Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875
Part 2
Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid, dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de Hottentotten. Men vindt hen van den 28en tot den 33en graad. Hun plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen, die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn, maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.
De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda, en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft, niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort, hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;--dan zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine, naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner; te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die de moerassen van Assinië en Groot-Bassam bewonen, hebben een schoon gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene en majestueuze gestalte. De Kroumanen, die wij als wij verder gaan aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische, echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten, armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd: hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules, den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met de gouden appelen der Hesperiden in de hand.
Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke hoeken snijden;--dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig, de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de kleur steeds donkerder naarmate men zich van het zeestrand en van den equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten, die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten; bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.
Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag te doen.
De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van wortels leven, de Kroumanen en de Nagos, die physiek meer ontwikkeld zijn dan de herdersvolken. De ligging der woonplaats, hetzij wat de hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen, schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.
Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen, dan de invloed van klimaat of voeding.
Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden; de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit, dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren, evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt; terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel, dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.
Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.
V.
Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij verplaatsen dus den lezer op eenmaal midden in de Sahara. Men kent de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te lasschen.
De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen; zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging van vlakten, waaraan de zeelieden den naam van tafellanden hebben gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte dikwerf lager ligt dan die der zee.
Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woord woestijn steeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara, die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen, waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan; de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch; de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen deden denken, boden ons melk in nappen aan.
De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren (afgeleid van Mogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen: Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.
Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn, waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.
De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige, bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht, hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen, vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte steenen.
De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan; bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.
Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver, bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingen moeilijk; de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.
De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke strijders dragen dan den naam van tyab. Over het algemeen voeren de marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.
De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs, het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.
Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver, sbat genaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld, en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.
De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout, afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam van sebkha bekend staan.--De meest bekende sebkha ligt ten noorden van de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden van Afrika.
De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van Marokko, betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last willen bevrijden, door zich in betrekking met de fransche regeering te stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.
Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den invloed der beschaving zullen gewonnen worden.
Het land El-Gada, ten zuiden van Oued-Noun gelegen, ligt tegenover Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin, die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn, die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.
Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman; ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe, Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet, die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek, alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.
De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.
Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal, vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee, en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht, wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt, want dit berbersche woord beteekent woud.
Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik mij, in 1843, aan boord der Malouine naar de Canarische eilanden; en na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.
Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap, Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van 45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.
Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro; zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843 wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren in betrekking te stellen.
Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai, die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het adviesjacht de Lévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.