Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel

Part 9

Chapter 93,857 wordsPublic domain

En dan, al is alles nieuw, hoe mooi zijn al die dingen hier, hoeveel voornamer dan bijna alles in een galanteriewinkel in Holland! Die wierookbakjes met hun teêre pootjes, die simpele speksteentjes met die kleine, maar grandioze lijntjes, die gracieuze poppetjes met die gevoelige gebaartjes, die glanzende witte vazen als blanke bloemkelken! En nu dat fijne Kwan Yin beeldje, dat de sjacheraar mij voorhoudt, wat is dat weêr een keurig figuurtje, hoe mooi is het opgerezen uit die fraai gestyleerde lotusbloem, hoe lucht en rein wuift het lichte gewaadje in zachte plooien er om heen, hoe subliem is het gebaartje, waarmee twee vingertjes der linkerhand prediking wijzen! En ik kocht het elegante poppetje, dat hoogstens vijf en twintig cents waard was, voor drie dollars, omdat ik wist dat ik, in Canton onbekend zijnde, voor een globetrotter werd aangezien, en het dus toch niet voor minder zou krijgen. En nóg zie ik het verslagen gezicht vóór mij van den chinees, die jammert, dat hij er zoo’n schade bij heeft, en op die manier zijn zaak op de flesch zal gaan. Die fantazie, dat representatie-vermogen, die kostelijke mimiek in dit land, waar elk wezen een volleerd, eminent tooneelspeler is, een land van opperste kunstenaars! Is China misschien niet één immens tooneel?....

En nu weer verder, door slijk, modder en drek, langs smerige, fielterige gezichten, door getier en gevloek, half ziek van den walgelijken stank overal, en in beraad om in Godsnaam maar liever terug te keeren....

Tot dat men mij weer neêrzet voor een tempel. De tempel der vijfhonderd Ló-Han’s. [69]

Eerst een paar poorten door, waar menschenmassa’s krioelen om stalletjes van vruchten en stinkende eetwaren, en dán een labyrinth van lange, rechte alleeën.

Het was er vol blauwigen wierookdamp, en in dien zachten schijn blonk overal donkerrood van oud goud. Aan weerszijden in lange, lange rijen zaten op steenen terrassen, dicht naast elkaar, kolossale gouden beelden, en de gangen openden zich rechts en links tot andere, overal uniforme alleeën, waarin de roerlooze, plechtige samenkomst van mysterieuze, heilige wezens. Voor elk der vijfhonderd beelden stond een groot wierookvat en een kandelaar; wierook brandde in de vaten, en zóo droomde overal een blauwe damp op, waarin het goud lichtte van een vreemden, mystieken glans. Op elk kruispunt van gangen stond een pagode, in den vorm van een lotusterras, waarin een oud, zwart boeddhabeeld aan elk der vier zijden statig nederziet op de eerwaardige vergadering van wijzen daar beneden. Op de hoeken bloeiden slanke porseleinen vazen, als bloemkelken.

Vijfhonderd expressieve gezichten van hooge wijsheid, devoot biddend in roerlooze rust, of verdroomd in zalige meditatie, vér van de dingen der wereld, of enkelen verschrikkelijk stormend, in woedenden haat tegen de doodsvijanden, de passies, met afschuwelijk verwrongen trekken!

Het was er plechtig, van een sombere, gewijde stilte. Dat kwam plotseling uit de benauwing en het leven van zooeven als een wijding van droom.

O, die eindeloos kalme, gouden wijzen, hoe ontzaglijk zaten zij, in een sfeer van vreemde zaligheid, hoe passieloos was veler gelaat, hoe wonder was die roodgulden glans, lichtend in die hooge, koude stilte!

Naast mij, bóven, waar ik laag onder stond, zag een mat-gouden Ló-Han vreemd-lachend mij aan, zooals ik nooit weêr zal vergeten, met een lach, die over andere dingen in andere werelden gaat, en met een subliem gebaar wees hij op zijn open-gegane borst, waar een heel klein, schitterend beeldje zat, de voetjes op een lotus gevouwen, de oogen starende op de punten van twee opgestoken vingers, verloren in immenze zaligheid; zoo wees hij mij met een wonderen lach op zijn bevrijde, pure ziel van binnen!

Voor en achter, links en rechts, overal liepen de alleeën door, en in alle richtingen, zoover ik zien kon waar ik stond, waren de statige wijzen, in onbeweeglijke rijen, peinzende donkergoud in een droom van zachtwolkend blauw.

En het was als een stuk uit een oude Soetra:

„Alzoo hebbe ik gehoord: Toen der tijde woonde de Gezegende (Boeddha) in Srâvastî, in de allee van Geta, in den tuin van Anathapindika, te zamen met een gezelschap van Boeddha’s, dertienhonderd, met ouderen, groote discipelen en Arhats, zooals Sáriputra, Mahamaudgalyama, Mahakasyapa, Mahakapphina, Suddhipanthaka, Nanda, Ananda, Râhula, Bharadvâga en Arismuddha. Hij woonde te zamen met dezen en vele andere groote discipelen en vele nobele Boddhissatva’s, als Mangrusî, den prins, en alle anderen.

„En hij woonde te zamen met Sakra, den Indra, den koning der Dewa’s en met den Brahmaan Sahârupati. Met dezen, en vele anderen, honderdduizenden Naguta’s [70] van godenkinderen, woonde Bhagavat in Srâvastî. [71]....”

En deze tempel was als een gezicht in heel oude, vervlogen tijden, toen de sereene Shakyamuni zijne onsterfelijke predikingen zeide, met duizenden vrome discipelen in roerlooze rijen devoot om hem heen. Hoe groot, hoe gelukkig, zoo pas uit al die menschen; de menschen leken nu als vér uit een nachtmerrie, krioelende wezentjes; wat veilig, hier zoo vér van allen, in die koude laan met gouden goden!

„O-Bi-Tô,” zeide een schelle keelstem.

Een smerig, gluiperig kereltje, miserabel in een vuil grijs lompenkleed. Een puntig dievensnoet, vér, vér van beneden.

Ik wist wat hij hebben moest, en gaf hem een „kah” [72].

Gretig greep de vieze hand mijn geldstuk.

„Gegroet, vrome Bikshu,” zeide ik, met een sneer, dien hij voelen moest.

Maar onverstoorbaar kalm, zijn vuile snuit in een plooi van Nirvâna’sche rust, antwoordde hij weder:

„O-Bi-Tô”, „O-Bi-Tô”..... [73]

Amitâbha, de Dhyâni Boeddha, de in-zich-zelf bestaande, vóór de formatie der wereld, Amitâbha, de „abstracte Wijsheid”!

En ik voelde een grooten angst, nu deze havelooze schooier dien subliemen naam op de lippen had, zooals ik zelf wel van véél sublieme dingen spreek, ik, die mijzelf van binnen nauwelijks durf zien, in de duistere afgronden der onbewustheden. Is daarom China mij zoo sympathiek, of liever, zoo vreemd verwant, omdat het een symbool is van een menschenziel? Omdat er van uit het sombere en droeve van duistere onbewustheden de hoogste wijsheid wordt gezongen, en in de gure, donkere wijken een roerloos, statig Boeddhabeeld de handen biddend op de borst vouwt, in allerdiepste contemplatie?

Angstig peinzend ging het weer door de sombere straten, en ik wist niet eens meer wat ik zoeken kwam, ik, droomende zwerver, ver van de dingen van mijn land.

Het liefs van zonnige duinen was nu zoo lang reeds weg, en de weiden met gouden koeien, en de weggetjes waar een wagen met paard aankomt in de verte. Het is hier alles somber en tragisch, alles roept hier van den dood, en mijn grootste geluk was hier immers altijd doodstil liggen aan de zee, met vage nevelen op het water, en overal stervende lijnen en wijkende horizonnen.....

Tot een plof mij weer wakker schrok. Ik was voor den tempel van den stervenden Boeddha. [74]

Een met onkruid begroeid voorhof over; dán, langs twee pagodevormige wierookbranders, de voordeur van den lagen, breeden tempel binnen. Het is niet in een statige, groote zaal, in pracht van architectuur en kleuren, dat het beeld hier ligt. Een paar gangen door, een trap op, en ik kwam in een kleine, vierkante kamer, in donker, droef licht. Hier stond een armoedig chineesch bed met vuile, groene gordijnen. Ik sloeg ze terug en hing ze over de stijlen. En ik zag een levensgroot, gouden boeddhabeeld dat—o, wondere chineesche naïeveteit!—met een deken bedekt was, voor de koude. Ook de deken trok ik weg. Géén beeld van heel fijne afwerking als de oude porseleinen,—een dik, bijna grof gezicht, met grooten neus, en lompe, vette oorlobben. Het haar in krullige vlamknoppen, donkerblauw. Dikke, logge lijnen had het lijf, als dat van een vleezigen, massalen werkman, die één brute kracht is. Maar toch zág ik het en was het duidelijk, ik zag het, en zal het niet licht vergeten.....

„Zóó moet het zijn,” dacht ik, „zóó is het grandioze, zachte, teedere einde.....”

Want de gouden boeddha lag met het hoofd zóó rustigjes op een luchtig gebogen arm.... o! hoe rustig en zalig en in sereene kalmte,—de beenen zóó zachtkens gevleid over elkaar, en over het slapende gezicht lag zulk een wijding van eindeloozen vrede, dat ik dadelijk voelde, hoe hier een ziel verzweefde, en dit lichaam verheerlijkte met den glans van haren schaduw.

Zacht, zacht lag daar de boeddha vóór mij, hoe zalig was hij daar gelegen; ja, nu wist ik het—hoe heerlijk dit te weten!—dit was geen lijden, geen bange dood, dit was enkel het lucht-droomend verglijden van een bevrijde ziel.....

In een donkere, vuile kamer was het, in sombergeel, treurend licht, ergens op een verdieping van een armoedigen tempel, in de duistere stad van modder en immondices, waar ik zooeven nog walgde.

Toen ben ik haastig weggegaan, na eerst de deken zelf weer over het gouden lijf te hebben geslagen, en de groene gordijnen dichtgedaan. Dit is niet iets om veel van te zeggen, om lang naar te zien. Maar iets om heel stil te bewaren van binnen, om voorzichtig mede te dragen door het leven, en niet meer van te spreken.....

En weêr ging het, een uur lang, door de donkere stad, en in mijn moeheid zag ik niets meer dan vage schaduwen. Alleen nog even héél helder, op een breede, open plek, op zij gezien, een blanke pagoda, een blanke bloem, rank oprijzend, hoog boven de lage, schuitvormige daken, met zeven gestyleerde terrassen boven rijen zeskantige bladen, en gekroond door een spits van in den wind zacht klingelende klokjes. Een wondere bloem van steen en porcelein, opbloeiend uit het vuilbruine der huizenmassa’s.....

Toen heb ik getiffind, in een koude, leege zaal, en later in een donkere hôtelkamer gezeten, met vreemde stadsgeruchten roezemoezend in de verte, en angstig gillen van stoomfluiten, dicht bij op de rivier. Moe van warmte, lam van benauwdheid als ik was, viel ik in een zwaren slaap, donker en leeg, een groote zwarte onbewustheid, als een afgrond.....

Na het diner, ’s avonds, werd ik door een jong engelsch student van de „consular service”, met wien ik aan één tafeltje had gezeten, geïnviteerd om de „flower-boats” op de Cantonrivier te gaan zien, een chineesche, drijvende buurt van „haut plaisir”. Daar hij Canton-chineesch sprak, een dialect waarvan ik maar heel weinig machtig ben, nam ik die invitatie met graagte aan.

En nu ging het in een sampan, onder een rieten dakje gezeten, over een breede, donkere rivier. Voorbij de stad was het alles donker, en van een vreemde melancholie, die ik nergens anders voelde dan op chineesche rivieren. Een zacht drijven met korte stootjes, onder het droevig gepiep van riemen in de haken, en van buiten niets te zien dan donker water alom. Tot opeens in de verte een rumoer klonk van stemmen en gezang. En wij kwamen bij een groote, opeengehoopte massa, die ik eerst voor een stad hield, maar die uit honderden naast elkaar vastgemeerde booten bestond. [75] Bamboebruggen op palen vormen wegen tusschen de rijen schuiten, die allen stil liggen.

Met veel moeite liepen wij op die ruwe wegen voort. De eerste schuiten die wij voorbijgingen waren klein en slecht verlicht, en ik zag vrouwen in zwarte jakken met een sigaret in den mond. Maar verder blonk veel licht, en nu kwamen wij bij wonderlijke huizen—want op booten lijken zij niet in het duister—met fijn houtsnijwerk van bloemen en vogels. De deuren open, en binnen alles hel verlicht, veel menschen in kleurige gewaden, en vreemde vrouwenfiguren in schitterende zij. In een der laatsten gingen wij binnen. Een aanzienlijke Chinees, de secretaris van den onderkoning van Canton, gaf daar een feest. De boot leek wel een langwerpige, smalle, lichte doos met menschen. De eerste indruk was rood en goud. Langs de muren veel spiegels in vergulde lijsten, en veel roode tabletten met gouden karakters. Overal europeesche kronen en lustres, met veel glazen breloques. Overal schitterde en fonkelde kristal en licht.

Langs de wanden, als in chineesche ontvangzalen, stoeltjes van zwartbruin hout, rijk ingelegd met parelmoer, en rijk besneden. Naast elken stoel een laag tafeltje, voor de thee. In het midden een fijn geornamenteerde tafel op drakenpooten, waarop allerlei porseleinen schalen met lekkernijen, en waarom rijkgekleede chineezen met wondere, frêle wezentjes—bloemen? feeën?—van lichte, tintelende couleur, met vreemde droomgezichten, nog niet gezien.

Mijn beleefde nieuwe kennis stelde mij voor aan een immenzen, loggen chinees, met enormen, vooruitstekenden buik en vuurrood gezicht, een vette, lompachtige vleeschklomp. Ik boog zoowat en mompelde iets van het weinige mandarijn dialect dat ik kende—en dat een hooggeplaatst chinees door het geheele rijk verstaan moet. Maar ik heb niet gehoord wat hij toen zeide, want ik keek naar die vreemde, ongeloofelijke wezentjes om de tafel. Ze waren allen zoo klein en broos in de fonkelende roze en hemelsblauwe gewaden met teêre bloemen en vogels daarover geborduurd, roze omzoomd met blauw, en rood met goud, en helgroen met fel geel, alles schitterend en tintelend in ’t intenze licht, wijde korte gewaden over wijde broeken, met vage, vermoede vormen er héél even doorkomend. En dan die gezichten, allen zoo poederwit en bloemenrood, en die opgaande wenkbrauwbogen en die kleine zwarte amandeloogen die niet schijnen te zien wat er om hen heen is, maar enkel vage, verre mysterieën! De slanke droomwezentjes van porseleinen vazen en van zijden waaiers en schermen en bizarre teekeningen. En alles even sterk uitkomend van kleur, als geschilderd op rijstpapier, zóó intens, kleuren alleen in China te zien. Er stond er een op, met veel geruisch en kletteren van jaspis-sieraden, en nu zweefde het kleurig schepseltje naar ons toe, als op het rythmusje van een heel langzame droommuziek. De zijden miniatuurschoentjes van een héél klein kindje raken maar even den grond, en het toch zoo lichte lichaampje, te zwaar voor die babyvoetjes, helt links en rechts telkens over, en wiegt in het wankelend evenwicht, met telkens uitstrekken van een wijde mouw, als een vlag van een équilibriste. Dit kleine, zijden figuurtje, als uit een droom gekomen, dit heel teêre, frêle wezentje komt bij den kolossalen chinees staan, als zijn kindje ver beneden zijn schouder reikend, en wil den vleezigen reus, die haar Lief is, weer meêtrekken naar de tafel, om te eten.

Maar hij zeide haar iets, wat ik niet verstond, waarop zij ons met haar zwarte oogjes aankeek, eerst half-bang, toen verwonderd, toen guitig, en opeens in een schel gelach uitschaterde.

De dikke chinees scheen een héél goed vriend van mijn kennis te wezen, wat deze mij dan ook verzekerd had, want ineens vroeg hij mij wat in gebroken, maar toch verstaanbaar engelsch:

„Please sit down there, with my friends. Do you like a mistress?”

En daarna een bulderend gelach. Nu zag ik pas dat hij een beetje dronken was.

„Hoe zou ik durven? Hoe zou ik durven?” riep ik, dezen keer voor de eerste maal dit in China gebruikelijk antwoord eens heuschelijk meenend.

Want die zijden, kleurige schepseltjes daar zijn geen vrouwen, dacht ik. Het zijn geschilderde, met zijde omhangen automaatjes, ze zijn broos als vlinders, de kleur zit er in fijn poeder op, ze geven stellig af als je er aankomt. Hoe dit ooit aan te roeren—zou er geen griezelige, bleeke plek óverblijven als bij een kapel,—zou die mooie kleur er niet afgaan? En dan al die heerlijke, zachte zijde, zou het niet kreuken, zou het niet scheuren en vlekken, en dan die curieuze, porseleinen gezichtjes, me dunkt ze zouden breken en in scherven vallen als de poppetjes op zoo’n waaier, als je er even aan stoot!

Wat een vreemd festijn, die logge, groote kerels, meestal met dikke buiken en opgezette tronies, die daar vreemde vruchten eten en uit miniatuurkopjes thee en wijn drinken met porseleinen poppen, die dadelijk breken!

Wij werden opgenomen in den kring. Naast mij zat een figuurtje in roode zij, met sterk riekende bloemen in ’t haar, en een smallen band van blauwe ijsvogelveeren, bezet met groote paarlen, over een smal, wit-gepoederd voorhoofd. Zij zat mij aan te kijken alsof ik een vreemd, zwart monster was in mijn europeesche jasje, en begon telkens met andere zulke vrouwtjes uitbundig te lachen over zóó iets ongerijmds. Onze gastheer liet de muziekinstrumenten komen, en het wezentje naast mij begon met haar kleine, roodporseleinen vingertjes in iets als een guitare te tokkelen. Vreemde, maar heel zangerige wijsjes, en een vreemde stem er tusschen, zingend in heel hooge noten ongehoorde faussetten.

Het ging er alles heel netjes toe. Niets van de ruwe grofheid als op europeesche bacchanalen, al was het nog een ietsje anders dan in een europeesche salon. Deze vlinderachtige dametjes zijn dan ook de meest ontwikkelde van China, en onderwezen in literatuur en muziek.

De booten—ik spreek hier enkel van de besten, niet van de kleineren—zijn geen publieke lokalen, maar worden door een of meer rijke chineezen afgehuurd, en de feestvierenden zijn allen gasten. Behalve een toiletkamertje zijn er geen andere vertrekken dan de feestzaal. Na het festijn gaan allen naar huis.

Mijn nieuwe vriend was in druk gesprek met de Chineezen, maar ik zeide niet veel, en zat, een geurig kopje „siaochoeng” thee savoureerend, de porseleinen vrouwtjes aan te staren, die ik nog nooit zoo gezien had. Ik kende alleen van Cantonvrouwen de korte, dikke „girls”, die overal in China, in de Straits en in Indië zijn te vinden, gekleed in de glimmende, zwart bombazijnen jakken. Maar déze waren de echte chineesche feeën uit de oude sprookjes en legenden, die op feniksen en reigers door de lucht zweven, of voorbijdrijven op wolken, als Ho Sien Kou, het wondere, lichte wezen, dat nooit at, en in het volle daglicht eindelijk ten hemel voer, als te lucht en te broos voor deze aarde. Ik trachtte te vergeefs mij voor te stellen, dat die gekleurde, teere poppen courtisanes waren, zoo vaag en vreemd bewogen ze, zoo klein en tenger leken ze, zoo curieus automatisch waren hun gebaartjes, als werden ze onzichtbaar door touwtjes bewogen. Toen de dikke secretaris zijn zware hand op de fijne, zijden schoudertjes van zijn meisje legde, had ik een gevoel alsof ik een porseleinen voorwerp zag breken. Maar ze weerde hem af met een keurige wending van haar zijden waaier, en lachte met een hoog geluid, te hoog fausset om natuurlijk te zijn, maar dat bizonder mooi wordt gevonden in een chineesche vrouw.—Hoe’n vreemd gevoel was het, toen later zoo’n wezentje achter elk der gasten kwam te staan, zooals gebruikelijk is, om wijn te schenken! Telkens als het gepoederde, roode handje bij mijn kopje kwam, en een zijden wijde mouw even ruizelend mijn jas effleureerde, week ik onwillekeurig terug, en keek bezorgd of er niets was afgegeven, en geen roode of witte vlek was gekomen op het zwarte laken.....

Het was laat toen wij, na vele strijkages en buigingen, afscheid namen van de overbeleefde chineezen en hun raadselachtige schoonen. En toen ik weer in de donkere sampan zat en over de doodstille, duistere rivier gleed, had ik moeite te gelooven, dat ik de schitterende, kleurige poppetjes van de oude vazen en rijstpapieren plaatjes werkelijk levend had gezien, en dat alles misschien niet enkel een vertooning maar geweest was op dat immenze tooneel, dat China is.

De stad, toen wij naderden, lag donker en somber, met hier en daar een schaarsch lichtje, een groote opeenhooping van zwarte vormen, onder de duistere droefheid, die over alle chineesche steden ligt, als een vloek. Het gezicht op zoo’n ontzaglijke groote stad, doodstil onder den zwarten nacht, vanuit de wijde, duistere rivier, is beangstigend met een vreemde beklemming.

De schitterend roode en blauwe lichtfiguurtjes weken weg voor mijn denken, en opeens dacht ik om de vijfhonderd gouden wijzen, statig gezeten in den damp van blauwen wierook en om den heiligen, zaligen Boeddha, die daar lag te sterven in het donkere kamertje, achter armoedige, groene gordijntjes, dáár ergens in die zwartgrijze massa, zoo somber en dreigend voor mij, de mysterieuze, fabelachtige stad van wonderen, die Canton heet....

INHOUD.

Blz. Kwan Yin. De Godin der genade. Over Chineesch boeddhisme en Chineesche kunst 1 Een Bruid 73 De Chineesche Hel 85 Een Begrafenis 152 Uit Canton. Een reisimpressie 160

AANTEEKENINGEN

[1] 14 Maart 1896. Letterkundige Opstellen. IX.

[2] De „i” in Yin lang uit te spreken, de „a” in Kwan kort.

[3] Deze was geboren uit het hoofd van den Dhyâna boeddha Amitâbha, in China de allerhoogst erkende boeddha, genaamd O-Bi-Tô.

[4] Ook deze werd voorgesteld als zittende op een berg, nederziende naar de wereld.

[5] De roomsch-katholieke zendelingen zagen in haar een spel van den Satan, die de Mariafiguur wilde namaken.

[6] Meisjes worden dan ook slechts bij uitzondering in China onderwezen in andere vakken dan vrouwelijke handwerken, decoreeren, huishouden enz. en kunnen lezen noch schrijven.

[7] Wat men „taoïsme” noemt heeft niets te maken met de oorspronkelijke leer over Tao van Lao Tsz’. Dwaze discipelen, die Lao Tsz’s boek niet begrepen, haalden er allerlei absurde dingen uit, gingen den steen der wijzen zoeken enz. en creëerden later een geheel pantheon van goden. Geheel ten onrechte wordt dan ook van „taoïsme” gesproken.

[8] Het boekje, dat voorgesteld wordt door Kwan Yin zelf gemaakt te zijn, is geen echte soetra, en is geschreven gedeeltelijk in proza en gedeeltelijk in verzen. Het is getiteld; „Oorspronkelijke, echte soetra van het overvoeren (naar Nirvana) van Kwan Yin” en is veel beter geschreven en van veel ernstiger karakter dan de „Volledige traditieën omtrent de Kwan Yin der zuidelijke zeeën”, waaruit andere schrijvers wel eens hebben geput.

[9] De Chow dynastie bloeide vanaf 1122 v. C. en verviel vanaf 1079 v. C.

[10] Confucianisme, taoïsme en boeddhisme.

[11] Zooals bekend is gelooven de boeddhisten aan tallooze incarnaties door transmigratie, en, zooals ik verder in dit stuk nader zal beschrijven, wordt door omwenteling van een wiel de ziel telkens weer in het leven gewenteld.

[12] Eene niet-boeddhistische godheid, vermoedelijk van oud-chineeschen oorsprong, die in allerlei legenden en taoïstische verhalen een groote rol speelt.

[13] Hiermede wordt bedoeld de „Sing” waarvan Confucius spreekt, „dat wat de hemel als natuur verleend heeft.” (Zie „Chung Yung”.) Deze „Sing” is het essentieel reine van den hemel in den mensch, en haar rein te houden is het geheim van een goed leven. Alle zonde komt door verduistering van de „Sing.”

[14] Boeddha, Dharma, Sangha, d.i. Boeddha, de Wet, en de Priesterschap.

[15] „Het schip der liefde.” Andere naam voor Kwan Yin. Met „schip” is bedoeld het vaartuig, dat de zielen over de zee des levens voert naar Nirvana.

[16] „De zee der bitterheden,” „het roode stof” enz. is het leven.

[17] Jên Teng (sanskriet Dipankara) is een oude boeddha, die al vóór Shakyamuni’s incarnatie als Siddharta dezen onder zijne discipelen telde.

[18] Volgens prof. de Groot een land ten Z. van Siam en ten O. van Indië.

[19] Miao Yin = het Schoone Geluid, Miao Yuen = het Schoone Begin. Tsjoang is de Schoone, Versierde.

[20] Er zijn vijf planten, die als onrein worden beschouwd, (o. a. uien) als zijnde wedergeboorte als plant van een hond.

[21] Op dien gelukkigen dag werd in oude tijden een trap gereed gemaakt en met bloemen versierd. De prinses stond op de trap met een zijden bal in de hand, die zij neerwierp. Wie de bal opving werd haar echtgenoot.

[22] De eerste is de gehoorzaamheid aan den vader (ongehuwd zijnde), de tweede die aan den man (gehuwd zijnde), de derde die aan den oudsten zoon (weduwe zijnde).

[23] Goed gedrag, gepaste woorden, nederigheid, gepaste bezigheden.