Chapter 3
Geen scheerder, die zoo scheren kan; geen wever die zoo weven: geen een en kent de konste van zijn laken doen te leven. 't Doen leven kan 't de zonneschijn, 't doen blinken in den glans des hemels en nog groender zijn als 't groenste laken, gansch.
Nu loopt erin, en laat u 't spel, de louter levenswonne verpreuvelen, en jeunt u wel, gij kinders, in de zonne; daar 't laken ligt en zult gij nu verwringen hand en voet: loopt spelen daar en zegene u de zomerzonne zoet.
13/14/5 '97.
DE DOORNENBOOM
De schamele, oude boom, die midden in de vaten, veracht en ongetroost, des olieboeters staat; hij weet dat 't zomer is en zou hij, zou hij 't laten, te bloeien, nu dat al, dat blomme is opengaat?
Gestapeld, rondom hem, zijn tonnen, tonnen, tonnen, die olie zweeten al, en stinken. Schouwen ook, verheven boven 't dak des oliebouws, en jonnen maar bitterheid den boom en afgerolden rook.
Hij bloeien zal nochtans, en, blij, de zonne bieden de vreugde van zijn hert: maar éénen keer in 't jaar en wilt het zomer zijn, en mag't den boom geschieden te bloeien in den dwang van al die tonnen daar.
Hij bloeit en staat in 't wit getooid langs alle kanten één vlage blommen duikt zijn' takken, scheef en krom; de bietjes zie'k er zog van zuiver zeem in zanten, de blommen in en uit en uit en in, weêrom.
Bloeit helder, helder op, o boom, en luide pralen laat al uw lief gewaai, deur dikke en dunne. Neen 't, 't en is maar éénen keer, dat 't meie is: hillen, dalen zijn blijde; blijde zijt, genoeg, genoeg geweend.
De tonnen staan alom gestapeld: zwarte, zware gedaanten, ongehier van leelijkheid. Welaan, o taaie doornenboom, daar midden in, verjare nog menigmaal uw hoofd, vol bloeiend wit gelaân!
16/17/5 '97
QUIS NOS SEPARABIT?
AD ROM. VIII:35.
Bemint men iemand recht en wel, zoo zal men hem voor metgezel begeren en betrachten: bemint gij God, waarom en gaat, daar God zoo lange u wachtend staat, gij God, o mensch, niet wachten?
Waar vinde ik hem? o, "vinde ik hem!" zeg liever: waar ontvinde ik hem? Hoe zal ik hem ontvaren? Hij roert in mij, hij waagt in mij; hij nacht in mij, hij daagt in mij: wie zalder ons ontgâren?
o Wondernisse, o wonderheid, o zonderbare zonderheid, dat overal, gesmeten bij 't karrevoer, getuigenis van God en van zijn' goedheid is en wij 't zoo weinig weten!
KORTRIJK, 18/5 '97.
=MIETJE=
't Meiske, met zijn' teele melk, op zijn bloote voetjes, lang, gelijk nen terruwstelk, zoetjes, zoetjes, zoetjes terdt het voort, en anders niet als zijn teele melk en ziet't.
't Meisken hoorde: "Goedendag!" zeggen, zoetjes, zoetjes: "Mietje!" 't Meisken ommezag.... op zijn bloote voetjes viel de melk en, vol verdriet, wie dat 't was en wist het niet.
Meiske, meiske, meiske snel op uw bloote voetjes, melk aan 't dragen, wacht u wel: zoetjes, zoetjes, zoetjes, mijdt u, meiske, en hoort gij iet, vóór u, maar niet omme en ziet!
20/5 '97.
ZONHOEDEN
Onder hun' hoeden zoo liggen ze, in 't vlas; boos is de zonne en zoo heet als een oven: rood in hun aanzichte, als ongepijnd was.... boos is de zonne en ze bakelt erboven.
Schaduwt hun' hoofden gij, hoeden van stroo; strekt u, zoo verre als gij kunt, op hun leden; laat ze, die wieden, al rusten ze noô, halen een asemke, uw' schaduw beneden.
Tavond zal 't branden gedaan zijn, en dan, laat ze weer vrij, lijze en koele, om de slapen, laat ze verlost van den arbeid en van.... u, groote hoeden, een rustje gaan rapen!
21/5 '97.
BUIGEN OF BERSTEN
Het jong hout staat, den rugge krom, ootmoedig neêrgestopen; terwijl de wind, den afgrond van zijn diepe longen open, gevaren komt, door bilk en bosch; en, bruischende in de boomen, losbandig, al den gruwel van zijn' gramschap heen laat stroomen.
De boomen staan geworteld in den bodem diepe, en, weren en zal de wind hun sterkheid noch hunne oude stammen deren; ze zuchten en ze stenen wel, ze roepen en ze razen, maar wederstaan, zoo willen ze, en.... dat durven ze, die dwazen!
Ze 'n buigen niet. Hun' wortels staan in de eerde neêrgegrepen als ankers, die gebonden staan doen ijzervast de schepen; ze 'n buigen niet. Hun hoofdgewaai scheurt af en weg: om 't even, en zullen noch en willen ze, en voor wie dat 't zij, begeven.
Het jong hout ligt den grond nabij, voorover, neêrgedwongen; verplettert en vernietigd haast.-- De wind komt losgesprongen en, stampende op dat ligt.... "Zoo wel den naasten als den versten,... die boomen daar zal 'k buigen doen, of willens nillens bersten!"
't Is donker, van al 't zand dat vliegt. Geen hersendolle koeien en kunnen, zoo de wind nu doet, zoo ongedoevig loeien. Ei! poffen nu, en paffen gaan de pezen af, en kraken de wortels: als geweren zijn 't, die dood en donder braken.
De doelen staan, bij vijftigen, bij honderden, te perre, ter aarden uitgeheven, en.... de boomen zijn omverre, de teenen in de lucht; tot in den vasten grond gezonken, verdwijnt, al even slaggelings hun' kroone, in de elzentronken.
Het jong hout heft den hals weer op: allengskens stilt het weder, en legt het, op de rompen van geroeide boshout, neder zijn grimmigheid. Een slagveld is 't vol lijken. Ongeschonden, zoo staan de jonge stammen daar nog, al die buigen konden.
22-23/5 '97.
CYTISUS LABURNUM
Gevlerikt, na der vliegen aard; gereesemd, al omleegewaard eenvervig, en van goude fijn, des goudenregens blommen zijn.
Zij staan in krabben, lang en smal van lijve, en recht een regenval gelijken zij, van goude,... neen, van zijde en licht en edelsteen,
't En is van al dat bloeit entwat zoo geluw, in geen blommenstad; 't is geluw, naast aan 't groen,... 't en doet, 't is groen, ten geel'wen uitgezoet.
Als, ievers in den hof gestaan, de goudenregens opengaan, de duisterheid van 't groen verdwijnt, "het regent en de zunne schijnt."
Hoe jammer dat zoo gauw voorbij, uw vlagen gaan van goude, en gij, o gulden regen, al te broos van leven zijt ge, en tijdeloos!
Gij strooit den weg, nen dag nadien, of twee, dat wij u open zien: zoo derf is dan uw dood gelaat, als kaf, daarop de vlegel slaat!
En, eens dat eene aan 't vallen is de stervenstijd van allen is gekommen: geen een blomme en kan 't meer houden: 't goud is uitgebrand.
O goudenregen, heel en al het jaar, zoo heet gij regenval: doch regenval van goude, aleer het meien zal, en zijt gij meer.
'k Verlange al, eer de maand daar is weêromme, en tend de hoven, frisch, vol goudeware en zonneschijn geregend door uw' blommen, zijn.
24/5 '97.
=GIERZWALUWEN=
(CYPSELUS APUS)
"Zie, zie, zie, zie! zie! zie! zie!! zie!! zie!! zie!!!"
tieren de zwaluwen, twee- driemaal drie, zwierende en gierende: "Niemand, die... die bieden den stiet ons zal! Wie? wie? wie?? wie???"
Piepende en kriepende, zwak en ge- zwind; haaiende en draaiende, rap als de wind; wiegende en vliegende, vlug op de vlerk, spoeien en roeien ze ringsom de kerk.
Leege nu zweven ze, en geven ze bucht; hooge nu hemelt hun' vlerke, in de lucht: amper nog hoore ik... en, die 'k niet en zie, lijvelijk zingen ze: "Wie??? wie?? wie? wie..."
25/5 '97.
PASCENT IN ÆTHERE CERVI
VIRG.
Och, Tone, tend de tijd daar is, en zal 't geen rijspap regenen; maar, is de tijd daar, Tone, ton, sta vast, en valt aan 't lepelen.
Nog nieuwer nieuws, als nu, wie weet, mag iedereen verwachten, en zoo 't al gebeurt dat beuter mag[1], de koeien kunnen kachtelen!
KORTRIJK, 25-26/5 '97.
1 VAR. II, 3: Zoo 't al gebeurt dat _beuren kan_.
DE SPERRETAKKEN
De sperretakken staan, nabij den boom, alsof hun blâren gestorven, over langen tijd aan jeugd en jonkheid waren; maar, al zoo zaan de zomer komt herzie 'k hun verste vingeren met jeugdig groen en zappigheid den ouden boom omslingeren.
Nog winter is 't, men zeggen zou, omtrent het bol; en neven het bol, zijn zwart de takken, die maar tendenwaards en leven: het oude draagt het nieuwe dat nog jong is; maar van dagen ook oud geworden, beurtelings zal 't oude 'et nieuwe dragen.
Op de ouden blijft gesteund, en zijt voorzichtig, jonge spranken; 'n laat u niet verleiden, om te vroeg u vrij te danken van 't oude: uit de oude grauwte van de schiergestorven boomen zal nieuwgeboren schoonheid eens, en sterkte, henenstroomen.
30/5 '97.
SAMBUCUS NIGRA. L.
Vlienderboom, 't is al verloren, dat ik, u voorbijgeschoren, henenvare, in 't snelgerij, overal ontmoet gij mij; overal voorbij mij drijven zie 'k uw witte blommenschijven.
's Zomers lange en schoone dagen schijnen u, met welbehagen, toevertrouwd; en evengoed 's avonds u de zonne groet, als des vroegen morgens. Edel groen zijt gij, van lijf en schedel.
't Moet entwat omtrent u wezen, met u uit den grond gerezen, door ons volk u toegedicht, dat, voor mij, in 't donker ligt: iets dat overal uw' twijgen vrijdom laat, en woonsteê krijgen.
Overal! 'k En weet geen hoven, of, gij zijt erin geschoven, eens of anders, hier en daar staat gij, vlienderboom, entwaar: bachten 't huis, aanzijds het water, zoo daar iet kan staan, gij staat er!
't Ovenbuur beschut uw zware looverschaduwe en, 't en ware versch, ten gronde nieuw gemaakt, 't steenen huis daar Turk in waakt, verre niet van 't messingbekken, vlienderboom, uw vlerken dekken.
Om den hoogen essche, in 't wenden van den weg, daar 't water, tenden 't hofgat, hier en daar gedekt met een brugge, zijwaards strekt, ringsom de oude mote, schoone spant ge alweêr uw' looverkroone
Ja, en, lieflijk uit der maten is 't, om zien, hoe al uw platen vlakke witheid stijgen op, trapwijs, naar den esschentop, die daar staat,--hij zonder blommen-- treurig, in den wind te brommen.
Vlienderboom, gij schaduwt wielen, wagenbossen voor 't vernielen van de zonne; en meermaals is 't kindervolk een kerremis, als gij ze, aan uwe armen, zwingen luide laat, en liedtjes zingen.
Waterspeiten, klakkebossen, zwartgezunde beiertrossen, wijn daaruit, en zoetigheid, heengedaald en toebereid voor die ziek zijn, doen de lieden altemale, u eere bieden.
Maar, gij waart, in 't grauw verleden, meer als om de dienstbaarheden uwer goedheid, wel bekend: gij waart heilig; u omtrent biechtte men, te lijzer spraken, 't geen men wilde onweetbaar maken.
Gij hebt ooren! 't Zijn wel heeren, in de groote steên, die leeren dat het zwammen zijn, gedaan net als ooren, die u staan om den lijve; maar, zij droomen: ooren hebt gij, vlienderboomen.
"Ooren hebt ge, maar geen tonge", dicht het volk; "en, wat men dwonge, menschenmond en zou verraân, 't gene in de oore u is gedaan diepe, en toevertrouwd". Nog roeren hoort me', in 't Dietsch, van zulker voeren.
Edel beeld, uit vroeger dagen, blijft maar vast de takken dragen uwer schoonheid, houw en trouw, naast des Vlamings hofgebouw, nijgt uw' blom- en bezieschijven. Houw en trouw zal Vlanderen blijven.
26/6 '97.
BIGNONIA CATALPA. L.
't Heeft fel gezomerzijpt, en, water gieten, onthier een amerij, deed 't immer aan; nu zijn de scherpgepinde zonnesprieten, na lang geweld, de wolken doorgegaan: 't geluchte is los, in tween zijn al de banden, die lijndoek om geheel den hemel spanden.
Hoe helder blinkt het blanke wiel, dat even onzichtbaar, zichtbaar nu, en bloot, alom geworden, geuten giet van licht en leven in 't blauwe van den blauwen hemelkom! 't Slaan bliksems in de lucht, en louter sprangen van reinboogverwe omtrent de boomen hangen.
De wind is opgestaan; hij schudt de blâren dat 't perels overal aan 't leken gaat; in 't groen catalpaloof hij, heengevaren, de schaduwe en de takken openslaat daaronder ik nu zitte en asem hale, nu zuchtte[1], in de al te heete zonnestrale.
Het voor- en 't nagetij elkaar genaken, midbâmesse en midlente is 't, almedeen; op ieder lapken loofs er blommen blaken, aan ieder taksken hangt er edelsteen, dat, geluw, groen, en rood en blauw, van boomen vol bleuzende appels doet, en peren, droomen.
Een wonderlijk aanschouwen! Hoe 't gelooven, schoon nauwe ik zitte en zie, dat 't anders niet als lekend loof en is, en scherpe schooven van stralen, die daarin de zonne schiet: 't is alles even vrij, van verwe en voege, of Adams paradijs weêr opensloege.
Dat menigmaal mij worde een wonne als deze geschonken, onder u, Catalpa schoon; de hand die u daar zette 'et welzijn weze gegeven van Gods ongekenden loon! En, zie 'k u zelden weêr, in later tijden, uw zijden zeildoek zal een ander blijden.
KORTRIJK, 19/8 '97.
[1] VAR. III, 6: _en_ zuchte.
BEZIET DIE BOOZE KATTE
Beziet die booze katte, hoe zij nalijks nijpt heure oogen toe. Nu mijdt u, muiske meest van al: die blende katte u pakken zal! Het muiske en ha' geen acht en het, in een-twee-drie, is opgefret.
29/8 '97.
'T IS STILLE
't Is stille, stille, allengerhand, en weerom wordt het avond; het zonnelicht is henen, 't is een ander' land nu lavend. 't Is stille, stille.... zoetjes vaart dat roerde alom, te rustewaard.
4/9 '97.
HET GULDEN VLIES
't Is scherenstijd in 't houtgewas. De blaren vallen: grond en gras zijn effen, van den wind die waait vol zilver en vol goud gezaaid.
Zoo groene en is de grond nu meer als wijlen, toen de lente teer, en 't jonge jaar zijn herte ontlook, de weiden en de bosschen ook.
't Is scherenstijd. De schapen niet maar 't houtgewas men scheren ziet; en 't scherpe van de windenschaar aan 't knippen is in 't houtgeblaar.
Daar vallen en vergaderen nu honderdduizend bladeren, die reuzen af de rijzekens, zoo lustig en zoo lijzekens.
't Is 't boomenvlies dat nederstort, dat altemaal gesneden wordt; dat af en dóór de schare moet, zoo 't al, en te elken jare doet.
Het gulden vlies, dat Jason zocht, en reeuwroofde op het wangedrocht, aanschouwe ik al mijn leven lang, als wangeloove en kwenenzang.
Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid, den weg dien ik nu ga vermooit, dat menigvuldig boomverlies, voorwaar dat is mij 't gulden vlies.
Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt doorschoten van den zonneschicht, onmeetbaar, verre, één schapendracht van ooienwolle en lammervacht.
Een kleed is 't, als van engelkens, van louter liefdebengelkens, die zijde en wolle en gouden blaân doen liggen, daar ze spelen gaan.
Het rilt, bij elker schree, die 'k doe; het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe; en 't riekt, alsof er reuke fijn van amber uit zou dampend zijn.
't Is scherenstijd, in 't houtgewas; geen stap mij ooit zoo zoete en was als dien ik eens, in Ipersteê, deur de afgevallen blâren deê!
KORTRIJK, 26/10 '97.
HEBT MEÊLIJEN
Hebt meêlijen met de boomen, laat den bast hun ongeschonden; bewaart ze voor de nijdigheid der kwade nagelwonden; geen onbermhertig menschenkind ze dood en kwelle: geeft de vrijheid aan des scheppers hand, die in hun lenden leeft.
Hoe schandelijk ontmaakselt en ontmooit gij mij de vrome, de vrije en blije boomen, die 'k zoo geren tegenkome omtrent uw huis en hof, o gij, dien God met herte en oog heeft toegerust, om hem te zien in 't heerlijk boomvertoog.
'k Zie opgeroeste pikken, moe van kappen en van kerven, gehamerd om den esschenboom, den esschenboom bederven, daaraan het hekken vastgehaakt de bilken sluit, en 't vee belemmert, dat zijn vulte zoekt, en voedsel, in de wee.
'k Zie boomen, die gebonden staan, in 's dwingers booze handen, die nooit geen duimbreed af en laat zijne ijzervaste banden, maar spannende en onroerbaar, al dat leeft en roert in 't lijf der boomen, doet misdragen tot een eerloos wanbeklijf.
Gebulte boomen zie'k, en die, doorhakkeld en dooreten, vol krammen en vol haken staan gespijkerd en gesmeten; die werken zoo Gods wet hun wijst, die tranen en die bloên, o mensche, om eenmaal vrij te zijn van al u dertel doen.
Of staan ze meer niet vast genoeg, de wortelvaste boomen? En vreest gij dat zij henengaan en meê met 't water stroomen; of vliegen in de lucht, omdat gij scherpe draden spint, en lange reken boomen al in snijdend garen windt?
Och, arme, en is 't genoeg u niet dat, schier nog ongeboren, het hout alreê geknipt moet zijn, geschonden en geschoren; dat 't, galoos en tot alles dat het niet en is, gepraamd, wordt "gloriette" en "pyramide", en "espalier" genaamd!
Hebt meêlijen met de boomen, laat hun schoonheid ongeschonden, die schoonder is, onaangeroerd, onvast en ongebonden, zoo God ze liet gewassen zijn, gewonnen en gebaard, als al hetgene gij, o mensch, verzint en hebt vergaard.
KORTRIJK, 1/11 '97.
=DE LEYE=
De Leye ligt zoo stille, alsof van staal ze zou bedegen, van louter staal en stijfheid zijn; zoo blauw en, allerwegen, zoo glad is en zoo effen en zoo bloot zij nu. De winden en roeren niet of, roeren ze, geen speur en is te vinden, geen asemtje op de Leye ervan, die staal is, onberoerd, en alletwee mijn oogen tot aan Harelbeke voert.
De Leye en kapt mij 't kezzelspeur niet af nu, en heur plasschen en komt tot vóór mijn voeten niet den trakelwegel wasschen; ze 'n slaat geen witte kladden op en neere, alzoo de rossen die, schuimende, in de stringen van de wagens hossebossen: maar stille ligt en lusteloos ze omleege.... stille staat er tusschen in, het maantje dat zijn schapen gadeslaat.
Noch nacht en is noch dag geheel en gansch het: tusschen beiden kan hofgebouw en boomgewas ik zien en onderscheiden, die omgekeerd in 't water staan, zoo schuren doen en schelven en schepen uit de Zuiderzee vol vlas--en 's luchts gewelven, die zeggen: "Komt en kijkt, o mensch, naar ons, met al uw macht, ge'n kunt niet dat de Leye kan, bij 't vallen van den nacht!"
7/11 '97.
1898
=DUIVEN=
Klap-klap-klap m'n dertien duiven slaan hun vlerken, de eene op de aâr; klap-klap-klap, en henenschuiven doen ze van mijn dak, mij daar.
Klap-klap-klap ze spelevaren rinkelrooiende, altemaal; klap-klap-klap van harentaren ommentom, in éénen haal.
Klap-klap-klap ze zijn daar weder: hoort ge vlug hun vlerken slaan? Klap-klap-klap ze vallen neder, beetende op mijn dak voortaan.
Klap-klap-klap de veêren stuiven, want hun baaike, groef en fijn, klap-klap-klap m'n dertien duiven boetende in de zonne zijn.
KORTRIJK, 10/2 '98.
MUSSCHEN
De musschen weêral, vrij en vrank, vergâren, en verzinnen hoe nog eens, naar den ouden gang, de lente gaat beginnen.
't En vriest niet meer, 't en sneeuwt niet meer, 't en vliegen meer geen vlagen: 't wordt dageraad in 't oosten eer, en langer zijn de dagen.
De zonne--'n wordt, in 't zonnelicht, de weide nog niet wakker,-- goêmorgent, met heur mooi gezicht, den moedermilden akker.
't Zit ander verwe in 't hout, voortaan; de botgebolde boomen niet langer meer zoo drooge en staan te druilen en te droomen.
Daar gaat entwat gebeuren; 't is geband en gebaar geworden, dat Leven en Verrijzenis zijn 't graf weêr uitgetorden.
De musschen hebben 't nieuws ervan vernomen, en ze vliegen 't vermonden; geld noch goed en kan dat musschenvolk bedriegen.
Zoo, weêral zijn ze, vrij en vrank, de haantjes en de hinnen, aan 't rinkevinken, luide en lang: de lente gaat beginnen!
KORTRIJK, 11-12/2 '98.
DE DAGERAAD[1]
In 't blauwe van den hemel doekt een kleene, witte wolke de zonne mij; en 't witte van die wolke en komt geen vlekkelooze molke, geen wolle bij;
geen witgewasschen wolle, noch geen snee die, versch gevallen, te gronde ligt; zoo wit is, op de boorden van die witte wolke, 't brallen van 't zonnelicht.
'k En kan 't niet meer bezien bijkans, mijne oogen willen dolen; 't is vermiljoen, dat, zwart in mijnen boek gedrukt, zoo zwart is als de kolen, en 't rood is groen.
De Leye, die daar stille licht, het water in de beken, is rood voortaan: terwijl, van top tot tee'n mij als van 't morgenrood ontsteken de boomen staan.
Het schemert hooge en leege nu, en diepe in 's hemels gronden, vandage staat, beneên dien witten zonnedoek, in 's middags hooge stonden, de dageraad!
KORTRIJK, 8-9/3 '98.
[1] Dit hier is een gedichtje op mijn ondervinden van 't geen men, geloove ik, _Couleurs complémentaires_ heet; de _zwarte_ letters in mijn brevier waren schoon _bloed_rood; de _roode_, helder _vert-de-gris_; enz. gelijk in 't gedicht'
Het moet gelezen worden.
l[)a] lá l[)a] l[)a]--l[)a] lá l[)a] l[)a], l[)a] lá--l[)a] lá--l[)a] liere l[)a] l[)a] l[)a] l[)a].
G. G.
NEVELDUISTERNIS
Gegrauwdoekt is de grond der kimme en allenthenen vol damp en duisternis; de boomen, half verdwenen, half zichtbaar, hebben, daar ze stille staan en stom, van wolkenweefsel elk een grauwen tabbaard om.
't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt, 't en wilt geen dag meer dagen: daar moet iets ongesteld of los zijn aan den wagen der zonnehingsten, dat ze in toom gehouden staan en, immer nippend, nooit een schreê vooruit en gaan.
De wereld mist den troost dier zoete zonnestralen, die alles leven doen, daar ooit zij nederdalen; die 't schoone schoon doen en die 't goede goed doen zijn: die God verbeelden in Gods beeld, den zonneschijn.
De wereld mist dat nu: ze treurt en, langs de lanen, daar 't eenmaal blommen droop en druipen nu maar tranen; daar 'k eenmaal stemmen hoorde en vogelzang en ziet mijne ooge onschoonheid maar en sprakeloos verdriet.