Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel
Part 7
Toen die geesten den koning hoorden aankomen liepen zij in groote scharen uit, en versperden den weg. Het waren siniestere gestalten, sommigen zonder hoofd. „T’ai Tsung,” schreeuwden zij, „geef ons het leven terug!”
De koning klappertandde van angst en riep: „Beslisser, toe, red mij!”
De Beslisser antwoordde: „Ik heb niet veel over hen te zeggen, maar als U hun wat geld geeft, zullen ze U wel doorlaten.”
Maar ongelukkig had T’ai Tsung geen cent op zak. Hij had wel een brief medegenomen naar de hel, maar aan geld had hij niet gedacht. „Hoe kom ik nu aan geld!” riep hij in wanhoop uit.
Gelukkig wist de Beslisser raad. „Op aarde, in de provincie Ho Lam, in ’t district K’ai Fung, woont een zekere Siang Liang. Deze heeft dertien schatkamers goudstukken naar hier gezonden. Als Uwe Majesteit een schuldbekentenis wil onderteekenen, zal ik er U met genoegen een schatkamer van leenen. Als U op aarde zijt wedergekeerd, zendt U het geld aan Siang Liang zelf terug. Dan strooit gij nu de goudstukken maar allen onder deze hongerige geesten, en zij zullen U stellig doorlaten.”
De koning teekende haastig het verlangde stuk, en strooide het geld onder de gretig grabbelende geesten. En de Beslisser riep hun nog toe:
„Al dit geld is voor u, om den dag genoegelijk door te brengen. Als de koning T’ai Tsung op aarde is teruggekeerd, zal ik hem opdragen, een weg voor u te maken, die u over zal leiden naar de gewesten der onsterfelijkheid. [66]”
Zonder verdere ongelukken kwam de koning nu buiten het territorium der hel. De Beslisser wees hem een groot paard, dat voor hem gereed stond, en raadde hem aan, zich maar door dit beest te doen leiden, dan zou hij van zelf wel weer in zijn eigen rijk terechtkomen.
T’ai Tsung bedankte zijn welwillenden Mentor, sprong in het zadel, en..... rrrrt! daar vloog het wilde paard in pijlsnelle vaart vooruit, met duizelingwekkende snelheid over velden en bosschen, en toen plotseling met een plons halsoverkop in een diepe zee. Toen verloor de koning het bewustzijn.....
Inmiddels stond in het paleis de doodkist met zijn lijk in de groote staatsiezaal. De vrouwen en verwanten weeklaagden en jammerden bij de baar, en reeds wilde men den kroonprins tot koning uitroepen, toen opeens uit de doodkist een stem werd gehoord, roepende: „Dat scheelde weinig of ik was dood!”
Alle aanwezigen schrikten om het hardst, en een paar vrouwen vielen flauw, denkende een spook te hooren. De grootvizier, die een dapper man was, boog zich over de kist en riep: „Wat kan er zijn, dat het hart van Uwe Majesteit verontrust. Zeg het ons dan, maar laat niet Uw geest hier komen spoken en schrik verspreiden!”
Maar de stem antwoordde: „Het is mijn geest niet, ik ben het zelf!”
De doodkist werd opengebroken, en ziet! de koning sloeg de oogen op, en leefde weer!
„Als ik maar een geest was geweest zou ik dat ongeluk in de zee niet overleefd hebben,” zeide de koning.
„Een ongeluk in de zee? Welk ongeluk?” vroeg men hem verbaasd.
En nu vertelde de koning, hoe het paard hem in den oceaan had geworpen, en waar hij vandaan kwam.
Dien nacht sliep T’ai Tsung heel rustig, zoodat hij zich den volgenden dag weer geheel hersteld voelde en vol levenskracht.
Met groote vreugde hoorde het volk de tijding van zijn herleven, en er waren groote feesten over het geheele land. De koning schonk amnestie aan alle misdadigers, richtte weeshuizen op, en schonk promotie aan velen zijner ambtenaren, ter eere van het heuglijke feit.
Zoodra de eerste drukten wat over waren, begon T’ai Tsung te denken over het vervullen der belofte, en het betalen der schuld, die hij in de hel gemaakt had. Het laatste was het gemakkelijkste. Hij zond den hertog van Ngoh naar het district K’ai Fung om Siang Liang op te zoeken, en gaf hem de waarde van een schatkamer gouds mede, om de schuld eerlijk af te doen. Toen de hertog in het district was aangekomen, hoorde hij tot zijn verbazing, dat Siang Liang maar een heel arme man was, die met zijn vrouw in een schamel hutje woonde, en leefde van den verkoop van drinkwater en steenen potten en pannen. Maar deze arme stakkert was tegelijk een heel goed en vroom mensch, die zich tevreden stelde met het hoogst noodige eten, en de rest van zijn weinigje geld gebruikte voor aalmoezen aan monniken, en vooral voor het koopen van offerpapier, dat hij trouw verbrandde voor de geesten. Nu was de zaak duidelijk. Dat offerpapier, schijfjes grof geel papier, met zilver- en goudgeld er op geteekend, stijgt immers op, en wordt door een wonder in werkelijk geld veranderd, duizend, honderdduizendvoudig, naar gelang van de intensiteit der deugd die haar verbrandde, der oorzaak, die dat mirakel creëerde! En zonder aarzelen ging de hertog van Ngoh naar de hut van Siang Liang. Toen de deugdzame man den schitterenden hertog met zijn gevolg zag aankomen, viel hij met zijne vrouw voor hem op de knieën, en sloeg met het hoofd op den grond.
„Sta op, eerwaarde grijsaard,” sprak de hertog. „Ik ben de afgezant van den koning, en kom u de goudstukken terugbetalen.”
Hevig verschrikt vroeg Siang Liang: „Wat zou ik, verachtelijk wezen, voor goudstukken uit hebben staan? En hoe zou ik dan deze schatten durven aannemen, waar ik de afkomst niet van weet?”
Toen antwoordde de hertog: „Ik heb ook gehoord, dat gij maar een arme drommel zijt. Maar gij hebt altijd aalmoezen gegeven aan monniken, en offerpapier verbrand, en dat is nu in de hel al een groote schat geworden. Toen onze koning in de hel was, heeft de Beslisser-Mandarijn hem daarvan een schatkamer geleend, om aan de geesten te geven, op voorwaarde, dat hij het later op aarde weer aan u zou teruggeven. Gij kunt het dus gerust aannemen.”
Toen bogen Siang Liang en zijne vrouw eerbiedig voor Hemel en Aarde en zeiden: „Als dat geld afkomstig is van offerpapier, dan blijft de zaak toch duister en van een andere wereld. Wij kunnen het onmogelijk aannemen.”
En hier bleven zij bij. De hertog slaagde er niet in, hen te overreden, en rapporteerde dit aan den koning. Toen gelastte T’ai Tsung hem, om met dat geld op die plaats een groot klooster op te richten. Aan weerszijden van den tempel werd een levensgroot beeld geplaatst, het eene van Siang Liang en het andere van zijn vrouw. Die beelden werden nog gedurende hun leven door ieder bezoeker aangebeden. En het klooster stond overal in den omtrek in een reuk van groote heiligheid.
Zóó was de schuld in geld behoorlijk door den koning voldaan. Maar nu de tweede, de belofte. Hoe woord te houden, en de meloenen naar de hellekoningen te zenden? Dit was een moeilijk geval. Hij liet overal plakkaten aanplakken, door het geheele rijk, waarin hij lieden uitnoodigde, die genegen waren voor den keizer meloenen te brengen naar de hel. En gelukkig meldde zich kort daarop iemand aan. Hij was een schatrijk man uit Kiün Chow, genaamd Lao Ts’üen. Deze Lao Ts’üen was getrouwd met een beeldschoone vrouw, Li Ts’ui Lien, van wie hij innig veel hield, maar wie hij het leven erg lastig maakte door zijne overdreven jaloerschheid. Op een goeden dag was er een monnik komen bedelen, die er heel hongerig en haveloos uitzag, en de goede Ts’ui Lien, die een medelijdend hart bezat, schonk hem een gouden haarnaald uit haar kapsel. Toen was Lao Ts’üen woedend geworden, en had haar verweten, dat zij stellig een oogje op dien monnik had en overspel met hem pleegde. Dit was te veel voor de eerzame vrouw. Zij ging onmiddellijk naar haar kamer, en hing zich op. Lao Ts’üen was niet te troosten, en toen hij de oproeping van den keizer las, was hij blij, zulk eene goede gelegenheid te vinden om zijn vrouw in de hel terug te zien. De koning was erg in zijn schik toen hij zich aanbood, en wees hem een zijner paleizen, het Gouden Priëel, waar meloenen in overvloed waren. Lao Ts’üen ging daarheen, at met smaak een partijtje mooie meloenen, nam daarop vergif in, en stierf. Zijn ziel toog uit het lichaam, en ging, behoorlijk voorzien van de pas verorberde meloenen, die nu weer gaaf en blinkend waren, naar de hel. Hij werd aan de poort uiterst beleefd door een duivel ontvangen, die hem naar den zetel leidde van den hellekoning Yen Lo Kiün. Lao Ts’üen knielde neder, en bood den koning eerbiedig de meloenen aan. Yen Kiün was zeer verheugd, en zeide tevreden: „Dat is me nu eerst eens een keizer die zijn woord houdt, die T’ai Tsung!” Daarna informeerde hij naar den naam van den afgezant. En Lao Ts’üen vertelde hem, hoe hij heette, hoe hij zijn vrouw verloren had, Li Ts’ui Lien, en hoe hij, zonder haar niet kunnende leven, ook maar gestorven was. En de hellekoning vond deze geschiedenis zóó aandoenlijk, dat hij dadelijk een duivel gelastte, Ts’ui Lien in de tien gebieden op te zoeken, en bij hem te brengen. Voor de securiteit liet hij zich meteen even door den Beslisser het Register van Leven-en-Dood aanreiken. En dat was volkomen in orde, want zoowel Lao Ts’üen als zijne vrouw bleken bestemd te zijn om later wijze Geesten te worden, en den eeuwigen levensduur dier uitverkorenen te genieten.
Kort daarop kwam Ts’ui Lien veilig en wel aan, en viel haar man in de armen. Alles was vergeven en vergeten. Yen Kiün gelastte daarop een duivel, om de beide zielen weer op de aarde terug te brengen. Maar de duivel antwoordde: „Dat zal met Ts’ui Lien moeilijk gaan, vrees ik. Want haar lichaam is al te lang geleden dood gegaan, en door het ophangen is het hoofd van den romp gescheiden.”
Daar had de hellekoning zoo gauw niet aan gedacht! En een vrouw zonder hoofd, daar had Lao Ts’üen niet veel aan! Toch wist hij er spoedig iets op te vinden. Er stond namelijk in het Register, dat T’ai Tsung’s jongere zuster, Li Yü Ying, juist om dezen tijd sterven moest. Wat nu eenvoudiger, dan de ziel van Li Ts’ui Lien in het lichaam van de prinses Li Yü Ying weer te doen herleven? En de hellekoning gelastte twee duivels om het echtpaar weer in het leven terug te geleiden, Lao Ts’üen naar het Gouden Priëel, waar zijn lijk nog lag, en Ts’ui Lien naar het koninklijk paleis. En zóó gebeurde het, dat toen de prinses Li Yü Ying wat in den tuin van het paleis liep te kuieren, zij plotseling door een duivel werd aangegrepen en gedood, zoodat haar ziel het lichaam ontvlood, dat als een lijk bleef liggen. Zóó vonden de kamerjuffrouwen hun meesteres dood in den tuin, en in allerijl liepen zij naar den koning, om de treurmare mede te deelen. Maar wat zij niet wisten was, dat toen de ziel der prinses uit het lichaam was getogen, de duivel gauw de ziel van Ts’ui Lien, Lao Ts’üens vrouw, er voor in de plaats had gezet. T’ai Tsung riep bij het hooren der jobstijding uit: „Helaas! wat de hellekoningen mij voorspeld hadden is dan toch uitgekomen!”, en spoedde zich naar den tuin, om de geliefde zuster nog eens te zien. En kijk! zij scheen toch niet dood te zijn, want het hart klopte nog zwakjes, en er was nog een beetje ademhaling zichtbaar. De koning beurde haar met de hand op en riep: „Keizerlijke zuster, ontwaak! ontwaak!”
De prinses, ten minste het lichaam der prinses maar met de ziel van Ts’ui Lien er in, richtte zich op, en riep: „Lieve echtgenoot, loop toch wat langzamer, en wacht een beetje op mij!” T’ai Tsung zeide: „Ik ben hier bij U, keizerlijke zuster!”
Het lichaam sloeg de oogen op en zeide: „Wie zijt gij, die mij durft aan te raken?” En de koning: „ik ben uw oudere broeder, de keizer”.
„Wat?” riep de prinses, „wat zou ik voor een keizerlijken broeder hebben? Ik ben een vrouw uit het volk, mijn familienaam is Li, en mijn eigen naam Ts’ui Lien, en mijn man heet Lao Ts’üen, uit Kiün Chow. Ik heb mij opgehangen, omdat hij aan mijn eer twijfelde, en toen werd hij door den koning der Thangs naar de hel gezonden, om meloenen cadeau te geven. Yen Kiün, de hellekoning, had medelijden met ons, en heeft ons weer in ’t leven doen terugkeeren. Maar Lao Ts’üen heeft een beetje harder geloopen, en daarom ben ik nu hier alleen, en is hij vooruit.”
Maar de koning wilde er niets van gelooven. Want het lichaam was precies dat van de prinses, zijn zuster, dezelfde gelaatstrekken, dezelfde oogen, hetzelfde haar. Totdat plotseling Lao Ts’üen zelf verscheen, in levenden lijve. De prinses herkende hem dadelijk en vloog, tot groote verbazing van den keizer, in zijn armen. Toen deed Lao Ts’üen een uitvoerig verhaal van zijn lotgevallen in de hel, en eindigde met uit te leggen, hoe Yen Kiün, de hellekoning, besloten had, de ziel zijner vrouw in het lichaam van de keizerlijke prinses te reïncarneeren. Nu moest T’ai Tsung het wel gelooven. Hij schonk Ts’ui Lien al de bezittingen en kostbaarheden van de prinses, en gaf haar aan Lao Ts’üen tot vrouw. Eigenlijk was het ook nog zoo erg niet. Want, al was Li Yü Ying’s ziel verscheiden, T’ai Tsung kon toch altijd haar liefelijk lichaam zien, alsof zij nog steeds leefde. En wat Lao Ts’üen betreft, al was het stoffelijke omhulsel zijner geliefde echtgenoote verloren, hij bezat toch nog altijd haar ziel, wat toch het voornaamste is van een vrouw, en Li Yü Ying, de prinses, wier lichaam die ziel had opgenomen, was óók een heel mooi meisje, waar hij even dol verliefd op raakte als vroeger op zijn bruid. En van zijn jaloerschheid was hij nu voor goed genezen.
Het is onmogelijk, over chineesche sprookjes en legenden te spreken, zonder vanzelf bij het chineesche tooneel terecht te komen. Want voornamelijk door het tooneel worden zij bij de chineezen zoo bemind. Als kleine kleuter, vóór hij nog lezen kan, staat de chinees al met open mond en roode ooren van inspanning uren voor het tooneel al die wonderen te aanschouwen, en eerst later leest hij er van in de goedkoope volksboekjes van eenige cash, die zich gemakkelijk laten lezen, omdat zij in de volkstaal zijn geschreven.
Het lijkt nog al „eng”, voor ons Westerlingen, die chineesche hel met al die afgrijselijkheden. Wij zouden er ’s nachts liever niet van droomen. En wij zouden het afschuwelijk vinden, aan zoo iets te denken bij den dood van onze ouders, of onze vrienden, en bij gelegenheid hunner begrafenis ons hun ziel voor te stellen in de hel, overgeleverd aan de verfijnde martelingen der woeste duivels. Het is om van te rillen, dat idee, nietwaar? Maar een chinees is veel meer vertrouwd met den dood en het donker mysterie daarachter dan wij. Een chinees wandelt langs de graven, die zijn geheele land over verspreid liggen, zonder ooit één bevinkje van de rilling te voelen, die ons ’s nachts zou overvallen, als wij ons verdwaald zagen op een kerkhof, liefst precies om twaalf uur. Een chinees krijgt van zijn eigen kinderen een doodkist cadeau, zooals wij een kop en schotel „voor uw verjaardag”, en zet die op een plek in huis, die hij iederen dag voorbijgaat. Hij is zelfs een bevoorrecht wezen, als hij het zoover gebracht heeft in de kunst van Fung Shui, dat hij een geschikte plaats kan gaan uitzoeken voor zijn eigen graf. En hij heeft elken dag gemeenschap met alle mogelijke geesten van voorvaderen en oudere verwanten, en is heilig overtuigd, dat de geheele atmosfeer bevolkt is door honderdduizenden spoken van allerlei aard.
Waarom zou hij zich dan ook niet verdiepen in de sombere mysterieën der hel, als zijn vader of zijn moeder dood is? Het is dan namelijk de gewoonte, om tooneelvoorstellingen te geven, die de hel in geuren en kleuren voor de treurende achterblijvenden vertoonen. Als zoo iets wordt gespeeld is het publiek nog veel grooter dan anders.
Vreemd volk!
Stel u voor, dat een chinees zijn moeder verloren heeft, van wie hij innig veel hield, zooals chineezen doen, zoo goed als Europeanen. Hij weet, dat haar ziel naar de hel gaat, even zeker als hij weet, hoeveel cash er in een dollar gaan. En stel u dan verder voor, dat hij, terwijl het lijk nog boven aarde staat, kalmpjes een komedie-troep engageert, en die vlak voor zijn deur de hel laat vertoonen, waar zijn moeder nu juist naar toe is! Men moet maar sterke zenuwen hebben, of in ’t gehéél geen zenuwen! Onder de vele stukken, die bij die gelegenheid worden gespeeld, is de geschiedenis van Lao Ts’üen, die de meloenen gaat brengen, een der populairste. De hel wordt daarin voorgesteld in tien tafereelen, correspondeerende met de tien hellegebieden, waarvan ik verteld heb bij het bezoek van Kwan Yin met haar gevolg aan de onderwereld.
Het eerste tafereel, zooals ik het voor het laatst in China vertoond zag, stelt voor Lao Ts’üen, die voor de poort der Hel wordt opgewacht door den Beslisser. Deze ziet er in het geheel niet siniester uit, maar is een hoog mandarijn, in een prachtig donkerbruin zijden gewaad, met den breeden jaspisgordel om, en een langen witten baard. Ook Lao Ts’üen ziet er keurig uit, en dat moet dan ook, want hij is een afgezant van den keizer. Deftig stapt hij, in een groen gewaad met gouden draken, met heel wijde mouwen, en nu en dan zijn langen baard even uitstrijkend, wat een chineesch tooneelspeler met een gratie doet, waarmede ik nog nooit een Europeaan aan zijn baard heb zien komen. Zij buigen heel diep voor elkaar, de twee eerwaarde mannen, en zingen heel vreemde melodieën op bizarre muziek, waarvan men de beteekenis weten moet, om alles goed te begrijpen. Twee duiveltjes, jongetjes met zwart gemaakte gezichten en roode lippen, dragen een mand met enorme meloenen achter Lao Ts’üen aan.
Hierna brengen koelies twee bamboestokken en een touw, en in een minimum van tijd is hierover een wit doek gespannen, dat fluks dicht wordt geschoven. Dit is niets meer of minder dan de poort van de hel. De muziek begint een heidensch lawaai te maken, om het leven te overstemmen, dat de koelies maken, die achter het doek de hel aan ’t opslaan zijn. Lao Ts’üen en zijn begeleider blijven doorzingen. Totdat opeens het doek opengaat, en een fantastisch, luguber tooneel te voorschijn komt. Achter een tafel met brandende kaarsen zit de hellekoning, een reusachtige potentaat, met vuurrood gezicht vol witte figuren, in een van goud schitterend vuurrood gewaad, waarover een sneeuwwitte baard hangt. Naast hem, ter rechterzijde, staat een duivel met een enormen paardenkop, en ter linkerzijde een met een koeienkop, die er beiden niet te zeggen siniester uitzien. Zij zijn met lange lansen gewapend. Een schaar dienstdoende duivels loopt somber over het tooneel. Er zijn pikzwarte, en groene, en gele, en roode, met klauwen en staarten, en met vuil en bloed bevlekt. Nooit heb ik zulk een uitgelezen troep ongure wezens bij elkaar gezien, en ik hoop maar, dat de goede lezer er niet van droomen zal. Vóóraan staat een soort oven, waar de vlammen uit opstijgen, en waar eenige duivels, door een opening, met blaaspijpen lustig in blazen, grijnzende van de pret.
Plotseling klinkt een oorverscheurend gejammer. Een half naakt, bebloed mensch, met van angst verwrongen trekken, wordt door vier grimmige duivels vooruit gesleurd. In zijn doodsangst trekt hij zijn belagers soms terug, wordt dán weer vooruit gerukt, vlucht weer, wordt weer ingehaald, en worstelt in wanhoop.
Het publiek is ademloos van spanning. Eindelijk is het arme zieltje voor den oven gesleept. Zijn spieren zijn gezwollen van de worsteling, zijn gelaat is afschuwelijk verwrongen, zijn haren hangen los over den rug, en hij kermt met ontzettende jammerkreten. Maar in de hel is geen genade. Met ijzeren drietanden wordt hij opgepikt en in den oven gedeponeerd, waaruit zijn afschuwelijk gebrul nog even opstijgt, en de vlammen opeens hooger opslaan. En korten tijd daarna wordt uit den vuurpoel met een groote vork een gansch verkoold klompje gehaald, en aan het publiek vertoond! En dan, roef! het gordijn dicht, en weer een ander hellegebied klaargemaakt.
Zóó worden alle tien gebieden vertoond. Vooral het vijfde was de moeite waard. Dáár heerscht Yen Lo Kiün, de verschrikkelijkste van allen. Hij had een pikzwart gezicht, met roode, grimmige wenkbrauwen, en een vuurrooden baard, en rooden neus. Zijn gewaad was van zwarte zijde, met een creatie van gouden draken. Hij noodigde Lao Ts’üen uit om te gaan zitten met een afgrijselijk gegil, of hij eigenlijk van plan was om hem subiet den nek om te draaien. Zijn wenkbrauwen bewogen woest, en zijn vurige oogen rolden vervaarlijk. Voor op het tooneel stond een blok bij een paal, waarnaast een enorme zaag.
En onder een hartverscheurend gebrul werd een ontzaglijk dikke vrouw aangesleept, die zich in de afschuwelijkste stuipen wrong van pijn. Zonder complimenten werd zij op het blok gebonden, en twee groene duivels met roode baarden, grinnikend van plezier, en dansend van de jool, begonnen haar buik open te zagen. Ssjjt! sssjüut! ging de zaag, en men hoorde de beenderen kraken. En met groote stroomen vloeide het bloed over het tooneel. Haar vreeselijk gillen scheurde door de lucht.... Ook de smalle Brug der Verschrikkingen was kostelijk. Een lange, smalle plank, over twee stoelen. En aan weerszijden twee kisten, met duivels er op, anders niet. Een chinees heeft nu eenmaal geen décors noodig. Zijn gloeiende fantazie toovert hem de schoonste décors voor met de primitiefste gegevens. Beneden op den grond, die een rivier moet verbeelden, kruipen twee sombere personages, een zwarte duivel met een enormen krokodillenkop vol scherpe tanden, en een groote slang. Een voor een gaan de zondige zieltjes over de brug; de meesten verliezen het evenwicht, bang gemaakt door de drietanden der duivels aan weerszijden, en vallen in het water, waar zij door de slang en den krokodil worden verscheurd. Heel enkelen komen veilig de brug over, kijken de duivels op zijde met een kwaadaardigen sneer aan, en gaan kalmpjes hun weg.
Maar het mooiste van alles was nog het tiende gebied, waar het Wiel der Omwenteling is, dat de zielen zal reïncarneeren. Dit gebied werd eenvoudig voorgesteld door een wit doek met twee deuropeningen, dat over bamboestokken was gespannen. Dit doek deelde het tooneel in twee helften, zoodat het publiek zien kon, wat er achter en vóór gebeurde. En het groote Rad der Omwenteling was een gewoon houten wieltje op een stok, dat lustig aan een touwtje werd rondgesnord. Men vergete hierbij niet, dat dit geen monteering voorstelt, maar enkel het aangeven van het idee. Het publiek moet zijn eigen fantazie laten werken om alles werkelijk te zien zooals het zijn moet.
De zieltjes gingen nu heel eenvoudig één deurtje in, het wieltje draaide even, rrrt! en uit het andere deurtje stapte de reïncarnatie te voorschijn. Maar wat in het eene deurtje inging was héél wat anders dan wat aan het andere deurtje uitstapte. Dat scheelde nog al wat. Bijvoorbeeld een rijke sinjeur, in een prachtig costuum, schitterend van goud en edelgesteenten, die met een voornaam, trotsch air de eene deur binnenstapte, kwam er aan den anderen kant als een havelooze schooier weer uit, die onder een zwaren last liep te zwoegen, om een paar cash te verdienen. Een poenerig europeaantje, met een monkey-jacket aan, een hoogen hoed op, en een lorgnet op zijn neus, die, met een fatterig gebaar zijn opgewipte kneveltjes opstrijkend, het eene deurtje binnenflaneerde, kwam er aan het andere uit als..... een goor zwijntje, dat knorrende en brommende met bamboeslagen door een chineeschen koelie werd voortgedreven! Een arme stakkert van een daglooner, die nauwelijks loopen kon van vermoeidheid, kwam daarentegen weêr te voorschijn als een heel deftig heerschap, een personage van het Hof, die in een superbe galagewaad, een jaspis staf in de handen, waardig voortstapte, met een aplomb alsof hij al zijn vorige levens lang nooit iets anders gedaan had. En een rijk-uitgedost, dik gegeten mandarijn, die zich vetgemest had met de gestolen gelden van het volk, en die met een verwaand gezicht de eene deur binnenkuierde, of hij óók in de hel over leven en dood te beschikken had, strompelde behoorlijk het andere deurtje uit, gereïncarneerd als een bedelaar op krukken, die jammerlijk een verminkt, met vuile zweren bedekt been vooruitstak.....
Zoo ziet men. Goed baart goed en kwaad baart kwaad. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. De oorzaak werkt, en het gevolg blijft niet uit, is het niet nu, dan in een later leven. En in de hel komt loontje om zijn boontje.