Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel
Part 3
Tevens gaf Kwan Yin hem vier dienaren mede. De voornaamste van deze was een reusachtige aap, Sun Wu K’ung geheeten, die indertijd van een adept de diepste geheimen der esoterische leer had geleerd, en de zwarte kunst verstond, van gedaante kon verwisselen, en een onoverwinlijk wapen had, een gouden pilaar, die hij van den drakenkoning had gekregen. Deze aap—die het menschelijk hart symboliseert—was oorspronkelijk door den hemel geboren uit een rots, en had zich trouw toegelegd op de verreining der ziel, maar zijn apennatuur was altijd weer bovengekomen. Als hij de heiligste dingen hoorde kon hij niet nalaten, allerlei rare gezichten te trekken en de dolste grimassen te maken, en hij gebruikte zijn kunst alleen om er mede te pronken en grappen mede te vertoonen. Om van dezen lastigen apengeest af te komen had de opperste hemelgod Yü Ti hem in den hemel bij zich genomen, maar Sun Wu K’ung was er niet tevreden, omdat hij er geen groote rol speelde, totdat hem eindelijk werd opgedragen het veld der perzikken te bewaken. Daar deze de perzikken der onsterfelijkheid waren, was het een gewichtige taak; maar de aap, die altijd een aap bleef, eindigde met ze allen op te eten, omdat hij dol was op zoete perzikken. Toen leverde hij een groot gevecht met de hemelbewoners, die hem echter niet konden dooden, omdat de perzikken hem onsterfelijk hadden gemaakt. Ten laatste werd hij overwonnen door Shakyamuni, die hem op zijn hand zette en wegblies in een diepen afgrond, waar hij onder een rotsblok bleef gevangen. Zóo had hij daar al vijfhonderd jaar gelegen, zonder zich te kunnen verroeren, toen Kwan Yin—overal de reddende uit het noodlot, de vergeving van straf en het medelijden—hem kwam verlossen. Zij beloofde, dat hij later weer in den Hemel zou mogen terugkeeren, op voorwaarde, dat hij zijn schuld zou uitwisschen door Saan Tsang te helpen als dienaar op zijnen tocht naar het Westen om de soetra te vinden, die de zielen kon verlossen en naar Nirvana overvoeren. Sun Wu K’ung beloofde zijn best te doen, maar voor alle zekerheid, omdat hij nu eenmaal een aap was, deed zij hem nog een ijzeren band om het hoofd, die hem pijn kon doen zoodra zij eenige tooverwoorden uitsprak. De tweede dienaar was oorspronkelijk een kind van den westelijken Zee-Draken-Koning [37], die wegens zonden uit den hemel verbannen was, en in de lucht zwevende als booze geest, levende van roof, een ellendig leven leidde. Ook hij werd door de medelijdende Kwan Yin bevrijd, op voorwaarde, dat zij hem in een wit paard zou veranderen, om den priester Saan Tsang als rijdier te dienen. Een derde was Chu Puh Kiai, ook oorspronkelijk een verbannen hemelling, die tot straf in een varken was veranderd, en eveneens door Kwan Yin werd gered, als hij Saan Tsang wilde volgen. De vierde was Sha Sang, een andere uitgedreven hemelling, die door Kwan Yin werd bekeerd.
Met deze vier dienaren trekt Saan Tsang naar het Westen, om de kostbare soetra te zoeken.
En nu volgt een wonderbaar verhaal van de lotgevallen dier vijf reizigers, van eene schitterende, maar wilde fantasie, die het boek tot een der meesterstukken van fictie in de wereldliteratuur maakt. Vóor de soetra wordt gevonden moet de priester door twee en zeventig gevaren gaan. Geheele legers van monsters, duivels en geesten staan hem in den weg, bergen van vuur, diepe afgronden, eindelooze zeeën moet hij over, om het boek te winnen, en de dood dreigt hem bij iedere schrede. Dit bonte verhaal van tooverbergen, wilde duivels en gevechten is echter geheel en al symboliek. [38]
Saan Tsang is niets anders dan de menschelijke „Sing”, de hemelsche oorsprong, die echter hulpeloos is, als het lichaam niet helpt. De aap, dat zonderlinge beest, dat nooit zijn natuur verloochent, en altijd grimassen maakt, is het menschelijk hart. Het paard, dat, zonder teugel, in het wilde doordraaft, en altijd vooruit wil, is de menschelijke „i”, de begeerte. Het varken zijn de dingen van de buik, de maag en de ingewanden, altijd hongerig. En Sha Sang is het menschelijk geraamte, de beenderen, die het vleesch dragen.
Zonder zijne dienaren zou Saan Tsang er nooit gekomen zijn. Want hij is altijd maar lijdzaam en willoos, hij loopt blindelings in de gevaren, laat zich opsluiten, geeft zich over zonder ernstigen weerstand, uit gebrek aan energie. Maar de aap, dol en bewegelijk als hij is, slaat er bij de minste gelegenheid op los, gebruikt zijn esoterische geheimen om den vijand te bedriegen, verandert zich in duizenderlei gedaanten, en laat zich door niets uit het veld slaan. Ook de andere dienaren doen het hunne, al is het in ’t wild en zonder wijsheid.
En toch zouden ook de vier dappere dienaren gelijk met Saan Tsang op jammerlijke wijze zijn omgekomen, indien niet altijd op het suprême moment Kwan Yin, de godin der genade, die den armen priester bezorgd heeft gevolgd, en zelf het heilige boek voor hem gereed heeft, op hare witte wolk nederdaalde om hem te redden.
Prachtig van teêrheid is de Kwan Yinfiguur in dit boek weêrgegeven. Als de strijd in de wildste verwarring is, en geheele zeeën en vuurbergen, door een boozen geest getooverd, de reizigers dreigen te verzwelgen, is één zacht gebaar van haar hand genoeg, om alles in een groote kalmte te doen verdwijnen, en de verschrikkelijke duivel wordt veranderd in een zacht, onschuldig kindje, dat in diepe adoratie de handen tot haar opvouwt. Kwan Yin alleen stelde Saan Tsang in staat, het heilige boek te vinden, dat de zielen de zaligheid van Nirvana kan doen verkrijgen.
Als Saan Tsang op het laatst het kostbare boek vindt is het niets dan schoon papier, onbeschreven; want karakters kunnen die opperste waarheid der esoterische leer niet uitdrukken. Na intenze meditatie, van zeven dagen en nachten lang, ál maar doorstarende op het papier, werd hem eindelijk die waarheid bewust van „de soetra zonder karakters”, die alleen de ziel; niet de oogen, kan lezen.
Een van de vele gevaren, die Saan Tsang moest overkomen, was een booze geest, het Vuur-Kind, Hwo Hai’Rh, die in een atmosfeer van vuur was gehuld, en stroomen vuur braakte. Deze booze demon nam den priester gevangen, en wilde hem aan haar vader, een geestenkoning, als voedsel geven. De dappere Sun Wu K’ung liet zijn meester niet in den steek, maar viel zijn vijand aan met al de wapenen, waarover hij kon beschikken, den gouden pilaar, dien de drakenkoning hem gegeven had, en steeds zijne haren uittrekkende, die hij in evenveel krijgers kon doen veranderen. Maar de haren werden door het vuur geschroeid, en deerlijk gebrand moest de aap den strijd opgeven. Toen scheen Saan Tsang voor goed verloren, indien niet tijdig Kwan Yin ware neergedaald op hare wolk, en den demon had onderworpen. Door hare toovermacht veranderde de vuurduivel eensklaps in een klein jongetje, dat eerbiedig het hoofdje neeg, en de handjes biddend tot haar ophief. Van nu af aan kreeg de bekeerde duivel ook een anderen naam: „Shen Ts’ai”, Het Goede Talent, en volgde hij overal Kwan Yin als discipel. En dit nu is het biddende kindje, dat op zoovele platen en beelden ter linkerzijde van Kwan Yin staat.
Een der andere gevaren was een reusachtige visch, met den kop van een draak, die de gedaante van een schoone vrouw had aangenomen, en hem in haar paleis-grot op den bodem der zee had gelokt. Lí Yü Tsing, zoo was haar naam, liet een groot feest aanrichten, daar zij Saan Tsang met allerlei feestelijkheden tot echtgenoot wilde nemen. De aap en het varken kwamen in allerijl te hulp, maar werden door hare tallooze legers van visschen, garnalen, krabben en kreeften verslagen en gevangen. Het varken werd bestemd om voor het gastmaal geslacht te worden, en de aap om met zijne grimassen de vroolijkheid onder de genoodigden te verhoogen. Het witte paard en Sha Sang zochten tevergeefs hunnen meester. Eindelijk, op het critieke oogenblik, verscheen Kwan Yin, en veranderde den visschengeest in een klein meisje, Lung Nü, het drakenmeisje, dat zich bekeerde, en haar voortaan overal volgde. En dit is het meisje, dat afgebeeld staat aan de rechterhand van Kwan Yin. [39] De vogel, dien men ook veelal in afbeeldingen bij Kwan Yin ziet is volgens sommigen een reuzenvogel, die het keizer Jên Tsung [40] van de Soung-dynastie deerlijk lastig maakte, door zich in zijn sprekend evenbeeld te veranderen, en hem den troon te betwisten. Het geheele rijk geraakte daardoor in de grootste verwarring, en bloedige oorlogen braken uit tusschen de twee keizers. Ten laatste tooverde Kwan Yin een onmetelijke zee, waar zij met haar waaier den reuzenvogel in wegzwaaide. Zoo zwierf de vogel dagen en nachten boven de zee, tot eindelijk Kwan Yin in een berg veranderde, waar hij een toevlucht op zocht, en gevangen werd.
Volgens anderen was het een der vijanden van Saan Tsang, die hem gevangen nam en opsloot. Kwan Yin lokte dezen gevaarlijken vogel in een herberg, waar hij zooveel at, dat hij in slaap viel en weerloos werd. Hij braakte toen zelf de ketting uit, waaraan Kwan Yin hem gevangen hield. Sedert dien tijd bekeerde hij zich en bleef haar trouwe dienaar.
Moge men glimlachen bij al deze wonderlijke verhalen, er blijkt toch duidelijk uit, dat Kwan Yin wordt vereerd als de reddende uit den nood, de beheerscheres der booze geesten, de beschermheilige, die den priester het heilige boek deed vinden, dat millioenen zielen uit de hellen kon verlossen. Zij is niet alleen de beschermster, maar zelfs de Voorzienigheid, in de gedaante van eene vrouw in wit gewaad. Nooit rust zij van haren arbeid zoolang nog één gevaar den priester dreigt, die het boek der onsterfelijkheid zoekt.
Talloos zijn de vele andere verhalen en legenden, omtrent Kwan Yin in omloop. Niet alleen als vrouw, ook als man incarneert zij zich, in de gedaante van een priester. Zij redt ter dood veroordeelden, door hun een soetra te leeren, die, op het schavot uitgesproken, het zwaard roerloos boven het bedreigde hoofd doet zweven.
Zij neemt duizenderlei gedaanten en vormen aan, om de menschen te helpen en de duivels der zonde te bestrijden. Zij wordt dan ook dikwijls afgebeeld met achttien en meer armen, die zij allen tegelijk aanwendt om de booze geesten te vernietigen.
Deze beelden met achttien armen hebben vanzelf niet het sereene en rustige van de andere, maar kunnen toch zeer indrukwekkend zijn. Iedere hand houdt een voorwerp vast, de rechter boven het hoofd verticaal uitgestrekt een zon, de linker een maan, de andere een zwaard, een soetra, een bel, een snoer paarlen, een rad, een bal, een vaas, een discus, een perzik, een koord, enz., allen attributen, waarmede zij, volgens de chineezen, mirakelen kan doen. Boven het hoofd van dit beeld, met twee armen opgehouden, zweeft meestal nog een klein boeddhakindje, dat haar bevrijde ziel voorstelt.
En als eene moeder zorgt voor de lafenis van hare kinderen, zorgt zij voor de lafenis der aarde. Zij is de regengeefster, die aandrijft op witte wolken boven het smachtende, heete land.
„Fu Tsu lai”: „de Oermoeder-Boeddha is gekomen,” is eene chineesche uitdrukking voor „de regen valt.”
Op de witte wolken, die boven de heete aarde aandrijven, rusten lucht de zachte voeten van Kwan Yin, en dra zal de zoete, lavende regen neerzegenen, die vruchtbaarheid geeft aan den grond en verkoeling aan de smachtende menschen. De al dichter en dichter saâmdrijvende wolkenmassa’s zijn de wijd en wijd uitvallende plooien van haar gewaad.
Maar de Kwan Yinfiguur, hoe liefelijk en teêr wij haar ook voor ons op zien droomen uit soetra’s en legenden, in hare reinste openbaring is zij alleen gegeven in de kunst, vooral in die der beelden, houten, bronzen, porseleinen.
Toen in de laatste eeuw, door den invloed der europeanen, de chineesche kunst verbasterde en verzwakte, is ook de teêre opvatting van eene Kwan Yin bij de kunstenaars gebroken. De moderne beelden hebben het opperste moment van expressie verloren, en de goddelijkheid van het gelaat en de vormen is meer materialistisch geworden. De nieuwere tempelbeelden van Kwan Yin, met hunne schelle kleuren en veel te grove vormen, hebben het streng virginale verloren, dat in de oude is te zien. Het zelfde is te zeggen van de porseleinen en bronzen. Het is heel moeilijk, in China specimen van oude kunst te krijgen. Ik heb door geheel Canton gewandeld, zonder in één antiquairswinkel iets bizonder moois te zien, en de verlangende kooper zal zich bij zijne eerste bezoeken in chineesche winkels, waar ook, Canton, Hongkong, Amoy, zeer teleurgesteld zien. Maar de chineesche antiquair heeft dan ook eene soort kuischheid, die verfijnd artistiek is. Als hij een heel mooi ding heeft zet hij het niet in zijn winkel, maar bewaart het als een schat in zijn achterkamer, in een donker hoekje. Hij moet eerst zijn klant kennen, zijn gezicht, zijn handen hebben gezien, hoe die door beweging aangeven wat ze van een voorwerp voelen. Heeft hij de zekerheid, dat zijn klant het waard is, dan neemt hij hem mede naar binnen, zet zwijgend het kleinood op tafel, en laat het hem zien. Daarna bergt hij het zorgvuldig weg, schenkt een kopje thee in, en spreekt er in ’t geheel niet meer over. Hij heeft al aan zijn oogen, zijn mond, zijn geheele houding gezien, wat hij gevoeld heeft. Het koopen komt dan eerst veel later. Als hij aan hem gezien heeft, dat hij het niet begreep, begint hij er ook nooit weer over.
Toch zijn zulke oude voorwerpen in de havensteden zeldzaam. Maar de kunst om ze te krijgen is niet zoo heel moeilijk, want men behoeft slechts agenten te hebben, arme chineezen, die de kans schoon zien iets te verdienen, en wien gij vooruit reisgeld geeft.
Deze maken lange dagreizen in het binnenland, zoeken niet bij antiquairs alleen, maar vooral bij deftige, arm geworden families, die licht nog een oud stuk uit den goeden tijd hebben bewaard, en, zelf eigenlijk de waarde niet kennende, het voor een spotprijs verkoopen. En er is in het binnenland van China nog véél meer, dan men wel zou vermoeden.
Wat de antiquairswinkels zoo gewoonlijk uitstallen is alles modern, imitatie bronzen wierookvaten met het valsche merk Süan Tih, [41] goedkoope vazen uit Kang Sai, en moderne beeldjes uit Tik Hoa.
Het zien en voelen van chineesche Kwan Yinbeelden gaat niet inééns, en voor velen lijken zij op het eerste gezicht te vreemd om mooi te zijn. Het lange, ellipsvormige gezicht is dat van géén chineesche vrouw, de schuin opwaarts welvende oogen lijken onnatuurlijk, de lange oorschelpen te ongewoon. Maar men moet eerst het idee van zich afzetten, in die beelden een natuurlijke gelijkenis van een gewone vrouw te zien. Men moet goed begrijpen, dat de kunstenaar in ’t geheel niet aan een vrouwenmodel is gebonden, en hij alle hulpmiddelen mag gebruiken, die de expressie van zijn beeld verhoogen. Als men maar dikwijls en aandachtig ziet, wordt zulk een gezicht meer en meer expressief, en eindelijk licht voor u op die klare zielevrede, die eindelooze kalmte, die stille uitdrukking van goddelijkheid, die de kunstenaar met zijn beeld bedoelde. Meer dan ééne boeddhistische school leert, dat boeddha niets anders is dan de menschelijke ziel, [42] en zoo is een oud Kwan-Yinbeeld van een groot kunstenaar ook niets dan de afbeelding van de menschelijke ziel, in de gedaante van die vrouw. De ziel in materie weêr te geven lijkt wel onmogelijk, maar toch hebben de chineezen in deze den schijn zoo dicht mogelijk bij het reëele gebracht, en, wat in hout of brons nog zoo moeilijk gelukte, werd tot het hoogste opgevoerd in de kunst der porseleinen, waarin de materie in haar luchtigste, allereerste uiting is gegeven, broos en breekbaar als een droom.
Brons is een zooveel grovere materie dan porselein, maar brons is toch een wonderheerlijke stof geworden in die bewerking—van waar en door wien is mij onbekend gebleven—die het de zachte kleur geeft van het „Shih Seu” fabricaat. Een van de mooiste exemplaren van Shih Seu brons, die ik gezien heb, is een stuk, voorstellende Kwan Yin op den berg Hiang Shan, afkomstig uit Suchau. Of het oud was, weet ik niet, de gave glans en de pure staat doen niet vermoeden dat het reeds eeuwen oud is, maar die kwestie van oud of modern, waar de verzamelaars zich zulk een gewetenszaak van maken, doet er al heel weinig toe af. Is het een feit, dat ik nog nooit veel even mooi modern porselein of brons heb gezien als het oude, toch is het zeer goed mogelijk dat dit eene stuk modern was.
Het stuk werd van den grond opgeheven door teêre, lage pootjes onder randen van kantfijn houtsnijwerk, en was omgeven door een glazen kast, met den achterwand van donkerblauwe zijde. Op een terras, van hetzelfde houtsnijwerk en ivoren pilaartjes, stond, uit bruinzwart, gesneden hout, een rots. Prachtig is het rotsige weêrgegeven, met dezelfde ruwe vormen als in de natuur, zonder gemaaktheid. Op de rots zit de bronzen Kwan Yin, een koraaltakje in het haar, een ivoren boek in de hand, een zilveren parel in het voorhoofd. Zij zit in eene houding, die aan de beelden van Ho Chao Tsung [43] herinnert, met opgetrokken rechterbeen, en het linker er onder gevouwen, in het boeddhagewaad Kia Sha. [44] Het beeld is van een donker chocoladekleurig brons, van zachten glans. Het lijf is—als dat van bijna alle Kwan-Yinbeelden,—met rechterschouder en borst een weinig achterover gebogen, en de linker naar voren, zoodat het is, of zij zich onmerkbaar zacht nederbuigt, als luisterende naar gebeden, en neigende tot het leed der wereld. Dit gebaar is zoo vaag en zacht, dat het somtijds bijna niet te zien is, en dàn het beeld als ’t ware weer heel even beweegt. De randen van het dof-bruine Kia Sha gewaad zijn fijn bewerkt met zilveren lotussen, als geëtst in het brons. Overal waar de gewade-randen uitplooien schittert die ornamentatie van zilveren bloemen. Zoo is een band van zacht schitterend licht heengedroomd om het donkere beeld, dat het omgeeft met een mystieken glans. En, alsof dit nog niet genoeg ware om het te verheerlijken, droomt tot het beeld òp een zoete, heilige geur van wierook, daar de geheele rots uit wierookhout is gemaakt. Het fijne hoofd van de boeddha staat tegen een ranken, langen bamboetak, die zijn teêre, spitse bladen van zachtgroene kleuren daarachter ontvouwt. Die fijne blaadjes staan zich heel stil te geven achter het wijze vrouwenhoofd.
Zoo zal ik haar nop dikwijls zien, die donkerbronzen Kwan Yin, die neigende, lief-luisterende, in die kuische, wijze kalmte van haar gewaad, zacht omschitterd van zilveren lotussen, in den droomerigen geur van de heilige wierook, met die teêre, spitse bamboeblaadjes achter het stille hoofd....
Ook uit hout gesneden heb ik mooie beelden van Kwan Yin gezien. Een bizonder fraai exemplaar, in mijn bezit, is van zachtbruin reukhout, van zoeten geur. Het voetstukje alleen is van een zwarte reuklooze houtsoort, en is een zee met opslaande, krullende golven. Uit de zee rijst een welige groei van lotusbloemen, met teêre, gevoelige stengeltjes en half uitgekomen, half nog dichtgevouwen blaadjes. Een grootere bloem is ontloken, en naast deze twee knoppen. Alles zoo simpel natuurlijk, als levend, met de geheele zachtheid en rankheid van stengels en ontplooiende blâren allereerst weêrgegeven in de harde materie. Boven de bloem en de knoppen spreidt een groot, fijn generfd blad zich wijd uit, om de Kwan Yin te dragen, een rank beeldje, van ruim een decimeter hoogte, met een gewaadje, zoo zacht en lucht als een bloem, keurig afgewerkte handjes, en een fijn, wijs gezichtje. En op het kleine hoofd de haartjes één voor één getrokken, een golving van teêre, evenwijdige lijntjes, òp in een wrong. Hoe teeder moet de hand zijn geweest, die met een miniatuur, scherp mesje zoo voorzichtigjes en gevoelig die vrouwenharen uitdroomde uit de materie! Die ranke stengels en bloemen, dat wuivende gewaadje, die fijne haren, die kleine, wijs predikende handjes, wat moet die artiest een lief, gevoelig mensch zijn geweest, en hoe rustig en doodkalm moet zoo iets gemaakt zijn, zonder de minste zenuwachtigheid, met welke stille, aandachtige, zacht-starende oogen moet hij zich heengebogen hebben over zijn werk!
Van de kleine beeldjes van de goedkoopste soort zijn die uit de stad Tik Hoa in de Hokkienprovincie wel de beste. Zij zijn niet van porselein, maar van steen. Ze zijn voor den ongeloofelijk lagen prijs—van vijf tot tien cents—verwonderlijk teêre dingen. Gevoelig van lijn, en blank van kleur, zonder hardheid. De meeste stellen Kwan Yin voor schrijdende over de zee, die met opslaande golven is aangegeven. Het witte gewaadje omwuift haar luchtig, het in een wrong opgemaakte, met een speld vastgehouden haar is keurig gedaan, en onder de rok komt een klein voetje te voorschijn. Maar het mooiste van het beeldje zijn de handjes, die apart worden gemaakt, en uitgenomen kunnen worden, superbe, teêre handjes, met sierlijk spitse vingertjes, de rechter een parel vasthoudende, de ander wijzende met een gracieus gebaartje, alsof die puntige, fijne nagels de diepste mysterieën van de leer met een vlugge gratie van kalmte luchtig kwamen uitduiden. Op andere beeldjes zit zij in een lotus, een kindje in den arm dragende, in verschillende houdingen. De grootere geven haar op de rotsen van den berg Hiang Shan, naast haar Shen Ts’ai en Lung Nü en een kindje in den arm, met een vaasje bloemen en den vogel, neêrgestreken bij haren schouder.
Maar, hoe liefelijk en gracieus ook, en hoe adorabel naïef ook door den eenvoudigen werkman gedaan, deze moderne steenen beeldjes, die hoogstens charmante bruidjes zouden kunnen voorstellen, geven niet het hoog-sereene, immens genadige en streng-kuische van de Kwan Yinfiguur, de voorstelling van het hoogste vrouwelijke, dat reinheid is en liefde.
Ik weet niet, wie de schepper is van de oude porseleinen beelden, wiens naam was Ho Chao Tsung, daar ik nooit de geschiedenis van zijn leven heb kunnen vinden, maar sedert ik zijne statige kunst heb gezien, zal ik hem evenmin kunnen vergeten als die groote kunstenaars van het Westen, wier werk niet van eene periode, maar van de eeuwen is.
Een Kwan Yinbeeld als van Ho Chao Tsung is méér dan eene afbeelding van een godenfiguur, het is een geheele filosofie, niet in hare wording en ontwikkeling, maar in haar opperste moment van weten, simpel grandioos als al het eindelooze. Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand zulke beelden kon maken die onder zijn werk niet als een wijze en een heilige voelde. Want het gezicht van Ho Chao Tsung’s Kwan-Yinbeelden is geen menschengezicht meer, maar eene openbaring in dien schijnbaren vorm van diviene wereldwijsheid; het ziet met die droomende, half-geloken oogen in het eindelooze; het is zoo roerloos en zacht van den vrede van den puren god-mensch; het is de goddelijke ziel, die er in schijnt en het verheerlijkt tot een revelatie.