Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel
Part 8
Alleen een allerpuurste, goddelijke Liefde kan die onverbiddelijke wet van het Noodlot veranderen. Kwan Yin redde millioenen zondaren uit de verschrikkingen der hel, en haar gebed verbrak de onverbreekbaar sterke causale keten van hun Karma. En hoe afgrijselijker de verschrikkingen, voorgesteld in de chineesche hel, des te schooner komt de blanke figuur uit van die kuische Maagd van medelijden en genade, van de liefdevolle boeddha Kwan Yin, die in den immenzen ópzwaai van haar bidden de millioenen zielen van zonde naar de paradijzen overvoerde van het eindeloos Nirvana.
EEN BEGRAFENIS.
Van Koe-Lang-Soe de zee over, met een sampan, ging ik naar de rotsvlakte, oostelijk van het eiland Amoy, de vlakte der witte grafsteenen, waar de tempel staat van Kwan Yin, de Godin der Genade.
In China is de dood niet een bang geheim, dat men wegstopt, ergens in een hoek, op een kerkhof, maar het geheele land is één groot kerkhof, waar de graven overvloedig bloeien, als roerlooze, sombere gewassen. China is een land des doods. Het is of de menschen er alleen leven om begraven te worden. In de velden, in de tuinen, in de bergen, vooral in de bergen, liggen de graven. Het is onmogelijk ergens lang te loopen zonder over graven te gaan. Overal, overal in het rond liggen de dingen des doods. De gedachte aan den dood is altijd bij mij hier, een ding van alle dag, als de lucht en het licht. De dood grijnst met duizend gezichten uit de aarde. De dood ligt open op het land, als de bloemen. De lichte zon ziet over graven, de boomen neigen met treurende pluimen over graven, de vogelen zingen hun melodieloos lied boven graven en de voeten der menschen gaan aldoor over kille steenen, voelend de aanraking des doods.
Aan land gekomen, stond ik op een wit strandje, en volgde een weg langs hooge, witte muren. Primitieve versterkingen, wat broze wallen met kanteeltjes en schietgaten. Het idee van veilig te wezen achter een muur. In holten lagen doodkisten, achteloos neergezet. Ik lichtte uit nieuwsgierigheid met een stuk hout een deksel op. Er lagen beenderen in de kist, en wat vodden en zwarte dingen. Nu éven landwaarts in, door sawahs met wuivend groen, en daarachter lag de vlakte, voor een hoogen rotsenmuur, die als een massieve, zwarte verschrikking recht voor de oogen stond. Zoo ver te zien was lagen de rotsblokken opgestapeld, en overal in het grauw-zwarte waren de witte plekken der grafsteenen. Generaties van eeuwen liggen hier in de rotsen, álom. Er groeien hier enkel graven, koud en droef tegen den rotsenmuur, zoovèr ik maar kon zien. Hoe verlaten en des doods, die naakte rotsen met die graven! Het was om te denken een oud, oud land, een land van fossielen, eindelijk weêr ontdekt, voor goed ontvolkt, en onder den grijzen hemel, in die ijzige rust van rotsenmassa’s en kille steenen, leek China mij een Rijk der Dooden, waar eeuwig droefheid over hangt en een vloek.....
En opeens, teêr van in de verte aankomen, een rij haastig naderende figuren. En, schel door de stilte, snerpende, piepende muziek. Rood is te zien en geelwit.
Er wordt een versch lijk aangebracht voor de bergen. Het komt met gele, sombere dragers, met geklaag van hooge houtinstrumenten en piepende pijpen. Met een fantastisch beweeg, op vreemden doodenmaat, ging de stoet het sombere land over.
Nu waren zij naderbij. Voorop de vuile, havelooze muzikanten, de gele gezichten gebold door ’t blazen, en hoofd-schuddende met den wilden cadans mede van hunnen lijkzang. Het was geen muziek, hun lawaai. Het was een verward koor van hooge fanssetten, met uitgegilde, verscheurende jammerkreten, op een wilden wanhoopsmaat, onharmonisch, maar de droefste en verschrikkelijkste smartgeluiden, die ik ooit hoorde. Achter de muzikanten een baar, gedekt met een rood kleed, waarop bloemfiguren. Een helle vlek rood in het grijze landschap van rotsen. Acht mannen dragen haar aan bamboestokken, zwoegende en gebukt; maar toch met het vlugge, veerende gaan der Oostersche volken.
Achter de baar komen de verwanten, de rouwenden, in smerige, gele lompen, met vunze doeken om het hoofd, krijschende en gillende, en besnotterd met vieze tranen en bellen speeksel. Zij loopen met wankelstappen en zwaaien wanhoop om zich heen, met woeste gebaren. Een, zeker de zoon—want dat de baar met rood bedekt is duidt aan, dat de doode een vrouw is, stellig een moeder, denk ik—waggelt als een beschonkene, en wordt ondersteund door vrienden. Ze zijn bang en afschuwelijk om te zien, in die gore lappen van vuil zakkengoed, met loshangende haren, met hun onbehouwen, brute smart, als groteske persiflages op menschelijk gevoel, verdierlijkingen van wanhoop. Het is maar een heel armoedige begrafenis, zonder de pompeuze staatsie van palankijnen en vlaggen en lantarens der rijken, een miserabele troep in vuile lappen, met smerige, gore gezichten, maar daarom juist des te somberder in dat grauwe landschap, met al die ijzige graven. En de siniestere stoet gaat aan mij voorbij, dáár, naar de kille rijzenis van rotsen, in het land der lijken, waar geslachten van eeuwen verzonken en vergaan zijn, in hun dood opeengehoopt als in hun leven in de opgepropte steden, samengekrioeld als onuitroeibaar ongedierte.
De gillende clarinet verspreidt de nadering van het nieuwe aas, met snerpende kreten door de stilte. Het geluid gaat verder en verder, hoog vlamt de bloedvlek van de roode baar in het grijs, en geruischloos snellen de voeten der dragers over het zand. Ik volg ze op een afstand. Een sombere wandeling achter dien vreemden stoet. Dat duurt een half uur, en nu komen zij bij de rotsige bergen. Ik zie nu, hoe die bijna onbegaanbaar zijn door granietblokken, met scherpe hoeken, en steile hellingen. Maar plotseling zie ik de dragers en de rouwenden al in de hoogte. Zij zijn vooruitgegaan met denzelfden luchten stap, op denzelfden rythmus, ongestoord door de stijging op steen. De beenen der lijkdragers zijn nu mooi van fijnheid in de hoogte, en het is zoo teêr en vlug als dunne paardepootjes, ver op een dijk. Zij bewegen regelmatig en haastig, die vreemde menschen, en worden allengs bijna silhouet, gevoelig van ver-zijn. En hoe verder hij gaat, de licht trippelende stoet, hoe mooier. Hij gaat de ongebaande rotsen op als de zachte zandvlakte. De voeten der chineezen zijn aangepast aan dit gruwbaar land, voeten gemaakt om over graven te loopen. Met eenparige, ongeschokte beweging zweeft de baar in de hoogte, met haar felle bloedkleur, als een vlag van den dood. Somtijds verdwijnt alles achter een hoog rotsblok, en dan is er niets meer te zien, tot het rood plotseling weer ópvlamt, onverwacht lager, en weêr weg, en dan weêr hooger. De muziek valt nu vreemd uit de lucht, als kreten van wilde vogels, gieren of roofuilen, azende op een lijk.
Ik ga op een grooten steen zitten, en zie het nu angstig nieuwsgierig uit de laagte aan. Nu blijven de dragers ergens staan, en de rouwenden vormen een kring, zeker om een graf, en ik zie koelies met spaden. De maat der muziek is hevig versneld, en de wilder en wilder wordende rythmus geeft het stijgen aan der emotie. De woeste smartmuziek gilt hooger tonen, en drijft de wanhoop met groote schokken in de lucht. Daartusschen een jammerend brullen van menschenstemmen, schreeuwend hun bruut gevoel door de grafstilte der bergen.
Ik zie de mannetjes bewegen, ver, met vage gebaren, een wriemelend gedoe omhoog. Het is niet te zeggen funèbre, om te rillen, dat doodenwerk daar tusschen die rotsgevaarten, met dat lawaai van schelle mineuren omlaag treurend.
Plotseling een stilte.
De kist is afgenomen van de baar. Een buigen van de verre mannetjes, koppen omlaag, en begrijpen, dat de doode in het graf zinkt.
Dán een oorverscheurend gehuil en gejammer, dat overal in de rondte weêrgalmt, het brullen van een pandemonium vol duivels. En dan plotseling even stilte, en de klarinet alleen, eerst langzaam, één hooge toon, dan nog een, en weêr een, en dan sneller, sneller, in woeste vaart een stroom van spitse tonen omhoog, een fontein van kreten, razend van rythmus, wijd-uitspuitend in felle geluiden. En eindelijk één allerhoogste noot, egaal en monotoon, langgerekt, wild-opgehaald, als de láátste, woest-opgedreven uiting van wanhoop, uit de allerdiepste lagen van de smart omhoog gerukt, en met een laatste stuiptrekking uitgestooten in de lucht, om dan in de hoogste sferen eindeloos door te dreunen....
De doode ligt in het graf van rots.
Boven de rotsen hangt laag een zwartgrijze hemel, donker en dreigend. De donkere granietmassa’s staan somber, onwankelbaar opgerezen, omhoog. En in dat ijzig grauwe vlekken de witte steenen van duizenden graven.
Maar het graf van de doode, daar hoog op die rots, ziet uit boven het landschap, en ver over de groote, groote zee, zóó als een ziel uitziet in de eindeloosheid.
UIT CANTON.
EEN REIS-IMPRESSIE.
Leemgeel, zacht verroodend in avondglans, lag Hongkong tegen het rossige, statig-rijzende rotsgebergte. Dit sombere gevaarte stijgt met immenze lijnen omhoog, hier en daar vrediger golvend, met glooiende dalen, en schiet dan rechtop in een hoogen, steilen piek. De rotsen zijn donkergoud, met rood als van fel avondrood, de stad is leemgeel van een stil, heilig geel.
Beneden, klein tegen het roodgouden hooge, ligt de drukke stad met een front van lang-rijende, gele huizen tegen de zee. Zij ligt in een damp van witten schijn, opstijgend uit de electrisch verlichte straten, en er ruischt rumoer van stemmen en ratelende ricksha’s. Hooger, hier en daar, tegen kuische hellingen, rustig-eenzaam staan de gele bungalows, met hun door de avondzon in brand gegloeide ramen uitziende ver over de zee.
De lange kadestraat is in wit licht van hoog opgehangen ballons met gloeilampen, waaruit melancholieke, intenze manestralen de hooge facades van hotels en offices doodsbleek slaan in het gloeiende geel alom. Klein en wriemelend onder dat witte licht van boven gaan proppen menschen, in schelle kleuren, hel rood en blauw, van de tulbanden der Sikhs, van de engelsche soldatenjassen, van wuivende chineesche gewaden.
Ik stond op het dek van de „Hankow”, de groote rivierstoomboot naar Canton. Overal, wijd in het rond, de booten in de haven; met een sereene kalmte lagen zij op het vlakke water, heel stil. Het tuig om hunne masten stond ragfijn in de ijle atmosfeer, als teêre takjes van dunne boomen, en alles aan hen was zacht-duidelijk te zien en stond zich stil te geven in den langzaam dalenden avond. Zij lagen vertrouwd en moê in de wijde, wijde haven, alsof zij, eindelijk gekomen, daar nooit weer weg zouden gaan en alles daar goed was.
Op de fransche mailboot, vlak over ons, werd en seinlichtje in de voorste mast geheschen; het wiegelde even zwaaiend omhoog en bleef toen peinzen over de zee. Alleen het vage geruisch van de kade verbrak de heilige zeeëstilte, waar alle winde-adem ingehouden.
Plotseling een hoog, droef-klagend geluid,—dit is in een stille haven als een bange smart over de ziel, die huivert,—een ver echoënd galmen over de bergen in het Westen,—en langzaam verdween een groote, donkere boot, uitvarend naar den rooden horizon als een sombere, zwarte vogel. Toen een knarsend geratel van ankerkettingen, en een nieuw, snijdend fluitgeluid vlak bij mij. Nog in den vrede van de stilte vooraf voelde ik pijn van dit felle. Langzaam draaide onze boot, en ook wij stoomden de haven uit, naar hooge, roode bergen in het Zuidwesten.
En opeens zag ik de stad als iets moois dat weggaat.—O! het roodomgloeide geel, het heilige geel van die avondstad tegen de rossig gouden rots! De lantarenvlammetjes flikkerden vér-rijend weg, de witte ballonnen straalden fel-weenende lichtbundels over de zee, en een blanke damp beefde boven de huizen. Een groote wijding lag over de gele bungalows, hoog tegen hellingen. Zij stonden als matgouden tempels in den avond.
Verder en verder stoomde de boot weg naar de Paarlrivier, en niets meer bleef over schijnen van Hongkong dan een droom van geel en rood.
In de verte van de havenkom gloeiden de lichtjes der booten, als roode oogen die ons nà-tuurden.
De sereene, rustig-ruischende zee, waarin ik zacht vooruit zweefde. Nu waren wij in den mond der Paarlrivier, met álom de bergen. De bergen, de goede, vertrouwde bergen van China, die de vrienden zijn van mijne ziel, die ik ken, alsof zij heel intieme menschen waren met oude, lieve namen, zóó innig heb ik gevoeld hun diepste wezen, zoo eerlijk en oprecht hebben zij aan mij gegeven de luchtige reinheid van hunne droomende lijnen, het statig rijzen van hun stijgenden wil, het hoog-deemoedige van hun roerlooze, vrome rust.
Dichtbij, aan den rechter oever stonden zij steil-hoog, rood-goud in de donkerende lucht, en op hunne toppen brandden vlammende vuren, die de hemelen deden beven van rossigen weerschijn. Statig rezen de vlammen in die hooge regionen. [67]
Maar aan den linkeroever was het wezen der bergen zachter, en droomden de vredige vormen liefelijk op in de schemering, met de teedere lijnen van hunne omtrekken bevende van gevoel in de ijle atmosfeer. De avond daalde met zacht-suizende schaduwen, en van uit de zee stegen fijne, aetherische nevelen, wolkend tegen de bergen, stil vergaand tegen het rood-goud, met groote innigheid. Alles begon te wuiven, te weifelen, te deinzen. Een sneeuwwit zeiltje lichtte ergens op in de verte, intens rein, en was weer weg, of het te ongelooflijk was, zóó wit-puur. Het landschap werd een eindelooze droom. De kleuren vervloeiden, goud gloeide langzaam weg in geel-wit, rood verschemerde in grijs, in de hooger rijzende nevelen, die wijd en wijd uitwaaiden hunne wuivende gewaden. Het zacht-melodieuze ruischgeluid der golven was zalig-vibreerende van gevoel. Overal was fluisteren, suizen, ruizelen, verdroomen, en dat alles in een absolute rust. De zee was een groote, groote ziel. En in een wijding van kuisch getemperd avondlicht daalde een immenze liefde van den Hemel neder.....
Ik stond zwijgend op het dek. Wèl kende ik dien plechtigen tijd van bidstonde in de chineesche zeeën, als alles luidloos verglijdt in droomen, als de witte nevel puur en blank over het water gaat, en de innigste essence van de natuur éven klaar op durft schijnen in de eerwaardige schemering, vlak voor de oogen van de verwante menschenziel, die in haar wil vergaan. Ik huiverde. Want dit kan een mensch niet lang dragen, het wijd-strekkend uitspreiden van de ziel, het rekkend reiken om in eindelooze liefde het Al te omvatten. Dit is de alleruiterste spanning van het wereld-verlangen. En bevend ging ik naar beneden, in de kajuit.
Hier was alles weer gewoon. Een deftige, gedekte tafel, met blinkend zilver en kristal. Roode rustbanken. Alles hôtel-achtig. Heel gewoon even een bittertje drinken en een courant lezen. En toen een uitstekend diner met een alleraangenaamst causeerenden kapitein. Het had nu niet heel veel meer van China. Alleen, op den achtergrond, een staand rek met geweren en revolvers, met het opschrift „loaded,” deed een beetje unheimisch aan. Er konden eens zeeroovers onder de tusschendekspassagiers zijn, wat wel eens gebeurd is.
Na afloop van het diner ging de kapitein weer naar boven, op de brug. De kajuit was behagelijk warm, en hel verlicht met electrische gloeilampen. En nu dat speciaal oostersche genot te savoureeren, om na het diner een bizonder fijne Manila te rooken, half droomend op een zachte rustbank, onder het dreunen van de machine! Zoo veilig, zoo héélemaal-er-uit, zoo heerlijk ver van het gedoe en gescharrel thuis over kunst en literatuur, zoo geen kwestie meer van kibbelen en leuteren over dát is mooi en dat niet, zoo goddelijk in je ééntje in een heel vreemd land overal mooie dingen te gaan zien, met menschen in blauwe en gele zijden gewaden om je heen! Dingen van architectuur, van beeldhouwkunst, van schilderkunst, en oude, oude literatuur van groote wijzen, die nooit het woord artiest hebben gehoord! En dan dat in-gezellig egoïstische, er niets van behoeven te zeggen, maar héél alleen en vrij te zijn—het gaat hun allemaal niets aan—, er zoo schijnbaar onverschillig bij te blijven en een fijne sigaar op te steken, terwijl toch in de ziel van binnen alles in uiterst reinen staat in essence is bewaard! Later vertel je ’t dan wel eens, zoo bij gelegenheid. Er is niets geen haast bij, zoo met al die vredige bergen om je heen, en al dat groote van zee en horizonnen.
Ik heb daar zoo heel lang op die bank liggen genieten, onder den exquizen geur van allerfijnste sigaren, van tijd tot tijd eens uitziende door een raampje, en dan overal omhoog sterren, sterren, sterren, en alom zachte bergen in weinig, vaag maanlicht, waar alles goed was en tevreden. En een bizonder reine schittering op heel zacht, egaal water. Zoo alsof alles zoo hoorde in die kalme rust, en zoo is het overal, en anders is er niets in de wereld. En o! zoo veilig, want zoo vér van alles, ongenaakbaar..... En toen ik daarna op mijn bed lag in mijn hut, was al het geziene van de avondschemering weer voor mijn ziel. Zij verdroomde in die vage zaligheid, als de bergen en de zee. En, ik wil het wel bekennen, dit is voor mij het allerhoogste genot geworden, het niet-uiten, maar het heel stille ondergaan, het onmerkbaar zweven tusschen bewustheid en vergeten, een zielestemming lucht en aetherisch, als in een avondlandschap, als de nevelen hunne wijde, vage gewaden spreiden over de slapende bergen en de zachte, vlakke zee.....
’s Ochtends vroeg het ontwaken in helder daglicht, in een groot geluid van stemmen, hooge, schelle keelgeluiden van sjouwers en roeiers. De „Hankow” lag voor Canton, vlak aan de kade. Een nette kade, europeesch, met stemmige rijen boompjes, langs europeesche huizen, waartusschen een kerkje. Maar verderop de donkere chineesche stad, eenvormig laag, met hier en daar de sombere, vierkante torens der pandjeshuizen, of de sierlijke oprijzing van een slanke, smalle pagode, als een vreemde, hoog-ranke bloem met veel klokjes.
Aan de andere zijde de wijde, breede rivier, vol sampans en andere schuiten, een aparte stad van bootjes op het water, vol wriemeling van menschen, en rumoer van schreeuwen. Links buigt zich een zijstroom landwaarts in, een enorme zilveren streep, schitterend vér door de vlakte, met hier en daar een groot gouden zeil glorieus in de zon.
De rivier was luid levend van stemmen en beweging; het lawaai kwam op mij af als een wind. En nu, in den vroegen morgen, een licht blij zijn, een verlangen om óók hevig meê te doen, vooruit te gaan, óók te gebaren en te spreken. De nevelen van droom wuiven wèg van de ziel, die stil en zwijgend blijft van binnen; het gewone, krachtige leven trilt in het lichaam, gretig ademt de mond de frissche ochtendlucht, en de zintuigen trillen scherp, en voelen intens.
Na een uitstekend ontbijt stapte ik aan wal, en bracht de beleefde „purser” van de boot mij naar hôtel Shameen. Een donker hôtel, quasi first class, met muffe kamers. Na eene kleine wandeling door de europeesche nederzettingen in Shameen (het europeesche gedeelte van Canton), bestaande uit eenvormige, saaie boulevards, stapte ik vóór het hôtel in een draagstoel, een nauw, vuil hokje van bamboe op bamboestokken, gedragen door drie smerige kerels. De gids van ’t hôtel, een poenerige, vereuropeeschte chinees, die slecht engelsch sprak, voorop.
En toén de tocht door de chineesche stad Canton, een stad als alle andere in China die ik gezien heb, niet mooier, niet leelijker. De straten eng en smal en donker door de overneigende daken der huizen, die elkaar van weerszijden raken, en overal een benauwing van onbestemde, maar verdachte stanken. Wie er voor het eerst komt wordt er geslagen van walging, zoo sterk dat hij niet meer in staat is, het mooie overal te zien. Maar reeds kende ik dien schijn van benauwing en rotting, van vroeger, uit zooveel andere chineesche steden.
En er is een zeer schoone ziel in die sombere donkere chineesche steden vol vuil en stanken. Zij liggen treurig en grauw, als de half-vergane ophooping van een verdoemd volk, en het lijkt er alles slijk en duister en slechtheid. Maar ik weet, onder al dat hideuze liggen schatten van schoonheid verborgen, en leeft een ziel van glans en schitterende kleur.
Hier ging ik weer langs de winkels van zijde en goud, waar de rijkste couleuren ópfonkelen in het half-duister, waar de blinkende gouden draken glorieus uitgloeien op intens rood, waar aandachtig, als vroom geziene werklieden stil gebogen zitten over lappen blauwe, gele, groene, roode zijde, met teêre hand het goud en zilver bordurend tot precieuze bloemen en bizarre vogels, fijn en gevoelig als trokken zij etsen. Hier ook weêr de winkels van houtsnijders, en lakwerkers, en antiquairs, vol dingen van kunst en hooge industrie, als wel onbestaanbaar lijken in die omgeving van stof en modder. En waar het zonlicht niet door kan dringen vlamt het helle rood van lappen en neêrhangende tabletten, en schittert het goud van stijlvolle karakters. Beestachtige, gekromde koelies loopen als gevloekten onder zware lasten, met schelle kreten, maar hier en daar wuift statig het langzaam waaiende gewaad van een gegoeden chinees, die met voorname stappen van zijn geel zijden pantoffelschoenen over den beslijkten grond gaat, als liep hij over rozen. Zóó, door geschreeuw en gelach, door duisternis en stank, door ópschittering van sublieme kleuren, wuiving van hemelsblauw en lichtgroen en vurig paarsch, ging het in het bedompte, overhuifde stoeltje een klein uur lang door de nauwe straten, somtijds hooge trappen op en af, op de schommelende beweging der dragers, als op een deining van zee.
Ik liet even ophouden vóór den winkel van een sjacheraar in antiquiteiten. De draagstoel met een schok neer, en voorzichtig uit het nauwe hokje gekropen. Een hoop volk nieuwsgierig achter mij aan. Een bejaarde chinees wachtte mij voor den drempel op, met diepe buiging, en groet van op de borst saâmgebrachte handen. Even zag ik in spanning door den winkel, met de mij eigen geworden flair van verzamelaar, en wist toen al direct, wat ik ook verwachtte, dat de antiquiteiten hier evenzooveel noviteiten waren. En weêr als zooveel keeren stond ik in bewondering voor de kostbare gebaren van den beleefden chinees, en voor den sereenen ernst op zijn gezicht, toen hij mij het met zware eeden voorzette, dat deze—piksplinternieuwe—Kangsai vaas een antiquiteit was uit de Handynastie, van fabelachtige waarde, dat dit blinkend geschuurde koperen wierookvaatje een schat was uit de dynastie der Soeng, en dat dit gewone theekopje, waarvan hij de éénig bestaande vier exemplaren bezit, [68] afkomstig was uit het paleis te Peking. Want het is eigenlijk niet om boos te worden, het is eerder om voor te knielen, die sublieme gave van fantazie, die de chinees bezit, en ik was volkomen zeker, dat de antiquair op dat moment zelf geloofde wat hij zeide, zoo liefdevol zagen zijne oogen door een enormen bril al die dingen aan, en zoo teêr en gevoelig ging zijn magere, lang-genagelde hand er streelend over. O! die heerlijke gave om de emotie van iets in waarheid te kunnen doorvoelen en te gebaren door de enkele fantazie er van, hoe zalig moet een leven daarmede zijn, wat een immens geluk moet zoo’n chinees zich daar altijd meê kunnen geven!