Part 2
Maar toen stonden we opeens op een klein pleintje en daar keken we onze oogen uit, want ’t was, of we in een heel andere stad waren beland. Daar stond een groote, stille grijze kerk met hoog blauw leien dak en daarnaast een groot stadhuis (19) met massieve vierkante hoektorens en vele spitsbogige vensters en ingangen. Het was opgetrokken uit een soort van roode baksteenen, die met de jaren moeilijk vergrijzen, ja ’t leek wel, of men ’t gebouw wel eens een rood sausje had gegeven. Overal was dat rood weer versierd met geel, en het dak was bont gevlekt met blauw en rood. De torenspitsen echter waren effen blauw en dat was maar goed ook, want anders had dat stadhuis er harlekijnachtig uitgezien. Ook nu nog vormde het met de sobere stille kerk een schrille tegenstelling, waar we zeer van genoten, evenals van nog een paar andere gebouwen op datzelfde pleintje.
’t Begon al donker te worden, maar de lichtjes lokten ons nog even naar het spiksplinternieuwe haventje en daar bleven we nog even kijken naar ’t havenlicht van Blokzijl, ’t licht van Schokland en naar een eenzaam bottertje, dat onze haven kwam binnenzeilen en ging rusten bij de andere, die daar al in een donker hoopje bijeenlagen.
Den volgenden morgen waren we al vroeg weer in dien mooien havenhoek (21). De kerk bleek nog grooter te zijn, dan we eerst hadden gedacht en het stadhuis nog bonter. Ook vonden we linksaf een binnenhaventje en daaraan een heel indrukwekkend oud verschoten en aangebrand gebouw met een reusachtig groot, rood dakoppervlak, overschaduwd door oude hooge iepen. De wallekant was dicht begroeid met Oostindische kers en stokrozen en verwilderd struikgewas. We wisten heusch niet, waarmee we hier te doen hadden, maar een oude oud-visscher vertelde ons, dat ’t niets anders was dan een garnalenkokerij (18) en ansjovispakkerij.
Wij dankten hem vriendelijk voor zijn inlichtingen, maar hij liet ons zoo gauw niet los. Dat heb je meer op die afgelegen plaatsen; de oude lui zijn blij, als ze iemand vinden, waar ze eens mee kunnen praten. Nu, hij vertelde ons van alles, van den tijd, toen de boeren van Schokland hun boter nog met paard en wagen naar de markt te Vollenhove brachten en hoe hoog Vollenhove wel lag, en of wij al op de Voorst waren geweest. Neen, daar gingen we juist heen. Wel, die Voorst was zoo hoog, als je daar stond, dan was je vier meter hooger dan de kerktoren van Meppel. De oude baas geloofde dat blijkbaar in allen ernst en wij wachtten ons wel, hem tegen te spreken.
Nu is die Voorst het uiterste puntje van den zandrug, die de scheiding vormt tusschen de Zuiderzee en de Giethoornsche plassen en als die er niet geweest was, dan zou stellig de Zuiderzee indertijd wel doorgedrongen zijn tot Steenwijk toe. ’t Is dus een heel belangrijk heuveltje, maar over de hoogte ervan moesten we liever niet praten. Ook is het geheel beschoeid met paalwerk en bazalt, zoodat het al even tam wordt als het Roode Klif en dan natuurlijk veel lager. Toch waren we blij, dat we op deze merkwaardige kaap stonden en voor ons, ver in zee, zagen we de lange lage leidammen van het Zwarte Water, met heel op ’t eind het huisje van de noodhaven Kraggenburg. Naar ’t heet, zijn die dammen gebouwd van reepen kraggen, drijvende riet- en biezen velden, die men ter plaatse, door er puin op te plempen, tot zinken heeft gebracht. Thans bestaan die dammen geheel uit puin en bazalt. Ze zijn zeer laag, bij hoogen vloed is Kraggenburg een eilandje en de noordelijke dam is meestal onder water.
Door Vollenhove reden we nu langs den grindweg naar Genemuiden (23) langs den Oldenhof en ’t Cadoelen bosch, dat weer eventjes aan Gaasterland doet denken en waar allerlei planten groeien, die in de Middeleeuwen in tuinen van kloosters en kasteelen werden gekweekt, wel een bewijs ervoor, dat deze streek al van oudsher van belang is geweest. Deze heele hoek is wel de moeite waard, om er eens een dag of wat rond te snuffelen, vooral wanneer je de Giethoornsche plassen erbij neemt.
Weldra kregen we nu aan onze linkerhand het Zwarte Water te zien, hier een mooie breede rivier en evenals al onze rivieren vroolijk versierd met helder gekleurde rood, wit en blauwe baken op hooge staken. Daar heb ik schik in gehad, zoolang ik leef; ik herinner me nog heel goed, hoe mooi ik die dingen aan de Maas vond, toen ik een jochie was van een jaar of vier.
De pont zette ons over naar het helder witte veerhuis. Stroomaf, op den linkeroever, lag buitendijks nog een hoog huis in een groep van boomen, de Directiekeet voor de Waterstaatswerken. Van Genemuiden (28) zelf was eerst weinig te zien; om ’t veerhuis een klein plantsoentje met een paar banken, waar de Genemuidenaren komen genieten van het mooie riviergezicht.
In het stadje zelf heerschte een zeer bijzondere drukte, ook alweer iets, waar we niet op hadden gerekend. De stad lag letterlijk onder de biezen, versch gesneden of reeds half gedroogd, biezen langs de kaden, op de stoepen; straten vol biezen. De huizen zijn er mee opgepropt, uit de zolderramen puilen de biezen naar buiten. De dijk aan de Zuidzijde van de stad ligt er vol mee en van de zeezijde komen nog karren vol biezen aanrijden. Die worden hier afgeladen en de bossen waaiervormig uitgespreid op ’t gras; aan hun toppen, waar de bloemen zitten, blijven zij bijeengebonden en zoo liggen dan hier honderden groene waaiers, met bruine zoomen, dakpansgewijs over elkaar in ’t zonnige veld.
Het zijn zoowat allemaal de groote mattenbiezen, die we ook al vóór Vollenhove in de zee hebben zien groeien, kleine eilandjes vormend, zoogenaamde pollen. Tusschen de monding van het Ganzediep en ’t Zwarte Water echter groeien ze het meest en ze worden daar zelfs met zorg gepoot en gekweekt in de biesvelden buiten den dijk.
Dat was nu weer geheel iets nieuws voor ons en die biezensnijderij kregen wij nog te zien, toen wij Genemuiden (22) al lang achter ons hadden en altijd nog tegen den wind in voorttrapten langs den ouden zeedijk en het schilderachtige gehuchtje Afsched. Zooals bij alle zeedijken had je hier van afstand tot afstand van die kleine meertjes, kolken, wielen of breken, sommige ontstaan door doorbraken, andere door uitgravingen, om materiaal voor de dijken te verschaffen. Hun oevers zijn begroeid met riet en biezen en waren nu op deze Augustusdagen volmaakt kaalgeschoren. Zelfs het kleinste prakje lisschen of egelskop had er aan moeten gelooven. Dat wordt dan weer allemaal gesorteerd en gedroogd. Ik kon nog even een schetsje maken van een boerenhuisje (20) in Afsched met een dik, donker bemost rieten dak, met nog een schuin dakstuk, een zoogenaamd wolfsend, afdalend op den voorgevel, muren van bruinrooden baksteen, luiken en kozijnen heldergroen en een zijmuur, heelemaal behangen met drogende biezen, die daar drie mooie kleurstreepen maakten: een streep van sepia-bruin van de bloesems, een breede groene streep voor de stengels en een helder rood-bruine streep voor de stengelvoeten. Een meidoornhaag om ’t erf, een hooge schietwilg met loover, dat al naar zilver zweemde, over ’t dak, achter ’t huis een heldere plas en daarachter de polder, ziedaar hoe ik mij dit stuk van Overijsel altijd zal herinneren.
Spoedig kregen we nu rechts van ons het beroemde Kamper-eiland (30), waar we nog meer van hoopten te zien en we reden zelfs een klein eindje langs den IJselmond, die Goot heet. Dan kwamen we in Grafhorst en zoo door de buurt Plas en Zandberg in IJselmuiden, waar indrukwekkende breede eikenlanen en aardige villa’s, warmoezerijen en speeltuinen ons verkondigden, dat we een stad van belang naderden, het beroemde Kampen.
Er worden van Kampen een massa malle dingen verteld, maar daar wil ik heelemaal niet aan meedoen; daar is de stad veel te aardig voor. Er zijn weinig steden in ons land, die zoo mooi zijn gebleven; de meeste hebben zich omringd door een kring van leelijke nieuwe buurten. Langs den IJsel blijft het altijd even mooi, de Singels zijn prachtig beplant en vormen zoo een mooi park, dat rechtstreeks in verband staat met de vrije buitenwereld. De stad is een van de oudste van ons land en heeft veel oude gebouwen in goeden staat weten te bewaren.
Om precies de waarheid te vertellen, ik kende de stad zoo goed als in ’t geheel niet, ik wist er weinig meer van, dan wat je op de scholen al zoo van steden leert. Natuurlijk had het altijd grooten indruk op mij gemaakt, dat de Kampenaren geen stedelijke belastingen te betalen hebben, omdat de gemeente groote inkomsten heeft uit haar honderd boerderijen in ’t Kamper-eiland en de polders bezuiden den IJsel. In een Amerikaansch boek echter hadden we een heel aardig relaas gevonden over de IJselstad en we hebben ons dan door die vreemdelingen laten rondleiden in ons eigen land.
Zoo zijn we het mooie stadhuis (33) gaan zien, met den aardigen scheeven klokketoren en daarna de kerken en zooals het in een handelsstad te pas komt—want Kampen is een belangrijke Hanzestad geweest—de mooiste kerk met den hoogsten toren is gewijd aan Sint Nicolaas. Vandaar naar de Korenmarkt is maar tien stappen en dan sta je meteen voor de Korenmarktpoort (32), de merkwaardigste van de drie poorten, die in deze stad zijn overgebleven. ’t Is een beetje vreemd, dat dit reusachtige gebouw midden op de IJselkade (34) uitkomt, maar men moet wel bedenken, dat hier vroeger de IJselbrug lag, dus dat hier de toegangsweg tot de stad uit ’t Noorden was.
De andere poorten liggen aan de Zuidzijde in het plantsoen: de Cellebroederspoort en de Broederpoort, beide genoemd naar kloosters, die vroeger in dat stadsdeel lagen. Misschien is de Cellebroederspoort (31) wel ’t mooist, maar mij bevalt de Broederpoort beter, omdat die minder nieuwerwetsche huizen in zijn buurt heeft.
Het was een groot genot, door de stad rond te dwalen en telkens weer nieuwe mooie punten te ontdekken, ook aardige zijstraatjes en achterbuurtjes en smalle steegjes (35), waar de huizen van weerskanten omhoog verbonden zijn door dwarsgewelven, wat er verbazend buitenlandsch uitzag en herinnerde aan Genua. Aan de IJselkade zagen we ’t verschepen van het beroemde hooi en er werden ook van die biezen aangevoerd, hoewel niet zooveel als in Genemuiden. Voor de fabrieksbuurt Brunnepe hadden we geen tijd.
Er was echter iets anders, waar ik ook heel veel belang in stelde. In Hooft’s Historiën had ik het volgende gevonden: „Kampen leyt hecht aan de Veeluw, hoewel ’t voor Ooveryselsch gereekent wordt, uit reede, naar gissing van zommighen, dat de stroom zouw bedde gewisselt en eertijds lanx d’ andre zyde der stad heen geloopen hebben.”
Nu heb ik van jongsaf veel belang gesteld in de bokkesprongen van onze rivieren en het leek mij bijzonder aardig, om eens een middag rond te dolen in de streek tusschen Kampen en de Zuiderzee, al zoekende naar doode armen, oude doorbraken of andere herinneringen uit het grijs verleden.
Wel, we vonden een massa wielen langs den Zwarten Dijk, zonder echter zoo opeens te kunnen uitmaken, of die op rekening van de Zuiderzee of van den IJsel gebracht moesten worden. Ten slotte gingen we door den polder het Haatland naar den IJselmond zelf. Dat was een aardig ritje, eerst langs mooie klinkerwegen, beschaduwd door hooge iepen en waar we telkens een eindje opreden met jonge dames, die op zeer mooie fietsen naar ’t weiland togen, beladen met zware melkemmers, want ’t liep tegen vieren. We keken onze oogen uit, want deze melkerij verschilt hemelsbreed van wat we in dit opzicht in Holland gewoon zijn. Met bewonderenswaardige vaardigheid stapten die meiskes op en af, met één melkemmer, met twee melkemmers, met leege, met volle, ze stonden voor niets. Een enkele was op klompen, maar de meeste droegen schoentjes, die in sierlijkheid voor de fietsen niet onderdeden.
De weg door de Vossewaard is er een, zooals we er maar weinigen in ons land hebben, hij gaat midden door de weide zonder afscheiding door slooten of hekken. Dat geeft een heel plezierig gevoel van vrijheid, stellig ook wel aan de mooie paarden, die hier bij twintigtallen ronddraafden en ons schichtig en nieuwsgierig verwelkomden.
Het land was vlak. Links van ons, zeewaarts, was een niet bijzonder hooge zeedijk te zien, die bij de allerhoogste waterstanden geen afdoende bescherming oplevert. Die Vossewaard schijnt dan ook nog al eens onder water te staan en de boerderijen (24) zijn hier dan ook gebouwd op terpen. Zoo kregen we op een middag twee zeer uiteenloopende dingen te zien, fietsende melkmeisjes, zoo nieuwerwetsch mogelijk en terpen, die onze gedachten terug deden dolen naar onze voorvaderen, de dappere Batavieren en de stoere Friezen.
Het waren terpen van belang. Meestal boden ze plaats aan de boerenwoning met stal, dan nog een paar schuren en hooibergen met zelfs een klein moes- en bloementuintje. Van de hooibergen stond er altijd minstens één goed scheef, net, of hij geen plaats genoeg kon vinden en van ’t heuveltje af moest glijden.
Eindelijk belandden we weer aan den IJsel, juist bij het begin van de strekdammen van het Keteldiep. Aan den overkant stak een heel mooi lichtopstandje (36) boven de rietpluimen uit. Ze maken rondom de Zuiderzee die havenlichtjes en gelei-lichten in allerlei stijlen, vormen en kleuren, de meeste buitengewoon aardig; ik zou er een verzameling van kunnen aanleggen. Aan onze zijde leidde een drassig pad in een rietlandje, dat zich een eindweegs langs den dam uitstrekte en waar de mooie heemst in groote overvloed bloeide met talrijke groote bleeke lila bloemen. ’t Was een lust, daar tusschen door te loopen en na een paar minuten belandden we op den dam zelve, die nog een kilometer of vijf in zee uitsteekt en aan zijn eind weer een vluchthaventje en een licht heeft; alweer een prachtplekje, om de Zuiderzee te leeren kennen.
De dammen langs het Keteldiep zijn veiliger en gemakkelijker dan die langs het Zwolsche diep en vlak noordelijk van hun eindpunt ligt het befaamde Schokland waarvan de meeste menschen denken, dat ’t vandaag of morgen heelemaal weg gespoeld zal zijn. Daar mankeert echter nog heel wat aan en als ik mij niet vergis, dan is het in den jongsten tijd alweer een beetje aangegroeid. Ieder jaar wordt dat vanwege de Waterstaat nagemeten. Geheel onbeschermd of onbewoond is het ook niet. Het is omringd door een paar lange steenen dammen. Er zijn zelfs een paar buurten, resten van dorpen: Middelbuurt of Ens, waar ’s zomers de Waterstaatsopzichter komt huizen. Zijn werklieden vinden dan een onderkomen in het voormalig kerkgebouw, waar heusch ook nog een paar boomen staan. Aan de noordpunt van het eiland ligt de buurt Emmeloord, met een nog al flink haventje, ook weer met een aardig havenlicht en aan den zuidpunt is ook een lichttoren. De lichtwachters en de havenmeester wonen natuurlijk het heele jaar op ’t eiland en dan is er ook nog ’s zomers wat vertier van schapen en grasmaaiers. Boerderijen zijn er echter heelemaal niet, de eigenlijke bevolking heeft het eiland moeten ontruimen in 1859; dat is toen wettelijk geregeld. Intusschen zal het snippertje eiland ’t nog wel uithouden tot de droogmaking van de Zuiderzee, dan komt het veilig en wel in den polder te liggen.
Zeer voldaan peddelden we weer terug naar Kampen, en in den avond zijn we daar behoorlijk een paar „Oude straatjes” op en neer gewandeld waar men, zooals de Kamper Gids zegt „te kust en te keur zijn kooplust kan bevredigen”.
Den volgenden morgen reden we de aardige stad nog eens door om vervolgens door de Veenenpoort uit te trekken naar de volgende Zuiderzee-stad, naar Elburg. ’t Was maar jammer dat we den wind zoo tegen hadden, want nu hadden we niet veel tijd om te dolen. Het ging eerst langs den Slaperdijk, ook alweer aan weerszijden met wielen van doorbraken, en daarna meest langs klinkerwegen door groote vlakke polders, die zeker ook al dikwijls genoeg overstroomd zijn geweest. Langzamerhand ging de weg wat rijzen, er kwamen stukjes bouwland en berken en bramen en eindelijk bereikten we Oosterwolde, waar weer boekweit en rogge groeide en langs een weg, die de Zandstraat heet, kwamen we ten lange leste door alleraardigste buurtjes op den grooten straatweg uit, die ons naar Elburg voerde.
Elburg (37–42) leek ons haast net zoo aardig als Vollenhove. De Vischpoort en de oude vestingwallen en het Klooster waren zoo mooi, dat ze ons de badplaats en het bokkingbedrijf en Vice-Admiraal van Kinsbergen geheel deden vergeten. ’t Is een heel oud stadje, maar in zijn bouwtrant herinnert het aan Mannheim of liever nog aan de nieuwere steden in Noord-Amerika: allemaal rechte lengtestraten en dwarsstraten, die rechthoekige huizenblokken omsluiten.
We hadden er graag wat langer getoefd, maar eigenlijk moesten we naar huis en daarom ging het nu in een flink vaartje over Doornspijk (49, 51, 52, 53) en Nunspeet naar Harderwijk met een klein oponthoud in ’t prachtige park van Hulshorst (54) en bij de Hierdensche beek, dat om zoo te zeggen de voornaamste rivier is, die zich van de Veluwe in de Zuiderzee stort. Hij ontspringt uit of naast het beroemde Uddeler meer, brengt in zijn loop zelfs een paar watermolens in beweging en vormt in ’t Leuvenumsche bosch een waterval, die de roem en het wonder van de buurt is, maar waar ge u toch niet te veel van moet voorstellen. Even voor den middag bereikten we Harderwijk, het eindpunt van onze eerste verkenningstocht.
Harderwijk (43–48) is de hoofdstad van de westelijke Veluwe en moet in de middeleeuwen heel wat te beteekenen gehad hebben, al kan ik mij niet al te best voorstellen waarom, of de Veluwe moet in dien tijd dichter bevolkt geweest zijn dan thans. Voor mij is het thans een van de voornaamste middelpunten voor de vangst van kleine zangvogeltjes, maar daarvan valt in Augustus weinig te bespeuren. We zwierven door de hobbelige straten, vonden een groote kerk, groote kazernes, en hier en daar aardige zeventiende- en achttiende-eeuwsche geveltjes (59) en ’t poortje van de vroegere Latijnsche School. Het uitzicht over de Zuiderzee is heel mooi en ik ga ook spoedig weer eens hierheen, om langs de zee terug te wandelen naar Elburg. Er is een pad, dat vlak langs den oever voert. ’t Is een wandeling van een uur of vier, vol afwisseling. Hier en daar liggen boerderijtjes vlak aan zee, van tijd tot tijd krijg je beekjes te kruisen, die van de Veluwe afvloeien, o.a. ook de groote rivier, de Hierdensche beek, met een brug van belang en een buitenlandje, een soort van delta, die een heel eind in zee uitsteekt. Verderop krijg je lage duintjes, die de Andhuizer beek dwingen, om een tijd lang evenwijdig met de zee te loopen.
Bij Elburg kun je nog even uitkijken naar de beek de El, waar dat stadje zijn naam aan dankt. ’t Is het laatste stuk van de Puttener beek. Jonge, jonge, wat leer je van dat rondzwerven een hoop aardrijkskunde. Je kunt ook een dergelijke strandwandeling probeeren in de richting naar ’t Zuiden, naar de haven van Nijkerk (61, 62), maar dat wordt na een poosje wat moeilijk en je moet dan je toevlucht nemen tot binnenwegjes. Toch heel mooi.
DE ZUIDKUST.
De voornaamste stad aan de Zuiderzee is sinds eeuwen Amsterdam. Wel heeft het zich in den laatsten tijd een achterdeurtje naar de Noordzee verschaft en is die achterdeur zelfs hoofdportaal geworden, maar dat neemt niet weg, dat toen Amsterdam de belangrijkste handelsstad van de wereld was, de weg leidde over Pampus.
Tegenwoordig echter zijn er Amsterdammers genoeg, of liever te veel, die niet eens den weg naar de Zuiderzee kennen en ’t moet erkend worden, dat daar wel eenige reden voor bestaat, want vroeger leidde die weg langs een ondragelijke vuilnisbelt en thans tusschen een abattoir en een kerkhof. Binnenkort komt daarin verbetering, dan komt er een mooi park vlak bij de zee en dan stroomt het er heen van wandelaars.
Jongens, jongens, wat heb ik aan de Amsterdamsche kust al een pleizier beleefd en wat heb ik er veel geleerd. In onze jonge jaren zwierven we daar altijd rond. Je had er een paar rustige hoekjes, waar je prettig kon baden en zwemmen. Oude Amsterdammers spreken dan ook nog altijd met genoegen van het Zuidersopje, een kleine baai tusschen twee vooruitstekende groenlandjes. De bodem was er tamelijk vast en er waren plekjes, waar een jongen van een jaar of veertien werkelijk tot aan zijn hals in ’t water stond, of zelfs kopje onder ging. Dat sopje is nu verdwenen door den aanleg van het ververschingskanaal en het Rijnkanaal; de syphonduikers staan er om zoo te zeggen bovenop. De naam Zuidersopje is echter blijven voortleven en geschonken aan andere verboden zwemgelegenheden, hetzij aan de Zuiderzee zelf, hetzij aan Y en Noordzeekanaal.
Behalve als speelterrein is de Zuiderzeedijk ook van belang voor ons geworden als studieveld en nog altijd vinden de Amsterdamsche jongelui hun mooiste planten en dieren tusschen Amsterdam en Muiden, of als je ’t ruimer wilt nemen tusschen Amsterdam en Huizen, een tocht, die wij dikwijls genoeg op één dag hebben volbracht en die ik van tijd tot tijd nog wel eens onderneem. Ik kan u sterk aanraden, dat ook eens te doen, onverschillig in welk jaargetijde. De afstand langs de zee is in ’t geheel 15 K.M. We rekenen er 4 uren voor. Wie ’t onderweg te machtig wordt, kan altijd hier of daar een trammetje pakken: aan de Papenlaan in Muiden, in Muiderberg, in Naarden en van uit Huizen zelf ga je met de tram naar Bussum en van daar per spoor weer naar Mokum.
Als je den rechten Zeeburgerdijk hebt afgewandeld en de Rijnkanaalbruggen gepasseerd, dan ligt de Zuiderzee ineens open voor je. Aan den overkant lokken Durgerdam en Ransdorp met zijn dikken toren tot nieuwe wandelingen en onze tocht kunnen we haast in zijn geheel overzien: ’t Gemeenlandshuis, Zomerlust, Diemerdam, de Krijgsman, Muiden, het Muiderslot, ’t Dijkhuisje, Muiderberg en het blauwe Gooi. Bij warm zomerweer is er vaak een mooie luchtspiegeling op het water, dan blinkt het tooverachtig onder de verre kusten. Pampus ligt als een reuzenschildpad midden in zee, de vuurtoren van IJdoorn aan den hoek van ’t IJ (92) op zijn ijzeren spillebeenen kijkt over alles heen en de watervlakte is bezaaid met scheepjes van allerlei soort. Maar van de scheepvaart op de Zuiderzee vertel ik in een apart kapittel.
Wij zijn nog geen tien minuten onderweg, of we staan al vol bewondering en verwondering te kijken naar een deftig zeventiende-eeuwsch heerenhuis, dat we eerder verwacht zouden hebben op de Heeren- of Keizersgracht dan hier aan Zee. De breede zijpoorten maken het echter tot een echt buitenhuis en boven een daarvan vinden we een steen, waarin onder meer de wapens zijn gebeiteld van Amsterdam, Leiden en Utrecht met het onderschrift ’t Gemeenlandshuis 1609 (83). Je denkt daarbij: begin van ’t twaalfjarig bestand, vrede en droogmakerijen in Noord-Holland en toen is ook dit huis gebouwd als bestuurszetel voor de waterschappen, die Holland bezuiden het Y moesten verdedigen tegen den waterwolf. Dit wordt nog duidelijk aangegeven door de Latijnsche spreuk boven den Hoofdingang: Hic de Freti Batavi—Furore Arcendo—Agris tuendis agitur, met sommige letters verschillend gezet van de andere en als je die dan als Romeinsche cijfers beschouwt en op de een of andere manier optelt, dan moet er 1609 uitkomen. Zoo iets heet een „tijdvers” en ik krijg er meestal getallen uit, die kant noch wal raken.
Wat de spreuk zelf beteekende, daar hadden wij in onzen jeugdigen eenvoud niet het minste besef van en wij noemden het huis onder ons altijd maar kortweg: het huis van ik vreet Batavieren. Later hebben wij ons laten uitleggen dat de beteekenis is: „Hier handelen de Bataven er over, hoe zij hun velden zullen beschermen tegen het woeden der baren”, of iets dergelijks.
In ieder geval is het een mooi huis en zijn tuinen en boomgaarden en stallingen mogen ook gezien worden; bovendien groeit tusschen de voegen van het metselwerk jaar in jaar uit het kleine muurvarentje, dat we ook in Vollenhove zooveel gezien hebben.