Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875
Part 3
Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen, of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph, van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meer onder de matrozen van den Senegal.
Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin, die door de schipbreuk van de Medusa eene treurige vermaardheid heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai, gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.
In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguin een fort gesticht, dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar uit eenige regenputten.
Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig, die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder op dat eiland zouden zien wapperen.
De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijn alleen de sterrekundige waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten, waar hij zich eigenlijk bevindt.
Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.
Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter, diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen, na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de zeelieden sama, bosi-negro, brecka en poulvina genoemd; deze soorten vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.
De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn, zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.
VI.
Als wij de verschillende natiën van Afrika beschouwen, zullen wij dikwijls gelegenheid vinden, de ingewikkelde vraag van hunnen oorsprong te bespreken.
Alvorens over den Senegal te spreken, wiens oevers de grensscheiding uitmaken tusschen de berbersche en de ethiopische rassen, moeten wij eerst eene algemeene klassificatie beproeven, die tot beter begrip der volgende schetsen zal dienen.
Door onafgebroken onderzoek is de nieuwere wetenschap tot de onderzoeking gekomen, dat de wet, welke de vorming en ontwikkeling der talen beheerscht, zich steeds laat gelden; dat, welke ontwikkeling de oorspronkelijke taal ook ondergaan moge hebben, zij toch op onmiskenbare wijze het zegel harer afkomst behouden heeft; zoodat het mogelijk is, langen tijd na hare scheiding, tusschen reeds ver uiteenloopende taalgroepen eene vaste betrekking aan te wijzen; daardoor heeft men volken, die thans door onmetelijke afstanden gescheiden zijn, tot eenen gemeenschappelijken grondtype kunnen terugbrengen.
Het is de taalstudie dus, die in de eerste plaats onze gids moet zijn in den doolhof, dien de ethnographie van Afrika voor ons opent.
De analyse heeft ons veroorloofd de talen in kenmerkende groepen te scheiden: eenlettergrepig bij den aanvang, worden zij door eene zeer langzame vervorming meerlettergrepig. De eigenaardige gesteldheid en ligging van Afrika, dat met andere werelddeelen slechts door een nauwe landengte is verbonden, maakt de taalstudiën voor dit werelddeel gemakkelijk, omdat de afzondering, waarin de verschillende afrikaansche volken geleefd hebben, hen heeft verhinderd, vreemde elementen in zich op te nemen, zoodat zij de taal hunner vaderen onvermengd hebben bewaard. Deze onverandelijkheid van hun taaleigen stelt ons in staat, vrij nauwkeurig de aardrijkskundige grenzen van elke groep te bepalen en hare verhuizingen te kunnen nagaan.
De vormen der afrikaansche talen, die over het algemeen meerlettergrepig zijn, duiden eene zeer oude beschaving aan; deze talen hebben aan het spreken meer vlugheid bijgezet, door dat men de zelfstandige naamwoorden heeft vervangen door voornaamwoorden, die van denzelfden wortel worden afgeleid; het kleine aantal dezer partikels, en de regelmatige wijze waarop zij bij het zelfstandig naamwoord zijn geplaatst, doen hen gemakkelijk herkennen; deze voornaamwoorden zijn derhalve een gemakkelijk middel geworden, om de talen, waarin zij voorkomen, à priori in klassen te verdeelen.
Het schijnt dat het vernuft der volken alle mogelijke combinatiën, wat het gebruik dezer wortelwoorden betreft, heeft uitgeput. Bij sommige groepen gaan de voornaamwoorden aan het zelfstandig naamwoord vooraf, onder den vorm van voorvoegsels; bij andere daarentegen volgen zij als achtervoegsels; in sommige gevallen kunnen zij nog verbogen worden, en wijzen door hunne veranderingen het geslacht van den persoon, van wien men spreekt, of tot wien er gesproken wordt, aan; bij andere groepen zijn zij onverbuigbaar. Eindelijk worden er ook nog zulke aangetroffen, die afzonderlijke naamvallen hebben om enkel- en meervoud aan te duiden.
Voorzeker zoude het eene lastige zaak zijn, de voor- en achtervoegsels te leeren kennen, indien hun getal onbepaald ware; doch de taalkenners zijn tot de overtuiging gekomen, dat zij op zijn hoogst niet meer dan zestien verschillende vormen kunnen aannemen. Sommige taalgroepen hebben er slechts een kleiner aantal van behouden, waarvan sommigen gebruikt worden om enkel- en meervoud, anderen om onbepaalde naamvallen aan te duiden.
De talen, die een wortel-voornaamwoord van het zelfstandig naamwoord doen voorafgaan, zullen wij het eerst onderzoeken; de studie die men van deze groep gemaakt heeft, is nog niet zoo ver gevorderd, dat men de overeenkomst van het voorvoegsel kan constateeren; de naamvallen worden er aangeduid door bijzondere vormen, die aan enkel- en meervoud eigen zijn.
Dit algemeene karakter vertoont zich bij groepen, wier wortels ver genoeg uiteen loopen, om de taalgeleerden te nopen de afrikaansche dialekten met onverbuigbare voorvoegsels in twee groepen te verdeelen, welke gescheiden worden door den equator.
De eerste groep, die bepaaldelijk in Noord-Afrika te huis behoort, heeft den naam van gor ontvangen; het gor wordt op zijne beurt weder verdeeld in verschillende groepen, waarvan het jolof, het foulah, het oumali, dat in Darfoer gesproken wordt, en het gah, dat op de Goudkust, in het gebied Accrah te huis behoort, de voornaamste zijn. Deze talen beslaan eene breedte van 10 à 11 graden, van de Libysche woestijn en de Sahara tot aan het Nigerdal, waar de veroveringen der Foulahs haar gebracht hebben; in de lengte strekken zij zich, met een boog van 40 graden, van Darfoer tot den Atlantischen Oceaan uit.
De tweede groep van talen met voorvoegsels is inheemsch in Zuid-Afrika, en wel in negen tiende gedeelten daarvan; haar naam van bantou dankt zij aan de Kaffers, die hare dialekten voornamelijk spreken. De kaffertalen zijn ontwikkeld genoeg, om hare wortels, die standvastig zijn, te kunnen onderkennen. Talen van deze vorming vinden wij van de kust van Zanzibar tot aan kaap Palmas; zij omspannen derhalve Zuid-Afrika als met een net: op het souheli, dat gesproken wordt op de kust van Zanzibar en op de Comoren, in de Indische zee, volgen de dialekten van den Zambeze en van de Zoulous van Natal. De Betsjuanen en Bassoutos spreken het zuiverste bantou, eene taal, die men in het binnenland tot aan het N'gami-meer aantreft.
De Hottentotten en Boschjesmannen, die de westelijke kusten van Afrika bewonen tot aan de Oranjerivier, spreken talen met achtervoegsels. Te beginnen bij de Cimbebas, vinden wij wederom talen met onverbuigbare voorvoegsels. De bewoners van Benguela spreken het herero of otiherero. De bonda- of fiotes-talen worden gesproken van St. Paul de Loanda tot aan Loango. De stammen van Gabon en van de streken langs de omliggende rivieren bedienen zich eveneens van talen met voorvoegsels: het pongwé, het bakalai, het fan, het ashira, het benga, zijn er de voornaamste dialekten van. Ook behoort daartoe het dualla en isobo, dat gesproken wordt door de stammen, die de landstreek tot aan den berg Camerones bewonen. De Bouvis, bewoners van Fernando-Po, spreken het batélé, dat geen groot verschil oplevert met de talen der kust.
Wij komen dus weder aan den equator, waar wij evenzeer talen met voorvoegsels vinden onder de volken, die aan de monden van den Niger wonen. Deze verschillende dialekten dragen verschillende namen; te Oud-Kalaban heet de taal effick; te Bonni, istoloma; te Yarriba en Lagos, nago; waarop het wéghé of crépé volgt; deze taal wordt gesproken door de Dahomans en de volken die van Badagri tot aan de Rio-Volta wonen. Daarna komen wij aan de Goudkust, waar wij dialekten vinden, die van het kass of agni zijn afgeleid, dat de moedertaal van het fanti en ashanti schijnt te zijn; het kass en agni worden gesproken in de moerassen van Groot-Bassam en Assinië, waar er eenige vreemde elementen bijkomen; zij strekken zich noordwaarts uit tot aan het Kong-gebergte.
De volken, die de streek tusschen St. Andreas en Kaap Monte bewonen, zijn over het algemeen bekend onder den naam van Kroumanen; men verdeelt hen in drie hoofd-stammen: de Grebos, op hunne beurt weder eene vereeniging van vele kleinere stammen, wonen van St. Andreas tot aan Kaap Palmas; de Mena, de Dey, de Diolas en de Wey aan de Peper- of Malequetta-kust, waar de Noord-Amerikanen eene kolonie van vrijgelatenen gesticht hebben onder den naam van Liberia.
De ména-talen hebben eene afzonderlijke groep uitgemaakt; daarop vinden wij de bantou-talen, die in zwang zijn van kaap Monte tot aan de Scarcies, rivieren die ten noorden van Sierra-Leone loopen. De dialekten der Bullom, der Timanies, die aan de Boven-Rokelle en hare monding wonen, behooren hiertoe, evenals de dialekten van Sherbro.
De talen van Afrika, in welke de wortels achter het zelfstandig naamwoord gehecht zijn, worden in twee groote groepen verdeeld: in de eerste is het achtervoegsel verbuigbaar, in de tweede onverbuigbaar.
De talen met verbuigbare voorvoegsels worden in Noord-Afrika vertegenwoordigd door de galla-, somala-, tibou-, en haoussa-talen, waarvan de verwantschap met het berbersch of arabisch misschien alleen bestaat in het gebruik maken der achtervoegsels; het koptisch heeft echter eene nauwe verwantschap met het hottentotsch.
Deze talen strekken zich ook over eene groote landstreek uit, begrepen tusschen de Atlantische, Middellandsche, Roode en Indische Zeeën; ook hebben zij zich een weg gebaand op de oostelijke kusten tot aan den zesden graad noorderbreedte, terwijl aan de Atlantische Zee de zestiende graad de grens van hun gebied is; zij snijden den meridiaan onder eenen hoek van ongeveer 20 graden, en scheiden de talen met voorvoegsels in twee ongelijke groepen, waarvan de voornaamste westelijk gelegen is.
In de talen, waarvan de Hottentotten en Boschjesmannen zich bedienen, hervindt men het gebruik van het buigbare achtervoegsel in al zijne zuiverheid terug; wij kunnen op dit oogenblik niet verklaren, waaraan deze overeenkomst van wortels en taalvormen is toe te schrijven, tusschen volken, die schier door een geheel werelddeel van elkander zijn gescheiden.
Als wij nogmaals talen met onbuigbare achtervoegsels willen vinden, moeten wij naar Noord-Afrika terug: deze vorm is wederom eigen aan het mandingo-ras. Deze dialekten worden aangeduid met den naam van mandé-téda; zij worden gesproken van den Boven-Senegal tot over het Kong-gebergte; het soninké en het malinké zijn er de voornaamste dialekten van. De rivieren, zooals de Gambia, de Kajamanja, de Rio Geba, de Rio Nunez, die Senegambië besproeien, volgende, banen zij zich een weg tot aan den Atlantischen Oceaan. Langs deze rivieren hebben de Mandingo nederzettingen gevormd.
In Midden-Afrika vindt men, als vertegenwoordigster dier talen, het kanouri, dat in Bornou gesproken wordt.
De Berberen schijnen de afstammelingen te zijn van de oorspronkelijke bevolking van Noord-Afrika. Zorgvuldig heeft men de betrekking nagegaan, die er bestond tusschen het berbersch en het ouralische dialekt. Eenigen hebben gemeend daaruit te mogen besluiten, dat Azië het uitgangspunt van dit ras is geweest, aan hetwelk zij ook de groote steenen gedenkteekenen toeschrijven, die in Europa en Afrika hunnen tocht zouden hebben gekenmerkt.
Deze theorie schijnt nog niet genoeg door bewijzen gestaafd, om zonder voorbehoud te kunnen worden aangenomen. Het kan niet twijfelachtig zijn, of de invloed van het berbersch is zeer sterk geweest, en heeft zich zeer lang doen gevoelen; in den ouden tijd was het toch algemeen de gewoonte, dat de overwonnen volken in het bezit hunner eigene taal en zeden werden gelaten; het is slechts aan de woeste geloofsleer der Arabieren, die Afrika aan de noord- en oostzijde zijn binnengedrongen, te wijten, dat er zulk eene vreeselijke verwarring ontstaan is, die oorzaak is geweest dat de afrikaansche volken, na de verkondiging van den Islam, andere woonplaatsen zijn gaan opzoeken.
De overlevering, die wij nog bij de Jolofs vinden, leert ons dat zij van het oosten zijn gekomen en zich langs de rivier den Senegal hebben gevestigd, wier linkeroever hun nu nog tot woonplaats strekt. Omtrent het vermoedelijke tijdstip dezer verhuizing kan niets worden gemeld.
Kordofan, waar wij eene zwarte bevolking vinden, wier taal eenige overeenkomst met die der Jolofs verraadt, zou wel het uitgangspunt van dit ras geweest kunnen zijn. Ook de Gangaris, meer bekend onder den naam van Sarrokolets of Soninkés, zijn uit het oosten gekomen; in de vroegste oudheid stichtten zij ten noorden van Masina een rijk, welks hoofdstad Oualata was. Tegenwoordig hebben zij hunne onafhankelijkheid alleen behouden in het land Galam, ook Gangara genaamd. Zij hebben een kaste van krijgslieden, de bakiris, en een priesterkaste, de saybolis, die den grooten volksraad uitmaken.
De Mandingos of Malinkés verlieten in het begin der middeleeuwen hunne woonplaatsen, vernietigden het rijk der Gangari, wierpen de andere zwarte rassen naar het westen terug, en stichtten een rijk, waarvan de aardrijkskundige Leo de Afrikaan melding maakt onder den naam van Mali. De Malinkés zijn krijgslieden. De heerschende kaste heet bij hen Courbari; zij vereeren de Kabiren.
Later zien wij de Bambarras, aan de Malinkés verwant, het rijk van Mali vernietigen, en aan de oevers van den Jolibaa of Niger, twee machtige rijken stichtten, waarvan het eene Djenné, het andere Sego tot hoofdstad had; tot Kaarta en Kasson voerden zij hunne zegevierende wapenen. Hun rijk is in den laatsten tijd vernietigd door den Foulah Hadji-Omar, die zich ook van hunne hoofdstad Sego heeft meester gemaakt. Een hevige strijd, waarvan de uitslag nog niet te voorzien is, wordt tegenwoordig door zijnen zoon Hamdou gevoerd tegen de verschillende elementen, die eenmaal dat rijk vormden.
Terwijl de Gangaris en de Bambarras van het oosten naar het westen getrokken zijn, hebben de Gallas of Oromos, van het meer Tchad komende, reeds in voorhistorische tijden, zich noordoostelijk gewend en zich op Abessinië geworpen, dat zij voor een deel hebben vermeesterd. De oostkust van Afrika is dikwijls de prooi geweest van geduchte veroveraars, die men aldaar nog onder den naam van Wasimba kent. Men meent dat deze nomaden tot het galla-ras behoorden.
De bewoners van het Nigerdal, even als de Foulahs en Jolofs, zijn van het oosten naar het westen getrokken. Ook hier meent men dat de uitbreiding van den Islam deze volken uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen heeft verdreven. Bij de Ashantis vindt men nog eenige overleveringen, die er op schijnen te wijzen, dat zij betrekkingen hebben gehad met het oude Egypte; hunne vestiging op de oostelijke helling van het Kong-gebergte is eene gebeurtenis van betrekkelijk jongen datum, die zeker niet vroeger dan de twaalfde eeuw heeft plaats gegrepen.
Het zoo uitgestrekte net van rivieren dat Zuid-Afrika overdekt, maakt er het verkeer veel gemakkelijker dan in het noordelijk deel. Evenwel vinden wij geenerlei aanwijzing aangaande de verhuizingen van de hier wonende horden; de reden hiervan ligt in de omstandigheid, dat deze streken verschoond zijn gebleven van de bezoeken der Arabieren, aan wie wij de weinige zekere berichten, die wij aangaande Soedan bezitten, te danken hebben. De volkomen afzondering der Hottentotten, die eene taal spreken met buigbare achtervoegsels, blijkbaar aan de koptische taal verwant, is zeer moeilijk te verklaren. Op welk tijdstip hebben zij Noord-Afrika verlaten? Hebben de Kaffers hen naar het zuiden teruggedrongen? Ziedaar onoplosbare vragen.
VII.
De machtigste stam der Mooren van den Senegal draagt den naam van Trarzas of Abencezarzas; eenige taalgeleerden willen in hen de afstammelingen der Abencerragen zien. De stamverwanten of schatplichtigen van de Trarzas strekken zich van Tiris, waar zij met de Ouled-Delim vermengd zijn, tot aan den Senegal-oever uit; hunne handelsplaatsen liggen tegenover Dagana.
In den oorlog draagt de Moor een vuursteen-geweer met twee loopen: een gevaarlijk wapen, omdat hij altijd een schot bewaart voor het geval dat de vervolgende vijand in zijne onmiddellijke nabijheid is; in den kleinen of tirailleurs-oorlog munt de Moor vooral uit; van de minste oneffenheden van het terrein weet hij tot zijn voordeel gebruik te maken; in het open veld maakt hij allerlei bewegingen en sprongen om te verhinderen dat hij als mikpunt gekozen wordt; een dolk, doorgaans van goede bewerking, maar slecht gehard, voltooit zijne wapenrusting. De Moor van den Senegal heeft een goed ontwikkeld hoofd, een bolrond voorhoofd, eenigszins uitpuilende oogen, een arendsneus, een grooten mond met dunne lippen, en sterke, scherpe tanden; zijn hoofd draagt hij fier rechtop, zelfs eenigermate in den nek geworpen; doorgaans gaat hij blootshoofds, zelfs als hij zijne golvende haren heeft verloren, hetgeen hem vroegtijdig overkomt.
Zijne kleeding bestaat uit een lange tuniek of koussab, een kleedingstuk dat hem tot op de hielen hangt; daaronder draagt hij een wijden, geplooiden onderbroek, die hem slechts tot aan de knieën reikt. Wasschen doet hij zijne kleederen nooit, en zich zelven maar zeer zelden: geen wonder dus dat de lucht die hij verspreidt nog onverdragelijker is dan die der negers; in den oorlog of op marsch, bindt hij zijn koussab op en gaat met bloote beenen en voeten.
De moorsche vrouwen paren aan eene groote sierlijkheid van vormen, fijnheid en bevalligheid; de vorming der handen en voeten laat niets te wenschen over. Jammer echter is het dat deze natuurlijke bevalligheden weldra verdwijnen onder een buitengewone vetlaag, want logheid is in de oogen dezer Oosterlingen het ideaal van schoonheid.
De stam der Trarzas wordt thans geregeerd door Ouled Mahomet el Habib; de voornaamste geslachten zijn: de Rhaclas, de Bouiedas, de Azounas en hunne schatplichtigen; de marabouts zijn gemeenlijk Zenajas-Berberen.
Het voedsel der Mooren bestaat uit kouskous: een soort van gierstepap of brij; voorts uit gierst, melk en schapenvleesch; zelden slachten zij ossen of kameelen; gestoofd schapenvleesch is eene lekkernij voor hen; deze geliefkoosde spijs verschaffen zij zich door gaten in den grond te graven, welke zij vullen met houtskool, en waarin zij het schaap leggen, na het van de ingewanden te hebben ontdaan; wil de lekkernij volkomen zijn, dan moet de huid er aan blijven.
Het voornaamste, en wij kunnen wel zeggen het eenige ruilmiddel dat de Moor bezit, is de gom, die uit de stammen van zekere acacia-boomen, welke men in grooten getale in de woestijn aantreft, druipt; de vereck levert witte, de neboued roode gom.
De bosschen van gomboomen bevinden zich in den Sahel (de kuststreek), twintig mijlen ten oosten van Portendick gelegen, en te Dubar, op vijf en twintig mijlen afstands van kaap Mirick; nog een derde woud, El Fata, levert, even als Tagant, eveneens eene groote hoeveelheid gom; het zijn vooral de Douaichs, die deze wouden exploiteeren.
Als de slaven de gom verzameld hebben, wordt zij in lederen zakken gepakt, en de stam begeeft zich op weg naar de oevers van den Senegal, waar men het met de handelaars over den prijs tracht eens te worden; de blauwe guinje geldt in den handel als eenheidsprijs. De kudden maken den voornaamsten rijkdom uit van de Mooren van den Senegal; deze kudden bestaan uit kameelen, ossen en schapen, welke men, al naarmate het jaargetijde zulks medebrengt, van de eene weideplaats naar de andere voert.