L. Van Velton-Van der Linden

Part 13

Chapter 134,116 wordsPublic domain

Het eenige wat hem nog overbleef, was de hoop dat Brussel haar zou binden. Hij nam zich voor zijn best te doen, veel met haar uit te gaan en kennissen te maken. Zij zou een drom van aanbidders hebben, dat mooie, rijke, oostersche weeuwtje. En hij zou aanmoedigen. Wie weet welke sinistere dingen ze van plan was in Indië uit te voeren. Kon ze te Brussel een behoorlijk huwelijk doen, dan was het des te beter.

Maar de tijd verstreek.

Ze leefden prachtig; ze hadden kennissen onder den besten stand; Louise had minstens tien pikols oude en jonge harten veroverd; ze kwamen overal en gingen veel uit.

Dokter Van der Linden vond het heerlijk. Nog nergens had hij zich zóó thuis gevoeld. Hij dacht niet meer aan dat gaan naar Indië, en met vreugde bespeurde hij dat zijn dochter daaraan ook niet meer dacht, althans er niet verder van sprak.

Maar op een goeden ochtend vroeg ze geheel onverwacht: „Hebt u al passage voor me genomen?”

Kort na den dood van haar vader was Hortense bevallen van een meisje.

Het was geen bijzonder groote vreugde, want zij had gerekend op een jongen en gaf onverholen haar spijt er over te kennen. Fournier, die in stilte denzelfden wensch had gekoesterd, bezwoer hardop dat ’t hem volkomen hetzelfde was. Maar dat alles ware niets geweest als het een mooi en gezond kind geweest was en niet zulk een chétif en ziekelijk wormpje met zoo’n oudachtig gezichtje; daarbij kwam dat het niet alleen den zeer geprononceerden neus had der Van Velton’s, maar zelfs sprekend op wijlen Van Velton geleek.

De indruk, zoowel op Hortense als op Fournier, was die van dankbaar, maar onvoldaan.

Zeer langzaam herstelde Hortense.

Niet dat ze het zoo zwaar had gehad, maar zij was inwendig van zwakke constitutie. Zij leed aan bloedarmoede en toen ze beantwoord had aan de natuurlijke bestemming der vrouw, bleek dat haar weerstandsvermogen gering was en haar gestel uiterst langzaam werkte.

Toen ze heelemaal beter was, bleef ze erg zwak. Om haar bij krachten te doen komen, huurde Fournier een optrekje, dat een uur of wat van Batavia was gelegen, vrij hoog en nogal moeilijk bereikbaar, maar frisch en lekker.

Zij ging er heen met haar kindje, en hij kwam twee-, driemalen in de week naar haar toe, somtijds te paard.

Hij was er, wat zijn physiek betreft, op vooruitgegaan. Vroeger een beetje bleek en zonder eenig merkbaar idéetje van vetvorming, had hij nu een gezonde tint en was hij gezetter geworden, wat hem verheugde, in zoover het op de cliënteele meer een indruk maakte van soliditeit.

De mail uit Holland bracht hem op ’t kantoor een brief voor zijn vrouw. Toen hij zag dat het de hand van Louise Van Velton was, kleurde hij. ’t Was geen gewoonte tusschen hen elkaars brieven open te maken. Voor zulke onhebbelijkheden waren ze te wèl opgevoed. Doch ditmaal was de verzoeking sterk.

Sedert den dood van Van Velton had ze nog niet geschreven. Wat zou er in dien brief staan?

Hij stak hem in den zak, maar den geheelen dag was het alsof hij hem voelde zitten.

Thuis bezweek hij en scheurde het couvert open.

„Lieve Hortense!

„Vergeef me dat ik zoo lang heb verzuimd je te schrijven. Wij hebben het vreeselijk druk gehad met niets doen. Zoo gaat het hier in Brussel. De genoegens nemen letterlijk al den tijd in beslag. Kleine njo groeit voortreffelijk; ik hoop dat jou kind het ook doet. Papa is voor zijn kleinzoon een afgod en een slaaf tegelijk.

„Het is hier heel lief. Ik mag de Belgen wel al spreken ze, ten minste in Brussel, ’t Fransch, zooals de meeste Hollanders het Duitsch spreken. Wij hebben kennisgemaakt met verscheiden families. De heeren zijn zeer galant, vermoeiend galant zelfs. Maar het zijn meestal mannen met mooie gezichten. In dat opzicht hebben Franschen en Belgen veel voor op de Hollandsche heeren der schepping; il va sans dire, dat de over jou hart regeerende vorst op dezen regel een uitzondering maakt. Als ik me niet haastte dat te verklaren, weet ik zeker dat je boos zoudt wezen.

„Stanse-lief, ik kom naar Indië. Met welke boot weet ik nog niet, maar ik ga ditmaal niet met een Hollandsche. De Indische lui in Holland kijken je gek aan wanneer je, als menschen van stand, zegt, dat je met een Hollandsche boot hebt gereisd.

„Ik vond het overigens niet slecht of onaangenaam op de Nederland, maar ik ga niettemin met de Messageries.

„Of ik nog schrijf vóórdat ik kom, kan ik niet zeggen. Op een goeden dag sta ik voor je neus en reclameer een bordje rijst. Ik ben zeer gezond en hoop van jullie ’t zelfde.

„Ontelbare huwelijksaanzoeken zijn mij gedaan: welgemeende om mijn geld, wispelturige voor de aardigheid. Ik heb een paar namen in mijn boekje genoteerd.

„Tot ziens te Batavia, Hortense! Kus je kind voor me en wees omhelsd van

je Louise.”

Geen groet aan hem! Met geen woord was in dien luchthartigen, opgewekten brief van hem sprake. Ja, toch; op schamperen toon werd als het ware een loopje genomen met zijn uiterlijk. Overigens werd hij precies genegeerd als wijlen Van Velton.

Een onaangename trek kwam op zijn gezicht.

„Egoïste,” dacht hij.

Fournier besloot om den brief niet aan zijn vrouw te geven. Hij vond het niet noodig dat Hortense zulke dwaze brieven las: hijzelf las het epistel wel driemaal over, telkens heel verontwaardigd en bedenkelijk het hoofd schuddend, maar inwendig genoot hij, al wilde hij het zichzelven niet bekennen. Uit het alles en niets dat in dien brief te lezen stond, sprak het je ne sais quoi tot hem, dat van Louise Van der Linden uitging en hem altijd zoo ontzaglijk had aangetrokken.

Het was zijn gewone dag om naar buiten te gaan.

In de verte zag hij Hortense reeds staan, die hem in de kleine galerij van het optrekje afwachtte.

Hij kuste haar en vroeg:

„Hoe gaat het?”

„Och, niet best Gérard. Ik heb zoo’n hoofdpijn en zoo’n pijn in den rug; ik voel me altijd zoo verschrikkelijk moe.”

„Hoe is het met den eetlust?”

„Ik heb nergens trek in.”

„En hoe maakt het ons baby-tje?”

„Kasian, ze heeft het weer zoo hard gehad! Ze heeft koorts gehad gisteren. Ik heb haar ingewreven met quinine. Ze ziet er slecht uit.”

De baboe kwam met het kind, dat nog magerder en bleeker was dan gewoonlijk. Hij kuste het herhaaldelijk en zuchtte.

Het was om ontmoedigd te worden. Altijd was het wat; ’t was pijn hier en pijn daar; afmatting en zwakte; koorts en quinine. Wel, hij beklaagde Hortense van harte en hij had medelijden met ’t arme schaap. Ze konden er niets aan doen en het was haar schuld niet meer dan de zijne.

Maar dat eeuwige sukkelen begon hem verschrikkelijk zwaar te drukken en maakte hem down.

Als meisje was ze nog wat geweest,—als vrouw had ze het afgelegd, en, na korten strijd er, waarschijnlijk voor altijd, gezondheid en krachten bij ingeboet. Wanneer hij dat alles overdacht en daarbij naging, hoewel ’t hem ging naar den vleeze, dan schaamde hij zich, want ’t kwam hem voor dat hij een roofdier was en dat zijn leven haar leven had opgegeten.

Hoezeer hem dat noopte tot geduld en vriendelijkheid,—aangenaam vond hij den toestand niet, en wat hem ’t meest hinderde was de geringe kans op verbetering.

Onwillekeurig drong zich een vergelijking aan hem op. Hij zag de heldere oogen van Louise, die zwarte kijkers, welker donkere kleur blauw reflecteerden in ’t wit, en daarnaast het fletse grijs van Hortense’s oogen; hij herinnerde zich de ronde, krachtige vormen van de eene en stelde die naast de schrale, hoekige figuur van de andere; de frissche roode lippen naast den bleeken mond; de levendige, opwekkende geest naast het zachtzinnige, maar lijdende wezen zijner vrouw.

Zoo’n avondje met haar in het kleine huisje woog hem zwaar. Hortense noch het kind konden iets verdragen. Geen luid gesprek, geen harde schreden; het was fluisteren en sluipen; ’t was onuitstaanbaar!

En te negen uren naar bed!

„Het is vreemd dat we niets hooren van papa’s weduwe.”

Hij keek haar verrast aan. Was het toeval?

„Ja,” zei hij: „ze schrijft niet druk.”

„Het is onbegrijpelijk!”

„Heb jij haar geschreven?”

„Ja, maar dáárop kan ik nog geen antwoord hebben; ’t is nauwelijks zes weken geleden.”

Hij ontkleedde zich en ging slapen.

Des morgens vroeg, toen hij wakker werd, zat Hortense met een bleek, strak en ernstig gezicht voor zijn bed. Zij las den brief van Louise, dien hij in verstrooidheid weder in zijn jaszak had gestoken; Hortense, die zeer zindelijk was, had ’s morgens vroeg de jas van het schutsel genomen om haar te laten afborstelen, en.... had den brief gevonden.

Het was een gek geval en Fournier wist niet recht welk mal figuur hij maakte.

„Wat beteekent dat, Gérard?”

Hij glimlachte als een kiespijnboer.

„Ik heb je dien brief niet willen geven.”

„Waarom niet?”

„Het is een ongepaste manier van schrijven.”

„Dat wist je toch niet toen hij gesloten was.”

„Neen, ik heb hem uit nieuwsgierigheid geopend.”

Zij trok de wenkbrauwen op en verliet het slaapvertrek.

Ze vond het vreemd en onverklaarbaar; ze was vreeselijk uit haar humeur.

En Fournier niet minder.

Toen hij wegging, was het afscheid heel koeltjes.

„Je schijnt het me erg kwalijk te nemen,” zei hij op een toon, waaruit bleek dat hij haar erg onnoozel vond.

Maar hij was ontzaglijk boos op zichzelven, of liever op de geheele wereld. Dat was nu ook juist iets voor iemand die in het dagelijksch leven altijd de waarheid sprak! Zich te laten verleiden tot een leugen, en dan de bewijzen van het tegendeel voor het grijpen laten!

De kwade bui vervolgde hem tot op zijn kantoor.

„Je schijnt niet erg in je humeur te zijn,” zei Droz, die minder haren dan ooit op zijn hoofd en meer spotlust in zijn wezen toonde.

„Och, zoo!”

„Is het niet goed thuis?”

„Neen. Mijn vrouw blijft sukkelend en de kleine ook.”

„Ja-a-a,” zei de old-bachelor met die langgerekte a, waaruit men duidelijk de woorden: „wat ben je ook begonnen!” kon verstaan.

Toen Fournier er niet op doorging, omdat hij dergelijke gesprekken met zijn compagnon liever vermeed, voegde Droz er aan toe:

„Ze was nooit sterk.”

„Neen, dat was ze ook niet.”

„Ik vind dat Europeesche vrouwen niet naar Indië moesten komen. Zelfs pur sang Europeesche meisjes niet als kind.”

„Ik zou niet weten waarom.”

„Zij zijn op den duur niet bestand tegen het leven hier, mon cher. Je ondervindt het nu zelf. Ze hebben last van allerlei ondermijnende kwalen, waarvan de echte Indische meisjes nooit iets afweten.”

„Er is veel van waar, dàt kan ik niet ontkennen,” zei Fournier, en als nieuwsgierig om te weten wat er meer zou volgen, keek hij van zijn werk op en over zijn schrijftafel naar Droz, die, over een hoek van zijn lessenaar geleund, bedaard op een sigaar stond te kauwen, wat zijn meest geliefde manier van rooken was.

„Heb je er niet over gedacht je vrouw naar Europa te zenden?”

„Eigenlijk niet. We zijn er ook wel nog wat kort voor getrouwd.”

„Jullie, getrouwde lui, bent toch gloeiende egoïsten; jullie doet me in zulke gevallen altijd denken aan schapenscheerders; zoolang er nog een greintje wol op zit, moet het er af, en niet vóór ’t beestje heelemaal kaal is, stuur je het welwillend de wei in.”

„De vergelijking is nogal plat,” zei Fournier geraakt. „Daarenboven is ze scheef. Men trouwt in de eerste plaats om een aangename samenleving te hebben en niet om te leven de één hier en de ander in Europa. Maakt ziekte het onvermijdelijk, dan is er niets aan te doen. Maar anders....”

„Anders moeten beiden maar saampjes hier blijven in afwachting van dat onvermijdelijke! Mooi! Ik begin het hoe langer hoe verstandiger van me te vinden, dat ik ongetrouwd blijf.”

Fournier zei niets. Helaas, hij had zich nu en dan betrapt op gedachten, welke het hem onmogelijk maakten te antwoorden, dat hij het hoe langer hoe verstandiger van zich vond getrouwd te zijn.

„Bovendien”—hij gooide het op een anderen boeg—„bovendien, wat zijn er de gevolgen van?”

„De gevolgen?”

„Zeker. Vooreerst vervreemdt men van elkaar.”

„Dat is niets, dat komt naderhand wel weer terecht.”

„Dan.... welk een leven leidt een man in Indië als zijn vrouw in Holland is?”

„Zie je wel,” riep Droz lachend, „dat het juist is, zooals ik zeg: egoïsme, anders niet. Welk leven een vrouw leidt gedurende dien tijd, doet er niets toe!”

„Ik meende dat daarvan geen sprake behoefde te zijn.”

„Daar denken wij celibatairs nu weer geheel anders over. Wij erkennen meer rechten van de vrouw dan jullie. Misschien is dat ook een van de redenen waarom wij ongetrouwd blijven. De practijk van onze theorieën zou ons te machtig wezen, en wij groeten ze, die ons te machtig zijn.”

Fournier haalde de schouders op.

„’t Zijn maar praatjes voor den vaak. Mijn vrouw heeft een buitengewone reden om niet naar Europa te gaan. Zij kan niet tegen het klimaat.”

„In Holland niet. Maar het is toch waarachtig niet noodig naar ons „plekje” te gaan! Er zijn „plekjes” genoeg in Europa, waar het leven heel wat aangenamer is.”

„En waar ze als dame alleen naar toe zou gaan?”

„Verschrikkelijk, Fournier, wat heb je inheemsch Hollandsche ideeën! Waarom kan „een dame alleen” niet te Nizza of te Davos gaan wonen? In welken roofriddertijd denk je dan wel dat we leven? Geloof me: stuur je vrouw en kind naar Davos. Het is in jullie aller belang.”

„Ik zal er eens over nadenken. Bovendien blijft het de vraag of ze wil.”

„Eerst niet, natuurlijk. Zij zal beginnen met een heel vertoon van tegenstribbelen. Maar vervolgens zal ze er over pikiren, en dan doet in minder dan geen tijd de werkzame verbeelding de rest.”

Toen Fournier met een enkel woord tegen Hortense van ’t plan gewaagde, werd ze doodsbleek en keek hem zoo star in de oogen, dat hij die tegen wil en dank neersloeg.

„Is het je ernst, Gérard?”

„Natuurlijk. Het is voor mij wel niet aangenaam, maar als het in het belang is van jou en de kleine, dan zou ik het me getroosten.”

„In het belang van mij en de kleine!” herhaalde ze bij zichzelve. „Heb ik me beklaagd, Gérard?”

„Neen.... maar, mijn hemel, verbeeld je dat het zóó ver moest komen.”

„Waarom wil je me dan weg hebben?”

„Maar daar is geen idée van!” riep hij ongeduldig. „Wat haal je je toch in ’t hoofd?”

„Ik haal me niets in ’t hoofd, Gérard.... niets.... niets hoegenaamd. Ik vind het.... zóó verschrikkelijk!”

Zij weende.

Gérard loosde een zucht, die uit zijn toonen scheen te komen. Wat was dat nu voor een dwaas tooneel! Hij meende immers niets dan goeds; hij beoogde alleen het welzijn van vrouw en kind met opoffering van eigen loisirs; hij zou haar natuurlijk zeer missen, dat moest ze toch begrijpen,—en haar eerste vraag was: waarom wil je me weg hebben?

„Het is al heel onverstandig van je ’t zoo op te vatten. Indien ik dat had geweten, dan zou ik er waarlijk niet over hebben gesproken.”

Zij wischte haar tranen weg.

„Eens en voor altijd, Gérard: zeg zulke dingen nooit weer. Ik ga niet naar Europa, nu niet en nimmer. Ik zal hier sterven als het mijn lot is, maar zonder jou ga ik niet heen”

Het roerde hem. ’t Was misschien dom van haar,—neen, ’t was zeker dom, maar het was toch een machtig bewijs van haar groote liefde.

„Kom,” zei hij vriendelijk, „laat ons er niet verder over spreken. Ik heb het alleen gezegd in het belang van je gezondheid en van de ontwikkeling van het kind. Ik meende dat een verblijf in een zacht Europeesch klimaat het zou versterken en krachtiger zou doen ontwikkelen. Het zou immers voor mij een even groote opoffering zijn als voor jou. Maar als daarmee ’t kind te helpen was, dan zou ik het doen.”

Wederom weende Hortense; zij sloeg haar armen om zijn hals.

„En ik kan niet,” snikte ze. „Er moge gebeuren wat er wil, maar ik kan niet. ’t Is misschien niet goed van me, Gérard, maar het is niet anders.”

„Laat ons er niet meer van spreken!”

„Toch wel! Weet je, waaraan ik dacht?”

„Neen!”

„Aan haar.”

Hij kleurde. Och, hij wist zoo goed wie er bedoeld werd, maar een natuurlijke aandrift noopte hem als ’t ware om juist te doen alsof hij er niets van snapte.

„Ik begrijp niet wat je bedoelt.”

„Aan mijn ’s vaders weduwe. Er is iets geweest tusschen jou en haar. Ik heb hier in de stille eenzaamheid gelegenheid gehad om na te denken over veel wat vroeger mijn aandacht niet zoozeer heeft getrokken. Wat het is, weet ik niet, maar als ik het een met het ander in verband breng, dan gevoel ik dat er iets is geweest waarvan ik onkundig ben en dat ik toch had moeten weten.”

„Dwaasheid! Je hebt je in koortsachtigen toestand wie weet welke malligheid in ’t hoofd gehaald.”

„Heeft er dan nooit iets bestaan tusschen jou en haar?”

’t Was een pijnlijk oogenblik.

Hij kon niet zeggen wat het was; NU niet meer. De waarheid heeft haar tijd. Zij kan uitmuntend gezegd worden wanneer ze nog niet verzwegen of achtergehouden is; maar zoodra dat plaats heeft gehad, wordt ’t moeilijk haar te bekennen.

Hortense nu alles te vertellen ware een onvergeeflijke dwaasheid; de heele waarheid immers zou voor haar een beleediging zijn geweest, die ze nooit had kunnen vergeven.

Hij moest zijn advocatentalent als echtgenoot laten gelden; daarom glimlachte hij slim en medelijdend.

„Ik merk nu waar de schoen wringt. Je hebt verband gezocht, Hortense, tusschen de komst van Louise naar Indië en mijn propositie om je naar Holland te zenden. Is het waar of niet?”

Ze kon niet spreken, maar ze knikte van ja.

„Nu, laat ik je dan zeggen dat het heel leelijk van je is. Geen haar op mijn hoofd heeft aan zoo iets gedacht en ik meende goed genoeg in je achting te staan om me gevrijwaard te zien tegen zulke soupçons.”

Ze omhelsde hem met een hartstocht, dien men niet gezocht zou hebben achter haar verzwakt en anemisch uiterlijk.

De wending, die de zaak had genomen, bevredigde Fournier eigenlijk maar half.

In gemoede kon hij verklaren dat elke nevengedachte hem vreemd was geweest toen hij proponeerde om zijn vrouw en kind naar Europa te expediëeren. Maar nu zijzelve er over had gesproken, en na ’t voorgevallene met den brief, besefte hij levendig dat er een schijn tegen hem was, en zijn beroep had hem de volle overtuiging geschonken, dat in zulke gevallen de schijn erger kan zijn dan het wezen.

Toen hij naar de stad terugging, was hij zeer vriendelijk tegen Hortense, en terwijl hij de volgende dagen zijn gewone bezigheden verrichtte, dacht hij er niet meer aan, zijn gezin weg te zenden.

En toch had Droz gelijk gehad!

Na zijn vertrek waren de gedachten van Hortense blijven vertoeven bij het idée. Dat haar jaloerschheid ongemotiveerd was,—daarvan hield ze zich ten volle overtuigd.

En overigens hield ze van die stille conversaties met haar spiegel; van die Lieder ohne Worte, die elke vrouw kent.

Waar was haar blanke teint; waar ’t eenigszins gevulde van haar vormen; waar het frissche harer lippen; waar de glans harer oogen? Als ze met een jaar in het zuiden van Frankrijk en in Italië te vertoeven dat alles eens kon terugkrijgen? Als ze na zoo’n betrekkelijk korten tijd eens kon wederkeeren als een kloeke, jonge vrouw met zoo’n wolk van een gezond en flink kind,—hoe zou hij haar dan kunnen liefhebben, om wat ze hem kon aanbieden!

En Louise was ten slotte toch niet gevaarlijk!

Vooreerst was ze door en door fatsoenlijk, vond Hortense. Ze moest het wel wezen! Een vrouw die kon leven sans reproche op de wijze als zij geleefd had met Van Velton,—zie, Hortense vond het bewonderenswaardig.

En dan, zij, Louise, was toch, al had ze een goed figuur en een mooi gezichtje, eigenlijk niet veel meer dan een nonna, die zeer zeker nooit een man van smaak als Fournier kon impressionneeren.

De westmoesson was ingevallen: ze „stond door” verzekerden de Indische lui. Het regende dat het goot en Batavia met Weltevreden incluis was één reusachtige modderpoel.

Natuurlijk vierde men niettemin het Sinterklaasfeest.

De toko’s, geïllumineerd met vetlampions of met het nieuwe gaslicht, beleefden weinig genoegen van haar schitterende verlichting; wat niet uitwoei dat regende uit.

E per se muove kon men zeggen van ’t publiek, zooals Galilei het deed van de aarde.

Ondanks het ongunstige weer waren er duizenden inlanders op het pad en honderden Europeanen in dichte rijtuigen.

Er was een boot van Singapore op de reede gekomen. De opgaaf van de passagiers stond vermeld in de dagbladen, maar één naam ontbrak; ’t was op speciaal verzoek van de draagster dat die niet op de lijst was gezet.

Mevrouw Van Velton—Van der Linden was begonnen met in alle stilte haar intrek te nemen in het Hotel der Nederlanden, ’t Was maar voor één nacht had ze gezegd; ze wilde haar familie met haar komst verrassen. En de hotelhouder, die veel van deze familie had gehoord, maar ook wist dat ze zeer rijk was, had deze laatste eigenschap in het oog gehouden en gaarne aan het verzoek, om haar verblijf geheim te laten zijn, voldaan.

Hortense was tant soit peu hersteld van boven gekomen en had haar woning weer betrokken. Zij zat in de achtergalerij met haar nog altijd zeer zwak kindje en deed haar best om belang te doen stellen in het speelgoed, dat zij en Fournier in pracht en overvloed hadden gekocht.

Dan, het kind was te jong om er veel van te beseffen.

Verrast keek Hortense op toen een rijtuig op het erf stilhield. Met haar kind op den arm ging ze naar voren.

Een dame sprong, vlug als een jong meisje, uit een huurwagen en omhelsde haar hartelijk.

„Dag Stance, hoe gaat het?”

Mevrouw Fournier was stom van verbazing. Zulk een onverwachte komst!

„Mijn God,” zei ze, „hoe is het mogelijk dat u hier bent gekomen, zonder dat iemand er van weet?”

„Dat is minder moeilijk, dan je denkt. Laat ons nu maar dadelijk klaren wijn schenken, Stance. Je moet me nu niet meer „mevrouw” noemen en met „u” aanspreken. Tutoyeer me en zeg Louise. Ik ben te jong om tegenover jullie iets anders te kunnen zijn dan een goede vriendin.”

„Met pleizier, maar het is waarlijk een dubbele verrassing.”

„Soedah! je zult nog wel meer verrassingen ondervinden vandaag, hoop ik.”

„Hoe dan?”

„Ik heb van alles voor jullie meegebracht. Er volgen drie grobaks met goed. Kan je me logeeren?”

„Natuurlijk.”

„Uitstekend! Dan blijf ik hier. Ik heb met je man veel te bespreken over de zaken van papa. Wat mij de firma meedeelde is van dien aard, dat ik niet geloof er genoegen mee te kunnen nemen. Fournier moet me daarin helpen.”

De karren kwamen; de massa koffers werd afgeladen en ontpakt, en onder die bezigheid viel Hortense van de eene verrukking in de andere. Zij had geen jonge vrouw moeten wezen om niet tot in haar for intérieur getroffen te zijn over al het schoons, dat haar stiefmoeder voor haar uit Europa meebracht. ’t Was een ware profusie van geschenken, het een al fraaier en kostbaarder dan het ander. Er was letterlijk van alles; voor Hortense persoonlijk aan toiletten en sieraden, voor het kind, voor de huishouding, voor Fournier,—c’était au grand complet!

Zij raakten niet uitgepraat!

De rijsttafel werd vertraagd en kwam ook te laat op ’t kantoor.

In Hortense’s boudoir zaten de twee dames en négligé te praten over al het aantrekkelijke van de Europeesche leefwijze, zonder aan haar siësta te denken, totdat zich in de galerij het geluid liet hooren van den tred eens mans.

Fournier had door een leitje van zijn vrouw vernomen dat Louise onverwacht was gearriveerd, en vóór den gewonen tijd was hij thuis.

Vlug maakten de dames dat zij er eenigszins presentabel uitzagen; toen ze Fournier, die in de achtergalerij wachtte, te gemoet traden, en toen Louise hem met haar vriendelijksten glimlach de hand reikte, voelde hij als ’t ware geen grond meer onder zijn voeten.

Het leven in huis was sedert den dag, waarop Louise aankwam, zeer veranderd. Van een stil gezin was het een druk huishouden geworden.

In het eerst sloegen Fournier en Hortense de jonge weduwe met verwondering gade.

„Ze is zeer veranderd,” zei Hortense op een laten avond, toen ze met hun drieën wederom waren uitgeweest en zij doodmoe op haar kleine sofa neerzonk en haar voeten overliet aan de zorgen van haar baboe.

„Ja,” antwoordde Fournier geeuwend, en hij had er haast bijgevoegd: „jij ook.”