midden in zee een baak met een lantaarn.

Nu gaat het Noordwaarts lang den Noorder IJ- en Zeedijk, die aan zijn binnenkant weer tal van plasjes heeft en zoo belanden we eindelijk in Volendam, (99) dat nu al wel over de heele wereld vermaard is, sinds tal van schilders van wijd en zijd met meer of minder talent de schuitjes en de zee, de visschers, hun vrouwen, kinderen, huisjes, hekjes hebben afgeschilderd. Nu, de buurt is ook heel mooi, vooral wanneer je Monnikendam en Edam er bij rekent en de Volendammers zijn gezellige menschen, die al die bekijkerij door Amerikanen en Engelschen nog al goed en geduldig verdragen en evengoed uit visschen gaan.

De Zuiderzee staat bekend als een van de rijkste vischwateren van de wereld en Volendam (100) is na Enkhuizen (128) de belangrijkste visschersplaats. Volendam (98), Enkhuizen en Urk (25, 27) vangen samen meer dan de helft van alles wat er in de Zuiderzee wordt bemachtigd. Soms is dat heel veel, soms maar bitter weinig, soms zijn de prijzen hoog, soms laag en zoo komt het dan, dat de stemming van die visscherlui in het eene jaar heel wat verschillen kan met ’t jaar er voor of er na. Het hangt er vooral van af, of de haringen en ansjovisjes ons zeetje gelieven te bezoeken of niet. Ze trekken dan door de zeegaten tusschen de Noordzeeëilanden binnenwaarts, soms in zoo ongeloofelijk groot aantal, dat je ze hier en daar gewoon met een mand aan een stok zoudt kunnen opscheppen. Het is gebeurd, dat in één jaar 50.000 anker ansjovis werd gevangen, nadat een jaar of twee te voren de buit slechts 700 anker bedroeg. Een anker is een vaatje ± 60 cM. hoog en daar gaan 1500–4000 stuks ansjovis in, al naar de grootte van de diertjes. Belangrijker nog dan de ansjovisvangst is de haringvisscherij, die vroeger uitgeoefend werd in het voorjaar en in den herfst, maar de herfstharing komt zoo goed als niet meer voor. Als er geen haring of ansjovis genoeg is, dan moeten de visschers zich vergenoegen met bot en spiering, paling en garnalen of zelfs, maar dat geldt meer voor ’t Noordelijk deel van de Zuiderzee, mosselen, oesters, alikruiken en kokkels.

Er vaart een ouderwetsch trekschuitje van Volendam naar Edam, maar je kunt het ook wandelen langs een pad met vele vondertjes, midden door de hooilanden, langs het smalle watertje (97), dat de IJe heet en niet minder dan de Ee is, waaraan Edam zijn naam dankt. Benoorden Edam vindt je die Ee weêr, als een breed water, dat den polder De Zeevang in zijn geheele lengte doorstroomt.

Als je over Edam leest in Amerikaansche of Engelsche reisboeken, dan krijg je altijd weer hetzelfde stelletje merkwaardigheden te hooren, over de reuzin Trijntje Kever en de ijzeren bank, die nooit roest, en Jan Osterlen, die zich heeft laten uitschilderen met al de bijna honderd koopvaardijschepen, die hij in eigendom bezat. Vooral die Trijntje gaat je ten slotte geweldig vervelen, te meer omdat Edam (142) zelf nog altijd een heel mooi stadje is met vriendelijke grachten, alles dicht in de boomen en de trotsche Groote kerk kijkt boven alles uit. En als je de voetpaden kent, dan kun je in de omgeving van de stad nog veel meer aardige wandelingen doen, dan op ’t eerste gezicht wel mogelijk lijken.

We stappen stoutweg naar den haven, want we willen nog langs de zee naar Hoorn, (137) een wandelingetje van drie en een half uur. Eerst kijken we even tegen het nieuwe fort aan, dat hier niet is gebouwd om Edam te beschermen, maar een lid is van de kring van forten, die onze hoofdstad in tijd van nood moeten verdedigen.

Daarna zijn we weer ineens in de ruimte, rechts de zee en links het groene land, in de verte de huizenrij van Middelie. Elke kilometer zoowat krijgen we weer een braak, waarvan er een tusschen paal 8 en paal 7 den ijselijken naam heeft van „Moordenaarsbraak”, maar hij ziet er onschuldig genoeg uit. Voorbij Warder komt er wat afwisseling, we komen in ’t gebied, waar vroeger het Beemstermeer dicht aan de Zuiderzee kwam en in ’t dorpje Schardam (115) kruisen we de sluizen (116), waardoor nu nog het polderwater afvloeit naar zee en als we merken, dat dit vaartje genoemd wordt de uitwatering van Kennemerland, dan lijkt ons dat eerst heel vreemd toe. Voorbij Lutjeschardam wandelen we nu langs het eigenlijke Hoornsche hop, en in ’t buitenlandje tusschen Scharwoude (133, 138) en de Hulk (117) voor het stoomgemaal Westerkogge (118) hebben we weer kans op allerlei watervogels. Daar heb ik eens een vlucht van wel tweehonderd kemphaantjes gezien. Intusschen valt het nog al moeilijk, om er op te letten, want de stad Hoorn ligt hier zoo mooi voor ons, dat we nergens anders oogen voor hebben.

HOORN—ENKHUIZEN—MEDEMBLIK.

Dat was een prettig fietstochtje in October van het vorig jaar, de tocht om de puist van Noord-Holland. We begonnen in Hoorn. Van al de Zuiderzeesteden heeft deze stad zich het kranigst gehouden en wel verre van dood te zijn groeit zij in den laatsten tijd vrij belangrijk aan. En wat een aardige stad is het, vol met Schilderachtige buurtjes en indrukwekkende gebouwen (112). De gevel van het Westfriesch-Museum (122) mag wat topzwaar lijken, ’t is toch een gebouw, dat de aandacht trekt. Het stadhuis is echt mooi en heelemaal niet opzichtig. Maar de roem en trots van Hoorn blijft de haventoren, een van de allermooiste gebouw-juweeltjes van ons land; echt stevig, zoodat hij in dien tijd tegen een ruwe aanval wel bestand was, maar tegelijkertijd vroolijk versierd en ’t mooie dak gaat over in een torentje, dat naar boven toe al maar fijner en sierlijker wordt en aan het heele gebouw ten slotte elk spoor van logheid of zwaarte ontneemt.

En in wat een prettige buurt staat die toren! Naar de zee de buitenhaven, naar binnen kaden met aardige pakhuizen, een haventje, omgeven door mooi plantsoen, alles even aangenaam. De groote kazernegebouwen, daar praat ik maar liever niet over, ze zien er nog al degelijk uit, anders kon je hopen, dat die mettertijd nog eens verbouwd konden worden in overeenstemming met den mooien toren.

Natuurlijk wandelen we ook even naar de twee huisjes op de Groote Oost, die in hun gevel de levendige afbeelding vertoonen van den zeeslag op de Zuiderzee, die voor de geschiedenis van ons land van even veel belang is als de zegepraal der Engelschen over de onoverwinnelijke vloot. ’t Is eigenlijk jammer, dat die dingen niet beter onderhouden zijn, een kwastje verf kan hier geen kwaad en vooral zou ’t goed zijn, wanneer de onderschriften eens werden opgefrischt.

Dat heeft er gespannen den elfden en twaalfden October 1573. Reeds den derden October had Graaf Bossu voor Amsterdam het anker gelicht met een vloot van dertig zeilen, zoo groote als kleine. Zijn admiraalschip voerde twee en dertig stukken geschut. Het heette De Inquisitie, net een goede naam om de Noord-Hollanders te prikkelen. Met staatsie en muziek was de Graaf aan boord gegaan, dat was zoo vroeger de gewoonte. Hij kwam echter dien eersten dag niet ver, doordat er een hevige tegenwind juist in de monding van het IJ stond. Eerst den vijfden raakte hij over Pampus heen, waar de Monnikendammers, Hoornaars en Enkhuizers met hun kleine schuitjes hem al opwachtten.

Er worden tegenwoordig nog wel zeilwedstrijden op de Zuiderzee gehouden, waarbij het gaat om de eer en om „kunstvoorwerpen”, maar die zijn niets vergeleken bij den zeilwedstrijd, die daar den 5den October en volgende dagen op Pampus en in het Hoornsche Hop plaats had. Bossu’s plan was, om met zijn zwaar en verdragend geschut de Geuzenschepen in den grond te boren, zonder het tot een handgemeen te doen komen. De Geuzenadmiraal, Cornelis Dirkzoon van Monnikendam, begreep evenwel, dat zijn eenige kans om te overwinnen lag in ’t enteren en zoo trachtte men dan elkander te bezeilen en te ontzeilen. De partijen ontliepen elkander niet zoo veel in zeilkunst, want die vloot van Bossu was ook voornamelijk bemand met Zuiderzee-bewoners, Bossu’s onderbevelhebber was Jan Simonszoon Rol van Hoorn. De Geuzen slaagden er dan ook slechts in, om twee van Bossu’s schepen te bereiken, waarvan zij er één veroverden en weer verloren, terwijl Hopman Taams Geltzak uit Medemblik ook het andere niet kon vermeesteren.

Toen duurde het een dag of zes, eer ze elkaar weer bij de kladden hadden. Dat was op den elfden October. Intusschen had Don Frederik op den achtsten het beleg van Alkmaar moeten opbreken en daardoor had een deel der bezetting van die stad de Geuzenvloot kunnen versterken. Eindelijk gelukte het Cornelis Dirkszoon, om Bossu’s schip te bezeilen en te enteren aan bakboord. Kort daarna kwam Hopman Pieter Bak uit Hoorn met zijn schip aan stuurboord en Jacob Trijntje van Enkhuizen sloeg zijn enterhaken in de boegzijde van de Inquisitie. Van de rest van de koningsschepen werden er nog zes veroverd en toen namen de overigen onder Rol de vlucht over Pampus.

Zoo bleef Bossu nu alleen over. Al vechtende dreef het viertal schepen af en bij de Nek onder Wijdenes (135), die nu ook Blokkershoek heet, raakte de diepgaande Inquisitie aan den grond. Bossu verkeerde dus in een zeer hachelijke positie, maar zegt Hooft: „hij liet daarom niet na zich ridderlijk te weeren; maar, beide soldaats en hooftmans plicht betrachtende, stond geplant bij de mast, in vol en roerscheutvrij harnas, met de rondas aan den arm; het zwaard in de vuist. Ende duurde ’t gevecht de gansche nacht door; oft schoon de Noordthollanders ’t behulp hadden van verscheide waterscheepen, die gestaadigh af en aan voeren, met dooden en gequetsten met voorraad en versch volk. Waaronder zich veele burgers van Hoorn mengden, uit brandenden ijver voor vrijheid en vaaderlandt. Hier staat niet te verzwijghen de rustige koenheit van hunnen Jan Haarink, die ’s morgens met de tweelicht, bij de taakels van Bossuus schip opklauterde, de vlag van de steng rukte, en daar mee neederdaalde, hoewel ’t hem ’t leeven kostte, mits hij door een luik in zijn borst geschooten werd. Endtlijk, als ’t nu aan den middag ging, na achtentwintig uuren strijdens, en ’t verlies van al zijn krijgsvolk, op veertien of vijftien man naa, trad Bossu, geen ander uitkomst ziende, in handeling, en gaf zich oover aan den ammiraal Cornelis Dirkzoon, Hopman Ruikhaver, en den geweldigen prevoost Joachim Nieuwvink: mits bedingende ’t lijf voor al de zijnen; voor zich, daarenboven een graaflijke gevangenis... van omtrent driehondert soldaten, in alles gevangen voerde men het derdedeel naar Enkhuizen, de rest naar Hoorn, neevens den Graaf, die onheusselijk ingehaald werd, van een straatgeschreij, hem verwijtende de Rotterdamsche moordt, en dat hij nu, getooghen teeghens hem met eeven quaadt een hart, loon na werken ontfangen had. Zijn Ammiraals vlag hing men daar in de kerk op, tot gedenkteiken der zeege.”

Hooft heeft dat maar aardig verteld, met wakkere woorden, al schreef hij in de oude spelling. Ook de andere steden kregen gedenkstukken aan de overwinning: Monnikendam Bossu’s beker, Enkhuizen zijn zwaard.

De Nes, waar de Inquisitie strandde, ligt even voorbij het dorpje Schellinkhout (119), ’t is de plek waar de dijk, die eerst zuidelijk liep, weer oostwaarts ombuigt. Dat Schellinkhout zelf ligt in de laagte achter den dijk verborgen en ook nog achter een rij van iepen, esschen en abeelen, die dit hoekje een aardig boschachtig uiterlijk geven. (120) Van de Nes zelf ziet Hoorn er zoo prachtig uit, dat je zoudt denken in een heel ander land te wezen dan in ons nuchtere Holland. De haventoren zelf is van hier nog wel te zien, maar alleen zijn spitsje is vrij, echter komen nu de kerken en torens van de stad zelf meepraten, vooral het groote koepeldak. ’t Is wel het mooiste stadsgezicht in heel Nederland, o, veel mooier dan Dordrecht, maar toch is het weinig geschilderd, ik heb in geen van onze musea een gezicht op de stad Hoorn (114) kunnen vinden. Er is anders kans genoeg, dat ze bestaan, want de kinderen en kleinkinderen van de dappere burgers, die Bossu hebben bevochten, zijn wijd en zijd over de heele wereld gereisd en hebben schatten verdiend met handel en scheepvaart. De drie beroemdste Hoornaars zijn Jan Pieterszoon Coen, die dan ook zijn standbeeld heeft gekregen, Willem Schouten die den naam van zijn stad heeft gegeven aan de zuidelijkste kaap van Zuid-Amerika en Abel Tasman, die Australië ontdekt heeft en naar wien Tasmanië is genoemd. Als je daar op de Nes even zit uit te rusten, dan ga je van zelf denken aan de dagen van weleer, ofschoon nu niet anders te zien en te beleven valt als rust en vrede.

Toch kan het hier op zomersche dagen nog levendig genoeg zijn, als het vriendelijke zonnetje en een frissche bries de vrienden van de zeilsport naar buiten hebben gelokt, voornamelijk Amsterdammers, Zaankanters en Haarlemmers. Dan zijn soms twintig, dertig pleziervaartuigen tegelijk in ’t zicht; zoowel gezellige oud-vaderlandsche boeiertjes, breedneuzig en boven hun bruin geteerde of geverniste romp opgedirkt met allerlei kleuren en krullen en daarnaast de ranke scherpgebouwde jachten (108), kotters, sloepen van nieuwer model, hooggetuigd, soms als ’t ware verloren gaande onder den last van hun sneeuwwitte zeilen. Dat koerst en zwenkt allemaal naar Hoorn, waar een paar jaar geleden pas een nieuwe jachthaven is aangelegd.

Ik behoef u niet te zeggen, dat er onder die zeilers maar heel weinig zijn, die dwepen met de plannen tot droogmaking van de Zuiderzee, vooral wanneer ge weet, dat na het leggen van den grooten afsluitdijk van Wieringen naar de Friesche kust de droogmaking van het Hoornsche hop al heel spoedig aan de beurt zal komen en in plaats van de kabbelgolfjes van de Zuiderzee krijgen we dan hier het golvend graan te zien of de pas geploegde voren.

Als ze dan den hoogen zeedijk maar laten voortbestaan, er is wellicht een mooi beplante weg van te maken. Nu groeien er al veel muurleeuwebekjes op de rotsblokken van den buitenberm.

De weg over den zeedijk van Hoorn naar Enkhuizen (143) is heel mooi en effen, je fietst er als op asphalt. ’t Is hier ander land dan in Waterland en in de Zeevang, op de vette klei wordt meer landbouw bedreven en de veldmuizen vinden er ook een overvloedig bestaan. Dat heeft weer ten gevolge, dat hier meer torenvalken dan elders in ons land zijn, en ik ben nog nooit van Hoorn naar Enkhuizen gereden, of ik heb een half dozijn van deze mooie vogels in de lucht zien bidden. De zee bespoelt hier voortdurend den voet van den dijk, alleen op een paar plaatsen zijn kleine buitenlandjes, geen twintig meter breed, de meeste bestaan voornamelijk uit zand en schelpen.

Het binnenland is één rij van boerderijen (140) en dorpen, die ik nooit in de goede volgorde kan onthouden, ik zal het nog maar weer eens opzoeken op de kaart.

Even voordat we Enkhuizen bereiken, krijgen we nog een aardig plaatsje, dat heet Broekerhaven, eigenlijk de haven van Bovenkarspel en daar word ik altijd weer herinnerd aan den Watergeuzentijd. De kleine, maar hooge en holle schuitjes zijn het wel, waarmee ze in dien nacht van 11 op 12 October 1573 af en aan voeren met voorraad en versch volk, met dooden en gekwetsten. Dit zijn de echte „krabschuiten”, hooge, holle rompen geheel zonder dek of met een klein dekje aan de boeg, waar een klein stuk geschut, een „goteling” op zou kunnen staan. Het ruim kan twintig, desnoods dertig man houden. Met de zeer eenvoudige tuigage kan nog een goeden gang worden gemaakt en de hooge boorden en voorsteven maken ze nog zeewaardig, zelfs bij onstuimig weer. Soms liggen er een zestig van die schuiten in ’t kleine haventje, met nog wat grootere botters (128) of schokkers er tusschen. Van hier naar Enkhuizen is nog maar enkele minuten, maar vlak bij de stad moet je nog erg omrijden, om er in te komen.

Enkhuizen beheerscht den toegang tot de Zuiderzee en heeft dan ook eeuwen lang met Amsterdam gewedijverd om den voorrang. In geen der andere steden is het verschil met vroegere grootheid zoo duidelijk te zien. In ’t eerst besef je ’t niet eens, dat de wandelwegen die ver buiten de tegenwoordige bebouwde kom liggen, vroeger de stadswallen zijn geweest. Vooral naar het Noorden en Westen is dat akelig, om te zien: die groote bouwlanden en weiden, waar eens deftige huizen hebben gestaan. Jarenlang bestond het voornaamste handelsartikel, dat Enkhuizen uitvoerde uit marmer, afkomstig van den afbraak der oude koopmanshuizen.