Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875
Part 6
Een officier, die het bevel voerde over een der in de rivier gestationeerde stoombooten, was een hartstochtelijk minnaar van de jacht op parelhoenders. Deze vogel is zeer schuw, en weet zich met groote vlugheid uit de voeten te maken; maar zelden slaagt de jager er in hem dicht genoeg te naderen. Op zekeren dag gelukte het onzen officier, met veel moeite, een troep parelhoenders te verrassen, en twee daarvan te schieten, juist op het oogenblik toen zij weg wilden vliegen. Hij maakte zich gereed de vogels op te rapen, toen eensklaps uit de struiken, waartegen de hoenders gevallen waren, twee groote rosse klauwen te voorschijn kwamen, die den buit voor zijn oogen weghaalden. Onnoodig te zeggen, dat de officier zelfs geen poging waagde, om zijne vangst aan den koning der woestijnen te betwisten. Al achteruit loopende, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk, voorzichtigheidshalve zijn geweer met kogels ladende. Maar de leeuw, waarschijnlijk in zijn schik over de prompte bediening, vertoonde zich zelfs niet.
De leeuw leeft eenzaam en is niet gevaarlijk, wanneer men hem niet aanvalt. Naar men zegt, houdt de marabout of afrikaansche reiger, bekend wegens zijne fraaie vederen, zich veelal in de nabijheid van den leeuw op, om zich te voeden met het overschot van zijne maaltijden; want de leeuw voedt zich uitsluitend met levende beesten.
De oncas en andere kleine dieren van het kattengeslacht, die in de streken nabij den Senegal gevonden worden, zijn hoegenaamd niet te vreezen; zelfs de panther en de luipaard nemen, niet getergd of gewond zijnde, voor den mensch de vlucht. Ik heb zelfs meermalen op luipaarden geschoten, zonder dat zij zich te weer stelden.
De jakhals volgt den leeuw en spoort, naar men zegt, somwijlen voor hem het voedsel op. Des avonds komen deze dieren uit hunne holen en schuilhoeken te voorschijn; dan hoort ge van verre hun akelig gejank, dat somwijlen op het schreien van een kind gelijkt.
De zoogenaamde goudwolf is iets grooter dan de jakhals, met wien hij overigens veel gemeen heeft.
Ook de hyena is voor den mensch niet gevaarlijk. Dit dier komt overdag zelden te voorschijn; hij wordt vooral aangelokt door de reuk van rottende lichamen en zwerft voortdurend rondom de begraafplaatsen. Men moet de graven met steenen omringen en met scherpe dorens bedekken, om de lijken te beveiligen tegen de onverzadelijke vraatzucht der gluipende hyenaas.
De jacht op en langs de rivier is in elk jaargetijde zeer uitlokkend. Gedurende den zoogenaamden winter is zij minder bezwaarlijk dan in het droge jaargetijde; daar de lage landen dan onder water staan, schoolt het wild samen op de uitstekende, droog gebleven punten, en het is niet zeldzaam, leeuwen, wilde zwijnen en andere dieren op dezelfde plek bij elkander te vinden.
De geduchtste bewoner van de wateren van Senegambië is de krokodil, door wiens harde huid alleen puntkogels kunnen dringen: gewone geweerkogels schaden hem niet. De negers houden veel van krokodillenvleesch, waarvan de sterke muskuslucht den Europeaan tegenstaat.
Naar hetgeen men van hem verhaalt, zou het schijnen dat het instinkt van den krokodil een aanmerkelijken graad van ontwikkeling heeft bereikt. Zoo zegt men, dat hij zijne prooi, na die in het water te hebben gesmoord, in holen en gaten onder water verbergt en gezamenlijk met zijne makkers verteert.
Meermalen gebeurt het, dat negers door deze dieren worden weggevoerd. Sommige negervrouwen hebben bewijzen van onverschrokken moed gegeven, als het er op aan kwam haar kinderen te redden, en daarvoor zelfs een of ander lichaamslid opgeofferd. Volgens de overlevering, moet men, om den krokodil te noodzaken zijne prooi los te laten, hem de vingers in de oogen steken. Zeldzaam gebeurt het, dat de kudden bij het oversteken van de rivier, door de krokodillen worden aangetast; maar wee den os, die zich alleen, van de kudde afgedwaald, aan den oever waagt: menigmalen wordt hij onverwachts door de geweldige kaken van het monster aangegrepen, en naar de diepte gesleurd. De inlandsche herders oefenen eene bijna ongeloofelijke macht over hunne kudden uit. Wanneer zij voor overvallen, hetzij van roovers, hetzij van wilde dieren, beducht zijn, weten zij de runderen, alleen door de eigenaardige buiging hunner stem, uit een te doen gaan of te verzamelen.
De hippopotamussen zijn in den Senegal zeer talrijk. In alle plassen en meertjes, die met de rivier in gemeenschap staan, ontdekt men de sporen hunner aanwezigheid. De jager wacht hen doorgaans af als zij aan land komen, en doodt ze dan uit zijn schuilhoek.
Olifanten daarentegen zijn zeldzaam; zij vertoonen zich niet langs de rivier, dan wanneer zij verdreven worden uit de groote bosschen van het binnenland, waarin zij zich gewoonlijk ophouden. Enkele malen heeft men olifanten gezien te Sor, bij den ingang der rivier. De negers zijn zeer bevreesd voor dit dier, omdat hij hunne akkers en plantages verwoest; zoodra het bekend wordt, dat zich een olifant in den omtrek ophoudt, trekken uit de omliggende dorpen alle mannen op om hem te vervolgen. De Jolofs vooral onderscheiden zich door hunne bekwaamheid bij deze jacht, waarvan zij groote liefhebbers zijn.
Tegen het einde van den herfst vertoonen zich de apen in grooten getale langs de oevers van den Senegal en op de landen rondom Cayor; de apen, die men langs de beneden-rivier aantreft zijn klein en zeer leelijk. Zij springen van boom tot boom langs de dichtbewassen oevers, en maken allerlei wonderlijke sprongen en bewegingen. De groote apen van Galam verlaten de hoogere gronden langs den Boven-Senegal niet; naar men zegt, vernielen zij daar meermalen den oogst der negers. Men onderscheidt drie of vier verschillende soorten van deze bavianen, allen kenbaar door het gemis van een staart en door den vorm van hun kop, op dien van een hond gelijkende; zij zijn zeer slim en worden gemakkelijk tam gemaakt, maar zeer dikwijls zijn zij kwaadaardig, bijten of werpen met steenen. Men vangt de apen, door het een of ander aas in een kalebas te leggen; zij steken daar dan de hand in, en kunnen die niet weder uithalen.
Tijdens ons verblijf op de reede van Goeree, togen wij meermalen met ons achten of tienen uit, om in de vlakte van Dakar te gaan jagen. De gidsen en de dragers, die voor drijvers dienden, waren altijd aan het strand en wachtten op onze komst; dan trokken wij het binnenland in, in de schemering der bosschen, terwijl het morgenlicht den hemel kleurde. De gids ging natuurlijk vooraan, en een van ons diende voor wegwijzer; de anderen volgden op een rij achter elkander.
Onervaren, met de streek onbekende jagers kunnen soms zonderlinge vergissingen en ontmoetingen hebben. In 1832 was ik te Goeree, op het fregat Hermione. Ten vier uur in den morgen zette een boot ons aan wal. De gids houdt mij staande, en zegt op fluisterenden toon: "Kijk daar." Boven een der doornenhagen, waarmede de negers hunne longhans, bezaaide akkers, omringen, zie ik een zwaren en hairigen kop uitsteken. Ik geef het bepaalde teeken; de kolonne schaart zich in slagorde en houdt hare wapenen gereed. Ik ga op het dier af, dat niet op de vlucht gaat, en ook geen poging doet om mij aan te vallen. Weldra zag ik dat ik den kameel van den koerier van Saint-Louis voor mij had, die heel bedaard lag uit te rusten van zijn driedaagschen marsch.
In den vroegen morgen ontmoet ge dikwijls, op de stille woudpaden, lange rijen van negers, met witte of blauwe schorten bekleed; eer dat de hitte van den dag begint, begeven zij zich naar de naburige dorpen, om hunne zaken af te doen, of zij gaan naar het land om te arbeiden. Ernstig zwijgend treden zij voort; zij zijn gewapend met een scherp geslepen sagaai of met een klein houweel, dat zij gebruiken om de aarde om te spitten. Bij het opgaan der zon, knielen zij neder, met het aangezicht naar het oosten gewend, en buigen hun aangezicht in het stof. De Afrikanen zijn zeer godsdienstig.--De zon is boven de kimmen gerezen, de jacht begint; zij moet om tien uren afgeloopen zijn, want anders zou de onvoorzichtige Europeaan, die zich in het open veld aan de stralen der zon blootstelde, al zeer spoedig door een zonnesteek getroffen worden.
Duizenderlei kreten en geluiden treffen op deze tochten uw oor; in de verte weerklinkt het laatste gebrul van den leeuw; het geloei der kudden roept andere beelden voor uwen geest, en zou u bijna doen vermoeden, dat ge verre zijt van de woestijn; de patrijzen, die schuw ineen gedoken tusschen de struiken voortsluipen, herinneren aan de vaderlandsche heidevelden; de koekoeks roepen luide aan alle zijden; de parelhoenders kakelen; de neushoornvogels maken zich zoo snel mogelijk uit de voeten. Deze vogel is zoo groot als een kalkoen, en draagt op zijn ver uitstekenden bek een hoornigen uitwas, waaraan hij zijn naam ontleent; zijn schelle stem gelijkt op het geluid van een trompet. Kleine grijze fazanten en toucans met hun lange snavels fladderen tusschen de takken, waarop ook de afrikaansche patrijzen somwijlen een schuilplaats zoeken, wanneer zij door de honden vervolgd worden. Duizende vogels, met schitterend gekleurde, bont geschakeerde vederen, zwerven door de lucht en zoeken hun voedsel in bosch of veld.
Enkele hazen, trage achterblijvers, vertoonen zich hier en daar, zich haastende om te ontsnappen, maar vinden dikwijls eene plaats in den weitasch van den drijver. De souimanga, de afrikaansche colibri, fladdert om de bloemkelken, waaruit hij met zijn langen gekromden snavel de insecten te voorschijn haalt, die hem tot voedsel dienen.
Hann is een dorp aan de baai van Goeree; in het zand zijn putten gegraven, waar de waterschuiten hun voorraad drinkwater kwamen halen, voordat de bronnen van Dakar tot een vijver waren vereenigd. Rondom die putten waren eenige huizen gebouwd en tuinen aangelegd, waarin de groenten van Europa werden verbouwd nevens de voortbrengselen der heete luchtstreek. Het kostte echter veel moeite en voortdurende zorgen om die tuinen in stand te houden; met name mocht het begieten nooit achterwege worden gelaten.
Hann was het algemeene vereenigingspunt der jagers, die des morgens in de vlakte hadden gejaagd. De korven en manden met het noodige voor het ontbijt waren er vooruit heen gebracht; de bootslieden hadden inmiddels hunne netten uitgeworpen in die baai, die zoo uitnemend rijk is aan visch, dat ik meermalen de netten heb zien scheuren, als men ze aan land optrok.
Het vuur was spoedig aangelegd; het ontbijt, bestaande uit voortreffelijke visch en pas gevangen wild, smaakte kostelijk.
Op korten afstand van Hann bevindt zich een palmbosch. Daarin gaande, zal het uwe aandacht trekken dat in al de boomen, nabij de bladerkroon, vierkante gaten zijn gesneden, en dat onder die gaten kalebassen zijn opgehangen, door middel van palmbladen, die tevens tot buizen dienen.
Weldra zult ge zien, hoe de negers, handig en vlug als clowns, zich een hoepel, die den stam des palmbooms omvat, om het lijf slaan, en vervolgens, zich met handen en voeten omhoog werkende, met hetzelfde gemak als waarmede gij of ik een trap zoudt bestijgen, naar boven klauteren, en de kalebassen wegnemen, die geheel gevuld zijn met het gedurende den nacht uitgelekte sap, dat onder den naam van palmwijn algemeen bekend is. Als deze drank niet meer dan even gegist is, is de smaak, hoewel altijd eenigszins scherp, niet onaangenaam. Men moet evenwel zorgvuldig oppassen, dien wijn niet te drinken, zonder hem vooraf door een zeef te gieten of op andere wijze te filtreeren; want hij bevat eene groote menigte larven, die hoewel pas éénen nacht oud, reeds groot en sterk zijn.
De regen- of wintertijd, die in Senegambië in Juni begint, maakt een einde aan het jachtvermaak. Ook de signaren, die gedurende het schoone jaargetijde hare landhuizen betrekken, verlaten nu den vasten wal om naar Goeree terug te keeren. Zij ontvlieden de verpestende uitdampingen, die het gevolg zijn van de tropische regenbuien op een grond, die gedurende eenige maanden is blootgesteld geweest aan de verdrogende werking van de heete oostenwinden en de brandende zonnestralen.
Dan is het de tijd voor het zaaien. De negers zaaien gierst, die zoo snel opschiet, dat reeds in Augustus de halmen hoog genoeg zijn, dat een man te paard zich daartusschen verbergen kan. De baobabs tooien zich met hun koninklijken mantel van groen; de mimosas en bloemen, die zich langs de reuzenstammen slingeren, staan in vollen bloei; welriekende geuren vervullen de lucht. In dezen tijd des jaars verdient het schiereiland ten volle den naam van kaap Vert.
In December is de gierst binnen gehaald, en zijn de bladeren van den baobab afgeplukt, om te dienen voor het bereiden van de couscous. Ook de peulen van den baobab, in melk geweekt, worden gegeten.
Het klimaat van tropisch Afrika verdeelt zich in twee jaargetijden: het droge en het natte jaargetijde of de regentijd. Het droge jaargetijde begint, in de streek tusschen den equator en den noorderkeerkring, met December: de heerschende wind is dan de noordoostelijke. Langs de kust waait dan somwijlen dagen achtereen een droge en heete landwind, die hier den naam van harmattan draagt; meermalen gebeurt het, dat de vogels door dien wind naar de open zee worden gevoerd, zoodat zij een schuilplaats komen zoeken op de masten der schepen, in de nabijheid der kust.
Een roodachtig stof bedekt dan de zeilen en de tuigage der schepen, die langs de kusten der Sahara varen; de bast der boomen splijt; het houtwerk aan woningen, bruggen enz. barst; de inzameling der gom is overvloediger, naarmate de harmattan langer aanhoudt en sterker waait.
De regentijd begint in Juni. In dezen tijd des jaars is de lucht zeer dikwijls met dampen en nevels bezwaard, en in hooge mate met elektriciteit vervuld. De zwarte donderwolken stijgen langzaam naar het oosten op; weldra vormen zij een soort van boog, waarvan de onderrand scherp is afgeteekend; duizende elektrische vonken doorkruisen dien boog in alle richtingen. Zoodra de wolkmassa tot vijfenveertig graden boven den horizon is gestegen, barst de wind met groot geweld los; hij begint in het noordoosten en loopt om naar het zuidoosten. Is de bui naar het westen gedreven, dan is het op nieuw goed weer.
In den regentijd vertoont de natuur zich in al hare pracht. Als ge in de groote wouden doordringt, vormen de boomen diepe en hooge loofgewelven, waardoor het zonnelicht zich met moeite een weg baant, en waaronder eene weldadige, geheimvolle schemering heerscht, door wonderlijke spelingen van licht en schaduw afgewisseld. Tallooze orchideeën, oneindig verscheiden in kleur en tint, hangen in guirlandes langs de stammen der eeuwenoude boomen; het gegons der insecten, de sterkende welriekende geuren der bloeiende aarde, verkwikken het hart.
De afrikaansche koorts ontstaat gewoonlijk na de wisseling der saizoenen, zonder dat men met juistheid weet waaraan hare verschijning is toe te schrijven. Somwijlen heerscht zij epidemisch en richt dan groote verwoestingen aan. De inboorlingen gebruiken afdrijvende en zweetmiddelen om de koorts te genezen, waaraan zij bijkans evenzeer onderhevig zijn als de Europeanen. Ook branden zij des nachts vuur in hunne woningen, om de miasmen te verdrijven en de lucht zuiver te houden.
XI.
De reiziger, die Sierra-Leone bezoekt, kan niet nalaten getroffen te worden door de sterke tegenstelling tusschen de beide oevers der rivier.
De noordelijke oever is effen en vlak; kleine moerassige riviertjes banen zich traag een weg door het lage land; hare uitmondingen schuilen bijkans onzichtbaar tusschen het hoog geboomte; het Luipaardeneiland is het eenige punt, dat een weinig uitsteekt en u eenigermate doet vermoeden, dat ge hier eene groote ruime baai, meer dan twee mijlen breed, voor u hebt. De kust is hier met zandbanken omzoomd, die de nadering moeilijk maken, en den ingang van den stroom aanmerkelijk vernauwen.
De zuidelijke oever daarentegen vormt een bijna bergachtig schiereiland. De hoogste toppen van deze berggroep, die in kaap Skilling uitloopt, bereiken eene hoogte van vijftien- tot achttienhonderd el; bij helder weder zijn zij op een afstand van vijftien of zestien mijlen zichtbaar. Meermalen zijn deze toppen in wolken gehuld. De kust is steil en vol inhammen en baaien. Vóór kaap Skilling, verrijzen de Bananeneilanden uit zee, en sluiten den horizon naar het zuiden af. De rijk geschakeerde, afgebroken kustlijn is omgeven met een gordel van blank schuim, door de hevige branding veroorzaakt.
Dank zij den vuurtoren, kunnen de schepen, zoowel bij nacht als bij dag, in alle veiligheid, de haven van Sierra-Leone binnenloopen. De oostersche bouwstijl van dezen toren, die aan de moorsche marabouts herinnert, doet een uitnemend effect te midden van dit fraaie landschap. De schoone bergachtige omgeving, het prettig, feestelijk voorkomen der stad--ze zouden u niet doen vermoeden, dat ge u op eene plek bevindt, die, en niet zonder goede reden, den naam heeft van een der ongezondste oorden van de gansche wereld te zijn.
Weldra zijn wij den vuurtoren voorbij; langs de berghellingen en op de kruinen is het eene opeenvolging van smaakvolle, lachende villas, soms half in het lommer verscholen.
Freetown, de hoofdstad der kolonie, ligt aan een inham, die vroeger den naam droeg van de Franschen-baai. De houthakkers zijn hier zoo ijverig aan den arbeid geweest, dat de bergen, die veertig jaar geleden van den voet tot den top met bosch waren bedekt, tegenwoordig kaal zijn; ter nauwernood vindt ge nog enkele groepen boomen in de smalle valleien, die zich tusschen deze bergen slingeren. Hier en daar zijn ook op de toppen nog enkele boomen staande gebleven, wanneer de eigenaar der villa ze niet wilde laten omhakken. De witte muren dier villas vormen eene scherpe tegenstelling met de donkerkleurige hutten der vrijgelatenen en van de Kroumanen, die te Sierra-Leone komen, om zich te verhuren op de schepen, die langs de kust handel drijven.
Nauwelijks is het anker gevallen, of het schip wordt aan alle zijden door schuiten omringd; de inlanders hebben nauwelijks zoo lang geduld, tot de gezondheids-commissie haar onderzoek heeft geëindigd. Het is inderdaad opmerkelijk, de kalmte te zien, waarmede die commissie hare taak verricht. Toch schijnt ze wel een overtollig artikel van weelde in deze afrikaansche hoofdstad, waar de kiemen der doodelijkste ziekten zich eensklaps, zonder eenige aanleiding van buiten, ontwikkelen. De stad ligt juist aan de grens van het gebied der passaatwinden, en is dus blootgesteld aan de periodieke windstilte, die de verandering der windstreek voorafgaat en volgt, en die voor de ontwikkeling der geduchtste epidemiën zoo bij uitnemendheid gunstig is.
Nauwelijks is van wal het teeken gegeven, dat het vrije verkeer met het schip geoorloofd is, of de wonderlijk gemengde bevolking der schuiten klautert aan alle zijden aan boord; verwonder u niet, zoo ge, naar uwe hut afdalende, die ingenomen vindt door eene dikke negerin: het is de waschvrouw, die u hare diensten komt aanbieden.
Meen echter niet, dat deze zwarte schepsels in het minst gelijken op de sierlijke, bevallige dochters der Antillen: deze negerinnen geven u niets te aanschouwen dan zeer ongelukkige, mislukte nabootsingen van gindsche origineelen. De bonte doek past slecht op die ronde hoofden, waar de dikste wol de plaats vervangt van het golvende en zorgvuldig opgemaakte hair der mulattinnen. Niettemin hebben zij zelfs den wijden japon en de crinoline of queue van hare west-indische zusters overgenomen. Maar, o hemel! welke japonnen en welke crinolines! Onder dien smakeloozen toestel komen groote, lompe voeten te voorschijn; en de groote geelachtige zweetdroppels, die langs de vooruitstekende wangbeenderen der waschvrouw biggelen, bewijzen overtuigend, dat de natuur haar bestemd heeft om een kostuum te dragen, dat beter met haar ras en haar klimaat overeenstemt.
De hofmeesters en bedienden der handelshuizen, die doorgaans de gewone leveranciën op zich nemen, verschijnen met hun opschrijfboekje in de hand, en met het bezige voorkomen van lieden, die zich niet voor eene kleinigheid willen verplaatsen of vermoeien. De verstandige kapitein doet wel, indien hij zich niet met deze al te ongeduldige lieden inlaat; straks verschijnen de Kroumanen, met hun eerlijk gezicht en hun zwaren, eenigszins slependen gang. Zij zijn bereid, hunne diensten te verhuren, hetzij per dag, hetzij voor een maand, voor een jaar, of ook wel voor eene bepaalde corvée; zij zijn de naïeve, breedgeschouderde, krachtige zonen der kust van Krou. Hunne certificaten zijn zorgvuldig opgevouwen en in een punt van een doek geknoopt; de beschaafdsten hebben een doos, waarin het kostbaar dokument wordt bewaard: dat is hun paspoort, dat zij u toonen als bewijs van hun goed gedrag en hunne bekwaamheid.
Na ons een weg te hebben gebaand door kisten en balen en wagens, komen wij aan eene geplaveide glooiing, die midden in de hoofdstraat uitkomt, welke ter wederzijde door fraaie en regelmatige huizen is omzoomd. Van binnen zijn die huizen van overdekte galerijen voorzien. Het schuin afloopende, met balken gedekte dak bewijst dat men er op bedacht is geweest, maatregelen te nemen tegen de geweldige regenvloeden, die gedurende negen maanden van het jaar dezen grond doorweeken; eenige gemetselde riolen geven aan het water gelegenheid naar zee af te vloeien, zonder de straten, die niet geplaveid zijn, in poelen te herscheppen.
Het gouvernementshôtel, midden in het oude fort gelegen, beheerscht de stad en verrijst vlak tegenover de landingsplaats; eenige dwergachtige boomen bieden hun, die zich te voet naar het hôtel moeten begeven, een sobere schaduw. Zijne Excellencie drijft de beleefdheid zoo ver, dat hij zijn rijtuig ter beschikking stelt van de aanzienlijke vreemdelingen, die hem komen bezoeken; hij bespaart hun zoodoende den vermoeienden tocht langs dezen steilen weg. Men moet inderdaad stevige beenen en uitmuntende longen hebben, om naar de kazernen omhoog te klauteren: ruim en luchtig gebouwd, verheffen zij zich op den top van een steilen heuvel, driehonderd-zestig voet boven de zee; zij beheerschen de gansche stad, waarvan zij tevens het fraaiste sieraad zijn. Het panorama, dat zich hier voor onze blikken ontrolt, en het vriendelijk onthaal, dat wij hier vinden, stellen ons schadeloos voor de inspanning van dezen tocht. De officieren wonen te midden der soldaten. Een schermzaal, een billardzaal, een leeszaal--ge vindt hier alles bijeen, wat maar eenigszins strekken kan om de ontberingen en ellenden te verzoeten van eene ballingschap, die dikwijls nog verzwaard wordt door de martelingen der kwaadaardige koorts. De eetzaal is zeer fraai. De officieren houden hier hun mess, met al de traditioneele weelde, waaraan men bij de engelsche regimenten gewoon geraakt is.
In de voorsteden, rondom de eigenlijke stad verspreid, wonen de vrijgelaten slaven; hunne vierkante hutten zijn uit losse steenen opgetrokken, en bestaan uit eene enkele benedenverdieping; een eerste verdieping is uiterst zeldzaam. Het dak is belegd met eene dikke laag droog gras; een kleine tuin, door een hekwerk of eene haag afgesloten, omringt de nederige woning. Onder een soort van afdak huist het gevogelte en de zwijnen, die de eenige huisdieren dezer negers zijn.
In den tuin worden ettelijke groenten en vruchten gekweekt; met genoegen herkende ik daaronder den broodboom, die zijne breede uitgetande bladeren boven de omrastering ontplooit. Hij heeft in zijn nieuw vaderland geen enkele van zijne goede hoedanigheden verloren: zijn gebladerte is nog altijd even fraai groen; zijne goudkleurige vruchten schitteren zoo vroolijk in de zon, dat ze u onwillekeurig tot plukken uitnoodigen. Iets verder ziet gij den mangoboom, even als de broodboom een geschenk der Europeanen aan Afrika. Ook de mangoboom is hier geheel inheemsch geworden; zijne rijk gekleurde trossen verliezen zich in het dichte gebladerte, onder welks lommer ge onbevreesd de felste zonnestralen tarten kunt.