Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel

Part 4

Chapter 43,968 wordsPublic domain

De mooiste Ho Chao Tsung, die ik bezit, is een beeld van ongeveer vier decimeter hoogte, [45] van een wit porselein, met een lichtblauwe tint, als wel eens op melk ligt. Zij is in zittende houding, niet, zooals bij de meeste andere beelden, met gekruiste beenen, maar met het rechterbeen opgetrokken, en het linker er onder gevouwen. De beenen zijn niet te zien, evenmin de armen en handen, want haar enorme wijde, witte gewaad bedekt haar gansche lichaam, behalve het gezicht en de borst. Het gaat héél voorzichtig-zacht over de haren, zóo lucht, dat het niet drukt, maar als een dons is boven het hoofd, valt heel gevoelig langs hals en schouders, met diezelfde intenze teêrheid, waarmede op oude schilderijen der primitieven blanke sluieren droomen langs fijne maagdeslapen, gaat in weinige, statige lijnen langs rug en borst, en valt dan wijd uit om heupen en beenen in een triomf van vrome, wijze plooien. Die bizonder teêre en toch strenge gewadeplooien zijn een apart kenmerk voor een Ho Chao Tsung. Géén ander kunstenaar heeft hem ooit overtroffen in het modelleeren van een gewaad en rijkheid van draperie. Zóo herkende ik later een ander beeld, voorstellende den heiligen priester Tat Mo Tsu Su dadelijk als een Ho Chao Tsung, voor ik zijn merk gezien had, enkel aan de sublieme staatsie, waarmede hij zijn gewaad optilt op beide armen, en dán in een glorie van groote plooien wijd om zich uit laat vallen, als golfde al zijne wijsheid daarmede van hem af. Het porselein, immers zelf zoo mooi glanzend wit van materie, is zoo fijn en gevoelig bewerkt, dat de illusie volkomen is van een echt vrouwenkleed in alle blank- en zachtheid. Al de ondulaties van die plooien zijn door de ziel van den kunstenaar gevormd, enkel zéér zuivere ziele-emotie kon ze zoo statig-streng en toch eindeloos liefelijk doen opgolven, en uitwijken, en weêr neêrdroomen, dat het gewaad van transparant porselein wordt als de ziel van den adoreerenden artiest, die om het lichaam van de godin heendroomt. En dan bij al dat strenge en wijze, dat van een oud, grijs man lijkt te komen, die kleine, innige liefheden, als het héél fijn bewerken van de haren, één voor één getrokken, en het plooien van een rozet op de borst, als gedaan door een meisjeshand en die diadeem van bloemen en pareltjes op het hoofd, en de fijn afgewerkte parelen, allen even rond, van het kruis op de borst. En,—om te kussen van liefelijke gevoeligheid,—onder de plooien van het gewaad komt een gedeelte van een bloote voet te voorschijn, tot in de kleinste fijnheden gemodelleerd, en met gladde ronde nageltjes als bloemebladen, zooals een kindje wel heeft.

Wat moet het een geluk zijn, zooiets langzaam, langzaam aan gemaakt te hebben, het te hebben bewerkt met teêre, gevoelige handen, het voorzichtig aanrakend als ware het een droom, die elk oogenblik kon breken! En dan eindelijk de angst, als het weeke ding in het fornuis werd gezet, in de hitte van het vuur! Eén oogenblik boven het vereischte, en het werk van maanden barstte in stukken. [46] Maar het geluk, als het gaaf uit de hitte kwam, en verkoelde, als het weeke glanzend en hard was geworden, en daar stond het beeld levend, onaantastbaar door de lucht en stof, en het zag den kunstenaar aan, zooals het uit zijn eigen ziel was geboren!

Beelden als de oude porseleinen van Ho Chao Tsung en anderen zijn niet om in daglicht te zetten. Zij hebben eene aparte omgeving noodig van kleur. Daarom zet een chinees ze altijd in een nis. De nis is vierkant, met van achteren een fond van zijde,—bij Ho Chao Tsung doet mooi lichtroze—, de zijwanden half van hout, waarop weer dezelfde zijde, en de bovenhelft van glas, en van voren een raam van glas, zoo mogelijk de stijltjes besneden met lotussen, en aan weerskanten van boven een draak of een feniks. De nis rust niet op den bodem—wat te grof zou staan,—maar staat òf op een werk van uit hout gezaagde bloemen, fijn als kant, òf op gracieuze, kleine pootjes, die het met een teêr gebaartje lucht oplichten van den grond. Boven een mijner nissen staat met gouden karaktertjes „De wolk van liefde”, een eerenaam voor Kwan Yin, en hangen aan weerszijden tabletjes af met in gouden karakters: „De wijze Tathagata van het witte lotus terras” en „De In-zichzelf-bestaande van het schoone bamboebosch.” Daar voor de chineezen karakters heilige dingen zijn wordt de eerwaardigheid van zulk een beeld door dit opschrift nog verhoogd. En het zou heiligschennis zijn na te laten, op den 1en en 15en der chineesche maand, er wierookstokjes voor te branden. Het staat dan ook heel mooi, de teêre blauwe wierookwolkjes te zien opdampen, langzaam rijzend, en droomend, voor het stille, glanzende beeld.

Uit de beelden van zulke kunstenaars is de Kwan Yinfiguur in hoogste uiting voelbaar, véél zuiverder dan uit al de legenden en dubieuze Soetra’s. Kwan Yin is dan ook geen hoogste ideaalfiguur voor mij geworden vóór ik die oude kunst had gezien. En ik weet nog zoo goed den tijd, en de straat, en de omgeving, toen ik voor het eerst dat sublieme vrouwenbeeld zag, alsof ik op dien dag de vrouw had gevonden, die ik liefhad. De smalle, donkere straat in de chineesche stad, armoedig en vuil, en het onaanzienlijke winkeltje, met het grove, grijnzende gezicht van den ouden sjacheraar die het voor mij had opgespoord. En daar, op die smerige toonbank, in die omgeving, zonder nis, was het blanke beeld, wonder glanzende. Dan het loven, en het bieden, en het groote, groote verlangen om het aan te vatten met heel zachte vingers, en weg te dragen, ver weg van deze misère, naar mijn vertrouwde kamer, bij mijn boeken en al mijn intieme dingen! En dit bijna religieuze verlangen, bang, bevend voor de slimme, ongevoelige tronie van den kwanselaar, wetend dat hij let op iederen trek van mijn gezicht, iedere trilling van mijne handen! En dan het weggaan, met kloppend hart, bijna schreiend, omdat hij meer wil hebben dan ik met de grootste moeite kan missen. Dan een maand, in zenuwachtige spanning, zonder nieuws, tot eindelijk de antiquair zelf bij mij komt, om weer te beginnen met het ignobele gebied, en dan eindelijk accoord, en naar zijn winkel aan den overkant, waar ik het lang-verlangde krijg. En nu zie ik mij weer in mijn’ grooten draagstoel zitten, op de schouders gedragen van magere, naakte koelies, het beeld voorzichtig tusschen mijne knieën, zoo door den goudmist, die in winterschemeringen over de duistere, chineesche straten droomt, door de vreemde woeling van gele menschen heen, met overal geruisch en geschreeuw, en het bommen van gongs in de verte. En dan het uitstappen aan de kade, en haastig in den sampan, van Amoy terug naar het mooie eilandje Ku-Lang-Su, waar mijn huis staat.

Ik zie nog de zee, in het weifelend licht van den vallenden avond, zoo rustig en sereen. Ik zie nog de bergen van het vasteland, ten Westen, met hun roodgouden glans, waarlangs vage wolken droomen. Ik zie de hooge rotsen van het eiland, statig-stom oprijzend in de lucht. Ik zie de bergen in het Oosten zacht wegnevelen in grijzenden mist, en vage, dofgouden zeiltjes wenkende en wuivende over het water, en het droevige, roode lichtje ergens, van een vuurtoren, en heel vér die wondere mysterieën van mijmerend licht en stervende lijnen aan de horizonnen der zee.

En o! hoe duidelijk zie ik het nog, zooals het nu voor mij staat, even helder, hoe ik het blanke, blanke beeld hield in mijne handen, hoe ik het aanstaarde en staarde, en voel ik hoe gelukkig ik was, dat ik dit lichte wezen had gered uit die duistere stad. En die bergen, die rotsen, die zee, die vage horizonnen, zij zullen altijd voor mij blijven, zooals ik ze zag op dien avond, toen ik haar met mij medenam naar mijn eigen huis, die lichte godin van liefde en genade, Kwan Yin.

Hebben de porseleinen van Ho Chao Tsung het statige van lijn en het bizonder prachtige der draperie, en geven zij in uitdrukking van gelaat de in het eindelooze verloren zaligheid van de ziel, als porseleinmaterie doen zij onder voor het wondere Peh Ting, waar ik met groote moeite één exemplaar van ben machtig geworden. Het stuk is „puh ts’ üen”: niet volmaakt, want van de achttien armen, die de Kwan Yin hierop oorspronkelijk had, zijn er zestien verloren [47], maar het is met zulk een minutieuze zorg gerepareerd, zooals alleen een chinees kan doen, dat de oningewijde er niets van ziet. [48] Uit een wilde zee, met opkrullend schuim, rijst de rechte, gestyleerde stengel van een lotusbloem. De lotus opent zich wijd, met twee rijen fijne blaadjes, gescheiden door een krans paarlen. In dien blanken kelk zit de boeddha Kwan Yin, met over elkaar gekruiste beenen, de zolen naar boven. De beide handen zijn opgeheven en saamgevouwen, en op de toppen van de opgestoken wijsvingers bloeit een bloem van rood koraal, waar de starende blik der oogen op is gericht. Aan weerszijden van den stengel staat een figuur op een schubbigen, kronkelenden draak, met opengesperden muil, de een de boeddha Jên Ting, Miao Sjen’s beschermer, de ander Hwang Lung, de Gele Draak, die haar door de hellen geleidde.

Dit beeldje is wel een van de grootste wonderen van kunst, gemaakt uit materie, die ik ooit heb gezien. Het is blank en transparant als een sneeuwwitte wolk, waarachter maanlicht schijnt. Het lijkt gekristalliseerd uit lichten aether en sterrenglans. Het heeft een zacht, puur schitterend licht, als scheen werkelijk door dat broze porselein die goddelijke ziel, die van Kwan Yin is. Het zit zoo lucht op de blanke bladen van den lotus als ware het enkel lichte schijn, zonder zwaarte, als maneglans op een lelie. In het doorzichtige porselein beeft héél even een vaag weifelend, teer rose licht, als op het moment, als het eerste morgenlicht zich zacht beweegt in den nacht.

De dunne armpjes lijken wel stengels van lotussen, zoo fijn, het gewaadje is om de knieën en langs de beenen geplooid met teêre vouwtjes, rein-wit, en lucht als golfjes licht.

Dit wondere beeldje heeft een eigen leven van mysterieuze essence; er schijnt door zijn pure vormen een licht als van maneschijn en sterrenglans, droomend door ijl-blanke wolken. Het is een sublieme benadering van materie tot zuiver zielelicht, het is op de grens van de verdrooming der essence. Dit Peh Ting porselein is als van ziel gemaakt. [49]

Deze broze, teedere dingen zijn om te zetten in een stille, vertrouwde kamer, met zware gordijnen van zachte couleur, temperend het harde, schelle daglicht, waarin ze staan als vreemd en koud. Ze zijn om te zien ’s avonds, thuisgekomen, vrij van het leêge gepraat over menschen en zaken, moê van het zien in de wisselende bleekheid der altijd veranderende dingen. Geen hevig licht van gas of gele olie. Dáár staan de lotuslampen van zacht-blinkend tin, de wijze, stille bloemen, die haar groote, blanke bladen ontvouwen in kuische eerwaardigheid. Zij dragen de ballonnen van donkerrood en licht lilas, waarin de heilige kaarsen worden ontstoken.

En in dit reine bloemenlicht, in de nissen van roze en blauwe zijde, in dat zachte, vaag-droomende licht, schijnen de beelden óp in hun allerreinsten staat; hun innigste, pure leven, als dood in den harden dag, schittert nú op in zuiveren zieleglans. In de bleeke realiteit van den dag doen zij hun leven niet zien, die teêre, kuische, als maagden, hun ziel ontbloeit alleen in het zachte licht van een schemerenden droom. Dán blinkt hun blanke lichaam van wonderen glans, en roerloos zijn ze, hun ziel van licht schijnende om hen heen, want hunne oogen zien de horizonnen van het eindelooze....

EEN BRUID. [50]

Ik was uitgenoodigd, de bruid te zien in het huis van Oei Cho Tsia, een der aanzienlijkste chineezen van Amoy.

En ik weet nog zoo goed, hoe toen alles gegaan is! De poort-deuren waren opengegaan, en ik stond op het binnenplein. Het is, of ik alles weer voor mij zie, nu ik er over schrijf.

Ik blijf stilstaan, daar buiten in het donker, stil van bewondering, in lichtgroeting. Ik zie in de openstaande ontvangzaal. Een lange, doorloopende hal, donker voor, en áchter schittering van licht, feest van licht, waar vreemde lampen schijnen, en kuische kaarsvlammen, en wierook droomt. Duister vooraan, en áchter opbloeien van lichtrood, lappen van rood, vlaggen van vlammend rood, waarin fonkeling van goud en zijde, galakleur in staatsie van licht. En in dat verre licht beweeg van menschen, van lichtblauw en geelgroen en paarsch, zacht-gaande kleuren van feestgewaden, voornaam van weelde.—Als het beweeg in een kerk, gezien van verre.

Ik treed de deur binnen, en hef de handen saâmgevouwen op de borst, en dan weer neêr, ten groet. En een schaar rijkgekleede chineezen komt mij tegemoet, met evenwijdige nijging van lijven, en waardigen stap. Ik zeg op hoogen toon: „Kiong Hi! Kiong Hi!” [51] en ik gebaar vreugde, en lichten wensch. De vader van den bruidegom zegt zijn beleefden dank, in statig-gestyleerde taal, waarin rijke woorden blinken. Hij draagt zacht, licht groen, bijna geel, om zijn voornaam lijf. Hij is de Heer van dit groote huis vol kleuren en licht, en de gouden karakters op de roode lappen en tabletten aan den wand roemen zijn deugd en zijn geluk. Breede lappen, van een superieur rood, schitterend van intenze kleur, met het goud in overdadige luxe. Hij staat kalm en waardig in die glorie, uitstralend van de wanden.

Tegen den achtergrond van de zaal staat het familie-altaar, een wondere creatie van licht, paarsch-rood licht, helwit licht, en geel licht, rechte vlammen van kaarsen en blinkende glazen kappen. In de heilige lotuslampen met roodhoornen ballonnen, donkere wijngloeiing, vlamloos in bloemekelken. En uit teêre bundels wierookstokjes, éven opschietend, gaan mystieke vonken omhoog. Er waait een zachte geur van af, op stillen adem.

Ik wilde wel lang, lang zien in die lichten, maar de kleuren van menschen komen er telkens weer voor.

De Bruidegom.—Een deftige chinees, met een gezicht van veel studie, en zich zelf aanzienlijk en superieur weten. Kalm onder het plechtige feest, met de emotie verbloemd in voorname rust, en met eenvoudige gebaren bewegend ín zijn gewaad van weelde. Hij draagt een donkerbrons costuum, met wijde mouwen, en wijde broek, waarover op de borst een overgewaad, zonder armen, van lichtblauw. Zachte kleur van gebrocheerd zijde-satijn, een gala van lichte liefdekleur, met gestyleerde figuren. Een bloei van stijlvolle bloemen op zijn borst, wonder glanzend, met fijne omtrekken, lichte buiging van lijn. Zij zijn zachte geheimen om zijn huwend lijf.

Ik buig diep, met den eerbied van handenheffing en daling. Dán zeg ik mijne gelukwenschen, met hoog-opgaande woorden, naar den roem van zijn huis, en de deugd zijner bruid.

Ik spreek moeilijk het zingende chineesch, want ik zie te veel den schijn van zijn wezen daar vóór mij. Ik zie naar den glanzenden bloei van bloemen over zijn hart.

Dán zie ik weer overal in ’t rond de groote lappen kleur, luid feestgejubel van rood, met de schittering van ’t rijke goud der karakters. De chineezen bewegen voor mijn oogen als stukken zacht-waaiende kleur, langzaam-wuivende stoet van blauw, paarsch, en geel, en het teêrvibreerend geuren van den wierook doet om mijn hoofd een droom gaan.

Ik gevoel mij onwillekeurig bewegen en gebaren, onbewust meêgevoerd in het doen der chineezen. Ik kom te zitten in een ebbenhouten zetel, rijk ingelegd met paarlemoer, ter linkerzijde van het altaar, en ik ruik een fijnen geur. Het is naast mij, op een laag tafeltje, een kopje thee, zacht wit porselein, met groene en roode figuren. De thee daarin is van het geel der bleeke bladeren in den herfst.

En terwijl ik zonder weten gebruikelijke woorden spreek, kijk ik naar de altaar-tafel. De lichten branden zacht voor de ziele-tabletten der vaderen. Ik zie twee lampen als bloemen. Een ranke, zilveren stengel, lucht rijzend omhoog, uitbloeiend in een lotuskelk, met gestyleerde bladen. Zacht bolt uit den kelk een donkerroode bloem-ballon, waarin licht droomt. Donkere gloeiing als van heiligen wijn in transparanten kelk. Deze bloeme-lamp brandt vlamloos boven de tafel, teer gedragen door den luchten steel, op de rijke bladen van zilver. Aan het andere einde brandt een zelfde bloem tweeling-licht. En tusschen die twee lotus-lampen staan vazen met vreemde bloemen, van het donker goud-en-geel van bergen in zonneglans, en het purper van avondrood boven de zee. Zij zijn zachte mysterieën van bloem, wondere poëemen van kleur, een wijding in dezen hoogtijd. Daarachter staan rechte, roode kaarsen, met de fijne amandelvlam, die somtijds beeft. En in blinkende wierookvaten met sandelpoeder rijzen de dunne wierookstokjes, mystieke vonken dragend van donkerrood, die roerloos gloeien. Hier en daar dampt een wolkje rook op, in kuische golving, droomerig en stil...

En de gewaden wuiven steeds vóór mij, wuiven blauw, wuiven zacht, zacht voor mijn oogen...

Vrouwen en meisjes zijn niet te zien. Die worden verborgen voor mannen-oogen, des te meer voor barbaren uit het Westen. Maar áchter het altaar, waar het ver doorloopt, wuift somtijds een gordijn weg, gaat ergens een deurtje open, even, hálf-open maar, en dán ópgekleur van rood vrouwengewaad, geschitter van oogen, gedempt lachen, en gerucht van fluisterende stemmen... Fonkeling van een steen in het donker, en geruisch als van armbanden, en schuivende snoeren koraal of jaspis...

Vaag en zacht is het verlangen, om die vrouwen te zien...

Nu word ik uitgenoodigd om naar de bruid te gaan. En een paar chineezen gaan mij vóor, op zachten stap van hun vilten zolen, mooie figuren zoo van achteren gezien, met de wijd-uitgolvende mouwen, rijk van val. De lange staarten, recht over den rug, ingevlochten met roode zijde, glanzende op hun gewaad.

Links van de groote voordeur een kleine kamer. Veel licht, en weer schittering van kleur en goud. Ik krijg een lagen zetel, vóór in die kamer, en om mij heen blijven de chineezen staan. En ik zie het eerst een beeld, levensgroot, naast een tafeltje met licht en porselein, en daarachter wakende een oude, oude vrouw. Het beeld zóó schitterend, dat ik niets anders zie. Het is van rood en goud, van zóó intenzen glans, dat het licht van zich uitstraalt, als een ster.

Het is het beeld van een maagd. Het draagt een kostbaren, rooden mantel, wijd van armen, met rechten val van breede mouwen. Het hooge rood draagt een lichten bloei van goud. Een draak van goud, rijzende uit gouden golven, strevende omhoog boven een wilde zee, in een atmosfeer van gouden wolken, lekkend met opgesperden muil naar een zon van goud. De oogen zijn twee blauwe steenen, fonkelend van een vreemden gloed. En rijk er omheen blinken gouden bloemen, sterren en karakters, en schitterende fenixen vliegen op wijd gespreide wieken in het helle rood. Een creatie van goud en licht, met superbe lijnen, in heerlijk-statig bewegen. Het straalt een emanatie van goud naar alle zijden, rayonneerend uit het felle gala-rood.

Daaronder tintelt lichtgroen van wijde ondergewaden, rokken van fonkelend groen, met zachtroze bloemen, en gouden vogels en vreemde dieren, een hert, een schildpad, een reiger, een vleermuis. Vage herinneringen gaan door mijn hoofd van geweten hebben waaróm die figuren, en welke symbolische beteekenis, maar niet meer weten, niet meer willen weten, veel te gelukkig van al dat goud, te blijde in de ontvangenis van al het licht. Mijn oogen bewegende meê met al die lijnen en contouren, vergaande in die wereld van goud. Lang, lang daarin turen. En dan opkijken, hooger aangetrokken door nóg meer glans. Een hoofdtooi van groote schittering. Het beeld heeft een hooge tiara, als een papale kroon zonder kruis, maar met vier hoog uitstekende fonkelstengels, dragende bladen, waarop gouden karakters. Op die kroon weer een rijke bloei van bloemen, waarboven zwevend luchte kapellen. Somtijds, op een lichten tocht-adem, trillen hun transparante vleugels. En aan weerszijden zware gouden sieraden, met rechte, laag neêrdalende franjes. Kuische neiging van gouden lijnen langs een hoofd, neerkomende met zegenend gebaar, als de luchtwortels van den heiligen boeddha-boom. En nu, nedergaande met de gouden lijnen, zie ik het hoofd, het hoofd van zacht-geel, van teêr blozerood omdroomd. Het neigt zacht, zacht naar beneê, in roerlooze rust.

De oogen zijn geloken, hun kleur is niet te zien, door de lange, fijne wimpers der half-toeë oogleden, die ze kuisch bedekken. Daarboven gaan teêre wenkbrauwen vér omhoog, met een vaag gebaar, als de lijning van avondbergen in manedroom. De mond met een vastheid van wil in de uitdrukking, alsof hij in hoogste intensiteit zoo is geworden, en niet meer te spreken behoeft, zóó volmaakt.

Zoo staat het beeld, als een licht wezen van rood en goud, rijk van kleur en lijning, met het hoofd zacht gebogen, neigende met het gebaar van een eindeloos geluk, of een eindeloos leed, dat roerloos is in hoogste expressie. Het suprême leef-moment van een mensch, als de wisselende vorm een eeuwig ideaal wordt, éven opschitterend in den rusteloozen gang der verschijningen, zóó lichtte voor mij óp dit maagdelijk gezicht....

Mijn oogen zijn nu moê van ’t zien, mijn oogen van het Westen, die zóó de kleur niet kenden, en het licht. En zij dwalen af. Een tafel met brandende lampen, en kaarsen, en wierook, en daarbij ook schotels met vruchten, gebak en wild. Vreemd, dit vertoon van spijzen, en onwillig ruik ik den geur van het gebraad. Maar weer mooi het gedempte licht van de lampen.

Links zie ik een bed, een praalbed, ook van rood en goud, met rijke, opgeslagen gordijnen, vastgehouden met gouden banden, en bewerkt met glanzende borduursels. De stijlen van het bed zijn wonderen van houtsnijkunst, fijn uitgesneden, en van boven door een breede strook van dat cantillewerk verbonden. Het is een mêlée van menschen, en paarden en wagenen, ijlend door vlakten en dorpen, en vloten van jonken, in wild-golvende zee. En ik herken het, van dichtbij. De sprookjes, de sagen van de Saam Kok Tsi, dat heerlijke boek der chineesche middeneeuwen! Gezien op het tooneel van af de eerste jeugd, en eindelijk zoo één met den chinees, dat hij dat alles laat uitsnijden in zijn eigen slaapstede, als om er ’s nachts van te kunnen droomen!

Op de mat in het bed liggen fijne, dunne dekens van zachtroode zijde, streeling voor vermoeide leden. Want dit bed van gala is de heilige sponde van huwing.

En ik zie weer naar het beeld. Wat is het stil, zoo stil! Ik kijk aandachtig, aandachtig, met half-dichte oogen.... Zou het wel een beeld zijn?.... Totdat het zachtjes beweegt. De bloemen op de kroon trillen, onder adem van wind. Luchtjes wiegelen de kapellen....

Het beeld draagt een mandje op de handen, met gebaar als van offering. De oude vrouw steunt het onder de armen, bang of het zou vallen. Zacht, zacht beweegt het, op stillen stap van kleine, o! zoo kleine voeten. Het nadert mij, langzaam. Maar geen lid van het bovenlijf beweegt. Het gezicht blijft roerloos genegen, de oogen blijven laag geloken, en dezelfde wijding glanst over dat hoofd. Reine rust in den val der mouwen, in de lijning der gewadeplooien, die stil blijven van ongebroken boog. Zacht ruischen de gouden sieraden. Bloemen trillen op luchte wuiving. En de Bruid nadert mij zachtjes, waar ik eerbiedig ben gezeten. Maar het is een boeddhabeeld, dat roerloos schrijdt naar adoreerenden, de incarnatie van een hoog ziele-moment, op luchten adem zwevend van een mirakel.....

O ja, ik heb een klein geschenk medegebracht in rood papier, dat moet ik leggen in dat mandje, en buigen. En ik moet wat van de lekkernijen daarin van één vak overleggen in een ander, en zelf niets nemen. Dat is mij zoo geleerd. Gelukkig, dat ik er nog even om heb gedacht....

De Bruid is vóór mij, en staat stille. Ik grijp voorzichtig in het mandje, verwissel de suikertjes, en leg er zachtjes mijn geschenk in neêr. Opstaande, heb ik het hoofd gebogen, diep. En nu zie ik dichterbij het zacht-geel gezicht, waarover droomerig roze. Het blijft roerloos, en genegen.