Part 3
Een eindje verder komen we aan een zeer leelijk geel houten gebouwtje, waar de teekenaars van ons album wanhopig omheen hebben gedanst, om er een mooi kantje aan te ontdekken, want ik wou er een plaatje van hebben. Het bleek echter vierkant onmogelijk. ’t Is het Iepeslootersluisje, dat vanzelf opengaat, als het water in het Nieuwe Diep hooger is dan in de Zuiderzee en in het tegenovergestelde geval is het zoo dicht als een pot. Bovendien is dit sluisje belangrijk, doordat ieder wandelaar zijn naam schrijft op de houten betimmering en daar kun je dan zien, wie van je vrienden en kennissen een frissche neus is wezen halen aan de Zuiderzee. Eens in ’t jaar gaat natuurlijk de kwast er over.
Een eindje verder maakt de dijk opeens een rechten hoek, die punt heet Immetjeshorn en daar hebben de Watergeuzen tijdens het beleg van Haarlem een poosje een schans gehad tot de Amsterdammers, die ’t met Spanje hielden, hen verjaagden. Bij die gelegenheid heeft Jan Haring zoo mooi gevochten, maar dat was aan den overkant bij Durgerdam, toen hij den aftocht dekte; daar vertel ik in ’t volgend hoofdstuk misschien van.
Nu komen we aan een nieuwerwetsch, maar zeer vervallen buitentje en daar begint meteen het buitenland, een kleiïge kwelder, die zich een kilometer of twee ver uitstrekt en langs een smal kleidijkje kun je nu wandelen naar zijn noordelijkste punt De Battery. Daar ligt een lage wal, waar in Napoleon’s tijd een kleine versterking was en daar heb ik dagen lang gebivakkeerd, om lekker buiten te zijn en meteen veel vogels te zien. Want zomer en winter trekken hier de vogels langs: meeuwen en sterns, grutto’s, tureluurs, kemphanen, kievitten, wulpen, eenden van allerlei soort, leeuwerikken, piepers, vinken, ijsvogeltjes, valken, sperwers, koekoeken, alles heb ik daar bij tijd en wijle te zien gekregen. Heel mooi is het er op warme Juli-avonden, dan trekt al het jonge goed in scharen van honderden voorbij.
Maar ook ’s winters is het hier prachtig, doch je moet niet opzien tegen een beetje guurheid of modder. Liefst ga ik dan naar die Batterij (81), wanneer het na een paar vorstweekjes is gaan dooien en waaien. Als dan onder den invloed van den Zuidwestenwind het ijs opbreekt en opkruit tegen de Oostelijke en Noordelijke kust, dan komen al de watervogels, die op de Zuiderzee overwinteren, hierheen. En dat zijn er geen klein beetje. Heele risten van zwarte zeeëenden dobberen op de baren; een zwarte streep op het vale zeetje en als ze opvliegen lijkt het, of er een groote zwarte slang over het water kruipt. Dan zijn er ook ontelbare kuifeendjes en ook genoeg van die aardige brilduikers, die hun naam danken aan de groote witte vlek vlak voor hun oog. Dan scharrelen er ook grootere, bont gekleurde vogels met smalle roode snavels, dat zijn de zaagbekken en als we al een eindje in Februari zijn, dan zien we die in troepjes bijeen allerlei zotte grimassen en capriolen maken, een teeken, dat de broedtijd nadert. Zelfs eidereenden komen zich hier van tijd tot tijd vertoonen, ja, eigenlijk is hier alles te verwachten van wat er in den winter aan onze stranden en zeegaten van vogels te zien is. Ik zou dat buitenlandje niet graag willen missen en verheug er mij zeer over, dat dit heele stuk van Amsterdam tot Muiderberg toe onveranderd zal blijven, wanneer binnen korter of langer tijd de Zuiderzee wordt drooggemaakt.
De kade komt weer aan den hoofddijk bij een binnenplasje, dat heet de Akkerswade en daar tref je weer allerlei aardige dieren aan: ringslangen en hagedissen en in de wilgenroosjes langs den oever de dikke rupsen van den avondroodvlinder.
Den dijk houdende hebben we nu links de zee en rechts de breede Diem (79) met mooie huizengroepjes langs den oever. Diemerdam (80) zelf is altijd een soort van fort geweest en vooral in de laatste vijfentwintig jaren zeer versterkt. Wij wandelen er omheen en komen dan in een streek, die het Uilenbosch heet, maar boomen heb je er niet veel, wel binnendijks een ontoegankelijk moeras en buitendijks weer zoo’n kwelder en dan komen we aan de Papenlaan, waar ik, zooals ik in ’t laatste hoofdstuk zal vertellen, een van de onaangenaamste kwartiertjes van mijn leven heb doorgemaakt. Nu achter de buskruitfabriek langs naar Muiden (74), dat we zoodoende door een achterdeurtje bereiken.
Muiden (75) is tegenwoordig zoowat net, wat Amsterdam zeshonderd jaar geleden was: twee straten aan weerszijden van de rivier, een slot aan ’t eind en wallen er omheen. Toch zijn er belangrijke zaken te zien n.l. de buskruitfabriek, die dertig jaar geleden in de lucht is gevlogen, de werven en de zoutziederij, de geweldig groote sluizen, van belang in vrede en oorlog en eindelijk het Slot (73) zelf, de stichting en gevangenis van Floris V en later de verblijfplaats van Pieter Corneliszoon Hooft.
Als je mij vraagt, wie van die twee ik ’t belangrijkst vind, dan zeg ik dadelijk „Hooft” en ik ben er zeer mee in mijn schik, dat het inwendige van ’t kasteel meer in overeenstemming wordt gebracht met de zeventiende dan met de veertiende eeuw. Uit Hooft zijn brieven kun je merken, dat hij veel hield van het Gooi en hij haalde zijn Amsterdamsche vrienden en vriendinnen meer naar hem toe, naar de Vecht, dan dat hij ze zelf ging opzoeken aan den Amstel. Als ik eventjes tijd heb in Muiden, dan loop ik altijd gauw naar ’t voorplaatsje van ’t kasteel, om daar te genieten van ’t mooie gebouw, de historische herinnering en de stilte.
’t Is eigenlijk zonde en jammer, dat je niet langs het slot op den Zuiderzeedijk kunt komen. Wellicht is de doorgang afgesloten om redenen van krijgskundigen aard, waar ik echter geen goed begrip van heb. Nu moet je, om weer verder langs den Zeedijk te wandelen eerst de Oostpoort uit en dan kom je door een landwegje ten slotte uit bij ’t mooie witte Dijkhuisje (72), dat al van mijlen ver een van de meest in ’t oog vallende bijzonderheden van den Gooischen oever is. Van dezen kant gezien is het Muiderslot op zijn mooist en ’t loont de moeite wel, om van hier nog weer even terug te wandelen, want langs den Zuidkant van den dijk vindt je hier een prachtig plekje, waar, als er de Meidoorns bloeien, al de bloemenpracht van Holland vereenigd is, vooral als je over het smalle slootje heen kunt komen, dat een drassig landje omgeeft, waar wat berken en waterwilgen groeien en nog veel meer moois van planten en dieren.
Misschien prijs ik dezen hoek te veel, maar ik kan ook niet vergeten, hoe ik als aankomende jongen hier altijd ronddwaalde en ook, hoe heerlijk het was, om als je uren had gedwaald door moerassen en langs dijken, dan aan te komen op den vasten heuvel van Muiderberg. Waar de dijk aan den heuvel aansluit, kon ’t in Mei aan den binnenkant wit zien van de akkerhoornbloemen en de steenen van den dijk gingen schuil onder de paarse bloempjes van de muurleeuwenbek, die er thans nog al schaarsch is, maar die ik gelukkig op een paar andere plaatsen van den Zuiderzeedijk weer heb gevonden.
Muiderberg (71) zelf is een van de mooiste landschappen in Holland, vooral uit de verte, want de heuvel met zijn hooge boomen en de kerk met den stompen toren rijzen alleraardigst omhoog uit de zee en uit de vlakte en vormen een prachtig en indrukwekkend silhouet. Er zijn wel een paar hinderlijke dingen, mislukte villatjes en ’t vervallen badhuis, maar die zullen nog wel eens verdwijnen of verbeterd worden. Erger is het misschien, dat er thans aan de Oostzijde een groot fort wordt gebouwd en aan den Zeekant komt de Waterstaat den boel opknappen.
Wie op een kalmen zomerdag wel eens geprobeerd heeft, om in de zee bij Muiderberg te gaan zwemmen en dat voornemen moest opgeven, toen hij na een paar honderd meter geloopen te hebben het water nog niet hooger had, dan tot aan de knieën, moet zich erover verwonderen, dat diezelfde suffe en ondiepe zee hier toch zoo de kust heeft kunnen verwoesten. Maar als je er eens een ferme bries bijwoont uit het Noorden, die een paar dagen aanhoudt, dan zie je, hoe hier een flinke branding wordt gevormd, die het steile strand ondermijnt, zoodat heele brokken met struikgewas en al omlaag storten. Zoo is in den loop der jaren de strandlijn hier al verscheidene meters achteruit gegaan. Op de neergeplofte brokken blijven de struiken nog groeien en ’t is heel aardig om te zien, hoe die omgetuimelde eikjes gaandeweg weer overeind komen te staan. Tegelijk zijn er nog een menigte kleine plantjes, die probeeren het losgewoelde zand weer saam te binden. Zoo zien wij dan hier voor het eerst het vernielen en het weder opbouwen, zooals dat langs de heele Gooische kust gebeurt.
Muiderberg is voor de Amsterdammers ook het bosch, dat zij al wandelend het vlugst kunnen bereiken. Groot is het niet, maar je vindt er zeer mooie en rijke plekjes met naaldhout en loofhout met de bloemenheesters en de slingerplanten en op den grond varens en mossen, viooltjes en lelietjes van dalen. De groene en de bonte specht komen er allebei en in ’t laatst van April galmt het hier van de nachtegalen. Roodstaartjes, meezen, winterkoninkjes, boomkruipertjes, vliegenvangertjes, allerlei vogeltjes kan je hier te zien krijgen en zelfs ontbreekt de wielewaal niet. Zonder twijfel is deze rijkdom aan vogels voor een groot deel te danken aan het stille kerkhof en het Echo-bosch.
Alles met alles is en blijft Muiderberg zeer de moeite waard, om er heen te wandelen en het grintwegje dat daar vandaan leidt naar het Hakkelaarshek aan den Muiderstraatweg is ook niet te versmaden, vooral wanneer in ’t vaartje er naast al de oeverplanten en waterplanten volop bloeien.
Van Muiderberg wandel je heel prettig verder langs de zee, eerst langs een paar plasjes en dan over een nog hoog, zandig buitenland—want hier ligt weer een dijk. Den laatsten keer, dat ik daar wandelde was het 1 Mei en mooi zonnig weer, ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit van mijn leven ergens zooveel madeliefjes heb zien bloeien als daar in die Maatlanden. Van tijd tot tijd moet je den dijk eens overwippen. Hij heet den Krommen Westdijk en zit vol bochten en achter de meeste daarvan ligt weer zoo’n doorbraakkolkje, sommige half omgeven door den dijk en daar kun je dan heel rustig zitten uitkijken naar al het mooie leven ver en nabij.
Als wij willen, kunnen wij nu, steeds den oever houdende, de stad Naarden (70) heel gewoontjes rechts laten liggen. We wandelen dan langs de vestingwallen heen en kunnen in ’t voorbijgaan den grooten steenen beer bewonderen, die ’t water in de grachten moet houden.
Intusschen is Naarden heelemaal geen stad, om zoo maar ongezien te passeeren. Vooreerst vergeet geen een Nederlander wat daar op 4 December 1572 is gebeurd. Naarden is om zoo te zeggen de keerzijde van de medaille, waarvan Brielle de schitterende voorkant is. Als ik eens tijd heb, dan ga ik eens uitvisschen, hoe de uitgemoorde en platgebrande stad weer is hersteld. Dat moet nog al vlug in zijn werk zijn gegaan want al spoedig wordt er alweer gewoonweg melding van gemaakt en in 1672 was het alweer een even belangrijke vesting als thans.
Ik ben als kind opgegroeid in vestingen en onder de soldaten en zoo komt het, dat ik ondanks mijn zeer vreedzamen aard en terwijl ik oorlog beschouw als de grootst mogelijke ramp, die een volk kan overkomen, toch altijd de wallen en grachten, poorten en kazematten van Naarden met groote belangstelling bekijk. Hier hebben we werkelijk „geweld van wallen, dubbele gracht” en bochtige poorten, waar niet rechtdoor doorheengeschoten kan worden, maar waar je wel ’t plezier kunt hebben van met je fiets geheel onverwacht voor een auto of voor een stoomtram te staan; voorzichtigheid is er dus geraden. Gelukkig wordt er éen afgebroken.
De stad zelf is heel gewoon ouderwetsch, de meeste straten geplaveid met kinderhoofdjes en zooals in zoovele steden de kerk en het stadhuis zijn zoo mooi, als je maar kunt verlangen. Er is ook een gedenkteeken voor Comenius, den man, die tweehonderd jaar geleden precies verteld heeft, hoe men de kinderen het best kan onderwijzen en we doen het nog altijd anders. Zoo is de wereld.
Wij loopen nu echter maar voort langs den Zanddijk. Een openbare weg is dat eigenlijk niet, maar dat is des te rustiger. Ook moeten we een paar keer onder afsluitdraden door en zoo komen we dan eindelijk aan ’t strand van Oud-Valkeveen. Op die manier ontduiken we de schatting, die je anders moet betalen, als je van de bekende uitspanning over de boerderij naar zee wil. ’t Kost, meen ik, een cent en die is wel besteed, want je nadert dan de zee door een smal laantje in ’t kreupelhout, wat de eerste aanblik buitengewoon mooi maakt, vooral als er een paar scheepjes in zicht zijn: een mooi zee-schilderijtje in een omlijsting van eikegroen.
Het strand zelf is als bij Muiderberg (76), alleen wat modderiger. Naar den Naarderkant is een bultje dat stevig bij elkaar wordt gehouden door helm en strandhaver en zeepostelein, dit laatste een stijf plantje met harde blaadjes, haast heelemaal door ’t zand bedolven; maar ’t bloeit toch in Mei met geelgroene bloempjes.
Als je hier door de droge sloot binnenwaarts doordringt, dan kom je op een open plekje in ’t bosch, heelemaal begroeid met een plant, die je elders in Holland haast nergens ziet: de groote Kaarde. Prachtige, meer dan manshooge planten, stekelig van top tot teen. De onderste bladeren zijn twee aan twee met elkaar verbonden en vormen zoo reservoirs waar ’t regenwater dagen lang in blijft staan. Hoog in de toppen zitten de bloemhoofdjes van bleeke lila bloemen, die bloeien in de zomervacantie. Er staan nog vele andere aardige planten op dit plekje, ook vind je er soms heel wat wilde aardbeitjes, zeer lekker.
Van Valkeveen (69) naar de haven van Huizen (68) is weer geen weg, maar je kunt wel langs ’t strand erheen scharrelen. Het dennebosch komt hier vlak aan zee, wat heel mooi is. Voortdurend kunnen we achter ons Muiderberg zien, dat zich van hier voordoet als een lang schiereiland. ’t Is hier ook nog al altijd druk van vogels. Vooral is er kans, dat ge hoog in de lucht een lange rij van lepelaars ziet voorttrekken, vogels uit ’t Naardermeer, die garnalen gaan visschen in de Zuiderzee.
Huizen (67) is het visschersdorp, dat in de hei ligt, evenals Bunschoten (63) het visschersdorp is in de wei. Allebei hebben ze hun haven, die van Bunschoten heeft nog een aparte naam en heet Spakenburg. (64) Wie Huizen op zijn mooist wil zien, moet niet een van de Gooische bergen beklimmen, maar afdalen naar de Meent en ondernemende menschen kunnen langs den zoogenaamden Betuinden Oever, een smalle kade, een ontdekkingstocht ondernemen naar den mond van de rivier de Eem. Dan kun je langs het Eemdijkje, dat ook alweer geen weg is, opwandelen naar het gehuchtje Eemdijk, daar overvaren en dan langs den Veen-en-Veldedijk (je zoudt het alleen al om dien naam doen) doorwandelen naar Spakenburg (64). Dat is een van mijn wat ik noem „wilde wandelingen”, maar daarbij krijg je dikwijls de aardigste dingen te zien en ze geven de aangenaamste herinneringen.
VAN HET Y NAAR ’T HOORNSCHE HOP.
Het is net vijftig kilometer dus in één stijven dagmarsch wel te doen en ik zou het ook best nog eens willen probeeren. Maar verstandiger is het, om er twee wandelingen van te maken met Monnikendam of Edam als eindpunt en je kunt ’t dan ook zoo inrichten, dat je zon en wind in je voordeel hebt, wat zelfs bij wandelen van belang is. Den laatsten keer, dat ik van Amsterdam naar Monnikendam ben gewandeld, was het een bijzonder warme dag in ’t laatst van Mei. Het zonnetje brandde in een wolkenloozen hemel en het heele IJ rook naar teer en petroleum. We waren namelijk met het havenbootje naar Schellingwoude (85, 87) gevaren, dat is de beste manier, om die tocht te beginnen. Schellingwoude is tegenwoordig de groote Zuiderzeepoort voor Amsterdam (82) en ’t is een groot genot, om daar eens een paar keer het doorschutten van de verschillende vaartuigen bij te wonen. Over de sluizen (84) op den afsluitdijk staat het groote stoomgemaal, dat van belang is voor den waterstand in een groot deel van Holland, mooie machines in een goed verlichte hal en groote schepraderen, die ik weet niet hoeveel kubieke meter per minuut op de Zuiderzee kunnen uitslaan. Alles met alles een bedrijvig en interessant hoekje, maar zoodra je den eigenlijken Waterlandschen Zeedijk betreedt, kom je in de stilte. Van den hoogen dijk zie je over heel het wazig Waterland heen met al zijn dorpen: Ransdorp (89) met den dikken toren, Zunderdorp, het spitse torentje van Broek, daarvoor wat daakjes en huisjes bij een blinkende plas; dat is Holysloot (91) en heel in de verte een hooge dichte boomengroep met een zwaren toren er boven, het doel van onzen tocht: Monnikendam. De kruin van den dijk is hier een mooie effen grintweg en doordat we zoo hoog en vrij loopen, hebben we minder last van de warmte.
Spoedig krijgen we links onder een klein meertje te zien, verder nog een, alweer van die „breeken”, ontstaan door dijkbreuken: Schinkelbreek, Kleine Breek, Durgerdammerbreek en waar geen breeken zijn, daar ziet soms ’t land toch moerassig en onvast; er groeit mos en wollegras, kleine berkjes, riet en zelfs hei. Dat zijn heel oude veenplekken, vroeger zijn het misschien meertjes geweest, maar die zijn dan langzamerhand dichtgegroeid. Zoo zal het blijven tot, ja tot Hoorn toe, telkens meertjes, moerassen en veentjes en als we er den tijd er voor nemen, kunnen we er in afdalen en al de mooie planten vinden, die zulke plaatsen voor de liefhebbers zoo interessant maken.
De buitenhelling van den dijk is beschoeid met graniet en bazalt, die steenen zijn vlak bij de waterlijn begroeid met wier, vooral het bruinachtig groene blaaswier, waaraan die bolletjes zitten, die zoo kunnen knappen. Ik kijk altijd langs de waterlijn een heel eind vooruit, want in alle tijden van het jaar kun je het treffen, dat daar aardige vogels rondscharrelen. Nu ook tref ik het, dat ik daar een tureluurtje zie met een viertal jongen, die nog niet kunnen vliegen. Wellicht is zij uit de hooilanden, waar thans druk gemaaid wordt, opgeschrikt en nu trippelen ze hier langs den oever van steenblok op steenblok. Als ik naderbij kom, laat de tureluur een waarschuwend gefluit hooren en dadelijk hurken de kleintjes stokstijf stil tegen de donkere steenen, zoodat ze zelf steenbrokjes lijken. Als we goed en wel voorbij zijn, spankeren ze zoo hard ze kunnen den anderen kant uit.
Nu komen we aan ’t dorp Durgerdam (90, 93), dat precies een kilometer lang is, huis aan huis gelijkvloers met den dijk. ’t Is een aardig visschersdorp, de huisjes en de haven, de werven (86), de taanderijen en de pakhuizen zijn even schilderachtig als in Volendam, maar de bevolking legt zich niet toe op het dragen van een opzichtig costuum. Zoo komt het dan, dat je hier nooit een Amerikaan en maar zelden een Amsterdammer te zien krijgt.
Reeds bij den haven krijgen we rechts een uiterwaard, die zich gaandeweg uitbreidt tot den Buitenpolder IJdoorn. Die heeft heel aan het eind een fort en daar staat ook de vuurtoren (103), die met het licht op het eind van den strekdam den toegang tot Amsterdam aanwijst.
De toegang tot die buitenpolder is uiterst moeilijk, ’t is allemaal verboden terrein en daaraan is het wellicht toe te schrijven, dat daar een zeer rijke vogelbevolking huist.
Als we van den hoogen dijk af in de hooilanden kijken, zien we overal de roodbruine koppen en lange snavels van de grutto’s opsteken en er zweven er ook altijd een stuk of drie in de lucht op trillende vleugels en met luider stemme hun eigen naam uitgalmend. Daartusschen vliegen weer de roodpootige tureluurs, zwart met witte kievitten buitelen door de lucht en op de plassen onder den wal wemelt het van meeuwen en sterntjes. De wonderlijkste van onze steltloopers, de vechtlustige kemphaan komt hier ook in menigte voor en op een eenzame plek in den polder hebben zij een toernooiveld, waar reeds vòòr zonsopgang de breedgekraagde bonte ridders elkaar tarten en bevechten. Ha, dat buitenlandje van IJdoorn heeft mij al heel wat pleizierige uurtjes bezorgd.
Nu maakt de dijk een flauwe bocht naar het Oosten en dan opeens rechthoekig naar ’t Noorden en binnendijks ligt een breede waterplas: het Kinselmeer (136). We staan nu op een gedenkwaardige plaats, hier is in het rampjaar 1825 de dijk bezweken en toen is het grootste deel van Noord-Holland overstroomd (104). Dat is nu ook al bijna honderd jaar geleden; als alles goed gaat, zullen we misschien den honderdsten jaardag vieren met het in gebruik nemen van de afsluitdam van Wieringen naar de Friesche kust, de eerste maatregel tot drooglegging van de Zuiderzee.
De overstrooming in 1825 is er een geweest, die misschien de beruchte St.-Elizabethsvloed en Allerheiligenvloed nog heeft overtroffen. Bijna heel Noord-Holland stond onder water, bovendien de helft van Friesland, de Muggebeet en de Kikkerij natuurlijk ook, en al ’t land om Kampen, de heele Westrand van de Veluwe en het Eemgebied.
Dat in de laatste honderd jaren rampen van dien omvang niet meer zijn voorgekomen, is te danken aan de groote verbeteringen, die onze dijken hebben ondergaan. Daar wordt nog altijd de hand aan gehouden, en nog verleden jaar is diezelfde doorbraakplek aan het Kinselmeer, weer belangrijk verhoogd en versterkt.
Wij moeten daar wel aan denken, als wij Jan Haring’s heldendaad willen begrijpen, hieromtrent door hem in 1573 bedreven. De geleerden zijn het er nog niet over eens, of dat feit voorgevallen is aan de Durgerdammer breek of aan het Kinselmeer en ik heb een hevig vermoeden, dat het nog alweer ergens anders gebeurd moet zijn.
Ge kent de geschiedenis. Sonoy had tijdens het beleg van Haarlem op bevel van den Prins, den Amsterdamschen Zeedijk bezet bij ons Iepenslooter sluisje en den Immetjeshoek. Hooft noemt dat den dijk bij Jaaphannes, maar die mooie naam is helaas verdwenen. Dat Geuzenstukje was voor de Amsterdammers en hun vrienden, de Spanjaarden, die Haarlem belegerden, heel lastig, want al hun voorraden kwamen over Muiden langs dien dijk of langs den Amstel, die vanaf dien dijk gemakkelijk te bestoken was, want de Watergraafsmeer was toen nog een Meer en water was juist naar de Watergeuzen hun zin.
De Amsterdammers deden dan ook al het mogelijke, om de Geuzen weer te verjagen en ’t lukte ook. De Geusjes moesten in hun schepen vluchten naar de overzij, nagezet door de Koningsschepen. Ze landden aan den dijk maar hakten eerst nog hun groote galei in den grond. Daardoor kwamen de Spanjaards hun dicht op de hielen en ’t troepje had zich op de kleine schuitjes, die binnendijks in een meertje lagen, niet kunnen inschepen, als Jan Haring met zijn groot slagzwaard niet heel alleen op een smal plekje van den dijk, de vervolgers had tegengehouden. Ten leste sprong hij zelf in ’t meertje en zwom naar een veiliger plaats, ongedeerd door ’t „snelvuur” uit de lontroeren van de tegenpartij.
Nu, zoo iets zou tegenwoordig onmogelijk zijn, je zoudt nu op zijn minst twintig man noodig hebben, om den dijk in een handgemeen te verdedigen tegen een aanstormenden troep. Ik denk dan ook, dat ’t heele gevecht heeft plaats gehad op een kleikade in het buitenland van IJdoorn en dat de Amsterdammers nog al dom hebben gemanoeuvreerd. Met al is die Jan Haring dan toch maar een bijzonder pittige vent geweest.
Het Kinselmeer is een van de mooiste plekjes bij Amsterdam. Wie echter als hij buiten wandelt, gaarne geniet van de frissche schaduw, moet niet hierheen gaan, want alles ligt hier open en bloot in ’t zonnetje. Het meer is anderhalven kilometer lang en een kilometer breed en van den hoogen dijk af heeft men een prachtig gezicht op het dorp Ransdorp (88), dat nog een kilometer verder ligt in de groene hooilanden. De Groote Kerk en vooral de reusachtige dikke toren, die sinds den Spaanschen tijd geen spits meer heeft, verheffen zich uit ’t vlakke land. De huisjes legeren er zich dicht omheen en met het meer als voorgrond krijg je een schilderij, die wel herinnert aan de mooie stukken, die Cuyp en Van Goyen geschilderd hebben van Dordrecht.