Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875

Part 7

Chapter 73,689 wordsPublic domain

Neem u in acht, dat ge u niet op eenigerlei wijze het ongenoegen op den hals haalt van de zwarte burgers dezer stad: de vrijheid, die men hun geschonken heeft, is hun naar het hoofd geslagen; en al bestond uwe schuld alleen in hunne verbeelding, toch zouden zij u aanstonds bij den rechter verklagen. En meen ook niet, dat uwe hoedanigheid van vreemdeling u in deze van eenig nut zou kunnen zijn; de jury bestaat uit vrijgelatenen; allen zijn door dezelfde gevoelens van naijver en wangunst en verborgen haat bezield. Hoe rechtvaardig uwe zaak, hoe bekwaam uw advokaat ook mocht zijn, ze zouden u onfeilbaar veroordeelen, omdat gij een blanke zijt. Dat zij den grond, waarop zij wonen, de welvaart, die zij genieten, de vrijheid zelve, waarvan zij zoo schromelijk misbruik maken, uitsluitend aan de Europeanen te danken hebben,--daaraan denken zij natuurlijk geen oogenblik.

In vroeger tijd, toen er nog paarden waren te Sierra-Leone, toen Hamburg nog eene vrije stad was, fier op haar bondgenootschap met Frankrijk, in dien tijd dongen hare rijkste en voornaamste kooplieden naar de eer, om onze vlag voor hunne woning te mogen doen wapperen, ten teeken dat zij den rang hadden van consulaire agenten van Frankrijk. Toen ook vonden wij steeds bij deze kooplieden de onbekrompenste en voorkomendste gastvrijheid, waarvan ik de aangenaamste herinneringen heb behouden.

De wegen, die Sierra-Leone met de omliggende dorpen verbinden, loopen in slingeringen langs de hellingen der bergen, en leveren voor den toerist de aangenaamste afwisseling van schilderachtige vergezichten op.

Vreemdelingen, die zich een denkbeeld willen maken van den overstelpenden rijkdom der tropische natuur, moeten niet verzuimen eene wandeling te maken naar het dorp der Missiën, in Regent-Valley gelegen.

Hier zijn de tuinen vol van de schoonste bloemen: geraniums, rozen en duizende anderen wedijveren als om strijd in het ten toon spreiden der schitterendste kleurenpracht, nog te meer uitkomende door het met kunstige hand smaakvol aangebrachte groen. Nevens de schrale bamboesstengels, heen en weder golvende met alle winden, en onder het wiegelen een eigenaardig geluid makende, dat bijna op kermen gelijkt; nevens de slanke bamboes ziet ge het dichte, massieve gebladerte van den banaanboom, wiens zware hangende trossen den stam doen buigen; terwijl de palmboom, hoog in de lucht, zijn bladerkroon uitspreidt over de gouden vruchten, die zijn ranken stam versieren.

De achtergrond van deze schoone schilderij wordt gevormd door een achttienhonderd voet hoogen kegel, het Suikerbrood genaamd; een prachtige waterval verbreekt alleen met zijn ruischend geklater de diepe ernstige stilte van deze rustige plek, zoo uitnemend voor studie en overpeinzing geschikt.

Een andere weg, naar het westen gericht, loopt even als de zooeven genoemde, om en langs de bergen heen, en voert naar den signaaltoren, van waar men een heerlijk uitzicht heeft over de eindelooze zee, die zich verre, verre, tot aan den schemerenden horizon uitstrekt. Van deze hoogte gezien, schijnen de sterkste golven nauwelijks het vlak des waters te doen rimpelen, en de grootste schepen zijn niet meer dan notedoppen, waarmede een kind aan den vijverrand speelt.

XII.

Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen: de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia stroomt rechtstreeks naar het noorden.

De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen en weder, en zijn onvermoeid in het aanwerven van bekeerlingen voor den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen, waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.

Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen, zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben, die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers, hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.

De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard; de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.

In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen; een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk, een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd, dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt, omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.

De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de kleederdracht der Foulah en Mandingos over te nemen; in de straten van Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig, verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen, jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of griots, schoenmakers en smeden.

De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen, van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed, die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen van het hoofd af te weren.

Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.

Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan, durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden op de been brengen.

XIII.

Het is eene dwaling te meenen, dat de Afrikanen zonder wet leven en slechts hun luim en hartstocht volgen. Voor hen heeft de overlevering een onbeperkt gezag; aanzienlijken en geringen moeten zich schikken naar de gewoonten en gebruiken, waaraan zij sedert eeuwen haar zegel gehecht heeft; in den regel is deze overlevering van godsdienstigen aard, en geeft zij aan hare geboden en inzettingen eene godsdienstige wijding.

De volksstammen van westelijk Afrika zijn of Mohammedanen of fetishaanbidders; het Christendom heeft, buiten de nederzettingen der Europeanen, geen ingang onder hen gevonden en geen enkelen bekeerling gemaakt. Bij de Timanies is de besnijdenis in zwang, maar zij zijn fetishaanbidders gebleven, hetgeen eene klove te meer is tusschen hen en hunne naburen, de Foulahs en de Mandingos, die voor het meerendeel Mohammedanen zijn.

Op den bodem van het fetishsisme ligt een soort van deïsme: de negers gelooven over het algemeen aan een Opperwezen, schepper en onderhouder der wereld, die hij, door tusschenkomst van ondergeschikte geesten, demonen, regeert, zonder evenwel de macht te kunnen breken van de booze geesten, wier gunst het mitsdien noodig is te winnen. Om hun toorn te verzoenen en de rampen, die zij beschikken kunnen, af te weren, brengt de neger voornamelijk aan deze booze geesten zijne offers en bewijst hun de hulde der aanbidding. Op eenige honderde ellen afstands van de dorpen verrijzen kleine tempels, waarin ex-voto's zijn opgehangen, ter eere der donkere, boosaardige godheden. Somwijlen worden deze godheden afgebeeld in menschelijke gedaante, meestal echter in de gestalte van een dier; de hoogere wezens, die in beesten wonen en eene dierlijke gestalte aannemen, kiezen daartoe, bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, tijgers, slangen en hagedissen:--de dieren alzoo, die in deze streek voor den mensch het meest te vreezen zijn. Wellicht gaat met deze beschouwing een zeker geloof aan de zielsverhuizing gepaard, of was dit geloof oorspronkelijk de aanleiding tot de schijnbaar zoo zonderlinge meening, die bij voorkeur dieren als incarnaties eener hoogere macht vereert. Zeker is het, dat de Afrikanen over het algemeen gelooven aan de macht der goden en ook der toovenaars, om zich naar believen in tijgers, krokodillen of slangen te kunnen veranderen.

De dienaars en tolken dezer geesten zijn de fetishpriesters, die bij de verschillende stammen onderscheidene namen dragen; zij oefenen ook de geneeskunst uit en kennen een aantal kruiden, die groote geneeskracht bezitten, en in den regel krachtig helpen, wanneer althans het gestel van den patiënt niet al te zeer versleten is.

De leerlingen dezer priesters worden in de eerste plaats met de vergiften bekend gemaakt; de kennis der tegengiften is het geheim van weinigen, die daardoor over de menigte een grooten invloed uitoefenen. Meermalen heb ik pogingen aangewend, om van deze priesters hunne geheimen te vernemen; maar ook al hadden zij mij stellige beloften gedaan, wisten zij toch altijd een of andere uitvlucht te vinden, om zich te onttrekken.

De tusschenkomst van den fetishpriester wordt bij gewichtige gebeurtenissen en bij de groote keerpunten des levens steeds gevorderd: hij sluit de huwelijken, hij staat de stervenden bij, en verdrijft van hen de booze geesten. Vooral als rechter is hij zeer gevreesd; want hij zit voor bij het godsoordeel, en het leven van den beschuldigde hangt af van de soort van vergif, die de priester hem toedienen zal. Tegen zekere boomschors, die bij dergelijke proefnemingen veel gebruikt wordt, kan men zich beveiligen, door vooraf olie of een braakmiddel in te nemen; maar de fetishpriester kan den beschuldigde ook andere vergiftige kruiden doen inslikken, waarvan de gevolgen ernstiger zijn. De negers gelooven dat de priester over een soort van geest of demon gebiedt, die hem het verborgene openbaart en hem de toekomende dingen doet zien.

De afrikaansche staten zijn zuivere monarchiën, waarin de vorst met eene onbeperkte macht is bekleed; maar deze almacht, hoe volstrekt ook in theorie, wordt toch in de praktijk door zekere gebruiken en instellingen getemperd. In elk dorp is een eigen opperhoofd, dat bij de openbare vergaderingen voorzit, de orde handhaaft en zorgt voor de rechtspleging. Overigens leeft dit opperhoofd geheel op denzelfden voet als de andere inwoners; zijne inkomsten bestaan uit de vergoeding, die hij van de rechtzoekenden ontvangt, en uit de boeten, die hij den overtreders oplegt; hij heeft onder zijn gezag zekere ambtenaren, die met de uitvoering zijner bevelen zijn belast; ook heft hij een zeker recht van de kooplui, die ter markt komen. De waardigheid van dorpshoofd is dikwijls erfelijk in eene bepaalde familie, maar gaat dan over op den eerstgeboren zoon der oudste zuster van den overledene. Er zijn echter ook voorbeelden, dat het dorpshoofd gekozen en ook weder afgezet werd. In oorlogstijd wordt een van de dapperste aanvoerders tot opperbevelhebber gekozen; deze waardigheid wordt slechts voor een tijd verleend, althans bij de Mandingos, de Foulahs en de Timanies. Bij deze laatsten berust de hoogste rechtsmacht bij den raad der oudsten; diefstal, overspel en tooverij zijn de meest voorkomende zaken; de beide eerste vergrijpen worden alleen met boete gestraft, maar op de misdaad van tooverij staat de dood.

De jonkman, die een huwelijk sluiten wil, moet zich vooraf eene hut bouwen en in het bezit zijn van het noodige geld om zijne vrouw te kunnen koopen. Bij sommige stammen heerschen huwelijksgebruiken, waarvan onze dames zeker vreemd zouden opzien. Als de bruid, ten teeken dat zij het aanzoek van haar minnaar inwilligt, den koperen ring ontvangen heeft, gaat zij met hem naar een smid, die beiden de tanden afvijlt, zoodat ze puntig worden. Is dit geschied, dan begeven zij zich naar een der tempels, in de nabijheid van het dorp; onder het aanroepen van de schimmen der voorvaderen, wordt een pot, met bier of palmwijn gevuld, uitgestort; de fetishpriester spreekt den zegen uit, en ontvangt daarvoor een kip; de smid treedt weder op, en smeedt om hun armen twee ijzeren ringen:--en het huwelijk is gesloten. Deze ijzeren ringen zijn echter een min passend symbool, althans voor zoo ver ze duurzaamheid moeten beteekenen: het huwelijk wordt toch even gemakkelijk ontbonden als gesloten.

De bruiloftsnacht wordt gesleten in woeste, ongebonden dansen, en somwijlen ook in vrij ernstige schermutselingen en vechtpartijen: want de gewoonte brengt mede, dat de vrienden en de bloedverwanten der bruid haar verborgen houden, of weigeren haar over te geven, voor de bruidegom en zijne vrienden met de daad getoond hebben, hoe ver hunne kracht reikt.

Iedere vrouw heeft in den regel hare eigene woning. In de eerste dagen na hunne geboorte worden de kinderen in een doek gewikkeld; later, als zij sterker zijn geworden, nemen zij plaats op den rug hunner moeder, die nooit hare kinderen verlaat, en met de kleintjes op haar rug alle huiselijke bezigheden verricht. Bij sommige stammen gaat dit zoo ver, dat kind en moeder onafscheidelijk blijven, tot zoolang de kleine loopen en reeds eenige kleine diensten verrichten kan. Dan wordt hij meer aan zich zelven overgelaten, en herneemt zijne moeder haar plaats onder de andere vrouwen.

Hoewel de zeden alles behalve onberispelijk zijn, wordt toch overspel, van de zijde der vrouw althans, streng gestraft. De minnaar wordt de slaaf van den beleedigden echtgenoot; de schuldige vrouw wordt gegeeseld en, nadat haar het hoofd is kaal geschoren, tot den zwaarsten arbeid veroordeeld. Ik heb verscheidene voorbeelden van zulke strafoefening gezien, en nimmer een enkele klacht gehoord over de strengheid van het vonnis. Het huwelijk kan, met wederzijdsch goedvinden, te allen tijde ontbonden worden; de vrouw, die een bruidschat ontvangen heeft, behoudt dien, als haar man haar wegzendt.

De begrafenissen zijn zeer plechtig en gaan met grooten omslag gepaard, want de eeredienst der afgestorvenen is in Afrika algemeen in zwang. Er worden bij die gelegenheden groote maaltijden aangericht, waarvoor de ossen en schapen der familie worden geslacht. In de tempels worden, ter eere der afgestorvenen, ex-voto's opgehangen, gaven geofferd, bier en wijn geplengd: de overledene laaft zich aan de schaduw dier spijzen en dranken. Het lijk blijft somwijlen dagen lang boven aarde; aan de begrafenis gaat steeds het oordeel vooraf, waarbij den doode gevraagd wordt of hij vrijwillig het leven verlaten heeft, dat wil zeggen of hij zijn natuurlijken dood gestorven is, dan wel of hij bezweken is ten gevolge van betoovering, van vergif of van andere kwade praktijken. In een land, waar wraakzucht en naijver de heerschende hartstochten zijn, en waar eene vijandelijke hand, in het geheim, het doodelijkste vergif kan toedienen, is zulk een onderzoek op zich zelve zeker niet geheel misplaatst; maar de wijze, waarop het geschiedt, is hoogst bedenkelijk. Op het oogenblik der begrafenis, wordt de baar op schragen gezet, zoo gesteld, dat zij gemakkelijk waggelen en vallen kunnen. De ondervraging geschiedt, hetzij door de bloedverwanten van den overledene, hetzij door den fetishpriester; blijft de baar onbewegelijk, dan wordt het lijk in een diepen kuil nedergelaten, die op een afgezonderde plek, ver van de bebouwde velden, welke door het doode lichaam zouden verontreinigd worden, wordt gedolven. Vallen bij ongeluk de wankelende, waggelende schragen om, dan blijkt daaruit, dat de overledene niet zijn natuurlijken dood gestorven, maar op misdadige wijze van het leven beroofd is; dan wordt den toovenaar opgedragen, den schuldige op te sporen. Zeer dikwijls is dit alles niets anders dan eene vooraf op touw gezette komedie, en het van te voren bereide sterke vergif maakt weldra een einde aan het leven van den beschuldigde, die, ten bewijze van zijn onschuld, de hem aangeboden dosis moet inslikken.

De oudste zuster van den overledene speelt doorgaans een gewichtige rol bij de lijkplechtigheden. Meermalen beweert zij, een gezicht te hebben gehad, waarbij haar de ware oorzaak van den dood haars broeders werd geopenbaard; zij is de eerste, die de ceremoniën bij de begrafenis leidt en bestuurt. De vrouwen huilen en schreeuwen zoo luid mogelijk, en maken allerlei afschuwelijke geluiden; dikwijls blijven de weduwen, gedurende den geheelen rouwtijd, in hare woning.

In noordelijk Afrika vindt men twee instellingen, die eene bijzondere vermelding verdienen. De eene is eene soort van vrijmetselarij, pourah genaamd; de andere is een genootschap of vereeniging van vrouwen, onder verschillende namen bekend. In beide korporaties zijn graden en rangen, die de leden achtereenvolgens kunnen bereiken; het eigenlijke doel, de geheime leer, zoo ge wilt, is van beiden slechts aan weinigen bekend.

De pourah was hoogst waarschijnlijk in den beginne eene godsdienstige instelling, een soort van veemgericht, van treuga Dei; alle volwassen mannen van dertigjarigen leeftijd kunnen daarvan lid worden, mits zij zich onderwerpen aan de proeven en ceremoniën, die hunne ziel moeten reinigen; zij behooren dan tot het geslacht der "tweemaal geborenen." Het geheim is onschendbaar; vrouwen worden in de vereeniging niet opgenomen. Deze korporatie is voornamelijk belast met de bewaking en verzorging van de heilige dingen: de altaren, de gewijde bosschen staan onder haar toezicht; haar gevreesde rechtbank weet zich zelfs door de machtigste vorsten te doen eerbiedigen. Zij heeft geheime wachtwoorden, en bijzondere teekens, en verborgen bijeenkomsten; de leden van den pourah zijn kenbaar aan een bijzondere soort van tatouäge, in den vorm van een dubbel koord, dat het lichaam omgeeft, en waarvan de einden op de borst, ter hoogte van de maagholte, samenloopen.

Wanneer, in eene of andere streek, de staat van voortdurenden oorlog eindelijk ondragelijk is geworden, dan wordt soms de bemiddeling van een naburig vorst ingeroepen, die dan als scheidsrechter optreedt, en een wapenstilstand gebiedt. Schenden de partijen dien wapenstilstand, of nemen zij zijn bemiddeling niet aan, dan verklaart hij, dat hij den pourah zal afkondigen. Het is dan ten strengste verboden, bloed te vergieten. Wordt de pourah geschonden, dan trekken twintig of dertig gemaskerde en gesluierde mannen naar de dorpen, dooden iederen man, dien zij buiten zijne woning aantreffen, en nemen alles weg, wat hun voor de hand komt.

De vrouwen-vereeniging staat onder bescherming en toezicht van den pourah en van de fetishpriesters; deze vereeniging bezit een soort van kloosters, waarin de meisjes op haar zevende of achtste jaar worden opgenomen, en waarin zij blijven, tot zij huwbaar geworden zijn. Om in deze inrichtingen opgenomen te worden, moeten zij een slaaf, of de waarde van een slaaf, betalen.

De Mandingos van Mousardou hebben een zeer beroemd vrouwenklooster, dat, naar men zegt, zeer goed ingericht is en onderhouden wordt; op feestdagen mogen de jonge meisjes bezoek ontvangen, en vertoonen zij zich aan het publiek, prachtig gekleed en met tulbanden versierd, in zonderlinge, mystische houdingen en standen.

Deze inrichtingen der vereeniging zijn geheimzinnige en onschendbare verblijfplaatsen, waar alles in nacht en schaduw is gehuld; wie het wagen zou, den drempel dezer huizen zonder vergunning te overschrijden, zou met den dood worden gestraft.

Do afrikaansche vrouwen stellen er eene eer in, tot deze vereeniging te behooren, die, door haar groote macht en invloed, haar ook in huiselijke twisten tot steun is. Daarentegen kan de man dreigen met de tusschenkomst van Mombo Jombo, den geest, die de eer van den beleedigden echtgenoot wreekt. Mombo Jombo, doorgaans een handlanger van den pourah of van de fetishpriesters, verschijnt, van top tot teen in bladeren gehuld en met de zweep in de hand, om de lichtzinnige echtgenooten, die hij zeer goed weet op te sporen, te tuchtigen.

Voor de reizigers, die over Sierra-Leone in Afrika willen doordringen, is het van het grootste belang, dat zij als geleider een lid van den pourah medenemen, die hen in allerlei opzichten van uitnemende dienst zal zijn en hen in betrekking zal stellen met de fetishpriesters, die een verwonderlijk goed georganiseerde policie uitoefenen. Deze geleiders waarschuwen de reizigers als hun een of ander gevaar mocht bedreigen, of als de dragers onderling een komplot hebben gesmeed; zij weten de bedienden tot hun plicht te brengen en de gestolen goederen terug te doen geven.

Als de fetishpriester zich in het openbaar vertoont, wordt hij voorafgegaan door bedienden, die luid schreeuwen en bellen doen klingelen; hij is wonderlijk gekleed; zijn neergetrokken hoed of muts maakt zijn gelaat bijna onzichtbaar; hij is in een grooten mantel gewikkeld, en loopt dikwijls op korte staken, met vederen beplakt, en die van onderen in een soort van vogelklauw uitloopen. De hoofden van deze orde blijven meer in het verborgen; zij behooren meest allen tot zekere bijzondere familiën, en schijnen hunne waardigheid, die hun bij keuze wordt opgedragen, niet langer dan drie jaren achtereen te bekleeden.

De invloed der fetishpriesters en toovenaars--want deze twee waardigheden zijn onafscheidelijk--is zeer groot. Het is altijd geraden, hen tot vriend te houden, voornamelijk door het aanbieden van geschenken, en door andere bewijzen van achting en eerbied; die dit nalaat, zou al spoedig zijn goeden naam verliezen en lichtelijk zeer onaangename gevolgen van zijn gedrag ondervinden.

DE NEGERS IN DE ZUIDELIJKE STATEN DER NOORD-AMERIKAANSCHE UNIE.