Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel
Part 6
Na zonsondergang op den laatsten der zesde chineesche maand worden de poorten der hel geopend, en mogen de gepijnigde zielen een maand lang rondwaren op de aarde. Deze gunst is alweer voornamelijk een gave van de boeddha Kwan Yin, wier medelijdend hart nooit uitgeput raakt van weldaden. Door het lang aangehouden op-bidden van toovergebeden, Tantra’s, aan alle Boddhissatva’s en Boeddha’s ter wereld, maar vooral aan Kwan Yin, slagen de priesters er in, de hellepoorten te openen, en de zielen stroomen met millioenen terug naar de aarde [57]. Daar de hellen tot het gebied der duisternis behooren, vanwaar de weg in het donker naar de aarde niet zoo gemakkelijk te vinden is, steken de chineezen overal voor hun huis brandende kaarsen en lantarens aan, om hen bij te lichten. En daar de geesten in de hel een alles behalve lekker leventje hebben, worden zij, nu zij dan eens voor een maand „uit” zijn, behoorlijk van alles voorzien. Papieren, waarop kleedingstukken en geld zijn afgebeeld, worden verbrand, om den geesten goede kleeren en zakgeld te geven, en voor de deur zet men allerlei lekkernijen, om hen eens terdege te doen smullen. En om hen wat op te vroolijken en te verstrooien worden de geheele maand door, dag en nacht, tooneelvoorstellingen gegeven. Op den dag van de groote, algemeene offerande is het in de buurt van de tempels een waar Luilekkerland. Geheele straten door worden stellages opgeslagen, waarop een overdaad van voedsel, waar de Rijstenbrij-berg niets bij is. [58] Geheele varkens, schapen en geiten, ladingen eenden en kippen, op allerlei wijzen toebereid en versierd, manden aan manden met ooft en vruchten, pakjes opium, sigaren, sigaretten, tabak, sirih, alles wat de geesten maar met mogelijkheid zouden kunnen wenschen, wordt daar rijkelijk voor hen uitgestald, en alles smaakvol en keurig, zooals alleen een chinees dat kan. Men kan er om lachen, en het volk dat zoo iets doet een volk van dwazen vinden, van domme bijgeloovigen. Zeker, dat kan men, en dat doet men dan ook. Maar naïef zijn ze, die chineezen, naïef als kinderen, en daarom,—ik wil het niet goed weten, aldoor zie ik meer slechts en leelijks in hen,—daarom houd ik toch eigenlijk dol van dit volk, zooals ik houd van dwaze, lieve vrouwen, en van kinderen, die gekke dingen doen,—verbeeld je, hoe bespottelijk, hè, hoe kan-je nou zoo iets doen!—maar dingen, die óók aanbiddelijk en charmant zijn van naïefheid, van simpele, zuivere bedoeling, en au fond toch zoo héél, héél goed gemeend!
Uit die voor ons, verstandige menschen, nietwaar? zoo tamelijk ridicule opvatting van de hel—waar bijna alle chineezen vast aan gelooven—zijn heel gemakkelijk eenigen der voornaamste principes van het oorspronkelijke boeddhisme te halen. Ze zijn heusch nog zoo gek niet, die verhaaltjes. En wat er aan ten grondslag ligt, is alles behalve belachelijk. Ten eerste de leer van „Yin Kwo”, van Oorzaak en Gevolg, dat wat de indische boeddhisten Karma noemen. De leer dus, dat de mensch zichzelf met het goede ten laatste beloont, en met het kwade straft, zichzelf, en niet anderen; dat zijn geluk of ongeluk van nu het produkt is van zijn goed en kwaad in een vorig leven, zooals hij nu bezig is, zijn volgend leven te creëeren. Ten tweede, de leer der transmigratie door wedergeboorte. Ten derde, de leer der verreining, de leer dus, dat men door steeds het spiritueel goede te doen en zich van het kwade te bevrijden, door dus zijn Karma te verzorgen, aan de reïncarnatie kan ontkomen, en het eeuwige zieleleven kan verkrijgen. En ten vierde, de leer, die wondere leer, die een zoo subliem reine vrouwenfiguur schiep als Kwan Yin, de blanke Godin van Genade,—dat intenze liefde de macht heeft, om zelfs andere menschen te redden, en te reinigen van zonden.
Ik hoop, dat deze zeer serieuze ideeën den lezer eenigszins het kinderachtige en eng-griezelige van die helle-verschrikkingen zullen vergoeden, en speciaal den lezer in Indië, die gedurende de vacantie der geesten door de chineesche kampen moet, waar op lange stellages de varkens, en schapen, en geiten, en allerlei verdachte chineesche manisans liggen te stinken, in den afschuwelijken rook van walmende olielampjes en brandend offerpapier.
Van den chinees, die in al de bovenverhaalde verschrikkingen gelooft, is het echter te begrijpen, dat hij de arme, verhongerde geesten eens een lekker beetje gunt, vooral als het ten slotte,—wat werkelijk het geval is, nadat zij er onzichtbaar de essence van hebben verorberd,—in zijn eigen maag verdwijnt!
II.
Ik kan nog maar niet uitscheiden over de chineesche hel. Ik houd toch zoo van zulke vertelseltjes! Ik houd toch zoo van dingen, die niet waar kunnen zijn, waar allerlei vreemde wonderen in gebeuren; ik houd toch zoo van een beetje dwaas en onpractisch, en van een beetje wild en onmogelijk, van den hak op den tak, en van dolle fantasieën en paradoxen. En daarom houd ik zeker zoo van dat aanbiddelijke, dolle sprookjesboek „de Zwerftochten in het Westen”, „See Yü”, een fabelenboek van een chineeschen Grimm, dat in China bijna elke gewone koelie kent, en waar ik nog zoo dikwijls in zit te lezen, in gespannen verwachting van de nieuwe mirakelen, die er nú weer zullen komen, vooral als ik weer voor een tijdje genoeg heb van het gekriebel en gedoe in onze lieve vaderlandsche literatuur. De taal in de „See Yü” lijkt wel wat op gestamel, het boek is niet geschreven in den klassieken stijl der Kings, maar in het colloquial, zooals de lui praten in huis, en de sprookjesvertellers op den hoek van de straat. De geleerden zien er op neer. Maar wat een verbeeldingskracht, wat een naïef praten, wat een voor ’t vaderland weg doorgallopeeren, door ’t wilde heen, en altijd weer ergens onverwachts terechtkomen!
Ik zou zoo gauw niet klaar zijn, als ik al de wonderen in dit kostelijke boekje wilde oververtellen. Maar dat van de chineesche hel, hoe de groote koning T’ai Tsung daar ter verantwoording wordt geroepen, en hoe hij daar een kruiwagentje heeft, net precies zooals je er een noodig hebt in Indië, en hoe hij daar beren maakt, en, wat nog mooier is, die eerlijk terugbetaalt ook, dát zou misschien nog wel gaan.
Daar zal ik dan tevens mee kunnen aantoonen, dat de chinees niet alleen met den hemel, maar ook met de hel „des racommodements” kan hebben, en dat het altijd goed is, hooge ambtenaren te vriend te houden, want die kunnen na hun dood nog invloedrijke posten in de Hel bekleeden, al is het dan ook niet in den Hemel.
Het was ten tijde van keizer T’ai Tsung, dat in de toenmalige hoofdstad van China, Ch’ang Ngan, twee goede vrienden woonden. De een was een visscher, genaamd Ch’ang Shau, de ander een houthakker, die Li Ting heette. Op een goeden morgen zaten zij in een wijnhuis wat te eten en te drinken. Toen zij daarna een eindje langs de rivier opwandelden vroeg Li Ting: „Zeg, broeder Ch’ang Shau, je vangt iederen dag zoo’n hoop mooie visschen en garnalen, welk geheim middeltje heb je daar toch voor?”
„Wat zou ik voor een geheim middeltje kunnen hebben?” antwoordde Ch’ang Shau. „Aan de westelijke poort staat op straat een geleerd waarzegger die wichelstokjes verkoopt. Dien geef ik elken dag een mooien karper cadeau, en daarvoor wijst hij mij het goede plekje aan om mijn vischtouw in neêr te laten. Zoo is het vandaag óók gegaan, en ik heb volop gevangen. Morgen zal ik wat wijn koopen en je eens tracteeren.”
Toevallig kwam op dat oogenblik een van de op inspectie uitzijnde geesten van Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning [59], voorbij, die het geheele gesprek hoorde, en het ijlings aan zijn meester ging overbrengen. Lung Wang was woedend, en wilde er direct op uit, om den wichelaar dood te slaan. Maar zijne kinderen en kleinkinderen brachten hem hiervan af door te zeggen: „Groote Koning, bedaar uw toorn! Als gij zóo heengaat zullen stellig de wolken en de regen U volgen en helpen, en dan zult U het arme volk van Ch’ang Ngan een doodelijke vrees op het lijf jagen, tot ergernis van den Hemel. Het is veel beter, U in een Siu Ts’ai [60] te veranderen, en zelf naar de stad te gaan, om deze zaak eens te onderzoeken.”
De Draken-Koning volgde dezen raad op, veranderde zich in een deftigen, in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar de westelijke poort van Ch’ang Ngan. Dáár informeerde hij naar de woning van den wichelaar, klopte aan, en werd door dezen heel beleefd ontvangen en uitgenoodigd om te gaan zitten.
„Zoudt u mij ook kunnen zeggen,” vroeg de koning, „wanneer er regen zal vallen?”
Daarop begon de wichelaar met zijn wichelstokjes te werken en zeide het volgende versje op:
„De wolken dwalen boven de bergen, Mistdampen bedekken het woud en het graan; Als ik wichel wanneer de regen zal neerzegenen, Is het antwoord: „op morgen.””
Toen vroeg de Zee-Draken-Koning: „Op welk uur dan morgen, en hoeveel regen zal er zoowat vallen?”
De wichelaar antwoordde: „Morgen op het uur Ch’an zullen de wolken bijeenkomen, op het uur Sz’ zal de donder komen opzetten, op het uur Wu zal de regen neervallen, en op het uur Wei [61] zal die ophouden. Er zal in ’t geheel vallen drie voet en drie duim regen, en laatste na-droppels acht en veertig.”
De Zee-Draken-Koning zeide lachende: „Zulke woorden mag je niet uit gekheid uitspreken, mannetje! Als morgen juist op de tijden, die gij bepaald hebt, precies zooveel regen valt, zal ik u vijftig ons goud geven tot belooning. Maar als er geen regen komt, òf niet op den bepaalden tijd en in de bepaalde hoeveelheid, dan zal ik uw voordeur kapot trappen, uw uithangbord vernielen, u uit Ch’ang Ngan jagen, en u niet meer toestaan, hier de menschen te bedriegen.”
„Zooals u wilt,” zeide de wichelaar kalmpjes.
Hai Lung Wang, die niets wist van regenen op morgen, ging verheugd naar zijn rijk in de wateren terug, in het vooruitzicht, den gehaten wichelaar den volgenden dag zijn wraak te doen gevoelen. Hij vertelde de leugenachtige voorspelling omtrent den regen aan zijne volgelingen over, en allen lachten den wichelaar uit, en riepen: „Hoe durft hij zulke valsche praatjes te verkoopen!”
Plotseling riep een stem uit de lucht: „Draken-Koning, ontvang het bevel!”
Allen keken omhoog, en zagen een in gouden kleederen gedoschten afgezant van den oppersten Hemelgod Yü Ti, die een bevelschrift uit de hooge regionen kwam brengen. De afgezant daalde in het water neder, overhandigde de missive, en verdween weder omhoog, de wolken in.
En waarlijk! Het bevelschrift bevatte de strikte order, om den volgenden dag regen te doen vallen, precies op denzelfden tijd, in dezelfde hoeveelheid als de waarzegger had voorspeld! Er mankeerde niets aan. Hevig verschrikt riep de Draken-Koning uit: „Waar moet het op die manier heen, als zoo’n stuk mensch de geheimen weet van Hemel en Aarde? Dan blijft er niets over dan mij aan hem te onderwerpen!”
Maar zijn vertrouwde minister zeide: „Wat voor moeite zou het kosten, hem te overwinnen? Laat, o groote koning, wèl regen vallen, maar verander de tijden en de hoeveelheden een beetje, dan zal die schavuit van een wichelaar wel in zijn schulp kruipen!”
Zoo gezegd zoo gedaan. Den volgenden dag kwam een onweder boven de stad Ch’ang Ngan opzetten, met donder, bliksem en regen. Maar op het uur Sz’ en niet op het voorspelde uur Ch’an verzamelden zich de wolken, eerst op het uur Wu kwam de donder op, op het uur Wei viel pas de regen neer, en op het uur Shan [62] hield hij op. Er viel ook maar drie voet regen, en niet meer dan veertig na-droppels.
Toen de Draken-Koning met dit werk gereed was, veranderde hij zich weer in den in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar het huis van den wichelaar. Dáár gekomen begon hij dadelijk het uithangbord, de penseelen en den inktsteen in stukken te slaan, en riep schimpend: „Wel, durf jij de menschen te bedriegen met je geleuter! Het is nu eens lekker niet uitgekomen, en nu maak je maar als de weêrga dat je uitknijpt, dan zal ik je deze misdaad vergeven, waar de dood op staat!”
Maar de wichelaar glimlachte eens kalmpjes en zeide: „Ik ben niet strafbaar met den dood, maar ik ben bang dat gij het wèl zijt. Gij zijt geen Siu Ts’ai, gij zijt de Rivier-Draken-Koning, en gij zijt ongehoorzaam geweest aan het bevel van den Hemel-God, en hebt op uw eigen houtje de tijden en de maten veranderd, en dus de Wetten des Hemels weêrstaan. Ik vrees dat gij moeilijk aan het zwaard zult ontkomen, en nu komt gij waarachtig mij nog uitschelden!”
Toen sloeg de angst den armen Draken-Koning om het hart, en zijn geheele lichaam begon te beven. Hij knielde voor den wichelaar neder en smeekte hem, toch niet boos meer te zijn, en hem een redmiddel aan de hand te doen.
De waarzegger kreeg medelijden met hem. „Ik kan u zelf er niet uit helpen,” zeide hij, „maar ik weet, dat degene, die u dooden moet, Wei Ting zal zijn, de opperrechter van koning T’ai Tsung. Ik kan u dus aanraden T’ai Tsung om hulp te vragen.”
De Draken-Koning volgde dezen goeden raad dadelijk op. Hij ging niet eens naar zijne wateren terug, maar steeg op een wolk, en zweefde naar het paleis. T’ai Tsung [63] lag juist te slapen, en in zijn droom ging zijn ziel het lichaam uit, en ging wat in den maneschijn wandelen. De Draken-Koning veranderde zich weer in een mensch, en viel voor den koning op de knieën, roepende: „Red mij, red mij, Uwe Majesteit!”
De koning vroeg hem wie hij was, en nu vertelde Lung Wang hem, dat hij de Draken-Koning was, dat hij gezondigd had tegen den Hemel, en nu zou moeten sterven door de hand van den opperrechter Wei Ting, als de koning dit niet verhinderde. Toen kreeg koning T’ai Tsung medelijden en zeide vertroostend: „Als ’t alleen maar die kwestie met Wei Ting is, wees dan maar gerust, hoor, ik zal u er wel uit helpen”. Vol vreugde ging de Draken-Koning weg, na zijn weldoener innig te hebben bedankt.
Toen T’ai Tsung wakker werd, dacht hij ernstig na over zijn droom. Het was een gewichtig geval. Hij had zijn woord gegeven aan den Draken-Koning dat hij hem redden zou, en dat moest hij tot elken prijs houden, wilde diens dood niet op hem zelven neêrkomen. Daarom besloot hij, alle civiele en militaire mandarijnen op te roepen aan zijn hof. Hoe schrikte hij, toen hij zag, dat Wei Ting niet was opgekomen! Dadelijk zond hij nog een speciaal bevelschrift naar den opperrechter, om op staande voet te verschijnen. „Als hij maar eenmaal binnen is, laat ik hem er niet meer uit,” dacht hij. Wei Ting had juist dien nacht een droom gehad. In dien droom was hem een hemelgeest verschenen met een order van Yü Ti, den oppersten Hemelgod, waarin geschreven stond, dat hij ín het derde kwartier van het uur Wu den Rivier-Draken-Koning moest onthoofden. Daarom was Wei Ting niet naar het hof gegaan, maar thuis gebleven om zijn groot tweesnijdend zwaard op te poetsen en te scherpen.
Toen echter het speciale bevel van den koning kwam, moest hij wel gehoorzamen, en ging in allerijl ten hove. Hij smeekte T’ai Tsung, hem zijne ongehoorzaamheid te vergeven, wat genadig werd toegestaan. Nu zond T’ai Tsung al de andere hovelingen weg, en liet alleen den opperrechter blijven. Om den tijd te korten stelde hij hem voor, een partijtje te schaken. Het werd een interessant spel, toen, juist in het derde kwartier van het uur Wu, de opperrechter plotseling met het hoofd op de armen in slaap viel. De koning was hier in ’t geheel niet boos over, daar hij nu zeker was, dat de gevaarlijke rechter niet het paleis uit kon. Langzamerhand begon Wei Ting sterk te zweeten, en zijn gezicht vertoonde een uitdrukking van woede, terwijl hij allerlei zenuwachtige trekkingen met armen en beenen begon te maken, zooals een hond die droomt dat hij op de jacht is. T’ai Tsung kreeg medelijden met hem, en denkende dat hij aan nachtmerrie leed, begon hij hem met zijn zijden waaier koelte toe te wuiven. Dit bracht blijkbaar verfrissching aan, want daarna werd de slapende rustiger.
Maar o wee! wat had de koning gedaan! Wei Ting’s ziel was in zijn droom uit het lichaam gegaan om den Draken-Koning te zoeken. Toen deze hem zag aankomen zette hij het op een loopen, en er volgde een jacht op leven en dood. De riviergod was een fameus looper, en Wei Ting, hoeveel moeite hij ook deed, zou hem niet ingehaald hebben, en werd op ’t laatst zóó afgemat, dat hij ten achter raakte. Maar het was juist op dat oogenblik, dat koning T’ai Tsung den droomende begon te bewaaieren. Deze koelte gaf Wei Ting’s lichaam, en dus ook zijn ziel nieuwe krachten, en spoedig had nu de opperrechter zijn slachtoffer ingehaald en hem het hoofd afgehouwen!
Toen de ziel haar plicht gedaan had, keerde zij in het lichaam terug, en Wei Ting werd wakker. Hoe schaamde hij zich, toen hij zag, hoe oneerbiedig hij was geweest! Maar de goede koning vergaf hem gaarne, en stelde voor, het partijtje schaak uit te spelen. Juist wilden zij beginnen, toen de twee grootvizieren des konings, de hooge mandarijnen Sü Meu Kung en Tseu Shuh Pao binnentraden met een van bloed druipend drakenhoofd in de handen, en dat voor T’ai Tsung nederlegden. Zij vertelden hem vol schrik, dat dit hoofd zooeven uit de wolken was komen vallen.
T’ai Tsung vroeg in grooten angst aan den opperrechter, wat dit moest beteekenen. En toen biechtte Wei Ting eerlijk alles op, hoe hij van Yü Ti het bevel had ontvangen om den Draken-Koning te onthoofden, en hoe hij dat zoo juist in zijn’ droom had ten uitvoer gebracht. Toen verschoot T’ai Tsung van kleur, en voelde, dat hij voor dien dood zou moeten boeten.
En de straf zou niet lang uitblijven. Toen de koning den nacht daarop te bed lag, hoorde hij plotseling voor zijn deur een klagend gekerm, en daar trad de Draken-Koning binnen, met zijn bloedend hoofd in de handen! Op hoogen toon riep het spook uit: „Koning der Thangs, geef mij mijn leven terug! Gisteren nacht hebt gij mij beloofd, mij te redden, en hoe durfdet gij nu uw opperrechter uitzenden om mij te onthoofden? Ik zal deze zaak met u uitmaken voor Yen Kiün, den Hellekoning!”
T’ai Tsung weende tranen bij tuiten, en knarsetandde van angst. Toen verscheen een in ’t wit gekleede vrouw, die met een schepter het spook gebood heen te gaan, dat daarop ijlings verdween. Is het noodig te zeggen, dat dit Kwan Yin was, de Godin der Genade, die met koning T’ai Tsung nog zooveel ándere groote plannen voorhad?
Nu wilde de koning niet meer slapen zonder wachten. Iederen nacht waakten in het paleis de dapperste krijgers, en voor zijn deur stonden de twee beroemdste helden-generaals, met ontbloote zwaarden. Het spook kwam niet meer terug, maar de koning werd elken dag zwakker en zwakker, en voelde ten laatste dat hij sterven ging. De geheele koninklijke familie was aan het sterfbed vergaderd. De koning was razend van wanhoop, want hij wist dat de doode Rivier-God hem in de hel had aangeklaagd en hem daar opwachtte. Maar op het laatste oogenblik kreeg de opperrechter Wei Ting nog een gelukkige ingeving.
„Wees gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Uw gehoorzame onderdaan heeft een uitstekend middeltje, om U nog een lang leven te verzekeren. Uw vroegere onderdaan, wijlen mijn vriend de Minister van Eeredienst, is op ’t oogenblik Beslisser-Mandarijn in de onderwereld. Hij heeft mij juist laten weten, dat hij nu ook belast is met het bijhouden van het Leven-en-Dood Register. Ik zal U dezen brief voor hem medegeven, en als U hem dien maar overhandigt, ben ik zeker, dat hij U weer naar de aarde zal doen terugkeeren.”
Kort daarop stierf de koning. Zijn ziel ging uit het lichaam, en ontmoette een schaar ruiters, die hem een paard gaven, en in wilde jacht met ontzettende snelheid met hem voortrenden. Plotseling waren ruiters en paarden verdwenen, en hij stond op een woeste vlakte, waar hij nog nooit geweest was. Hij voelde zich alles behalve op zijn gemak, toen gelukkig een in ’t zwart gekleed, heel voornaam mandarijn verscheen, die voor hem nederknielde, en hem verzocht, zijn geleide te willen aannemen. [64]
„Wie zijt gij?” vroeg de koning.
„Vroeger op aarde was ik Minister van Eeredienst,” antwoordde de beleefde wegwijzer, „maar nu ben ik Beslisser-Mandarijn hier in het hellegebied. Ik heb al Uw zaak met den Draken-Koning onderzocht, en ben nu expres hier gekomen om U den weg te wijzen.”
T’ai Tsung voelde zich nu heel wat prettiger, en riep verheugd uit: „Dan heb ik hier een brief voor u, van mijn opperrechter Wei Ting!”
De Beslisser las den brief, en begreep daaruit, hoe wonderlijk alles zich op aarde had toegedragen, en hoe de arme koning er was ingeloopen.
„Wees maar gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Ik zal U wel weer op aarde terug krijgen. Als U nu maar eens mede wilt gaan.” En hij geleidde den koning naar de hellen. T’ai Tsung werd naar een kolossalen zetel gevoerd, waar de tien koningen der tien hellegebieden waren gezeten. De hellekoningen kwamen behoorlijk van hun’ zetel af om den menschen-koning te begroeten, en met hem de gebruikelijke beleefdheidsceremonieën te verrichten. Toen zeide Tseu Kwang, de koning van het eerste hellegebied:
„De Rivier-Draken-Koning heeft U hier aangeklaagd, dat U hem beloofd had, zijn leven te redden, en hem toen juist hebt laten dooden. Wat is hier van aan?”
Toen vertelde T’ai Tsung eerlijk, hoe alles gebeurd was, precies volgens de waarheid.
De hellekoningen—die het alreeds wisten natuurlijk—geloofden hem, en zeiden: „Het was tóch al lang geleden besloten, en in het Leven-en-Dood Register opgeteekend, dat de Draken-Koning in dezen tijd door de hand van een’ opperrechter zou moeten sterven. Nu zullen wij hem weer in het Wiel der Omwenteling zetten, en in ’t leven nieuw geboren doen worden. Maar hoe is het met Uw levensduur gesteld? Beslisser-Mandarijn, haal eens even het Register!”
En de Beslisser haalde het register, waar de levensduur, en in geval het vorsten zijn, de regeeringsduur der stervelingen nauwkeurig waren opgeteekend. De Beslisser zocht den naam T’ai Tsung op, en o wee! er stond voor zijn regeeringsduur niet meer dan dertien jaren, juist de tijd, dien hij reeds koning was geweest. Fluks smokkelde hij zijn penseel te voorschijn, veranderde het bovenste ééntje in een drietje, en nu stond er drie en dertig [65]. En met een doodleuk gezicht liet hij den hellekoningen zien, dat T’ai Tsung drie en dertig jaren regeeren mocht, en dus nog twintig jaar levens te goed had.
De tien hellekoningen konden toen niet anders dan T’ai Tsung vergunning geven, naar de aarde terug te keeren. Onze koning, die om alles dacht, vond nu, dat hij van deze zeldzame gelegenheid moest gebruik maken, om nog eens méér te weten te komen, en vroeg beleefd, of men hem ook zou willen zeggen, hoe het met den levensduur van de leden zijner familie stond. Het register werd even geraadpleegd, en er werd hem geantwoord: „Daar staat het best meê. Maar alleen Uw keizerlijke zuster Li Yü Ying zal het niet lang meer maken, vreezen wij.”
Toen vroeg T’ai Tsung, wat hij den hellekoningen zou mogen aanbieden, om hen voor hun goedheid te bedanken. En de tien koningen antwoordden: „Wij hebben hier gebrek aan meloenen uit het Zuiden.”
„Als wij op aarde terug zijn, zullen wij U meloenen zenden,” beloofde de koning. Daarop boog hij eerbiedig. Een duivel met een vlag ging hem toen voor, om hem den weg te wijzen, en de Beslisser-Mandarijn volgde hem. En nu werd T’ai Tsung een tochtje door de verschillende hellen aangeboden, waar hij al de verschrikkingen zag, die de zondaren hadden te doorstaan. De koning voelde zich allesbehalve op zijn gemak, en beefde van angst over al zijne leden. Eindelijk was hij met zijne geleiders door eenige hellegebieden gekomen. Na een poos geloopen te hebben kwamen zij bij een stad, „de Stad der onrechtvaardig gedooden”. Hier woonden de geesten der menschen, die eigenlijk nog niet moesten gestorven zijn, volgens het register, maar door onvoorziene ongerechtigheden der menschen gedood waren. Met deze geesten zaten de hellekoningen verlegen, want zij behoorden eigenlijk nog niet in de hel, daar zij niet vóór hun tijd konden overgevoerd worden, en ook niet op de aarde, daar zij dood waren.