Laatste verzen

Chapter 5

Chapter 53,314 wordsPublic domain

Hoe kon dan ievers iet, uws nillens, blijven staan, van al dat staande blijft, een stonde? Zou het leven niet, zonder uwen roep, die dooden wekt, begeven? Zou al dat wezen heeft niet wezenloos vergaan?

Gij spaart intusschentijd, al 't uwe en ongespaard en laat gij wicht van al dat lief u is; vernielen en zal de zielendief, o minnaar van de zielen, hetgeen gij, 's Heeren goede en zoete geest, bewaart[1].

1898.

[1] Boek der Wijsheid XI, 21-27; XII, 1.

* * * * *

Hoe dankbaar moesten wij, ontfermnisvolle, wezen, u, grooten, goeden God, en die, van jongs af aan, nooit anders ons en hebt als immer goed gedaan: 't zij, niet zijnde, ons gemaakt, 't zij, dood zijnde, ons genezen?

Niet eer en leefde er licht in ons, en rechte reden, of wij erkenden, wij geloofden u, o Heer; beminden u, dien wij erkenden, immermeer en brachten u den lof onschuldiger gebeden.

Wij waren, aan de hand van ouders en van vrienden, geleidsmand en geleerd; wij zaten, door uw kerk, als teêre vogelkens geborgen in de vlerk van al uw goedheid, die geen goedheid en verdienden.

Hoe komt het dan, dat wij, die al uw goedheid wisten, al uw bermhertig, al uw vaderlijk voorzien; u varen lieten en, zoo dikwijls, bovendien, hetgeen gij geren gaaft al roekeloos verkwistten?

Te spade en is het nooit te leeren en te weten, dat u te weten ons rechtveerdig maken zal; dat gij ons redden kunt en wilt, die immers al rechtveerdigheid, o God, en macht zijt, ongemeten.

Och, laat, van nu voortaan, voor goed ons herbeginnen te leeren wat gij zijt afgrondelijke schat van liefde en leven; laat ons u, in Sion's stad, onsterfelijke liefde, onsterfelijk beminnen!

1898.

* * * * *

Nog nauwelijks hebben wij den mond aan 't glas geleid der hemelschale, die, vol bruiloftswijn geschonken, ons de al te milde hand van God heeft voorbereid, of dadelijk ontspringt ons herte en, liefdedronken, vereert het u, o God, zijn volle dankbaarheid!

1898.

* * * * *

Verwonderd zien wij uw almachtig Voorbeschik, wijl de eeuwen ommegaan, de vaste gronden bouwen van 't Huis- en 't Kerkgewelf, dat, aller hellen schrik, dat aller menschen heil die op uw woord betrouwen staat eeuwig, Godvast, nu en elken oogenblik.

1898.

* * * * *

Belofte is al die Gods[1] goe vrienden zijn, gedaan, dat, als zij, zalig, eens het Leven binnentreden, zij wezen zullen zoo de vorsten zijn, voortaan, die heerschen in 't gebied der hooge hemelsteden, en die, naast Michaël, getrouw zijn blijven staan.

Zoo zal Jeruzalem, des vreden vrije steê, van al Gods kinderen de moeder eens bedijgen; veel vreemde steden zal God ééne stad ermeê doen worden om alzoo 't getal bijeen te krijgen van 't Volk, dat eeuwig hem behooren moet, in vreê.

't Getal der Heiligen en weet geen een; 't getal geen een, der geesten, die Gods heiligdom ontvielen: toch weten wij hoe uwe ontvorste zetels al, o Hemel, zetten eens vol vrijgemaakte zielen de milde moederschoot van Roomsche Kerke zal.

O Roomsche Kerke, die, als kinderloos veracht, als barre wildernisse, op aarde, wierdt verwezen, hoevelen zijnder, die ge in 't leven hebt gebracht of die ge in 't leven nog zult brengen? In 't nadezen, hoevelen zijnder, die Gods wil van u verwacht?

Hij weet alleen hoe groot is nu zijn eigen diet, hoe groot het wezen zal hierna, die alle zaken geschapen heeft; _die al dat wezen heeft of niet te voorschijn roepen_ en[2] _kan_ maken of ontmaken: ie 't al op mate, wicht en tel geworden liet.

1898.

[1] Augustinus. _Enchiridion de fide spe et charitate_, hoofdstuk IX, t. 29.

[2] Ad Rom. IV, 17.

* * * * *

o Heere, God, uw licht hebt ge, en genade, mij gegeven, daarbij mij dieper, nu als ooit, is in de ziel gedreven, dat u alleen, o gever goed van 't waar geloove, ik danken moet.

Zoo helder als de zonne, straalt de grootheid uwer gave 't onschatbaar, hemelsch licht, daaraan mijn herte ik langend lave. Wie kent er... Ik en kenne geen zoo onbederfbaar edelsteen.

Noodwendig is 't geloove, dat begrijpe ik, en geen zaken, geloove ik niet, en helpen mij ter zaligheid geraken: mijn eigen goed of ware 't al, 't geloove alleen mij baten zal.

Mijn wille en mijn verstand ben ik bereid, ten allen stonde, te vellen vóór uw voeten om één woord uit uwen monde: zoo is het en, die Waarheid zijt, betaamt het u, ten allen tijd.

Mijn redelijk verstand betuigt, dat 't zoo behoort te wezen; en, komt mijne arme onwetenschap daartegen opgerezen, 'k geloove en helpt o God, voortaan, mijn ongeloove ook rechte staan!

Heel vaste en onberoerd is mijn geloove: niets en is er, van al dat ooit onloochenbaar of waarheid was, gewisser: 'k geloove en, uit mijns herten grond, bedanke ik u, ten allen stond.

'k En was maar eerst geboren, of gij goedheid zonder gronden, 't geloof hebt in mijn herte diep, als heblijkheid, gezonden; g' hebt levende als een zaad, voortaan, 't geloove in mij doen wortel slaan.

In 't Doopsel is 't geloove mij, als deugd, eerst ingegeven, die werkzaam, is ontwaakt en, met der daad, in mij gaan leven, zoohaast haar en verstandigheid en wil den weg had voorbereid.

Zoo is t, door uw genade, o God, en 't leeren uwer Kerke, dat eindlijk mijn gelooven en mijn willen kwam te werke: door ouders, herders, vrienden goed, geholpen eerst en opgevoed.

't Geloove was mij, 't leven door, een licht en, langs de paden des werelds, heeft het, recht en wel, mij, schamel mensch, geraden: het heeft mij, vaste en onverkeerd, de waarheid uwer wet geleerd.

Het heeft mij, daar, och arme, ik was gevallen of gaan dwalen, weêr opgesterkt, mijn stappen mij doen wenden, doen herhalen: dat leed was, af- en weggedaan; dat goed is, al, mij toegestaan.

Ootmoedig, eerbiedvuldig, zal uw gave, o God, ik dragen, tot 't einde toe mijns levens, en, daar 't nood doet, hulpe vragen; totdat mijne ooge uw weerglans niet, maar vlak uwe eigen wezen ziet.

Intusschen, wille ik doen alzoo 't geloove leert en winnen meer wetenschap om God, voortaan, meer wetend, meer te minnen. Zoo weze 't mij en alle liên, die blind eerst, nu den dagraad zien.

Die blad voor blad, heeft opgemaakt dit werksken, wenscht, bij dezen, dat 't voordeel doe aan allen, die 't godvruchtig willen lezen; opdat uw' name, God en Heer, vereerd zij, nu en immermeer.

1898.

1899

"VADER OVERLEDEN"[1]

o Al te kwade boodschapper, die, bitsig als een horselbie; die, stekende als een degenstoot; die, snel gelijk den bliksemslag; die, stom en doof, noodzakelijk, te mijwaard op de snaren komt gevlogen van den teekendraad! Te gauwe, ach armen, vindt ge mij en biedt gij, in uw bitsigheid, de boodschap,--en geen troost daartoe!-- dat "_vader overleden_" is! Ge'n zegt niet hoe hij, vroomgezind, zijn kruise en zijne ellenden droeg; g'en zegt niet, echt en recht, hoe hij onwankelbaar geloovig en betrouwende in Gods goedheid was; g'en zegt niet hoe, beneên den bast van buitenwaardsche onteederheid, hij teêrheid in zijn herte borg; g'en zegt niet hoe, van 's morgens vroeg tot 's avonds, hij was werkzaam; hoe 't gevaar hij niet en minde, niet en vreesde, daar 't de plicht beval: g'en zegt niet hoe nauwkeuriglijk hij omzag, daar te zorgen viel voor kinderlijke onschuldigheid; g'en zegt niet hoe noch wat hij was, vóór God en vóór de menschen: gij en steekt me.... en gij en stoot me maar door 't herte, dat hij henen is, mijn broeder! Van geen zielenruste en rept gij!--Och, hoe herteloos doorslaat mij nu die bliksemslag en biedt hij mij, in zijn bitsigheid, de boodschap,--en geen troost daartoe!-- dat "_vader overleden_" is!-- Zijn ziele God genadig zij! o Al te kwade boodschapper!

KORTRIJK, 1/1 '99.

[1] "VADER OVERLEDEN" _was de tekst van een telegram meldend de dood van 's dichters broeder_, ROMAAN GEZELLE, _kunstvuurwerker te Brugge_.

REQUIESCAT IN PACE![1]

Ze hebben hier hem neêrgeleid, in de aarde der gestorvene, den kunstvierwerker, aan en bij Zijn grafsteê is[2] het oefenperk, daar dagelijks men schieten hoort en poffen van geweerschot. Wij stonden en wij horkten, in de stilte van den morgenstond, naar 't halfgezwegen lijkgebed, dat iedereens begroetinge is, die komt alhier. In 't oefenperk, daar schoten en daar poften ze zoo dapper, dat het, spotgewijs, den doode scheen te gelden. Hem die menigmaal tienduizenden deed roepen: "Och, hoe wonderschoon het schittert!" als hij bommen schoot in 't luchtgewelf, bij nachte. Neen, nu ligt hij daar en zien en kan noch hooren hij 't geweergeschut, dat henenbarst, omtrent hem. Nu en weet hij van geen duizenden, die, opwaards ziende, roepen hoe 't al hemel vier en vonke is. Geen volk en ziet hij vluchten en geen kinders, op den arm getorscht, die schrikkend schreeuwen. Poppen nu en raderwerk en ziet hij meer, die breken, braken, branden, schier alsof de lucht vol sterren en vol bliksemende zonnen zat. Het vier, dat in zijn herte leefde, is uitgedoofd: hier slaapt hij nu! Wij stonden daar...tienduizenden? Neen, twintig stille vrienden, die, omleege ziende en sprakeloos hem volgden, daar hij henenvoer voor eeuwig; die beminden hem, ten grave toe en verder nog! o Waker, die de dooden hier bewaakt, in uw gebeden hem indachtig zijt: des morgens, als de nooit vermoeide zonne uitgaat en leven strooit in 't doodenveld. Des avonds, als 't al slapen gaat en, moegeleefd, te sterven zoekt een stonde of twee; indachtig hem dan weest, aleer gij slapen gaat. Des nachts, als heel uw kudde ligt omtrent u, hunnen herder, dien alleen de lieve zonne zal ontwekken, als het morgen is: indachtig weest den doode dan, als 't leven u de ruste ontzegt.

KORTRIJK, 8/1/'99.

[1] _Bij de begraving van_ ROM. GEZELLE; _zie voorgaande stuk_.

[2] _Aan 't stedelijk kerkhof, te Brugge, paalt het plein voor schietoefeningen._

UIT DE DIEPTEN.

Ik hoore 't klokspel nauwelijks, en nauwelijks de slagen, die slaan de lange stonden van de stomme winterdagen; 't is doof omtrent mij alles, en schier dood, hetgeen mij moed, mij mannelijken wil, te mets, en kracht in 't herte doet: daar zit entwat in 't luchtgewelf dat krank is; dat, beneden die krankheid, armen mensche, mij doet krank en ziek zijn, heden.

Wat is dat? Aarde of hemel, wat ontbreekt mij nu, die wanen mij vrij van alle zorgen dorst, nog onlangs; die, de banen des levens gei doorgaande, hield den zin op u gericht, o zonne, die mij tegenblonkt in 's hemels aangezicht! Waar is nu alles henen en hoe zitte ik hier, gekrompen, vernederd en ontzenuwd, in des winters doove dompen?

Ach! wis is mij de dood omtrent en, heimlijk aangekropen, des nachts ong' hiere duisternisse in 's herten grond gedropen; de droefheid,--of ik blijde was en helder eens van zin,-- op mij heeft heure vuist geveld en giet mij tranen in. Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u, o troostloos ondervinden der zware weemoedsketenen, die nu mij nederbinden?

Waar vluchte ik mij? Waar schuile ik, of wie zal mij....? Zal ik vluchten, die bidden kan; die God bij mij, voor bijstand, heb: die zuchten in de oore Gods mijn lijden kan; die, sprakeloos, verstaan bij hem kan zijn; die, schaamteloos bij hem kan binnengaan? Aanhoort mij dus, o Vader; uit de diepten roepe ik henen; "Ontferme 't u eens dooden en uw licht zij mij verschenen!"

Gij ook zijt eens in 't graf geweest, drie dagen en drie nachten; gij ook hebt uwe onlustigheid geklaagd; als al uw krachten begaven u, om hulp gebeên, die aller hulpe en troost, God zelf, voor mij te lijden en, gegalgd, te sterven koost. Ontferme 't u eens stervenden, die, naast u, neêrgebeden in 't graf van zijne ellendigheid, verrijzen wilt ook, heden!

KORTRIJK, 15/1 '99.

HET VLAAMSCHE VOLK

Wanneer, wanneer zal 't hier in Vlanderen zoo 't vroeger ging, eens weder gaan? Of mag 't niet meer dat is, veranderen, moet immer valsch de klokke slaan? o Neen, o neen, de duinen daveren de kerels zijn weêr opgestaan: Van hier, onvlaamsche volksbeschaveren, het jonge Diet is vrij voortaan.

Te lange alreê zijn oud- en jongen het vreemde woord gewend alhier, en 't Vlaamsche lied op Vlaamsche tongen doen galmen, 't is een schande schier. 't En zal niet meer zoo 't was geschieden: de kerels zijn weêr opgestaan: het vrije lied past vrije lieden en 't jonge Volk is vrij voortaan.

Welaan, wie zal den stroom beteugelen, die breken wil door boei en band? Wie kort het Volk zijn' vrije vleugelen wie temt het jonge Vlanderland? Geen zuiderlings ontaarde krachten: de kerels zijn weêr opgestaan hun stem en zal geen dwang versmachten, het Vlaamsche Volk is vrij voortaan!

12/1901.

ONGEDAGTEEKENDE GEDICHTEN EN ONVOLTOOIDE "=SLAPENDE BOTTEN="

DE BOODSCHAP

De boodschap uit des Heeren woon 't geheim des Heeren boodschappend, begroet ze vol genaden, die zal Moeder Gods en Maged zijn.

De Maagd bezoekt de moeder van Johannes, haar in 't bloed verwant, en ongebaard verkondigt hij dat Jezus reeds geboren is.

Het woord dat vóór alle eeuwen uit des Vaders wezen wierd, verschijnt, het sterflijk uit een' Moedermaagd gesproken God- en menschenkind.

Het kind wordt in Gods huis gebracht, die 't al gebiedt hoort man's gebod en, afgekocht om niet bijkans wordt hij die ons verlossen zal.

Hymn. in off. ss. Rosarii.

HOSANNAH

Hosannah zingt, 't is palmendag. Jerusalem, slaat open uw' deuren al, komt uitewaard, en kust, in 't zand gekropen, het voetspeur en de stappen van het veulen, dat vol eer is voerende in Jerusalem --Hosannah zingt!-- den Heer!

WEGGEROOFDE LELIE

Weer een weggeroofde lelie uit des werelds doorenveld, na des levens rampmartelie, hooge in 's hemels hof gesteld.

't Maagdenlijkske is afgemalen, tot den laatsten vezel af: niet en kwaamt gij nederhalen, dood, bijkans, in 't duister graf.

Wederom, en vrij, geboren, vloog het zielke hemelwaard: dood, gij hebt den strijd verloren, 't leven hebt ge, o dood, gebaard.

GELIJK DE ARME PELGRIM

Gelijk de arme pelgrim getreden komt, die pijn heeft en honger geleden om 't zoolange, zoolange geduren van de reize, toch eindelijk de muren kan zien rijzen, nog blauwende in den morgenstond van 't huis waar hij moeders bezorgen vond.

O LIEFSTE JESU ZOET

Ik wil mij gansch u geven nu, o liefste Jesu zoet, den loop van al mijn leven u mijn herte en mijn gemoed. Aanveerd dat herte en 't uwe zij o Jesu ook gegeven mij verwisseling van liefde doet met mij o Jesu zoet.

'k Beminne u uit der maten zeer, o liefste Jesu zoet. Gij zegt dat ik u volgen, Heer en u beminnen moet, ik vrage u dan, o Jesu kind, die kinderherten meest bemint, dat gij mij 't alderhoogste goed in u beminnen doet.

Van herten zijn wij één voortaan, o liefste Jesu zoet, ik wil door alle smerten gaan, door allen tegenspoed en sterven zal ik onversaagd, zoo Gij mij in uw herte draagt en nimmermeer daaruit en doet, o Jesu, Jesu zoet.

GEKRUISTE GOD

_O crux ave, Spes unica Mundi Salus et gloria, Auge piis justitiam Reisque dona veniam._

Gekruiste God die voor mij staat, des werelds eere en toeverlaat, gekruist, gekroonde Jesu zoet, onze eenigste hope, ons eeuwig goed, ik groete en bidde u, reik, o Heer, al die rechtveerdig zijn, nog meer, en geeft, door al uw lijen en bloên, vergifnisse aan die kwalijk doen,

VAR.:

o Kruis dat al onze hope draagt, Al 's werelds eere en vrijheid schraagt Vervroomt ze al die uw spraak verstaan, Vergeeft ze al die u tegengaan.

AVE REGINA

Heil u, heil u, Koninginne, vrije Vrouw der zoeter minne heil u, wortel, stam en poort; heil u, 's werelds weergeboort! 's Zaligmakers moeder milde, daar hij 's hemels deuren wilde mede ontsluiten; sterre in zee, slaat ons gade en weert ons wee! Die zoo diep zijn neergevallen, helpt ons weder opstaan, allen, Jesu moeder, staat ons bij, dat ons vrede en vreugde zij.

AANZIET DE KRAAIEN

Aanziet de kraaien die van zaai- noch oestgetij en weten, die schure en hebben noch schrapraai en God verleent ze 't eten! Aanziet hoe dat ze, tem en fraai, hier spijze en drank vergeten.

GHISTEL.

'T WAS 'N WARE!

"Past op," zei Meester Heuverswijn, "dat iemand,--wie die snaken zijn, die 'k hoorde daar, met hand of mond, eens s...e nadoen, dezen stond,-- nog durve! Wat bediedt mij dat? Een schande is 't! En, 'k en weet niet wat ik doen zal met den deugeniet, die nog nen keer zal durven...!"--Ziet, daar hoort mij Meester Heuverswijn weerom entwat gelaten zijn, van zulken aard, dat 't wonderwel geleek 't onvoegzaam kinderspel:-- "Komt hier, gij, Jan! Wat hoore ik! Gaat en seffens recht in 't hoekske staat!"-- "'K en doe," zei Jantje Poupaert, als- of 't heel onschuldig ware: "menheere, 't was 'n ware!" PET. V. WAEREGHEM.

MOCHT ZULK EEN TALE

Mocht zulk een tale eilaas geen enkel tale wezen, geen woorden, waarheid en onnagemaakte smert op willens voet gesteund, op biddens vlerk gerezen tot naast het evenbeeld der wenschen van Gods hert, dan zou wellicht de baan de duistere baan des levens verlichten in den glans van Hem die U bemint, van hem die naar u wacht, van Jesus, dien gij tevens al waart gij nog zoo boos toch geren ziet, mijn kind.

_Ten halven afgewrocht, ontvangen, niet geboren; gevonden algeheel, noch algeheel verloren, zoo ligt er menig rijm onvast in mij, en beidt den aangenamen tijd van volle uitspreekbaarheid._ (RIJMSNOER).

O stede- en vaste oude meuniksmoffen wat schijnt ge mij een beeld van veile vastigheid; de vlaamsche vuist heeft u eens in den leest getroffen, u in de scherpe zon te droogen uitgeleid; het angstig vier heeft u nadien opeengestapeld, gebakerd ommentom uw leên en sterk gemaakt, totdat gij een en al. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Neen, en schrijft, op rijm of onrijm, iets, of eer ge aan 't schrijven gaat . . . . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Luistert allen, luistert allen: Gods woord is mij ingevallen.

* * * * *

Ik had ne keer nen dicht gemaakt, en 't stond van vooren aan zoo wat van God, gelijk geen een mij dat en dient te doen herdichten, . . . . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Heere geeft dat wie, wanneer ooit dit schrift in handen kome . . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Een lieftallig liedjen op het wijken van den wintere.

* * * * *

Een deuntje willen wij dichten.

* * * * *

Dat hier en daar en elders leeft, dat nimmer nog bestaan en heeft, 't gebenedijde u al van in. . . . . . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Dat kruis dat gij mij gaaft een jaar van hier geleden.

* * * * *

De zegen Gods, u, mij en al die met ons bidt, bewaren zal.

* * * * *

Een heel onvast onthouden van de onvaste voeren daar ze mij-- . . . . . . . . . . . . . . . .

* * * * *

Gij die God zijt dezer eeuwe, God gemaakt, in steê van God.

* * * * *

Goevrijnacht, als Jezus gevangen, gesleurd, vol wonden geslegen, besmet en besmeurd.

* * * * *

Heere, komt, ik ben ellendig, 'k ben vol zonde en vol verdriet, komt, uw' goedheid is onendig, lange en beidt, o Heere, niet.

* * * * *

Hoe verre buiten al 't bereik der menschelijke macht gesteld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . het worden van den zonnedag.

* * * * *

'k Danke u, van het leven, dat gij mij laat genieten.

* * * * *

o Bindt mijn handen alle twee, o bindt mijn herte aan u, en en laat ze nooit meer, losgegaan, uw Godlijk herte schuwen.

* * * * *

Oneindig wezen, God, drievuldig, een, almachtig, wat zijt gij dicht bij mij die niet en zie en hoor.

* * * * *

O Maria welk eene eere, dienstbaar zijn en God den Heere dragen, zoo gij, moeder zoet, Jesus uwen Schepper doet.

* * * * *

't Was God die onze zonden zag, 't is Hij die ze ons vergeven mag, en wij zijn 't die de boeten daarvan God gelden moeten.

* * * * *

Zijn eigen zoon en spaarde hij niet en liet hem voor mij slachten.

* * * * *

Die elken vogel voedsel geeft gebrek voor mij geleden heeft.

* * * * *

Die nievers zijns gelijke en vindt voor mij wierd mensche en moeders kind

* * * * *

De wille des Heeren, zoo gister zoo nu, de wereld zal keeren, geen "individu".

* * * * *

En niet uw straffen naar ons kwalijkdoen gemeten

* * * * *

Zijn leven stond hij af voor mij, gekruist, en voer in 't graf voor mij.

* * * * *

'k En was nog in 't bestaan niet, en, bestaat, zei God, mijn kind, en 'k ben.

* * * * *