Laatste verzen

Chapter 6

Chapter 61,928 wordsPublic domain

Ons toekome, God en vader, dat wij immer nader, nader . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ons toekome uw Koninkrijk.

* * * * *

Oorspronkelijk en van eersten af is 't God die mij dit leven gaf.

* * * * *

Moeder stond zij, vol van smerte, naast het kruis en 't brak heur herte, dat heur kind daar hangend was.

* * * * *

Komt, de stem die roept tot u.

* * * * *

Denkt gij, vriend, dat dat niemen en weet dat in uwen boezem geborgen, daar ligt het diepste van al, 't zij edel 't zij leelijk 't zij goed het zij kwaad, 't gezien heeft een ooge en 't bewaren, ontdekken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Hij zal . . .

* * * * *

Men durft er nog naar kijken nu: ze is nauwlijks overleden, ze lacht, of 't ware, en schoonder is ze, in de eeuwigheid getreden, als vroeger, daar zij lijdend lag en leelijk deed.

* * * * *

Mij schielijk is een vreemde ontroeringe ingevallen: is stervende iemand, of ben, veeg, ik zelf misschien bestemd om heen te gaan?

* * * * *

't En gaat geen een verloren, geen dingen dat bestaat, 't en wordt geen een geboren, dat heel en al vergaat.

* * * * *

Mijn schamel, schamel kind, hoe geren zou 'k het wezen van uwe eenvoudigheid zien staande blijven, dat . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Maakt pompen van canons en speiten van geweren, al 't vechten is voorbij, 't is vrede weere in 't land.

* * * * *

Broonood lijdende, lam ellendig, nooit verblijdende, en onbestendig.

* * * * *

Noch geld, noch wijn, noch brood en stilt den mensch zijn nood, daarbij begeert hij ook met herte en ziele...rook!

* * * * *

O vader, zorgt bevreesd dat 't kind u geren ziet, opdat gij nooit en vreest: dat kind en vreest mij niet.

* * * * *

Pinte, ponte, palingpot, loopt ermeê naar 't wagenkoot, loopt ermeê naar 't overbuur...

* * * * *

Waarom bemint u, kind, zoo zeer 't zij welke ontaarde ziele die kleen zijt, hulploos, arme en teer...

* * * * *

Ei! wat baat het slingervuisten, hadt gij nog zoo zware knuisten stondt gij nog zoo hooge en sterk...

* * * * *

Gij zijt, en zult het altijd wezen, zoo God u schiep, een vrije geest, geen lichaam, eene ziel, nadezen.

* * * * *

Ten dorse geschreden, zoo hing 't harnas hem loodzwaar om de leden.

* * * * *

Over hem Gods handen waken, vrij van schade en schandeaanraken, waren ze 't...

* * * * *

De dood, wat is de dood, herdenkt, o mensch, een stonde.

* * * * *

Noch wulvengier, noch evertand, en vreest die heeft gezond verstand,

* * * * *

Met uw vuil en stinkend vat vol gouden vruchtbaarheden.

* * * * *

Als ik jong was, zoo verlangde ik, dag op dag, naar iets of wat,

* * * * *

Dien man zie ik geren rusten, zie 'k geren slapen gaan.

* * * * *

Doet hetgeen gij moet, doet al dat gij doet[1].

[1] VAR. III:

Doet hetgeen gij moet, Doet hetgeen gij doet, Gebaren is niet goed.

* * * * *

En zeggen, zeker nu, zoo zult gij bij uw zelven

* * * * *

Geen bandenbrekend leven menigvuldiglijk...

* * * * *

Het leven is zoo kort, men kan 't niet wel genoeg verleven.

* * * * *

Heel verarbeid, heel vermoeid, zit nabij den boord te wachten

* * * * *

Hoe schoon de weerde schat ook zij, 'k en zal hem nooit beminnen[1].

1 VAR. II:

Hoe schoon de schat ook zij, Nooit zal ik hem beminnen,

* * * * *

Hoe eer ik ware dood geweest, hoe min 't hem ha' gespeten

* * * * *

Hij riep met luider stem, daar alle dingen zwegen

* * * * *

'k Voele een traan mijne oogen ontzwellen. als ik denke: 't is voorbij[1].

[1] VAR. V:

'k Voele een traan mijn oog _ontwellen_.

* * * * *

Maar haalt mij ievers een die half zoo eerbaar in zijn . . . . .

* * * * *

Wij hebben al niet veel anders meer, maar wij hebben nog vlaamsche leute[1].

[1] VAR.

W'n hebben niet veel meer ander Vlaamsch, maar w' hebben nog vlaamsche leute.

* * * * *

Zoo is uw hand, zoo weze uw hert.

* * * * *

Het leven, welk geluk was het, met Adam's zonde en zeer besmet?

* * * * *

Kleene visschen, zoo luidt het lied, en dappere dieven, en vangt men niet.

* * * * *

Handhaaft u brood van hand, maar niet van herten.

* * * * *

Daar is hij, roept er een, loopt weg, hij gaat u vangen!

* * * * *

vol goedheid en vol vriendschap onversleten . . . . . . . . .

* * * * *

Waar haalt hij 't uit, waar haalt hij 't al.

* * * * *

Verre van ouders, verre van huis, verre van

* * * * *

_Erumpunt_.... Bottende, en om uit te bersten, ziet mij al die boomen staan zoo de naasten zoo de versten, zwellen doen ze en zwaar nu gaan: daar 't nu zwart is, zal 't geworden lente zijn, van einde te orden, loopt het nog twee nachten aan.

* * * * *

Waarom, waarom bemin ik toch den donder? Ontleedt, o gij, die wijs zijt, mij dit wonder.

Ik hoore heel den nacht het gulzig slokken van die gote daar.

* * * * *

Hoe dood, hoe dood, in al de levendheden der lieve lente, staat gij daar onlief alleen....

* * * * *

Waar gaat gij, o geest van de blomme, wanneer zij 't leven moet laten en liggen.

* * * * *

Hebt toch meelye, menschen, meelye met de schoone boomen Gods!

* * * * *

De boomen roepen allen, overluid en lang: wat loopt gij, stoere stormen, boos en bulderachtig voorbij op onzen hals.

* * * * *

De bleekgroene schaaiaards, nog nauwlijks geblaard, rijên, hooge in de wolken, hun' lochtige vaart.

'k Zie u geren blauw en blank, blank en blauw geweven wolken

* * * * *

De mane zit en ziet dat aan; ze schijnt te zeggen: 't is avond nu en 't geen mijn zuster zonne zag is henen: rust nu wat en nederleggen de zorge gaat van dezen zwaren dag.

* * * * *

Ik weet een hoeksken in den hof, en, daar geborgen, ontvluchte ik voor 't geweld der luide levenszorgen. Verheven is 't van de aarde, op oude bouwselbraken, met boomen overal omzet, en 't zonneblaken en vindt het morgens noch des middags; op nen stoel ontduike ik dikwijls daar . . . . . . . en 't geterg des werelds . . . . . . . en daar en vindt des morgens mij daar zittend immer niet noch middags; menschenloos . . . . . . . . . . . . . . zijt God die mij daar ziet.

* * * * *

_Pisseblommen._ 't Weer is helder lauw en zoet zoo 't niet elken dag en doet. Laat mij in de groene weiden, bij der hand, u henenleiden, 'k zal u blomkes nu en dan toogen en gij zult daarvan later dit en dat mij klappen, nopens blomkes eigenschappen. 't Blomke dat ik liefst van al zie en altijd blijven zal geren zien zoo lange er bloeien, ziet het daar beneen u groeien, reis en reis met de eerde, daar strekt zijn zedig loofgeblaar, en men ziet zijn groen verterre maar van bij en nooit van verre . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . wilt gij weten hoe ze nommen? 't zijn, met oorlof, pisseblommen.

* * * * *

Uw vlerk, aan 't werk in 't zwerk, zweeft zwierend deur de wolken, o tier- end dier dat hier en ginder almedeens

* * * * *

Tallen tijden kan men nu versche blommen bloeien zien, bloeien te aller steden.

* * * * *

Bolle kake, roode mond, och, hoe zal 'k het zeggen, witgetande, blij en blond

* * * * *

Thorhout, Thorhout, heilige stede, wist gij waar uw voet op staat; wat uw' bosschen rooken dede, wat uw naam vermoeden laat.

* * * * *

Steenratjes waar hebt gij van den nacht geslapen?

* * * * *

Wat zei dat vinnig stemgepiep dat uit dien boom mij tegenliep en groette.

* * * * *

Men kan aan de dieren zoo vele doen zeggen, en spreken ze niet.

* * * * *

De zage zucht en kerft het hout in kisteberd, in korsten

* * * * *

O meulewal, met al 't geheugen der schuldelooze onnoozelheid mij vóór uw' voet en lief geheugen

* * * * *

Hoe schoon, hoe schoon, wat zal ik anders zeggen, hoe schoon, hoe schoon en van geen menschenmacht (_wolke met zwart haar dat er bij lange klissen uitschiet_).

* * * * *

Zwarte eeken, olmen, donkergroene esschen, abeelen die grauwt

* * * * *

Gij merelaar met uw zwart habijt en uwen bek van goude, wat wondere ik hoe gij blijde zijt

* * * * *

Hoe stille is 't om de stad nu hier is 't op de kwaadste dagen verdragelijk, als 't kiezinge is of lotinge

* * * * *

Hoe schoon zijt gij van verre uit uw beggijnhofboomen

* * * * *

O wat is 't toch lief getal rondom mij en rondom al

* * * * *

O zingend kind, en wist' gij niet en zongt gij zoo 't de vogels doen

* * * * *

't Was op nen dampen donkeren dag, 't was 's morgens in de vroegte

* * * * *

De zonne is weg die liên en land verblijdt, en 't vlugge volk van 's hemels harpenaren

* * * * *

Den nieuwen wegel werpt de zon vol oosterlicht,

* * * * *

Zegt mij hoe de sterren worden, zegt mij

* * * * *

Ze beven door de lucht, de duiven

* * * * *

Ik ben eens verre weg, bij donker nacht, gereden

* * * * *

En stoort de vleugels niet, ze zijn zoo bezig.

* * * * *

Van boomen die roerloos, en schoon zichtbaar, in den smoor bedolven staan. En die eer gedroomde boomen als gewisse boomen zijn

* * * * *

Eer dauw en dag, eer dag en dauw

* * * * *

't Is stille, stille allengskens, en 't is avond weer aan 't worden.

* * * * *

De wereld draait nochtans.

* * * * *

't Molenzeil, dat, bruingeboend

* * * * *

De wind die uit de stikken waait.

* * * * *

Hebt gij ooit een peerd zien pinnen?

* * * * *

Ik heb nen dreupel dauw gedronken, gesmaakt, geweeklaagd en geweend...

* * * * *

Peerden van de dood gelijk

* * * * *

't Zij van oost of west of waar

* * * * *

Doomend lijk een reukoffrande

* * * * *

Ach, herontsteekt de lampe toch

* * * * *

Wat groot gebouw daarin wij wonen mogen

* * * * *

Brijkroode oude wanden

* * * * *

Ik weune bij de zee, de blauwe zee, de baren ze staan tot in mijn huis, en de onafmeetbaarheid

* * * * *

Welgekomen zijt mij allen, die na duizend ongevallen, op des werelds wilde zee, zoekt en ziet de blijde haven

* * * * *

Vijfden van de sture maand, die des winters wegen baant

* * * * *

o Sneeuw, gewolde dracht der witte wintervelden

* * * * *

Men hoort dat 't koud is

* * * * *

Gekeend en gespleten van koude is mijn vel

* * * * *

De Maarte komt besneeuwd

* * * * *

Half rood, half groen de hagen staan, half beukenhout, half ieuwen; ik hope dat vrouw Lente zal verneschen en vernieuwen dat dood nu is;

* * * * *

in tusschentijd mij wellekom gij, winter, zijt omdat gij . . . . . . .

* * * * *

De dagen langen nauw genoeg, maar toch, ik kan bespeuren

* * * * *

Gij, winden, kunt o--o-- o--o--o--o-- o--o--o--o-- ik bidden kan.

INHOUDSTAFEL

Blz. 't Er viel 'ne keer 1 Onbevlekte Vrouwe 4 Mijmeringe 6 Moederken 8 Sint Jans Vier 9 Bast van murwe Wijngaardbezen 12 Perels 13 Serenum erit 14 Imber abiit 16 Octoberboomen 18 Aan......? 19 De XIV stonden of de bloedige dagvaart des Heeren 21 De eerste stonde: Gevonnist 25 De tweede stonde: Naar Golgotha 26 De derde stonde: Eerste val 27 De vierde stonde: Maria 28 De vijfde stonde: Simoen van Syrenen 29 De zesde stonde: Veronica 30 De zevenste stonde: Tweede val 31 De achtste stonde: De weenende vrouwen 32 De negenste stonde: Derde val 33 De tienste stonde: Ontkleed 34 De elfste stonde: Gekruist 35 De twaalfste stonde: Gestorven 37 De dertienste stonde: De VII wee'n 38 De veertienste stonde: En begraven 39 Vriendenzoen 43 Ik droome alreê 46 O Band 47 Wij naderen 48 Zegepraal 50 Die mijn hert bemint 53 Half April 54 Groeninge'ns Grootheid 56 In Speculo 63 Twijfelzonnig 65 En daarmeê al 67 Jantje 69 Zwart 70 Loofgebouw 72 Spreeuwen 73 Wederwijven 75 Excelsior 76 't Scheerwiel 78 De Doornenboom 80 Quis nos separabit? 82 Mietje 83 Zonhoeden 84 Buigen of bersten 86 Cytisus Laburnum 89 Gierzwaluwen 91 Pascent in Æthere Cervi 93 De Sperretakken 94 Sambucus Nigra 96 Bignonia Catalpa 99 Beziet die booze Katte 101 't Is stille 102 Het gulden Vlies 103 Hebt meêlijen 105 De Leye 108 Duiven 113 Musschen 115 De Dageraad 117 Nevelduisternis 119 Windtocht 122 Aksternesten 124 Lentegroen 126 Voorbij 128 Wie is als God? 129 Och ware ik 131 Getijden 133 Cinxen 134 Duc nos quo tendimus 135 In 't Riet 139 Sorbus Aucuparia 141 ... Aan den Lindeboom 143 Bladerval 145 Ego flos 147 Platanus orientalis 150 Slaaplied 152 Krommenisse 154 Verlorenbrood 155 Goddelijke beschouwingen 156 "Vader overleden" 169 Requiescat in pace 171 Uit de Diepten 173 Het Vlaamsche volk 176

ONGEDAGTEEKENDE GEDICHTEN EN ONVOLTOOIDE "SLAPENDE BOTTEN".

De Boodschap 181 Hosannah 182 Weggeroofde Lelie 183 Gelijk de arme pelgrim 184 O liefste Jesu zoet 185 Gekruiste God 187 Ave Regina 188 Aanziet de kraaien 189 't Was 'n ware! 190 Mocht zulk een Tale 191 Slapende botten 193