Part 15
In de voorgalerij zat Fournier, toen Louise terugkwam, in een wipstoel een sigaar te rooken. Zij ging tegenover hem zitten en las de courant. Zij spraken geen woord. Onwillekeurig keek hij naar haar strak en zonder één oogenblik de oogen af te wenden. Louise wist het wel, al was op haar fraai en regelmatig gelaat geen spoor van die wetenschap te ontdekken. Terwijl hij daar zat, doorliep hij in gedachten hun beider verleden van het oogenblik dat hij met haar kennis maakte, toen hij nog in ’s lands dienst was en met den ingenieur Van Brakel en den cavalerie-officier Van Schermbeek in een commensalenhuis woonde. Hij herdacht de prettige avonden, die hij had gesleten bij dokter Van der Linden aan huis; hij zag haar weer als meisje in den tijd toen hij haar zoo druk het hof maakte. En dan dien avond in den tuin toen hij zich declareerde, en zij, in een booze, zenuwachtige bui, hem driftig afwees! Daarna haar zijdelingsche pogingen tot toenadering en zijn stilzwijgen uit gekrenkt eergevoel; toen zijn overplaatsing naar Soerabaia, haar huwelijk met „dien” Van Velton, zijn verdriet toen hij ’t vernam, het ontslag door hem genomen op de proposities van Droz, de nieuwe vreemde verhouding tegenover haar en de hartstochtelijke op niets uitgeloopen scène tijdens het bal.... Zou er dan nimmer iets anders bestaan tusschen hem en die vrouw, die op zulk een vreemde manier als het ware in zijn leven was geweven?
Voor de honderdste maal vergastte hij zijn oogen aan haar schoonheid.
Schijnbaar verdiept in haar couranten-lectuur, glimlachte zij even. Ze wist waaraan hij dacht; zij kende hem zoo goed, dat ze als het ware zijn gedachtenloop volgen kon. En toen hij, meegesleept door zijn gedachten, den altijd sluimerenden hartstocht in stilte had aangewakkerd tot die uit elk zijner trekken sprak, toen hief ze, als onder een magnetischen invloed, onwillekeurig het hoofd op, schudde het donkere, krullende haar met een alleraardigste beweging van ’t mooie kopje naar achteren en zag hem met haar schitterende zwarte oogen aan. Het was hem of hij de aarde voelde draaien!
„Weet je wat ik ga doen?” vroeg ze schalks.
„Neen,” zei hij haast onhoorbaar.
„Ik ga slapen. Bonsoir!”
Zij reikte hem de hand: het welgevormde kleine handje, dat hij met drift aangreep; zijn vingers beefden; de hare waren zoo kalm en rustig! En toen hij die te lang vasthield, gaf zij hem met de vrije hand een tik, trok zich los en liep door de achtergalerij naar hare kamer. Maar nog even keek ze om.
Hij was geheel onder den invloed. Eenige minuten liep hij in de voorgalerij op en neer; leunde een oogenblik tegen een pilaar; keek naar de heldere, met groote sterren bezaaide lucht, en sloop toen als een dief zijn eigen huis binnen.
Voor de deur harer kamer stond hij stil en luisterde. Ze was nog wakker, dat hoorde hij wel.
Zacht klopte hij op de deur.
„Apa?” klonk het aan den anderen kant.
„Ik ben het.”
„Wat wil je?”
„Doe open, Louise. Laat me even in je kamer komen, ja?”
„En dan?”
„Ik wou je spreken over.... den vlinder....”
Hij hoorde haar lachen.
„Mon cher.... het gaat niet.... Vooreerst is de bekoring verbroken, en dan.... het beestje is al dood.”
„Dat kan niet, Louise. Wees niet zoo wreed; ’t is een leugen.”
„’t Is heusch waar, Gérard: dood en begraven. Ga nu gauw slapen en droom prettig. Wel te rusten!”
Hij ging naar achteren en dronk een glas ijswater. Een kwartier later, toen hij genoegzaam bedaard was, liet hij ’t huis sluiten en de lichten uit doen door een bediende, en trad zijn slaapkamer binnen. Hortense sliep; ze haalde zwaar adem en snorkte zelfs een weinig; ’t was onuitstaanbaar, vond hij.
Louise had een zenuwachtige lachbui toen het voorbij was; een lachbui, waarbij haar meer tranen in de oogen kwamen, dan men gewoonlijk door ’t lachen laat vloeien. Toen het over was, zuchtte ze diep.
Ze wist nu zeker dat het voor de laatste maal was geweest, en hoezeer haar dat geruststelde,—gelukkig gevoelde zij zich niet.
Nooit had ze hem vergeven dat hij er in had toegestemd Hortense te trouwen. Ze had zich nu dubbel en dwars gewroken.
Maar toch dacht ze toen ze zich ter ruste lei: „’t Is gelukkig dat we aan den vasten wal zijn en niet aan boord van zoo’n fataal schip!”