Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875

Part 4

Chapter 43,743 wordsPublic domain

De bevolking van Senegambië bestaat uit drie hoofdrassen: de Joloffen, de Mandingos en de Foulahs. De Joloffen hadden een tamelijk machtigen staat gesticht, die uit vier provinciën bestond: Ouallo, Guiolofe, Cayor, Sin en Saloum, waar de Joloffen vermengd waren met de Serreren, die eene andere afstamming hebben. De hoofden dier provinciën droegen verschillende namen; Guiolofe werd bestuurd door een bourba, die de opperheerscher was; Ouallo door een brack; Cayor door een damel; Sin en Saloum door teigns.

Een kaste van edelen stelde zich dikwijls tusschen het opperhoofd en het volk: dit was de kaste der tiédos in Cayor; hunne plundertochten brachten het land aan den rand des ondergangs. De opvolging had bij deze volken plaats in de zijlinie: de zoon van des opperhoofds oudste zuster volgde hem op.

De Jolofs hebben vier kasten: de edelen, de tugs of smeden, de oudaï of leerlooiers, de mouls of visschers; een groot gedeelte der jolofsche natie belijdt het mohammedaansche geloof; de griots of ganteurs zijn pariaas: zij zijn afgodendienaars even als een deel der Serreren. De Jolofs hebben eene schoone lichaamsgestalte, een bolrond voorhoofd, een arendsneus, eene donker zwarte huid en kroeshaar; het bovenste gedeelte van het lichaam is zeer goed gevormd; de mannen hebben magere beenen en over het algemeen platte voeten; hunne kleedij bestaat uit een lang overkleed, over hetwelk zij een schort dragen, om de lendenen dichtgeknoopt; aan hunne voeten dragen zij sandalen, en op hun hoofd een muts, meestal voorzien van een soort van kam.

De Foulahs van den Senegal zijn een mengeling van onderscheidene rassen; drie familiën of onderrassen zijn scherp van elkander onderscheiden; de Torodos, die eene zeer donkere huidkleur hebben, schijnen de oorspronkelijke bewoners van de Senegal-oevers te zijn; de Peuls zijn zonder twijfel vreemdelingen, die de Jolofs en Torodos op hunne zwerftochten zijn gevolgd; zij zijn kenbaar aan eene rood-bruine kleur, een breed en rond voorhoofd, een smallen puntigen neus, en minder kroesig haar dan de overige negers, dat zij in kleine vlechten dragen; voegt men hierbij dunne lippen, een ovaal gezicht en vooruitstekende tanden, dan kan men zich een denkbeeld van hun voorkomen vormen. Zij leven als nomaden in tenten, en zijn over het algemeen herders; hun taal is buigzaam, met wortels die aan het maleisch zijn ontleend. Het derde ras is dat der Toucouleurs, die donkerder dan de Peuls, doch lichter dan de Torodos zijn, en die wel uit de kruising dezer beide rassen kunnen ontstaan zijn.

Foutah werd oorspronkelijk geregeerd door krijgshoofden, siraticks genaamd; doch sedert ongeveer eene eeuw wordt het opperhoofd gekozen; de regeering berust in handen van een marabout, die den naam van almamy heeft aangenomen: het godsdienstige element heeft er dus over het militaire gezegevierd. Iets dergelijks vinden wij in Indië, waar de brahmanen de macht der kshatryas of krijgslieden in handen gekregen hebben.

De verkiezing van den almamy geschiedt door de navolgende geslachten of stammen: Islabéi, Bosséyabé, Diophané, Eleyabéi en Delianté; de twee eerstgenoemde geslachten oefenen er den meesten invloed op uit. Nadat elke stam een kandidaat heeft gekozen, wijst een raad van vijf leden den kandidaat aan, die naar zijn gevoelen in de eerste plaats in aanmerking verdient te komen. Deze raad kan den almamy afzetten, wanneer hij meent dat deze de belangen der natie niet behartigt.

Na langen tijd zwervende herders geweest te zijn, hebben de Foulahs een groot rijk in Midden-Afrika gesticht. De Foulahs van Foutah-Diallon schijnen tot hetzelfde ras te behooren, als die van den Senegal. Zij hebben eveneens eenen theocratischen regeeringsvorm met een gekozen opperhoofd; ook hun vorst voert den titel van almamy. De hoofden dezer natie voegen voor hunnen naam den titel van ardo, hetgeen een kenmerk is dat zij tot den adel behooren.

De bewoners van Senegambië belijden bijna allen den Islam; de Jolofs zijn geen dweepers; de Toucouleurs hebben met geestdrift de mohammedaansche godsdienst omhelsd. Uit hun midden gaan die rondreizende marabouts uit, die de Senegal-bewoners willen bekeeren, en niet zelden hen tot opstand drijven. Demba-Golock, die in 1829 te Embilor gevangen genomen en ter dood gebracht werd; El-Hadj-Omar, die het bambarasche rijk van Sego heeft vernietigd, en te Hamdou-Allah is gesneuveld; Maba, die Cayor, Saloum en de streken langs de Gambia in opschudding heeft gebracht: zij allen waren Toucouleurs.

De stad Saint-Louis dankt hare stichting aan verschillende bevoorrechte compagniën, die elkander van 1626 tot 1785 zijn opgevolgd, en krachtdadige pogingen in het werk gesteld hebben, om den binnen- en buitenlandschen handel aan den Senegal te doen bloeien. Achtereenvolgens stichtten zij het fort Saint-Joseph te Makana in 1713; in 1715 het fort Saint-Pierre aan de Falehmé; in 1717 geraakten zij in het bezit van Portendick; en in 1724 in dat van Arguin. Het oude fort Saint-Louis, op het eiland van dien naam gelegen, dat heden tot kazerne en magazijn dient, was de oorspronkelijke kern der stad.

De woning van den gouverneur, die aan het fort grenst, eischt tegenwoordig dringend herstel. De straten der stad zijn rechtlijnig gebouwd, zooveel mogelijk langs de oevers der rivier; de grond was zoo laag, dat de stad in den tijd der overstroomingen onder water stond. In de laatste jaren is de toestand te Saint-Louis veel verbeterd; het eiland is door een steenen kaai omgeven, en de straten zijn opgehoogd, ten einde haar tegen overstrooming te beveiligen.

Groote magazijnen, met koopwaren gevuld, zijn langs de kaaien verrezen; de koopvaardijschepen, die voor deze magazijnen hunne ligplaats hebben, kunnen derhalve zeer gemakkelijk lossen en laden. Twee bruggen vormen de gemeenschap van Saint-Louis met de aangrenzende streken. De brug van Guet-N'dar is een vaste brug. De andere, in 1865 over den grooten rivierarm gebouwd, rust op beweegbare vaartuigen, hetgeen de schepen in staat stelt de rivier op te varen.

De rivier de Senegal stort zich in zee door eene monding, welke de stroom zich heeft gebaand door eene landtong, de punt van Barbarije genaamd. Deze zandbank verplaatst zich na het kenteren van het tij; men kan haar uit zee niet licht onderscheiden; een post van ervaren loodsen bevindt zich altijd bij de ondiepte, die dagelijks gepeild moet worden. De schepen, die op den Senegal handel willen drijven, moeten niet meer dan vier el diepgang hebben.

De bevolking van Saint-Louis biedt ons nagenoeg alle typen aan, welke men langs de rivier vindt; de meest karakteristieke wellicht is die der prauw- of schuitenvoerders, die tegenover het eiland Saint-Louis een dorp, Guet-N'dar genaamd, bewonen. Deze bewoners van Guet-N'dar zijn visschers van vader op zoon; zij weten met eene buitengewone vaardigheid hunne prauwen door de branding langs de kust heen te sturen. Deze prauwen zijn aan de beide uiteinden voorzien van scherpe punten; de vier mannen die er zich in bevinden, staan rechtop en bewegen het vaartuig met hunne lange pagaaien; door telkens van plaats te veranderen, vormen zij een tegenwicht tegen de beweging der golven, en weten zich zoo met hun vaartuig in evenwicht te houden op de kruin der baren, wier deining zij volgen met duizelingwekkende snelheid, als zij hunne vangst naar land komen brengen.

De laptot of matroos der rivier is een niet minder merkwaardige type dan de prauwenvoerder, maar hij houdt niet van het golfgeklots: hij is meer gesteld op stiller water; hij houdt van lange riviertochten, van het gerucht van moorsche kampen of negerdorpen. De tweehonderd mijlen, die Saint-Louis van Bakel scheiden, legt hij af zonder een spier te vertrekken, zich van het zeil bedienende als de wind hem gunstig is, zich voor de lijn spannende, of wel boegseerende, wanneer de steile kanten der rivier te zeer met boomen en houtgewas bezet zijn om zijn vaartuig aan de lijn te kunnen voorttrekken.

De bemanning van een handelsvaartuig zou niet voltallig zijn zonder eene vrouw om de kouskous te bereiden, en een griot, die op een tamboerijn moet slaan om de maat gedurende den tocht aan te geven.

Als de laptot de kunst van sparen verstaat, wordt hij mettertijd eigenaar van het vaartuig, dat hij hielp voorttrekken; hij treedt dan als koopman op, en ontvangt de noodige voorschotten om handel te drijven van de te Saint-Louis gevestigde kooplui, met wie hij, na de terugkomst van zijne reis, afrekent. Een eenvoudige mat, een strooien dak beveiligen den handelaar tegen zonneschijn en regen; de koopwaren worden somtijds in kisten en koffers geborgen, soms weggesloten in het scheepsruim; in dit laatste geval is het vaartuig van een dek voorzien.

Uit de vermenging van Europeanen met inboorlingen is eene eigenaardige bevolking van kleurlingen ontstaan, die zorgvuldig de levenswijze van hunne vaders in stand houden; de mulattinnen voeren den portugeeschen titel van signares (dames); zij zijn er zeer op gesteld, dat haar huishouding op behoorlijken voet zij ingericht. De kleurlingen in Senegambië zijn over het algemeen de blanken zeer genegen, van wie zij niet alleen afstammen, maar aan wie zij ook hun rijkdom en hunne opvoeding te danken hebben.

De gezeten Jolofs bebouwden enkele gierstvelden in de dorpen rondom Saint-Louis; wanneer de gouverneurs der kolonie oorlog moeten voeren met de langs de rivier wonende stammen, leveren zij een aantal vrijwilligers; meermalen bedraagt hun kontingent vijftien-honderd tot twee-duizend man. De vrijwilligers van Saint-Louis zijn in den regel trouw aan de vlag en dapper in het veld; maar de rekruten uit de aangrenzende provinciën missen die goede eigenschappen; onder hen zijn er velen, die steeds naar eene gunstige gelegenheid uitzien om te gaan plunderen.

Men heeft aan den Senegal achtervolgens verschillende handelssystemen in praktijk gebracht. Tot in 1790 was de handel uitsluitend in handen van geoctroyeerde en geprivilegieerde maatschappijen. Na 1817, toen Frankrijk weder in het bezit van deze kolonie werd gesteld, nam de regeering de proef met eigen cultuur; maar deze proef, in 1822 begonnen, leverde geen ernstige resultaten op. De proefneming rustte op het geven van premiën, en toen men na 1830 met de betaling van die premiën ophield, gingen ook de cultures te gronde. Het katoen en de indigo, die hier gekweekt werden, waren van goede kwaliteit; alleen heeft men het stelsel van cultuur verkeerd toegepast.

Na de mislukking van deze proef, meende men te moeten terugkeeren tot het stelsel van geprivilegieerde maatschappijen voor het drijven van handel op den Senegal. De eerste maatschappij van Galom werd in 1828 opgericht. Haar octrooi verzekerde haar het monopolie van den handel in de bovenlanden gedurende den lagen waterstand. Bij hoog water, had zij te strijden met vreemde concurrentie. In 1821 had de regeering het fort Baker doen herbouwen, om den handel te beschermen, en den kooplieden, die hunne waren voor de roofzucht der zwarten wilden beveiligen, eene zekere bergplaats te bezorgen. Het monopolie van deze maatschappij, dat reeds herhaaldelijk aan allerlei aanvallen had blootgestaan, werd in 1848 afgeschaft. Op dezen maatregel volgde de openstelling der haven van Saint-Louis voor vreemde schepen, die er handel mogen drijven. De handel op de rivier zelve is echter uitsluitend aan de Franschen verbleven. Het besluit van 1848 heeft de oprichting van onderscheidene forten langs de oevers der rivier noodzakelijk gemaakt, ten einde de ontwikkeling van den handel te beschermen.

Wij kunnen natuurlijk hier geen overzicht geven van de verschillende oorlogen, die de gouverneurs van den Senegal hebben moeten voeren tegen de inlandsche bevolking om de Mooren in bedwang te houden, die telkens strooptochten ondernamen in het gebied der negers, dat zij bereikten door de rivier te doorwaden.

De gouverneurs van den Senegal hebben bij deze kolonie onderscheidene landstreken ingelijfd, in de nabijheid van Saint-Louis, Ouallo en Dimar gelegen.

In 1858 werd met de Mooren een traktaat gesloten, waarbij zij de nieuwe grenzen der kolonie erkenden. Sedert hebben dan ook de Trarzas, de Bracknas en de Douaichs geen invallen op den linkeroever van den Senegal meer gedaan.

Aanvankelijk betaalde de handel zekere rechten, coutumes geheeten,--naar het engelsche woord custom, tol,--aan de moorsche opperhoofden, op wier gebied handelskantoren waren gevestigd. Die coutumes, die eigenlijk niet anders waren dan vrijwillige giften, werden gaandeweg door de hoofden als een soort van belasting beschouwd, hetgeen aanleiding gaf tot eindeloos gehaspel en ernstige moeilijkheden. Sedert is de betaling dezer rechten behoorlijk geregeld; van wege den gouverneur worden tegenwoordig aan de hoofden, wier aanspraken erkend zijn, vaste, bij traktaat bepaalde sommen uitgekeerd.

Zoodra het gevaar van den kant der Mooren geweken was, heeft de koloniale regeering al hare aandacht moeten wijden aan de streken langs den Boven-Senegal, waar de krachtige en dappere stammen der Foulahs zich met al hunne macht tegen de uitbreiding van het fransche gezag verzetten. Om den tegenstand van het rijk van Foutah te breken, waren er niet minder dan drie veldtochten noodig: eindelijk werd het overwonnen en onder verschillende onafhankelijke hoofden verdeeld. Dimar, Tongo en Damga, die het eigenlijke Foutah aan alle zijden omgeven, werden onder fransch protectoraat gesteld.

Het middelpunt van de hoofdmacht der Foulahs is het Morfil-eiland, dat de rivier in twee armen verdeelt: Podor, aan den voornaamsten tak gelegen, beheerscht de noordelijke geul, die het eiland van het moorsche gebied scheidt; Saldé, aan de oostpunt, vervult daar dezelfde bestemming als Podor. Om de scheepvaart en den binnenlandschen handel te beschermen, heeft de koloniale regeering, aan den zuidelijken rivierarm, tegenover Saldé, het fort Aéré doen bouwen. Saldé is een groot dorp, door Torodos bewoond, die hier in deze streken te huis behooren.

Gedurende het droge jaargetijde, schijnt de landstreek, door den Senegal besproeid, eene dorre wildernis: men ziet er niets anders dan hoog en spichtig gras en eenige armelijke, dwergachtige struiken en heesters. Als de wateren wassen, treedt de rivier buiten hare oevers en overstroomt het omliggende lage land. Na den afloop van het water, is iedere holte, iedere verdieping in den grond, in een plas herschapen, die somwijlen den omvang heeft van een klein meer; langs de oevers dier meeren en plassen ontwikkelt zich welhaast een weelderige plantengroei.

Bij haren uitloop verdeelt de rivier zich in een aantal takken, die een menigte eilanden vormen. Echter vereenigen zich al die takken weder bij de eigenlijke monding, waardoor de machtige stroom de gansche massa zijner wateren in zee uitstort. Ter bescherming en verdediging van dezen delta moet het fort Lampsar dienen. De koloniale regeering heeft bij Lampsar een soort van stuw aangelegd, waardoor de wateren van het meer Guier of Paniéfoul worden opgehouden; dit geschiedde met het doel om dit water, door middel van een kanaal, naar Saint-Louis te voeren, dat geen bruikbaar drinkwater heeft. Men heeft evenwel daarvan moeten afzien, omdat het opgehouden water uit het meer brak werd.

Richard Toll of de Tuin van Richard, is de naam van een etablissement, dat door den tuinman en botanicus Richard gesticht werd, om tot acclimatatietuin te dienen. In 1840 werd de gansche aanleg vernield, onder voorwendsel, dat de vijand daar een veilige schuilplaats zou kunnen vinden. Tegenwoordig verkeert de tuin weer in goeden staat. De ligging van Richard Toll is zeer gunstig, nabij het kanaal van Taouay, dat de gemeenschap vormt tusschen de rivier en het meer Guier; de gouverneurs hebben hier een paviljoen doen bouwen, dat hun tot zomerverblijf dient. Eenige particulieren hebben in den omtrek van Richard Toll katoenplantages aangelegd; en wanneer die plantages goed behandeld en vooral van het noodige water voorzien worden, is er alleszins grond voor de verwachting, dat zij den ondernemers eene voldoende rente zullen opleveren.

Zoodra het brakke water door het zoete vervangen wordt, worden ook de oevers der rivier levendiger, en neemt de plantengroei een ander, grooter, weelderiger karakter aan. Tegenover Podor op het eiland Morfil, licht de markt der Bracknas. Hier heeft zich bereids eene kleine stad gevormd, met aardige wandelingen en huizen met platte daken. Dit ziende, durft men zich bijna met de hoop vleien, dat de beschaving zich langzamerhand een weg langs de rivier zal banen.

In den winter of regentijd is het gansche land langs de rivier beneden Podor overstroomd: ge ziet niets dan een onmetelijk meer. De Mooren, wier land door heuvelen doorsneden wordt, trekken zich dan terug naar de zijde van Tagant en Sahel. Sommige heuvelen tegenover Podor gelegen, dragen den naam van Shamanah; in den regentijd moet men deze keten van Shamanah volgen, om het binnenland te bereiken. De Bracknas zijn, even als de Trarzas, dweepzieke Mohammedanen; ook hunne zoogenaamde staatsregeling is dezelfde.

Dagana wordt vooral druk bezocht door de Douaichs, wier naam gevangenen beteekent. Een hunner opperhoofden heeft ze bevrijd van het juk, waaronder zij vroeger zuchtten. Zij zijn Berbers van den stam Azenagh; maar hunne macht, die anders niet verwerpelijk zou zijn, wordt gebroken door de erfelijke veeten tusschen hunne vorstelijke geslachten. De Douaichs en de Tichits hebben een breeder en platter aangezicht dan de Mooren. Ondanks het eenigszins bolle voorhoofd, is het hoofd toch fraai gevormd; de neus is fraai; de oogen puilen een weinig uit; zij deden mij denken aan de Bedouienen, die ik in Marokko gezien heb.

VIII.

Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent, waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben; ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd door een opperhoofd en een raad der oudsten.

Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.

Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.

Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende, op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigd over het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.

Samba is de nationale held der volksstammen van den Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt, en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder, zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran heeft weten te onttrekken.

Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening; hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne rijkdommen en zijne groote macht.

Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en spreekt zonder omwegen. "Ik ben Samba: geef mij een leger!"--"Wees welkom, balling," antwoordt de moorsche koning.

De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten, dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.

Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.

Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt den bous (lederen waterzak) van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van geheel den omtrek.

Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde; Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter, en keert naar het kamp van El-Kebir terug.

Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den gevreesden leeuw.

En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: "Dat de dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde en zijne lans herneme!" En er waren velen, die zich de verdienste van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht hadden; de bloem der krijgslieden van het kamp tracht vergeefs den hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend de tanden zien.

Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken: met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe, en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.

Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel mogelijk te verrijken.

De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de hoeders te verschalken.

De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli, de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon, zoo als zijne vaderen.

De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir drijven.