Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875

Part 1

Chapter 13,706 wordsPublic domain

LANGS DE KUST VAN AFRIKA.

I.

"Ik houd u omvat Afrika!" Het was met deze woorden, dat de groote veldheer der oudheid, Caesar, het slechte voorteeken trachtte af te wenden voor zijne bijgeloovige romeinsche soldaten, toen hij ter aarde stortte bij zijn eerste betreden der afrikaansche kust; en het is als of die uitroep ons uit alle tijden te gemoet klinkt. Alle eeuwen, van lang voor onze jaartelling tot heden, hebben het hare er toe bij gedragen, of er althans naar getracht, om een slip op te lichten van den sluier, die daar lag uitgespreid over het groote land ten zuiden der Middellandsche zee. "Ik omvat u Afrika":--reeds in den geest heeft een Hanno het geuit, toen hij zijn kustvaart aan gene zijde der zuilen van Herkules volbracht; en de groote ontdekker dezer eeuw Dr. Livingstone heeft, met een grenzenlooze, heilige dorst naar wetenschap bezield, gepoogd dit woord waar te maken, toen hij zich ten levenstaak stelde door te dringen in te voren nooit bekende streken. En toch hebben die meer dan vijf-en-twintig eeuwen, die er tusschen deze twee ontdekkers verloopen zijn, nog niet geheel dat grootsche doel dat men zich voor oogen stelde bereikt; toch blijft nog altijd het gezegde van Aristoteles waarheid bevatten: "Afrika brengt ons telkens wat nieuws!" Nog zijn er streken, die nooit zijn bezocht; wouden waar nog nooit de tred des Europeërs heeft weerklonken of zijne stem een echo heeft gewekt.

Aan ernstige, onvermoeide pogingen tot navorsching van deze geheimzinnige wereld, aan nieuwe ontdekkingen, aan belangrijken vooruitgang op het gebied der kennis van Afrika,--heeft het echter in onze eeuw minder dan ooit te voren ontbroken; met volle recht komt haar in dit opzicht de eerepalm toe. Moge er ook nog wel niemand geweest zijn, die het gezegde van den romeinschen imperator in dien zin heeft waar gemaakt, dat hij Afrika heeft doorkruist van Kaap Bon tot aan de Kaap de Goede Hoop, of van den Atlantischen tot den Indischen oceaan; toch kan onze eeuw er zich op beroemen dat zij de wetenschap met onschatbare gegevens over Afrika heeft verrijkt. Het hier volgende reisverhaal van den franschen vice-admiraal Fleuriot de Langle moge het zijne er toe bijdragen iets van die nieuwe ontdekkingen en waarnemingen ter kennisse onzer lezers te brengen, daar genoemde reiziger zich niet uitsluitend tot het varen langs de kust heeft bepaald, maar mede de aldaar opgedane indrukken, zoowel op ethnographisch als linguistisch gebied, te boek heeft gesteld.--Na eerst eenige algemeene opmerkingen ten beste te hebben gegeven over de kust van Afrika, de vroegere ontdekkingsreizen, en den slavenhandel, verplaatst hij ons aan boord van zijn fregat "de Zenobia", en voert ons naar de westkust van Afrika. Wij willen thans hem zelven aan het woord laten.

II.

Reeds sedert de oudste tijden is Afrika een geheimzinnig land geweest, waar de meest uiteenloopende rassen met elkander in aanraking zijn gekomen. De egyptologen verhalen ons dat Sesostris eene overwinning behaalde over een blauwoogig menschenras met lange, blonde lokken, dat het kustland der Middellandsche zee bewoonde.

Na de stichting van Carthago, dankte deze tyreensche volkplanting haren bloei slechts aan den handel; de zeevaart had op dat tijdstip grootsche afmetingen aangenomen, en de volkplantingen van Carthago strekten zich uit tot op de westkust van Afrika, waarvan deze staat den vorm en de uitgestrektheid nauwkeurig wilde leeren. Het verhaal van een dezer tochten, bekend onder den naam van "Omvaart van Hanno", is tot ons gekomen; en hoe verminkt het ook moge zijn, schijnt het toch boven allen twijfel verheven, dat Hanno ten minste den Senegal en de Gambia heeft bezocht.

Na de punische oorlogen, waarin Carthago het onderspit delfde, gingen de romeinsche landvoogden voort met den binnenlandschen handel te begunstigen. Een hedendaagsch reiziger, Duveyrier, meent dat het vervoer toen plaats had door middel van met ossen bespannen wagens; hij beweert zelfs dat de sporen van den destijds gevolgden weg nog zichtbaar zouden zijn. Men kan zich licht voorstellen hoe langzaam een dergelijke handel in zijn werk ging. Door de Arabieren werd de kameel in Afrika overgebracht; zij hadden die dieren in hun legertrein; en daar de kameel zich met schamel voedsel tevreden stelt, werd hij hier gemakkelijk inheemsch. De groote afrikaansche handel begint eerst na de verkondiging van den Islam: de ijver van een vurige bekeeringszucht, gevoegd bij de dorst naar winstbejag, den Arabier eigen, kwam alle moeiten te boven; in de karavanen trof men voortaan kameelen in plaats van wagens aan; zij waagden het nu zelfs de woestijn door te trekken. Eenige berichten, omtrent die reizen ingewonnen, zijn door verschillende arabische schrijvers te boek gesteld, en het schemerachtige licht, dat deze verhalen deden opgaan over geheel vreemde volken, prikkelde de weetgierigheid der reizigers, wier taak nog bij lange niet geëindigd is.

Sedert de studiën over Afrika in den smaak gekomen zijn, hebben de historie-schrijvers een ijverig onderzoek ingesteld, welke toch wel de eerste vlag moge geweest zijn, die in de nieuwere tijden, op de afrikaansche kust heeft gewapperd. De Portugees, trotsch op zijnen Infant Hendrik, aan wien hij de vlucht zijner marine dankt, duldde geen mededinger nevens zich, totdat onvermoeide navorschers er in geslaagd zijn aan te toonen, dat aan Frankrijk hier de voorrang toekomt. Bij onderzoek der archieven van Dieppe, is men tot de overtuiging gekomen, dat de bewoners van Normandië bereids vroeg in de middeleeuwen verre zeetochten ondernamen; en met zekerheid kan men vaststellen, dat er reeds in 1364 nederzettingen der Normandiërs op de afrikaansche kust werden gevonden, terwijl de oudste documenten, die de Portugeezen in dezen vermogen aan te wijzen, slechts tot 1418 opklimmen. Zoo is dan deze wetenschappelijke strijd in dien zin beslecht, dat een halve eeuw voor de komst der Portugeezen, reeds de fransche vlag op de afrikaansche kust wapperde.

De Portugeezen, die krijg hadden gevoerd met de Mooren, waren vijandig gezind tegen de deels mohammedaansche, deels heidensche volken van Afrika, die door hen werden uitgeplunderd en mishandeld naar welgevallen: zoodat hunne tochten dan ook voor hen zeer gevaarlijk werden, wegens den tegenstand dien zij ondervonden.

De fransche burger- en godsdienstoorlogen der vijftiende eeuw deden de tochten der bewoners van Dieppe uit het oog verliezen, en verzekerden de overwinning aan de portugeesche vlag. Uit de benamingen, die men zelfs heden nog aantreft in Afrika, blijkt echter, dat de bewoners van Dieppe hier de baanbrekers zijn geweest. De naam van la Mine op de Goudkust, eene nederzetting gesticht om zich den rijken goudhandel te verzekeren, bewijst dat. Ter zelfder plaatse stichtten de Portugeezen in 1481 een kasteel, dat het middelpunt en de sleutel hunner bezittingen op de Goudkust werd; en men wil dat men in de kapel van Elmina nog het fransche wapen heeft gebeiteld gevonden.

De handel dien de Portugezen aan den Senegal dreven, was altijd zeer onzeker; in 1591 was er in die streken nog slechts één Portugees te vinden; de inboorlingen van de kust van Guinea, eindelijk hunne wreedheden moede, hadden hen overal verjaagd en de Hollanders hadden hunne plaats ingenomen. Ook de Engelschen vertoonden er zich, en hielden zich bezig met ruilhandel te drijven, gelijk trouwens de eerste Europeanen, die op de kust van Afrika vasten voet kregen, over het algemeen deden.

Niet lang echter zou deze handel zijn onschuldig karakter blijven behouden; na de ontdekking en kolonisatie van Amerika, en de aankweeking van aldaar deels inheemsche, deels derwaarts overgebrachte en voor den handel belangrijke gewassen, kwamen er andere elementen in den afrikaanschen handel: men zag er weldra slavenmarkten, die bestemd waren hare koopwaar voor Amerika af te leveren. Tal van sterkten verrezen op de kust van Afrika, en met een te voren ongekende hardnekkigheid betwistte men elkander het bezit van de meest verwijderde en ongezondste streken.

In 1637 nam Frankrijk bezit van Saint-Louis. Deze haven bleef sedert de sleutel der fransche bezittingen op de Westkust van Afrika. Evenwel was men niet geneigd aan Frankrijk het bezit dezer haven en van dat gedeelte der kust, dat tusschen kaap Blanc en Sierra-Leona ligt, onbetwist te gunnen, en de hachelijke oorlogskans noopte het hof van Versailles een- en andermaal om zijne afrikaansche bezittingen af te staan aan meer gelukkige mededingers. De zeventiende en achttiende eeuw was getuige van hardnekkige worstelingen; doch sedert 1815 scheen men een ander inzicht gekregen te hebben in de wederzijdsche aanspraken en verhoudingen der mogendheden; van toen af kon er aan gedacht worden een zekerder regeling voor de toekomst vast te stellen. Meer dan eenig andere heeft dus de afrikaansche bevolking voordeel gehad bij den stroom van verlichte ideën, die onze eeuw met kwistige hand heeft uitgegoten.

Thans het een en ander over den slavenhandel: eene kwestie, die reeds vele ernstige gemoederen heeft bezig gehouden, en waarvan het dus overwaardig is, de verschillende ontwikkelings-phasen tot aan haar algeheele oplossing na te gaan. Van het begin af heeft men het noodig geacht den slavenhandel een masker voor te binden; de voorstanders beweerden dat het hun voornamelijk te doen was om de verwezenlijking der grootsche ideën: vrijheid voor de verdrukte Indianen, beschaving en Christendom voor de Afrikanen. Dit programma, wij behoeven het niet te zeggen, werd in geen enkel opzicht vervuld. De Indianen werden in de amerikaansche volkplantingen uitgeroeid; men stelde negers voor hen in de plaats; doch ook bij dezen stond het cijfer der geboorten in geenerlei verhouding tot dat der sterfgevallen, en ook zij slonken op hunne beurt weg. Steeds kwam er uit Amerika dringender aanvraag om nieuwe slaven, waarvan meestal de helft stierf alvorens de plaats hunner inscheping te bereiken, terwijl van de overgeblevenen zeer velen op de zeereis omkwamen.

Sedert 1792 begonnen er zich in het engelsche Parlement stemmen te verheffen tegen dit menschonteerend bedrijf. Men schatte destijds het cijfer der Afrikanen, die jaarlijks naar Amerika vervoerd werden, op tachtigduizend; maar dit cijfer bleek ver beneden de werkelijkheid: alleen St Domingo en de engelsche Antillen eischten zoo veel slaven, om hunne plantages aan den gang te houden. In de fransche en engelsche koloniën bevonden zich een millioen vijfmaal honderd-duizend slaven; in de spaansche koloniën vond men er twee millioen; niet minder waren er in Brazilië.

Naar eene stellig niet overdreven berekening, mag men veilig aannemen, dat jaarlijks niet minder dan tweehonderd-duizend negers uit Afrika naar Amerika werden vervoerd. Het kwaad was zoo hoog gestegen, dat eene reactie niet kon uitblijven. Het vervoer van deze tweemaal honderd-duizend slaven vorderde eene groote koopvaardijvloot, die jaarlijks aan verschillende artikelen, een waarde, gelijkstaande met deze menschelijke koopwaar, naar Afrika terugbracht. Frankrijk en Portugal deden zelven hun aankoopen van slaven en vervoerden ze. De groote winsten van dien handel wekten Engelands naijver op, dat zich weldra het leeuwenaandeel wist te verzekeren. Niet alleen toch voorzag het zijne eigen koloniën van slaven, maar het wist ook van Spanje het monopolie te verwerven van den slaveninvoer in zijne overzeesche bezittingen.

Tot aan den vrede van Aken 1748, werden de spaansche koloniën, ten gevolge van dit octrooi (asiento), door Engeland van slaven voorzien. Tegen een schadevergoeding van een half millioen francs, was Engeland toen geneigd, het systeem van vrijen handel in dezen te herstellen. Aan Engeland de schande, eenerzijds, dat het den handel op ongekend groote schaal heeft gedreven; maar aan Engeland ook, anderzijds, de eer, het eerst dezen onmenschelijken tak van handel te hebben gefnuikt. Bij het begin dezer eeuw, op het Weener congres, besloten, op een door Engeland daartoe genomen initiatief, de afgevaardigden der verschillende mogendheden den slaveninvoer in al hunne bezittingen af te schaffen. Het Weener congres legde de kiem tot die beweging, die de slavernij zelve wilde vernietigen, en welker geschiedenis wij kortelijk willen verhalen.

Na den vrede van 1815 herleefde alom de handel, na een langdurigen tijdperk van stilstand en achteruitgang. Ook de slavenhandel begon op nieuw, en nam thans, geprikkeld door den hoogen prijs der negers op de koloniale markten, een ongekende vlucht. In 1792 bedroeg het getal der uitgevoerde slaven tweemaal honderd-duizend: thans overtrof het dat cijfer nog. Strenge wetsbepalingen werden er in Frankrijk en elders tegen den slavenhandel uitgevaardigd: eindelijk werd die handel met zeeroof op ééne lijn gesteld. Frankrijk en Engeland zonden ook schepen naar de afrikaansche kust om aldaar te kruisen, en de misbruiken tegen te gaan, die er onder hunne vlag werden bedreven. Op tallooze manieren wisten echter de slavenhandelaars aan de kruisers te ontsnappen: zij hadden zulke lichte schepen, dat zij den snelsten zeiler konden ontkomen; en had men hen ook al eens met stil weder of in een baai verschalkt, dan werden de kruisende schepen nog om den tuin geleid door het hijschen eener valsche vlag of het toonen van valsche scheepspapieren, die de slavenhalers steeds in voorraad hadden. Engeland stelde ten laatste aan zijne bondgenooten voor, om aan deze schandelijke praktijken een einde te maken door aan de kruisers wederzijds het recht toe te kennen, zich te vergewissen omtrent de identiteit van de vlag der schepen, die zij ontmoetten in de wateren, welke door de slavenhandelaars werden bezocht. Dit recht werd, ten aanzien van Frankrijk en andere mogendheden, geregeld bij de conventiën van 1832 en 1833, welke echter Spanje, Portugal en Brazilië weigerden te onderteekenen, daar zij haar als strijdig met hun belang beschouwden. Met een som gelds werd echter de spaansche kroon tot medewerking overgehaald; en bij het snuffelen in hare oude archieven, kwam de britsche regeering tot de verrassende ontdekking, dat zij reeds het recht had, de portugeesche en braziliaansche schepen te onderzoeken: een recht, waarvan zij nu ruimschoots gebruik maakte. Gemengde commissiën zetelden op verschillende punten der afrikaansche kust, om, in twijfelachtige gevallen, de geldigheid van het aanhouden der slavenschepen door engelsche kruisers uit te maken. De admiraliteit van Sierra-Leona was zonder ophouden werkzaam; echter kon het overgroote aantal veroordeelingen, welke dit lichaam uitsprak tegen spaansche, portugeesche en braziliaansche schepen, die bleken slavenhalers te zijn, dien handel niet fnuiken, die juist door den tegenstand al winstgevender werd.

In de koloniën was de prijs der slaven verdubbeld; de fransche handel was weldra de brutale engelsche kruisers moede, en de klachten werden eindelijk zoo dringend en heftig, dat Frankrijk besloot in 1845 de conventiën van 1832 en 1833 op te zeggen, en zelf het opzicht over zijn vlag wederom uit te oefenen. Voor Engeland deed dit alles een ander licht opgaan: men begon in te zien, dat men, om den slavenhandel in de kiem te onderdrukken, beginnen moest om de slaven in Amerika vrij te verklaren; in de koloniën der britsche Kroon geschiedde dit reeds in 1838. Frankrijk volgde in 1848, en tegenwoordig vindt men geen slaven meer dan in Brazilië en in de spaansche bezittingen. Sedert het groote feit, dat een einde gemaakt heeft aan den amerikaanschen burgeroorlog, is ook dezen staten niets anders overgebleven, dan eveneens, wat vroeger of later, aan hunne negers de vrijheid te schenken.

Het Weener congres heeft alzoo het doel, dat het zich voorstelde, bereikt: de eigenlijke slavenhandel wordt tegenwoordig niet meer dan op zeer geringe schaal gedreven; slechts onder portugeesche vlag worden er nog slaven vervoerd. De gevolgen der neger-emancipatie in de amerikaansche koloniën zijn voor 't minst twijfelachtig; maar 't valt niet te ontkennen, dat de opheffing van den slavenhandel zeer gunstig heeft gewerkt op de inboorlingen van Afrika zelf.

Maar ook op den handel is die gunstige invloed merkbaar geweest. Tijdens de slavenhandel bloeide, werden alleen die koopwaren ingevoerd, waarmede de prijs der slaven werd betaald; na de opheffing daarvan werden de oude stapelplaatsen, door de eischen van den menschenhandel in het leven geroepen, niet alleen niet gesloten, maar zelfs nieuwe wegen voor den wettigen handel geopend. Verfstoffen en oliehoudende zaden zijn in zoo kwistigen overvloed in Afrika verspreid, dat zij voor den koophandel eene bijna onuitputtelijke mijn openen. In Senegambië begon men de arachide (een peulvrucht) met goed gevolg aan te kweeken, en men bevond dat de grond en het klimaat er zeer geschikt voor waren. De oliepalm of guineesche olijfboom (Elaïs Guineënsis) vormt dichte onafzienbare wouden, die zich van Sierra-Leona tot aan Angola uitstrekken.

Een nieuw tijdperk licht aan voor Afrika; werden er vroeger eskaders uitgerust ter bescherming van weerlooze bevolkingen tegen de gruwelijke misbruiken van menschenroof en slavenhandel: thans worden de afrikaansche kusten alleen door koopvaarders bezocht, die de schatten van den rijken bodem komen halen en ze inruilen voor de voortbrengselen der moderne nijverheid.

III.

De Zenobia, een oud fregat van vijftig stukken en met eene machine van tweehonderd paardenkrachten voorzien, verliet den 27sten December 1865 de haven van Toulon. De vice-admiraal, burggraaf Fleuriot de Langle, die zich aan boord bevond, moest het opperbevel overnemen over het eskader, dat ter bescherming dient van de fransche nederzettingen op de Goudkust.

Met prachtig weder verliet de Zenobia de kust van Provence, en weldra stevende zij door de golf van Lyon: een water, waar de zeelieden het in den winter niet op begrepen hebben. Allengs doemden op en zonken weg de hooglanden van Catalonië en van Valencia, en de spitse, kale kruinen der Balearische eilanden. Die spaansche kust.... welke herinneringen wekt zij niet al op! Waar nu Valencia ligt, lag eens de vermaarde stad Saguntum, de twistappel tusschen Rome en Carthago; en bij Cabrera denkt men onwillekeurig aan den hongerdood der fransche krijgsgevangenen, die aldaar van 1808-1814, tijdens den spaanschen oorlog, hebben moeten boeten voor de heerschzucht van hunnen Keizer.

Verder stevende de Zenobia. Murcia zinkt reeds achter de kimmen; kaap Palos, Alicante, Carthagena, gaan achtervolgens voorbij. Na kaap Palos uit het gezicht verloren te hebben, stak er een flinke bries uit het westen op, straks in een storm overgaande, dien echter de Zenobia moedig trotseerde.

Gibraltar lag weldra voor ons; en op den 1sten Januari 1866 wierpen wij het anker uit bij het kolenmagazijn, dat nieuwen voorraad leveren moest voor de machine, daar de voorraad, uit Toulon medegebracht, reeds verbruikt was.

Wie te Gibraltar komt, denkt misschien allereerst aan de oude legenden en mythen der zuilen van Herkules, maar zeker aan de verovering van Spanje door de Muzelmannen; aan het schitterende tijdperk van hun bloei; aan de eeuwen lange worsteling tusschen het Kruis en de halve maan; aan de eindelijke zegepraal van Ferdinand en Isabella: aan, ja ook aan de verovering van Gibraltar door Engeland, dat er zich sedert ruim een eeuw gehandhaafd heeft.

Weldra kliefde de Zenobia hetzelfde water, dat de Karthager Hanno, eenige eeuwen voor onze jaartelling, met zijne schepen doorkruist had; zij stevende naar het gebied der uit Spanje verdreven moorsche stammen, er verder naar de landen, door de echt afrikaansche rassen bewoond.--Na geworsteld te hebben met een orkaan, die ook de europeesche kusten teisterde, bereikten wij den Senegal, en bezochten de aldaar gelegene factorijen. Onze verdere zeereis zullen wij niet in alle bijzonderheden beschrijven: werpen wij liever een blik op het land en zijne bewoners.

IV.

Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen, bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun hals is buigzaam en sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten, die het geheel ontsieren.

De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren; hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd, een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.

Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte langs de kust van Malabar wonen.

De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen, zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.

In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote verscheidenheid van volkeren met een, over het algemeen genomen, grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.

Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal met buigbare achtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal onverbuigbare voorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen, die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.

Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.

De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunne koperkleurige huid heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende de Macololis steeds op het eerste gezicht.