Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875

Part 5

Chapter 53,666 wordsPublic domain

Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.

"Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de hyenaas geworpen worde!"--Hij is vertrokken, Samba!

De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene van haar stelt aan haar zusteren voor het leven van Samba te redden, die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds, die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.

De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen, bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken, Samba!

De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om den tata des konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij is vertrokken, Samba! Ewe en hare zusters volgen zijn spoor. "Houdt op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters, houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug, die uw lans gevolgd zijn!"

Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften te vervullen.

De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein: "Hij is vertrokken, Samba!"--"Vertrek!" zegt El-Kebir.

Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: "O ongelukkige vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!"--en hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.--"Hij is vertrokken, Samba!"---"In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?"--Samba heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: "Moeder, vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!"--De booten voeren de krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht; Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over Ouandi regeeren.

Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba, zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou Moussa is gezeten om recht te spreken. "Heeft een prins, heeft een koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den hond. Dat men hem vriendelijk behandele!"

De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem, met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont, dien hij heeft teruggenomen.

In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.

Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.

Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen bewaren!

Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.

IX.

Van kaap Blanc tot aan de monden van den Senegal is het voorkomen der kust uiterst vervelend: niets dan eentonige duinen, hier en daar bedekt met een armelijken plantengroei, door het zand der woestijn vuil grauw gekleurd.

De eerste boomen, die eindelijk de blikken van den zeevaarder, van het staren op dit zand vermoeid, komen verkwikken, zijn die van kaap Vert, welke ver vooruitstekende kaap ten noorden in twee vrij hooge heuvelen uitloopt. Deze heuvelen zijn van vulkanischen oorsprong; hunne hellingen zijn bedekt met reusachtige baobabs, die zich alleen in den zomer met hun prachtig loof tooien. Gedurende den winter is het alsof de woestijn weder onbetwist hare heerschappij heeft herwonnen. Van den voet dezer heuvelen loopt eene eenigszins hellende vlakte tot aan de baai van Goeree.

Het voorgebergte van kaap Vert dekt aan de noordzijde het naakte rotseiland Goeree, dat zijne prachtige reede, waar de schepen ten allen tijde eene veilige ligplaats vinden, overziet. Op den top der rots verrijst een fort, dat kazernen en waterbakken bevat. Langs den oever zijn kaaien of houten steigers aangelegd, ten behoeve der booten, die hier voortdurend af en aan varen: want de stad, aan den voet der rots gebouwd, moet al hare benoodigdheden van den vasten wal ontvangen.

De bevolking van Goeree is zeer talrijk; de signaren of mestiezen-vrouwen onderscheiden zich zoowel door de zuiverheid harer zeden als door haar schoonheid en haar hoogmoed. De laptots, onverschrokken zeelieden, zijn beroemd wegens hun moed en hunne bekwaamheid; met hunne goeletten bezoeken zij alle wateren en riviermondingen tusschen den Senegal en Sierra-Leone, en drijven een zeer levendigen handel. Het huis van de signare is voor den laptot het begin en het einde, het punt van waar hij uitgaat en waartoe hij wederkeert; hij is er geboren, en hij zal er sterven; zijne moeder, zijne zusters, zijne vrouw leven daar. Hoewel de slavernij sedert twintig jaren is afgeschaft, koestert hij nog voor zijne meesteresse een eerbied, die somwijlen zoo ver gaat, dat hij haar een deel van zijne winsten afstaat.

Door de vrijverklaring harer vroegere slaven is de bevolking van dit eiland in een zeer onzekeren, ongunstigen toestand gebracht; matig en ondernemend, tracht zij door den handel in hare dagelijksche behoeften te voorzien; de huizen, die zij van het voorgeslacht geërfd heeft, veroorloven haar bovendien op zekeren voet van welvaart en onbekrompenheid te blijven leven; maar de gouden ringen en juweelen, waarop vroeger de vrouwelijke dienstboden zoo trotsch waren, zijn sinds lang in den smeltkroes verdwenen, en het doodsche voorkomen der stad herinnert niet meer aan de vroolijke botaïs (bals) van den vroegeren tijd.

In 1859 wist admiraal Protet het fransche gouvernement te bewegen, om het schiereiland van kaap Vert te bezetten. De militaire genie ontwierp aan de baai van Dakar het plan der toekomstige stad; er werden twee dammen gebouwd om de geweldige golven te breken, die, door de zuid-oostenwinden opgezweept, in den regentijd met vreeselijke kracht aanrolden en de kust volkomen ongenaakbaar maakten. Deze werken worden door batterijen verdedigd, die haar vuur kruisen met dat van het fort, hetwelk, sedert het jaar 1840, den top van het eiland Goeree kroont. Tevens is de toegang tot deze haven zeer veel verbeterd door het plaatsen van eenige lichten. Achter de dammen kunnen de stoombooten der Messageries eene veilige en alleszins voldoende ligplaats vinden; ook is er voor gezorgd, dat zij zich in zeer korten tijd van de noodige steenkolen kunnen voorzien. Voor de berging der kolen zijn ruime loodsen opgeslagen; de werkplaatsen der artillerie naderen hare voltooiing, en weldra zal Dakar een maritiem arsenaal in het klein zijn geworden.

De bevolking van Dakar bestaat uit Jolofs, die voor verreweg het grootste gedeelte de mohammedaansche godsdienst belijden, en hunne godsdienstplichten zeer ijverig waarnemen. Zoo ge u des morgens vóór zonsopgang aan land laat zetten, zult gij de negers, bij het opgaan der zon, hunne gebeden zien verrichten; keer des avonds naar het dorp terug, en, op het oogenblik als de zon aan de kim gaat verdwijnen, richten zij zwijgend hunne schreden naar de hoogst eenvoudige ommuurde bidplaatsen, waaraan zij den naam van moskeeën geven, om daar, met tallooze kniebuigingen, Allah te vereeren. De priesters en marabouts behooren bijna zonder uitzondering tot de Foulahs en de Toucouleurs. De aanzienlijke familiën houden er doorgaans zulk een marabout op na, die gedurende een deel van den nacht verzen uit den Koran moet opzeggen.

Hoewel de Jolofs sedert onheugelijke tijden met de Europeanen in aanraking zijn geweest, hebben zij nog hunne aartsvaderlijke zeden en instellingen tot heden behouden. De regeering berust voornamelijk bij de oudsten des volks; het opperhoofd wordt gekozen; die keuze is beperkt tot zekere patricische familiën; bij de opvolging gaat de vrouwelijke lijn voor de mannelijke. De grond is gemeenschappelijk bezit van de dorpen; partikulieren bezitten in den regel geen andere dan roerende goederen.

De bebouwbare gronden worden telken jare door het dorpshoofd, in overleg met den raad der oudsten, verdeeld, waarbij op de talrijkheid van het gezin, bij de bepaling van ieders aandeel, gelet wordt. Langzamerhand breidt zich echter het partikulier bezit, dat altijd bestaan heeft en ontzien werd, meer en meer uit; verscheidene aanzienlijke Jolofs zijn grondbezitters geworden, en besteden aan de bebouwing en verbetering van hun land eene zorg, die zij zeker voor een tijdelijk aandeel niet over zouden hebben.

De veelwijverij is te Dakar in zwang: het getal wettige vrouwen, dat een Muzelman er op mag nahouden, bedraagt, zoo als men weet, vier. Ieder, die zich als hoofd van een gezin wil vestigen, zorgt voor eene omheinde ruimte, die hij omringt met palen en vlechtwerk van stroo, en waarbinnen de verschillende woningen voor de leden des gezins worden opgeslagen. De woning van den heer onderscheidt zich door haar rechthoekige gedaante van die der vrouwen; voorts ziet men nog binnen die ruimte, die ge, zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, welstaanshalve niet moogt betreden, de woningen der slaven, de keukens en de stallen.

Bij de Jolofs bestaat ook de slavernij, maar in zeer zachten vorm. De zeden van dit volk zijn volstrekt niet ruw: de toestand van den slaaf verschilt niet veel van dien der vrijen. Sedert de invoering van den Islam, zijn er een groot aantal vrijgelatenen, die nog altijd onder de bescherming van hun vroegeren meester blijven leven; zij kunnen zich nooit vermengen met de familiën der vrijen, die altijd in stand boven hen verheven zijn. De kinderen, die uit huwelijken van vrije mannen met slavinnen geboren worden, vormen eene soort van ondergeschikte kaste, waarvan de leden geen deel kunnen nemen aan de regeering. Bij de verdeeling der landerijen ontvangt ook de slaaf zijn aandeel: maar hij moet zijn oogst bergen in de schuur van zijn meester, die zich, in geval van nood, die opbrengst van den arbeid zijner slaven mag toeëigenen.

De marabouts, die geregeld Dakar bezoeken, houden met alle macht de kinderen van beiderlei kunne terug van het bezoek der europeesche scholen; zij richten zelven in elk dorp scholen op, die vooral bezocht worden door kleine jongens, aan wie zij arabisch lezen en schrijven leeren; verder moeten zij eenige verzen uit den Koran van buiten leeren: daartoe bepaalt zich in den regel het geheele onderwijs. De meisjes ontvangen, behoudens enkele, zeer zeldzame uitzonderingen, in geheel het mohammedaansche Afrika, in het geheel geen onderricht. Hoofdzakelijk met het doel om de kinderen aan den invloed der marabouts te onttrekken, heeft Mgr. Kobès, in Baol, midden in een afgodisch land, zijn etablissement van Joal gesticht.

De Serreres, die op de Jolofs volgen, zijn nog altijd fetish aanbidders. Zij vereeren voornamelijk twee groote goden, Takhar en Tiourack; de eerste is de rechter en wreker; de andere is een barmhartig en medelijdend god, van wien alle goede gaven afkomstig zijn. Sommige familiën zijn bepaaldelijk voor de dienst dier goden uitverkoren. De priesters nemen kennis van alle zaken, die met diefstal of tooverij in betrekking staan, en spreken daarin vonnis; niemand mag ongestraft den heiligen boom naderen, waaronder de aarde wordt nedergelegd, door den beschuldigde betreden; of ook den steen, dien de priester op zijn hoofd moet leggen, om tot ontdekking der waarheid te komen. De vuurproef of die met vergiftigd water, waaraan de toovenaars onderworpen worden, eindigen doorgaans voor de aangeklaagden op noodlottige wijze.

Van 1817, toen de kolonie van den Senegal weder in het bezit van Frankrijk kwam, tot 1858, is de handel op de naburige kust van Goeree weinig toegenomen, niettegenstaande dat eiland in het bezit van een vrijhaven is. Na 1858 heeft de regeering maatregelen genomen om de kolonisten te beschermen tegen de knevelarijen en plunderingen der inlandsche opperhoofden, die de onbeschaamdheid zoover dreven, dat zij de traktaten openlijk schonden of het bestaan daarvan loochenden. De stichting van Dakar heeft onze macht op steviger grondslagen gevestigd.

De noodzakelijkheid eener vaste en geregelde verbinding tusschen Saint-Louis en Goeree heeft tot den aanleg van een telegraaflijn doen besluiten, die langs het strand loopt, en in 1861 voltooid werd. De karavanen, die de koopwaren uit het binnenland naar de baai van Goeree voerden, werden dikwijls door de lieden van Cayor overvallen en uitgeplunderd. Daar de traktaten van vriendschap en handel even spoedig geschonden als bezworen werden, heeft de koloniale regeering zich verplicht gezien, in Cayor eenige vaste punten te bezetten, waardoor de Europeanen meesters van het land zijn geworden.

De kantoren van Rufisque, van Joal en Koalah moeten den handel met het binnenland aan zich trekken. Zoodra de onlusten in Cayor gestild zullen zijn, zal Rufisque, in het land Baol gelegen, eene schoone toekomst tegemoet gaan. Joal ligt in Sin, dat, even als Baol, door Serreres en door Jolofs bewoond wordt; het is de hoofdplaats geworden van eene landbouwkolonie, die hare stichting dankt aan Mgr. Kobès, apostolisch vicaris van Senegambië. Verschillende aanzienlijke personen hadden, in de nabijheid der missie, gronden in pacht gevraagd en verkregen; men heeft er katoen geplant, maar de uitkomst heeft niet aan de verwachtingen beantwoord. De plantages zijn door de droogte of door sprinkhanen vernield. Men had zich met een beteren uitslag gevleid.

Veertig mijlen van Goeree, zes mijlen ten noorden van Joal, bevindt zich het etablissement van Saint-Joseph, aan den oever eener baai, waarin zich de rivier de Fasene uitstort. Schepen van zekeren diepgang kunnen ongehinderd de kust naderen; de kustvaarders vinden in de rivier, die zij gemakkelijk kunnen invaren, eene zeer geschikte aanlegplaats.

Gambia behoort aan Engeland. Ten einde de uitgaven te verminderen, voor de verschillende nederzettingen langs de westkust van Afrika gevorderd, heeft de engelsche regeering het bevel over al de afzonderlijke posten opgedragen aan den gouverneur-generaal van Sierra-Leone, en tegelijk de garnizoenen dier buitenbezittingen aanzienlijk verminderd. Ook te Gambia heeft die vermindering plaats gehad; en de toestand van deze kolonie, die herhaaldelijk in oorlog is gewikkeld met hare machtige naburen, de koningen van Barre en Combo, is er door dien maatregel niet op verbeterd. De moeilijkheid om tijdig hulp te bekomen van Sierra-Leone, dat onder den wind ligt, heeft meermalen den gouverneur van Gambia gedwongen, de hulp in te roepen van den gouverneur van den Senegal, wiens tusschenkomst meer dan eens de engelsche kolonie heeft gered.

Sainte-Marie of Bathurst, de hoofdplaats dezer engelsche kolonie, werd in 1815 op den linkeroever van de Gambia gesticht; de stad ligt op een laag en ongezond terrein, dat door een smalle kreek van het vaste land gescheiden is. De woningen en kantoren bevinden zich langs de oevers der rivier; het strand is zeer vlak; de koopvaardijschepen werpen het anker uit tegenover de stad, en hebben door middel van houten steigers gemeenschap met den wal. Eene onbeteekenende batterij is het eenige verdedigingsmiddel van Bathurst.

Stoomschepen van zekeren diepgang kunnen de rivier opvaren tot honderd-zes-en-dertig mijlen voorbij Bathurst; zij ankeren voor het dorp Capang. Het eiland Macarthy ligt nog vijf-en-twintig mijlen verder; de reis daarheen moet men met booten doen.

Macarthy was onder de koloniale troepen zeer bekend door zijn spook. Het verhaal liep, dat een sergeant, die zich in een aanval van ijlende koorts van het leven beroofd had, geregeld, bij iedere garnizoens verandering, in de kamer van den bevelvoerenden officier verscheen en daar aan het rangschikken der stukken ging.

Om over de bergketen te komen, die het stroomgebied van den Boven-Senegal van dat van de Gambia scheidt, hebben de karavanen achttien tot twintig dagen noodig. De handelskantoren langs de Boven-Gambia zijn geheel aan zich zelven overgelaten; meermalen gebeurt het ook dat de karavanen door de inlandsche opperhoofden aangevallen en geplunderd worden. De handelsrelatiën in deze streek zijn dan ook zeer onzeker en aan allerlei gevaar en belemmeringen onderhevig.

X.

De Europeanen, die door hun ambt of door handelsbelang naar de westkust van Afrika gevoerd worden, moeten met al hunne gewoonten breken en eene geheel andere levenswijze aannemen; de jacht is bijna het eenige vermaak, dat zij zich verschaffen kunnen; maar de jacht heeft hier voor sommige gemoederen, voor allen die op avonturen gesteld zijn, eene dubbele aantrekkelijkheid: zij is moeilijk en gevaarlijk.

De bodem der vlakten van Senegambië is in den zomer gewoonlijk droog en dor; hij komt dan, door zijne rosse en vale tinten sterk uit tegen den hemel, en maakt dan juist door zijn bruine eentonige kleur het onderscheiden van het wild, dat hier schuilplaatsen in overvloed vindt, zeer moeilijk.

Ten noorden van de rivier zijn de boomen schaars; in de streken langs de oevers van den Senegal vertoonen zich de boomgroepen als eilandjes van groen, te midden van eene onafzienbare vlakte, deels met geel zand, deels met kort verbrand gras bedekt, en waarover de blik heendwaalt tot den schemerenden horizon, half wegduikende achter een witten nevel. Hem, die zich in deze woestijnen durft wagen, wacht een zonderling grootsch schouwspel, dat onvergetelijke indrukken achterlaat. Het zintuig van het gehoor wordt steeds meer gescherpt: allerlei onbekende en onnaspeurlijke geluiden treffen u, zonder dat ge weet van waar zij komen of wat zij beteekenen: dat zijn de stemmen der woestijn; want ook de woestijn heeft hare stemmen, als de steden, maar veel ernstiger en aangrijpender. De mensch gevoelt zich eenzaam en verlaten te midden van deze vreemde ontzaglijke natuur, met haar zonderlinge vormen en kleuren, waar bij iederen voetstap het gevaar dreigt: de moordenaar kan hem, uit zijne onzichtbare schuilplaats, onverwachts treffen; de wilde dieren, die in deze jungles wonen, kunnen hem overvallen en verscheuren; hij heeft van geen enkel menschelijk wezen hulp of redding te wachten; de oneindigheid breidt zich rondom hem uit, van voren, van achteren, ter zijde;--zijne stem zou zich hier verliezen in de zwijgende eenzaamheid. Die dit nooit gezien heeft, kan zich geen denkbeeld vormen van den machtigen, overweldigenden indruk, door de natuur der woestijn op het gemoed gemaakt; zoo kan ook alleen hij, die Syrië en Afrika gezien heeft, de waarheid der bijbelsche tafereelen en voorstellingen ten volle gevoelen.

Aan het hoofd der afrikaansche vogels staat de struisvogel; deze vogels leven bij troepen en worden gemakkelijk tam gemaakt. De Mooren van Oued Noun en van de zuidelijke provinciën van Marokko maken te paard jacht op de struisvogels. Voor deze jacht houden de liefhebbers er zeer fraaie kostbare merriën op na. Eenige personen vereenigen zich om op gemeenschappelijke kosten zulk een dier te koopen en te onderhouden, hetgeen voor een enkel te duur zou zijn. De opbrengst der jacht wordt onderling verdeeld naar gelang van het aandeel, dat ieder in de kosten van aankoop en onderhoud van het paard gedragen heeft.

De afrikaansche jagers wachten doorgaans tot de zon haar volle kracht heeft bereikt, eer zij ter jacht tijgen. Achter de paarden volgen de kameelen, die het wild, dat geveld wordt, moeten dragen. Deze paarden worden, zoo lang de jachttijd duurt, uitsluitend gevoed met kameelmelk, gerstemeel en dadelen.

Op de struisvogels volgen de trapganzen. De groote trapgans vindt men gewoonlijk in de vlakten, die door de Mooren worden bezocht; maar de kleine trapgans komt ook voor in de vlakten, die aan Goeree grenzen. Men jaagt haar te paard en met honden. Zij is iets grooter dan een gewone fazant; zij heeft hooge pooten, een korten staart en groote breede vleugels; de vederen onder de vleugels zijn rozerood. De trapganzen kunnen niet gemakkelijk vliegen; zij zijn spoedig vermoeid, en gij kunt ze schieten, zonder van het paard te stijgen.

In de afrikaansche vlakten vindt men talrijke troepen antilopen, die bij voorkeur de plaatsen opzoeken, waar water gevonden wordt. De jager legt zich hier des morgens en des avonds op de loer. Het is moeilijk de dieren te naderen, tenzij dan bij verrassing, want wanneer de kudde in een vlakte weidt, houden eenige oude mannetjes, scherp van oog en van oor, de wacht; en zoodra zij het teeken geven dat eenig gevaar dreigt, is de gansche kudde in een oogwenk verdwenen. Doorgaans worden de antilopen van nabij gevolgd door een of meer leeuwen, die van deze dieren hun voornaamste voedsel maken. Evenwel versmaadt de leeuw ook de parelhoenders niet; hij weet zeer goed het spoor dezer vogels, die zelden vliegen, in het hooge gras te volgen, en velt er met een enkelen slag van zijn poot een aantal tegelijk neder.