Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel

Part 5

Chapter 53,787 wordsPublic domain

En ik zie er het sterven van de Maagd, dood van broze mysterieën, wat eindeloos droef is, en ik zie er den droom van licht Verlangen, de kuische rijzenis van de Vrouw, wat eindeloos blij. En de oogen zijn stil toegegaan, in dat suprême moment van dien dood en die opstanding van het Leven, dat zoo hoog over dat teêre hoofd ging....

Nu gaat de Bruid zacht, zacht weer heen, op denzelfden luchten adem. Ik voel het, hoe zij weggaat, het gaat ver, ver van mij. Het was te schoon om lang te blijven.

Maar ik heb gezien het opperste moment van leven in den wisselenden gang der vage menschenvormen, een goddelijk droomgezicht, bevende op die grens van Maagd en Vrouw, waar de weerglans schijnt van een eeuwig licht.

Het is gekomen, als alles wat heel broos is, en te teêr om lang te wijlen, stil, stil gekomen, het toefde even, en is toen zacht weer heengegaan van mijn oogen....

DE CHINEESCHE HEL.

I.

Zooals algemeen bekend is, neemt de Noordelijke boeddhistische school, die men gewoonlijk de Mahâyana noemt, het bestaan aan van een hel, in welke de zielen voor de op aarde begane zonden moeten boeten. De chineesche hel is uit het indische boeddhisme overgenomen, maar heeft een geheel eigenaardig chineesch karakter gekregen.

Zij is verdeeld in tien gebieden—tjen—, elk met een koning aan het hoofd. Elke „tjen” is weer verdeeld in achttien groote en zestien kleine afdeelingen. Zij liggen onder den bodem der oceanen, in het rijk der duisternis. In die hellen heerscht, als op aarde, een mandarijnenregeering. De koning heeft zijne hooge en lage ambtenaren, in verschillende gewaden, met verschillende teekenen van waardigheid. Hij zit behoorlijk voor de mandarijnentafel, en de zielen, door soldaten opgebracht, komen knielende binnen om hun vonnis aan te hooren.

Karakteristiek is de beschrijving der hel in „De oorspronkelijke, echte Soetra van het overvoeren van Kwan Yin”, een totnutoe onvertaald werk. [52]

Kwan Yin, de Godin der Genade, bezocht na haren dood, als prinses Miao Sjen, met den geest Hwang Lung, den Gelen Draak, en de beide geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, de hellen.

Toen het eerwaardige gezelschap aan de grenzen van het Rijk der Duisternis was gekomen, ging het Gouden Jongetje voorop, naar den duivel die voor de poort de wacht hield. Toen deze die van licht schitterende verschijning zag aankomen, dacht hij: „dit is zeker een of andere geest uit de westelijke regionen”, en vroeg dus heel beleefd: „Groote Geest, wat voert U herwaarts?” Het Gouden Jongetje zeide: „Ik ben het Gouden Jongetje, dat in het Paleis van den Jaspis-Vijver voor den zetel van de Gouden Moeder, Kin Mu, staat, en ik ben uitgezonden met den Gelen Draak en het Edelsteenen Meisje, om de prinses Miao Sjen de hel te laten zien. Weest dus zoo goed, dit te gaan berichten.” De duivel bracht dit bericht over aan den mandarijn Saan Tso Fah, die dit grensgebied regeerde. Toen deze zulke aanzienlijke gasten hoorde aandienen, liet hij direct de tafel met wierook gereed maken, en beval zijn gevolg, de staatsiekleederen aan te trekken. Toen liet hij de prinses in de voor-binnenzaal, en verrichtte hij voor zijne gasten de hooge beleefdheidsceremonieën.

De prinses vroeg: „Waarvoor dient toch de poort op deze plaats?”

—„Hier wordt de naam der menschen opgeschreven, die gestorven zijn,” antwoordde de mandarijn. „Van hun goed en kwaad, dat hier onderzocht wordt, maak ik een verslag op. Zij, die hun ziel verreind hebben, en wier deugden en werken volmaakt zijn, gaan naar de hemelsche gewesten om daar eene betrekking te krijgen. Volgens de oorzaak, door hun werk gecreëerd, ontvangen zij de albewustheid der geesten en wordt er voor hen op aarde wierook gebrand. Degenen, wier goed werk wel bestaat, maar nog niet geheel volmaakt is, gaan van het eerste hellegebied direct naar het tiende, en behoeven niet door de acht anderen. Zijn zij in het tiende hellegebied gekomen, dan wordt, volgens hun vroegere verdiensten, hun kleeding en tractement vastgesteld, en worden zij weer in het leven als mensch geboren, òf rijk òf arm. Het goed wordt, als het minder is, van het kwaad afgetrokken, en volgens het overblijvende kwaad wordt dan gestraft. En omgekeerd.”

De prinses zeide hierop: „Deze betrekking van U lijkt mij nogal ellendig toe. Kunt U ook promotie maken?”

De mandarijn antwoordde hierop bevestigend, daar Shang Ti, de opperste God, wel het kwaad strafte, maar ook het goede beloonde. Als hij dus maar goed oppaste kon hij hoogerop komen.

Toen vroeg hem de prinses: „Ik heb gehoord, dat hier een Spiegel der Zonde is, waarin de dingen, die de menschen gedaan hebben, worden weerspiegeld, en die goed en kwaad weêrkaatst. Is dat werkelijk zoo?”

„—Óf het,” antwoordde de mandarijn. „Dat zijn heusch geen leêge praatjes!”

Daarop ging het gezelschap verder, en zagen zij een ander hoog ambtenaar, den „Beslisser-Mandarijn” genaamd, die op last van den koning van het eerste hellegebied, de prinses kwam begroeten. Deze Beslisser bracht haar bij een hoogen spiegel, op een voetstuk. Een roodgebaarde duivel, met groen gezicht, en slagtanden, had juist een mensch gegrepen, en hem gedwongen, voor den spiegel neer te knielen. Ter zijde stond een mandarijn die, met het hoofd knikkende, zijne bevinding met een penseel opschreef in een boek. De prinses vroeg, wat dit toch wel moest beteekenen, en de Beslisser antwoordde, dat deze mensch op aarde veel zonde had gedaan, en die maar niet wilde bekennen. Daarom werd hij nu voor den alles weerkaatsenden spiegel gebracht. De mandarijn die ter zijde stond, schreef alles op, om de straf te kunnen bepalen, die de zondaar moest ondergaan.

Zóo sprekende, wandelde het illuuster gezelschap verder op, tot voor den zetel van den hellekoning Tseu Kwang. De koning excuseerde zich, dat hij de prinses niet reeds eerder was komen begroeten, en bewees haar de gebruikelijke beleefdheden.

Hij geleidde de prinses en haar gevolg nu verder in zijn gebied. Twee scharen menschen waren elk aan eene zijde van den weg verzameld. De eene schaar lachte en scheen vergenoegd, de andere was in groote vreeze, en lag geknield.

Toen de prinses nader om zich heen keek zag zij een houten tablet boven den koninklijken zetel, waarop geschreven stond: „Het Eerste Helle-Gebied,” en een rol neêrhangend papier met het opschrift: „De Spiegel der Zonde is helder. Duizend booze plannen kunnen hier niet verborgen blijven.”

Miao Sjen vroeg, wat de menschen daar deden, en hoe het kwam, dat sommigen lachten, en anderen schreiden. En de koning antwoordde:

„Die daar, met die blauwe kleederen, heeft den familienaam Lao en den eigennaam Poe Sien. Hij had een hart als de goede Oorsprong van Hemel en Aarde. Hij deelde overal aalmoezen uit aan armen en ellendigen. Die daar met het groene kleed heet Kang Siu Tik. Deze heeft zijn geheele leven lang het beschreven papier vereerd en verzorgd, soetra’s en stukken uit de heilige Kings opgezegd, nooit vleesch gegeten, en de menschen vermaand tegen het dooden van levende schepselen. Hij heeft bruggen en wegen hersteld, en was geen dag van zijn leven in ledigheid. Die daar met het gebloemde kleed is Tin Ti Go. De eerste dertig jaren van zijn leven wist hij niet wat goed en kwaad was, en zijne zonden waren velen. Op zijn een en dertigste jaar ontmoette hij iemand, die hem tot bewustzijn riep en hem deed ontwaken. Toen deed hij een gelofte om den heiligen Tao Teh King van Lao Tsz’ op te zeggen, en zich uit te putten in gaven voor de armen en ellendigen. Door zijn gedrag en zijn werken maakte hij alles weder goed. Nu is hij gestorven, twee en zeventig jaren oud. Die daar met dat andere groene kleed, het gescheurde, is Tshi Lip Tsi, die van jongs af aan alleen plantaardig voedsel at. Zijn geheele familie was arm en leed altijd gebrek, maar toch bleef hij goed, hetzelfde mensch tot aan zijn dood toe. Die vrouw daar in het blauw is Hong Si, gehuwd met zekeren Ang. Haar man leerde het vak van varkensslachter. Zij bad van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat den Hemel, om hem tot inzicht te doen komen. Zij smeekte hem, toch niet te dooden, en eindelijk verliet hij de zonde en volgde het goede. Man en vrouw, en hunne geheele familie werden vegetariërs.

„Over deze vijf menschen wordt volgens de wet beslist. Ik heb reeds een rekwest voor hen opgezonden, en als hierop een gunstige beschikking komt, geleid ik ze de hel uit, den weg op naar de hemelsche paleizen.”

Eigenaardig is deze epizode voor de karakterizeering der chineesche ideeën omtrent de hel. Zóó ingegroeid is bij de chineezen het idee van een mandarijnen-regeering, en zóó innig is het genot en het verlangen om mandarijn te zijn, dat zij zich geen hel, en ook geen hemel, kunnen voorstellen, waar het niet evenzoo zou toegaan als op aarde. Er worden missives en rekwesten opgezonden naar de opperste Godheid, er komen gunstige beschikkingen, er zijn registers en boeken, waarin namen worden opgeteekend, er is promotie en degradatie, in één woord, er heerscht dezelfde autocratie, en ook dezelfde bureaucratie, als in het ondermaansche. Zonder dat is er nu eenmaal geen plezier aan.—Of er ook omgekocht en geknoeid kan worden, staat niet vermeld, maar dat is wel waarschijnlijk. Een chinees in de hel of in den hemel blijft nu eenmaal een chinees. En in het vervolg van dit stuk, als ik van koning T’ai Tsung vertel, zal de lezer zien hoe goed het in elk geval is kruiwagentjes te hebben in de hel.

De hellekoning ging voort:

„Die daar met dat vuile kleed, die daar knielt en schreit, heet Ho Hin Jen. In een vorig leven werd hij arm en ellendig geboren, maar zijn hart en zijn Oorsprong waren goed. Vol liefde gehoorzaamde hij steeds zijn ouders, en twee-en-veertig jaar lang was hij vegetariër. Hij deelde aan de armen driehonderd drie-en-zeventig paar strooien schoenen uit, en leefde zelf in gebrek. Hij herstelde op vier plaatsen hobbelige, slechte wegen. Toen stierf hij, zooals hij geleefd had. Hij deed het hart van den Hemel ontroeren, zoodat hij in een volgende incarnatie werd geboren in de familie van een hoog mandarijn, en zijn levensduur werd vastgesteld op zes-en-tachtig jaren. Wie had gedacht dat hij, eenmaal rijk en geëerd, van zijn oorsprong zou afdwalen? Van af een gewoon mandarijn klom hij op tot minister. Hij bespotte zijn opperheer en verguisde het volk. Hij misbruikte zijn macht om menschen ten onder te brengen. Hij vernietigde het leven van negentien menschen, en sloeg twee zijner huisgenooten dood. Hij beroofde drie-en-zestig huisgezinnen van hun goed. Hij was begeerig naar schatten en lekker op eten, en doodde daarvoor meer dan driehonderd en zeventig duizend levende schepselen. Toen nam de Hemel vier-en-twintig jaren van zijn levensduur af, en tot straf ging bovendien van zijn vroegere verdienste een geheele graad weg. Daarom is hij nu op twee-en-zestigjarigen leeftijd gestorven.

„Die daar knielt, in het blauwe kleed, en zoo weent, is Li Bo Ting. Hij behoorde tot de literatoren, maar beoefende niet de rechte Leer. Met zijn penseel [53] wondde hij menschen als met een mes. Hij had menschlievendheid noch plichtmatigheid, ouderlievendheid noch oprechtheid. Zijn mond sprak als een Boeddha, maar zijn hart was dat van een slang.

„Deze twee menschen hebben misdaden begaan. Binnenkort zullen zij naar het tweede gebied worden gevoerd, om daar te boeten voor hunne zonden.”

De prinses, wier hart een groote genade was, die over álle zonden heenvloeide, werd van weedom bevangen bij het zien van zóóveel leed. Zij sprak eene prediking uit van zoo transcendente kracht, dat zij de zonde aller zondaren zuiverde, en de zielen der lijdenden in het eerste hellegebied overvoerde naar den Hemel.

Toen schreed Miao Sjen met haar gevolg naar het tweede gebied, waar koning Ch’u Kiang regeerde. De koning ontving haar zeer deftig, en begon met haar te vertellen, dat het hier eigenlijk de bodem van een grooten oceaan was, onder een gloeienden steen gelegen, en dat zijn hel in achttien groote en zestien kleine afdeelingen was verdeeld. De prinses zag boven zijn zetel een houten tablet met het opschrift: „Voel naar uw hart, en vraag dan U zelf af”, en daarnaast een rolprent, waarop was geschreven: „Het hart is als een pijl. De lach verbergt een mes. Hier kan men precies de ellende te weten komen van pijlen en messen.”

De Gele Draak verzocht den koning eerbiedig, of Zijne Majesteit zoo goed wilde zijn, de hellen te laten zien, waarop de vorst beleefd antwoordde, dat hij dit bevel dadelijk zou gehoorzamen. Daarop ging de koning het gezelschap voor.

Eerst kwam de Berg der Messen en Lansen. Dit was een berg, beplant met messen en lansen, als met bamboe, waar mannen en vrouwen op werden neergesmeten door duivels. De koning legde Miao Sjen uit, dat dit menschen waren, die met vergiftige praatjes hadden gelasterd, familieleden van elkander hadden vervreemd, en anderen geld hadden afgezet en ongelukkig gemaakt.

Een tweede afdeeling was een steile berg, met olie bestreken, waaronder diepe afgronden. Hier werden zondaren met geweld door duivels afgeworpen. Zij stootten en kletterden in hun val tegen de scherpe steenen, dat het bloed als een rivier van den berg stroomde. Het was een afgrijselijk gezicht, en vol afschuw vroeg de prinses, wat dit toch moest beduiden. En de koning zeide onbewogen, dat dit de gerechte straf der menschen was, die de leer der Boeddha’s hadden verguisd, en de wetten des Hemels geschonden.

Toen kwam de afdeeling der slachterij. Het weêrklonk er van een oorverdoovend gehuil. De koning vertelde, dat hier de vrouwen geslacht werden, die, onbewust van hun Oorsprong, niet van hun echtgenoot hielden en van hun schoonmoeder, voorkinderen van hun man verwaarloosden, en een hart vol vergif hadden.

Een volgende afdeeling was de hel der onthoofding. Hier werden menschen met koorden vastgebonden, en daarna onthoofd, onverschillig of het armen of rijken waren.

En zóó nog vele andere afdeelingen, overal gevloei van bloed en tranen, en gekerm en gehuil van gepijnigde zondaren.

Weer werd het Miao Sjen zoo droef te moede, dat zij in extaze van medelijden een innig liefdevolle prediking uitsprak en de Dhyâni-Boeddha Amitâbha te hulp riep, om de verdoemde zielen te verlossen. En ziet! Een donderslag daverde, een bliksemstraal flitste, en een mirakel veranderde de hel in een goud-rossige wolk van lotusbloemen. Een groot Licht voerde de zondaren ten Hemel.

Toen dit werk volbracht was schreed Kwan Yin naar het derde gebied. Koning Soeng Ti, die hier regeerde, ontving haar met muziek en gezang, en veel ceremonieel. Boven zijn zetel prijkte een houten tablet met de woorden: „Het kleinste heeft nog altijd macht, zelfs een kleinigheid zult gij niet verkeerd doen. Als het ongeluk over u hangt, hoop dan maar niet op redding, want de vergelding komt voor ieder naar zijn aandeel”. Evenals de vorige potentaten geleidde Soeng Ti zijne gasten welwillend door de hellen.

In een van dezen werden de zondaren door duivels met een zwart touw aan de rechterhand en de linkervoet opgehangen. Dit waren menschen, die op aarde de zwakken verdrukt hadden, en hen beroofd van gronden en eigendommen. In een andere werden de zondaren aan ijzeren pilaren gebonden, en dan door duivels met messen de oogen uitgestoken. Dezen hadden het geschreven papier verwaarloosd, en graven geschonden. Met een slecht hart en lage gedachten hadden zij vrouwen en meisjes van anderen begeerd. In een derde hel werden de verdoemden in weegschalen gewogen, terwijl een mandarijn nauwkeurig de gewichten van hun goed en kwaad opteekende. Dit waren de kooplieden, die op aarde valsche gewichten hadden gebruikt, en nu op hun beurt óok werden gewogen, ter bepaling van hun straf. In weêr een andere afdeeling werden de slachtoffers aan palen gebonden, waarna duivels hun de huid afscheurden en levend vilden. Dit waren de misdadigers, die andere menschen hadden gewond en vermoord op aarde.

Weêr werd het lijden te zwaar voor de oogen van de Godin der Genade. Zij sprak vol geestdrift een nieuwe prediking uit, en een groot Licht herschiep de hel in een wit lotusterras, en voerde de verloste zielen naar de eeuwige gewesten over.

Toen ging de eerwaardige Kwan Yin met haar gevolg naar de vierde hel, waar koning Wu Kwan regeerde. En zóó achtereenvolgens door al de overige hellegebieden, waar de koningen Yen Lo, [54] Pien Ch’ing, T’ai Shan, Tu Shi, Ping Ting en Ch’wen Lun haar met dezelfde beleefdheden ontvingen, en met de meeste bereidwilligheid door de verschrikkingen van hun koninkrijken leidden, als waren het even zooveel pleiziertuinen. De martelingen waren talloos als de zonden der menschen, door welke zij werden gecreëerd. Zondaren werden handen en voeten afgeschroeid boven een vuur, omdat zij indertijd valsche geneesmiddelen hadden verkocht, en vogels geschoten; zij werden aan pilaren gebonden, en door duivels de aderen doorgesneden, omdat zij in hun leven hadden geprocedeerd en gedobbeld, en naar vrouwen waren geloopen; zij werden onder steenen begraven, omdat zij op aarde, mandarijn zijnde, geld voor een publiek doel hadden verzameld, en ten eigen bate gebruikt; en weêr anderen werden blootgesteld aan ijskoude winden, die hen verstijfden.

Grimmige duivels smeten de zondaren in vijvers van ijswater, staken hun dorens in den mond, en goten gloeiend gesmolten ijzer in hun keel. Dit waren de lasteraars, die door hun praatjes huwelijken deden mislukken, of oneenigheid tusschen echtgenooten hadden gestookt. Andere zondaren werden naar een hoog terras gesleept, vanwaar zij de aarde konden overzien, waar hunne kinderen op het slechte pad waren, de nagedachtenis hunner ouders verguisden, en tot den bedelstaf werden gebracht, of wel, duivels rukten dien verdoemden lever en longen uit, en hakten hen door de lendenen in tweeën. Degenen, die indertijd meisjes en vrouwen hadden verleid, zagen zich de tong en het hart uitgesneden, om later als kippen of honden weer geïncarneerd te worden. Mandarijnen, die vroeger van hun macht misbruik hadden gemaakt om het volk te bestelen, werden als rijst door duivels met groote mortieren in een vijzel fijngestampt. Taoistische en boeddhistische priesters, die de indertijd door verreining der ziel verkregen kennis der natuurgeheimen ten kwade aangewend hadden om andere menschen in ’t verderf te storten, werden op een plank heen en weer geschuurd, tot de beenderen vergruisden en het bloed stroomde. Andere zondaren werden door duivels met haken in afgronden van vuur gesleurd, omdat zij vroeger bosschen in brand hadden gestoken en zoo de daarin wonende beesten hadden gedood, of wel door duivels met roode baarden en groene gezichten op een ijzeren spijkerbed geworpen en dan onder ijzeren planken gesmoord. Weêr anderen werden in een vijver gesmeten, waar vergiftige slangen kronkelden,—dezen hadden er op aarde pleizier in gehad om slangen en schildpadden dood te slaan, en visschen en garnalen te eten;—of wel, zij werden in een vuurkuil gedrongen, omdat zij vroeger huizen in brand hadden gestoken en daarvan gebruik gemaakt hadden om te stelen. Ook werden er op planken gebonden en met zagen doorgezaagd. Een andere verschrikking was een brug, twee-en-zeventig vademen lang en maar zeven en twee tiende duim breed. Aan weerszijden van de brug zweefden duivels met stokken en haken, en in de rivier beneden zwommen slangen en honden. De verdoemden moesten in allerijl over de brug, en verloren hun evenwicht door de op hen gerichte haken. Er waren er maar weinigen die veilig overkwamen; de meesten vielen in het water, sommigen nog op het laatste eindje, en werden daar door de beesten verscheurd.

Ook hier redde Kwan Yin’s gebed alle zondaren uit deze verschrikkingen en voerde hen naar de hemelsche gewesten over.

Ten laatste kwam de prinses in het tiende hellegebied, waar koning Ch’wen Lun, de Wiel-Draaier, regeerde. Hier werd over het lot der menschen in eene volgende incarnatie beschikt. Op vier wijzen konden zij wedergeboren worden: uit een baarmoeder, uit een ei, uit water, of uit gedaanteverwisseling, dat is, als zoogdieren, als vogels, als visschen, of als insecten [55]. Als mensch op zes manieren: met lang leven, met kort leven, rijk, geëerd, behoeftig en verachtelijk, en deze onderling gecombineerd. De prinses vroeg den koning hoe het mogelijk was, dat de zielen door al die pijnigingen in de hel niet geheel vergruizeld en vernietigd waren, maar Ch’wen Lun antwoordde, dat dit heel eenvoudig was. Telkens als er gevaar was voor vernietiging, verfrischte een geneeskrachtige, weldadige wind de gehavende zielen zoodanig, dat zij weer nieuwe pijnigingen konden verduren. Toen maakte de prinses de opmerking, dat in de wereld de slechte menschen juist met voorspoed beloond werden, en de goede met ellende. Dit was toch niet in den haak, vond zij. Maar dit was wel degelijk in den haak, zeide de koning, want die voorspoed en ellende waren gecreëerd door deugd of zonde uit vorige levens, en die hadden deze menschen dan nog te goed. Voor wat zij nú deden zouden zij in een volgend leven wel weer beloond of gestraft worden. Dat kon niet uitblijven. Zoodat ten slotte alles zoo rechtvaardig was, als ’t maar eenigszins wezen kon.

Maar hoe dan, als die menschen, al werden zij eens gelukkig herboren, met de herinnering aan al die doorgestane folteringen in de hel, moesten leven? Ook dáár was behoorlijk voor gezorgd, zeide de koning. En hij geleidde de prinses naar een theehuis, waar de zondaren bij massa’s door duivels werden ingedreven om thee te drinken. Hier werd hun de thee der vergetelheid ingeschonken, en wie deze ééns gedronken had, wist van al de doorgestane smarten niets meer af.

Voorbij het theehuis stond een kolossaal wiel. Dit wiel droeg zes wagens, en draaide langs zes wegen. De duivels waren druk bezig, een schaar voor nieuwe geboorte bestemde zielen in de wagens te leiden, en toen deze vol waren, begon het rad langs de zes wegen te draaien. De eerste weg was van goud, de tweede van zilver, de derde van jaspis, de vierde van steen, de vijfde van koper en de zesde van hout. De zielen die den eersten weg opgingen werden hooge mandarijnen, rijke lieden in zijden kleederen, die van den tweeden werden onbemiddelde menschen, van gewone klassen, die van den derden armen, zieken en gebrekkigen. Die van den vierden weg werden vogels, die van den vijfden viervoetige dieren, die van den zesden visschen, schildpadden, garnalen en krabben [56].

Ook dit gezicht was te, overweldigend voor de zachte zinnen der Maagd van Genade. En door een nieuwe, innige prediking, werd ook het tiende hellegebied door het mirakel van hare Liefde getransformeerd in een geurig lotusparadijs, en stegen de zielen, voor goed ontkomen aan de omwenteling des Levens, in allerzuiversten staat òp naar de gewesten der gelukzalige Boeddha’s.

Zóó ver kunnen de chineezen het tegenwoordig niet meer brengen. Zoo in eens álle zielen uit de hellen voor goed verlossen is ook wèl wat véél. Maar, lach niet, beste lezer, want het is heusch adorabel van naïefheid, den armen stakkerts een maand vacantie bezorgen uit het hellevuur, dát kan er nog wel meê door, en dát gebeurt dan ook!