Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel
Part 2
„Ik zie onder de mannen er wel, die weten en zich bewust zijn van de rede der drie Leeren [10], wien het goede helder is, en die uit hunnen Oorsprong putten. Maar helaas! de vrouwen is niet duidelijk de omwenteling der wet, en wát hun op de wereld verboden is. Zij zijn tot het uiterste gevallen. Als ik goed nadenk over de bitterheid van het stof der wereld is het een ding van medelijden en zuchten. Ik kan niet beter doen, dan op aarde neêrdalen in het lichaam van een meisje, om de ramp der vijf bevlekkingen te verdrijven, een’ anderen grondslag te leggen voor het nageslacht en te maken, dat ook vrouwen en meisjes het kwade weten, en over de zonden heenkomen. Zóo ontkomen zij ook aan de omwenteling des levens [11] en wordt hun de straf van den bloedstroom der hellen bespaard. Dan kunnen zij den weg van de bewustwording bestijgen, en het opperste geluk genieten in de hoogere regionen. Dit zij mijn wensch.”
Toen deed zij de volgende bede aan Kin Mu, de Gouden Moeder van den Jaspis-Vijver, [12] de eindelooze en eerwaardige, en zeide:
„—Ik heb U slechts dit te zeggen, dat ik heden de tallooze menschen op aarde in verleiding en dwaling zie. Dit moet ophouden, en zij moeten op het goede Pad komen; zij moeten weten, hoe zich te bekeeren, hoe uit de poorten van leven en dood te treden, en uit de bittere zee. Dit werk moet ik volbrengen.”
Kin Mu zeide: „De menschen op aarde zijn verdwaald van hunnen Oorsprong. [13] Zij beleedigen de drie Kostbaarheden. [14]
„Zij slaan de priesters, schelden op de leer, en verguizen de wetten der boeddha’s. Hun is het zoet, zoo diep te vallen. Het is een karrewei, ze te vermanen en te bekeeren.”—
Maar Ts’z’ Fang [15] smeekte schreiende:
„Genadevolle, gouden Moeder, open wijd uwe eindelooze liefde. Sta mij toe, op de aarde neder te dalen! Ik zal de harten der menschen volmaken. Ik zal zwoegen om ze te vermanen, totdat zij vanzelf terugkeeren en veranderen.”
Toen sprak de Gouden Moeder. „Als gij dan absoluut wilt nederdalen in het stof en de misère der tijden, dan is dat nú niet meer dezelfde zaak als vroeger. Gij zult heel precies op uw hart moeten passen om niet (zelf) in de zee der bitterheden [16] te vallen en uw vroegere Karma niet te bederven. Grif dít met zorg in uw hart! Later zal ik Jên Teng [17] bevelen om u het rechte Pad te wijzen, opdat gij weer tot het Licht kunt terugkeeren.”
Toen boog de Eerwaardige diep het hoofd en dankte voor die eindelooze liefde.
Het viel haar hard, de hemelsche regionen van licht en rust te verlaten, maar zij voelde een zoo groot medelijden, dat zij meer en meer neeg naar het leed der menschen. Toen besloot zij zich te incarneeren als een koningsdochter. Over het rijk Hing Lim [18] regeerde toen koning Miao Tsjoang met zijne vrouw Peh Ya, die hem twee dochters had gebaard, Miao Yuen en Miao Yin. [19]—Op zekeren nacht zag de koningin in een’ droom een groot Licht tot haar nederdalen, en haar schoot had ontvangen.
Licht en duisternis gaan voorbij, snel als pijlen, dagen en maanden wikkelen af als een weefgetouw, en weldra was de onbevlekte dracht voldragen, en baarde de koningin een prinses.
Zij werd genoemd Miao Sjen, de Schoone Deugd. Vanaf den nacht, dat de koningin ontvangen had, kreeg zij een afschuw van vleesch en onreine planten. [20] En van jongsaf aan dronk de prinses geen melk van vrouwen of moederdieren, die zulke planten gegeten hadden. Miao Sjen groeide op tot vijftien, zestien jaar, en had haren Oorsprong rein gehouden. Haar hart was vol heiligen geest als dat van géén ander. Wat ze ook voor boeken las, zij wist den inhoud uit haar hoofd als zij ze eens gelezen had.
Op zekeren dag zeide koning Tsjoang tot zijne vrouw: „Miao Yin en Miao Yuen hebben nu reeds een’ echtgenoot gekozen. Miao Sjen is nu zestien jaar, en moet dus den gelukkigen huwelijksdag gaan bepalen. Zij moet de huwelijkstrappen [21] laten gereedmaken om een’ man te kiezen, op wien zij haar geheele leven kan steunen.” De bruidsmeisjes gingen nu Miao Sjen roepen, en haar vader zeide haar, wat hij van haar wenschte.
Maar de prinses antwoordde—in verzen—met de volgende woorden: „Het is heel moeilijk voor mij, de liefde te beloonen, die U mij tien maanden onder het hart deed dragen. Drie jaren hebt gij mij vol toewijding gezoogd en gevoed. Gij hebt mij handel en wandel geleerd. Een voor een hebt gij mij de drie gehoorzaamheden [22] en de vier goede eigenschappen [23] onderwezen. Ik heb gezien, dat deze roode aarde van het stof slecht en valsch is. De menschen behooren als onderdanen getrouw, als kind ouderlievend te zijn. Maar dag aan dag gaan voorbij dat zij zich bevlekken. Ik geloof dat alles op aarde in stukken ligt gebroken. Ik wil geen echtgenoot kiezen. Ik wil mijn ziel verreinen, mijn Karma verzorgen, en uit de zee der ellenden ontkomen.”
Koning Tsjoang keek vreemd op toen hij zijne dochter zoo hoorde spreken en antwoordde:
„Gij moogt niet zoo duister denken. Alle menschen moeten zich vlijtig toeleggen op het in stand houden der vijf betrekkingen. [24] Hoe zouden zij dan tegelijk vegetarisme en zieleverreining kunnen betrachten?”
Maar Miao Sjen sprak weder: „Wat gij daar zegt gaat niet boven de vulgaire leer der gewone menschen. Ik ben zuchtende, dat alles op aarde een chaos is geworden. De Oorsprong der menschen was goed, maar weinig zijn de reingeblevenen, de helderen. De menschen begeeren wijn, en vrouwen, en rijkdom, en dwalen af van hunnen Oorsprong. Om der wille van mond en maag slachten zij levende beesten. Hoe kunnen zij dan het goede van den hemel bewaren? Bedenk toch, dat gij in uw vroeger leven goede daden hebt opgestapeld [25]; ga dit nu niet weer bederven! Vrees toch, dat eenmaal het geluk vergaat, en gij Jen Kiün zult zien. [26] De hooge spiegel van het kwaad zal al uwe slechte daden in een oogwenk weêrspiegelen. Is uw gedrag goed, dan zult gij volgens het goede beloond worden. Zijn uwe daden slecht dan wordt gij volgens het slechte gestraft.
„Ik wil geen echtgenoot kiezen, maar mij toeleggen op het verreinen mijner ziel. Honderd jaren levens zijn als de droom van een oogenblik. Als ik mij niet ga verreinen zal ik weêr in de omwenteling des levens vervallen.—Mijne ouders, die oorspronkelijk vol liefde en genade zijt, doet nu uw kind geen droefenis aan! Van oudsher werden diegenen boeddha’s of geesten, die van een gewoon mensch af een heilige leerden worden.”
Maar koning Tsjoang wilde er nìets van weten, en schold haar uit met verachtelijke namen. Hij beval haar, alle vorstelijke gewaden, die zij aanhad, uit te trekken, en alleen één stuk goed aan te houden om het lijf te bedekken. Hij verlaagde haar tot een dienstmaagd, die in den bloementuin water moest dragen en de bloemen verzorgen.—De prinses weende zeer, maar deed hare gewaden uit, en ging gehoorzaam naar den tuin.
„Helaas!” roept de schrijver van het verhaal naïef uit, „oorspronkelijk was zij het lichaam der edelsteenen bladen, [27] hoe kan die nu water dragen en tuinwerk doen?”
En nu volgt de geschiedenis van lijden, en hoe zij in de smart juist hare ziel louterde en rein maakte van alle aardsche verlangens. Hoe zij in den tuin met gekruiste beenen zat, in intenze meditatie. Hoe de bloemen bloeiden als nooit te voren, doordat geesten het zware werk voor haar deden. Hoe de boeddha Jên Teng haar kwam beproeven in de gedaante van een’ priester, maar ziende, dat zij niet wankelde, haar de esoterische leer onthulde. Hoe hare zusters haar kwamen vermanen, maar door hare prediking werden bekeerd. Hoe haar vader, in groote woede over hare hardnekkigheid, haar verbande naar het klooster de Witte Musch, maar hoe zij daar juist een welkom thuis vond, en een’ ouden wijze ontmoette, met wien zij diepzinnige gesprekken over de leer hield; hoe zij tot het bewustzijn kwam, dat ééne ziel het ál doordrong, en alles weer tot dat principe terugkeerde (want de Ouden zeggen, dat tienduizend dingen allen één zelfde ding zijn (van oorsprong)), en de diepe beteekenis begreep van die twee simpele karakters die boven tempeldeuren staan: „Wu Ngo,” Niet-Ik, géén-Ik, die zinspelen op de algeheele overgave en vernietiging van de Ikheid en absorptie in het universeel Nirvana. De oude wijze, dien zij in het klooster ontmoette, zat in een donkere kamer, en toen zij hem vroeg, waarom het zoo weinig licht was, antwoordde hij: „doe nu nog deze twee bewegelijke, klepperende deuren dicht en sluit het buitenlicht geheel af. Dan zal het eerst recht een groot Licht worden.” Zoo leerde hij haar de meditatie met gesloten oogen, de verwerping van het daglicht van buiten, en den eindeloozen glans van het zielelicht van binnen.—
Koning Tsjoang, in woede ontbrand door den sterken wil van zijne dochter, en verontwaardigd, toen kwade geesten hem berichtten, dat Miao Sjen met den ouden wijze in ongeoorloofde betrekking stond, stuurde een leger soldaten uit, die het klooster met de vijfhonderd bewoners verbrandden. Maar Miao Sjen, in de Zaal der drie Reinheden op een kostbaren zetel gezeten, bleef ongedeerd. Toen liet de koning haar naar het schavot brengen, en beval zijn veldheer Kin Chao, de Gouden Klauw, haar te onthoofden. Maar de boeddha Kin Mu, in de hooge regionen, zond hare dienaren Kin Tong, het Gouden Jongetje, en Yü Nü, het Edelsteenen Meisje [28] met tal van geesten om haar te beschermen. De veldheer sloeg eigenhandig naar het hoofd der prinses, maar de geesten hielden de Diamanten Bijl [29] beschermend boven haar, en het beulszwaard viel in stukken. Koning Tsjoang, dit niet begrijpende, verdacht zijn’ generaal van ontrouw, en liet hem onthoofden. Toen Miao Sjen zag, dat een ander moest boeten omdat de hemel haar beschermde, smeekte zij de geesten, haar niet meer te helpen, en haar te laten sterven. Zij sprak eene prediking uit, die zoo heilig was, dat zij door den hemelkoning in een groot boek werd opgeteekend, en zeide: „Er is een tijd van leven en een tijd van sterven. Ik heb het schijnbare (leven) geleend om het ware te verkrijgen. Het scherpe zwaard kan moeilijk mijn echte Zijn kwetsen.”
De tweede beul kwam met een rood koord, en nu liet zij zich gewillig worgen. Een donderslag weerklonk door de hemelen. Zij gilde en was gestikt. Maar haar ziel, haar eigenlijke Oorsprong, zweefde door de poorten der duisternis naar de Eindeloosheid des Lichts. En lachend zeide de prinses: „Géén vorm hebben is nu eigenlijk eerst recht een vorm hebben, en nú krijg ik mijn ware Gedaante te zien. Nu het lichaam der hartstochten door het roode koord geworgd is, komt het eindelooze licht te voorschijn.” Toen hief zij de handen op en aanschouwde de onsterfelijke boeddha’s, in den gouden lotus, van aangezicht. Maar hare taak was nog niet volbracht. De Gouden Moeder beval haar, een tocht te maken door de tien hellegebieden der onderwereld. De geest Hwang Lung, De Gele Draak, en de beide geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, vergezelden haar.
In de hellen zag zij de tallooze zondaren in groote ellende, boetende met afschuwelijke pijnen voor evenveel zonden als zij nu straffen ontvingen. Het was een geheele wereld van knarsetandende slachtoffers; het bloed stroomde in rivieren, en de lucht weerklonk van kermen en schreien. Hun lijden was onverbiddelijk bepaald door hun eigen Karma, en na geleden straf werden de uitgepijnigde zielen weer door de omwenteling van een rad in het leven teruggewenteld, om òf als mensch òf als dier geïncarneerd te worden, en nieuwe ellende te lijden. Maar—treffend en zéér bizonder, die witte, teêre meisjesfiguur, hier zachtschrijdende door de rotsharde onverbiddelijkheid van het idee van Karma—Miao Sjen vouwde de handen saam, en sprak in intenze extaze van liefde eene prediking met zulke geestvolle, diviene woorden, dat door één wonder al de hellen werden verlicht van het goddelijk licht, wolken van gouden lotusbloemen vielen neer, en de verloste zielen, gepurifieerd door de verreining van haar goddelijk Woord, zweefden óp in volmaakt zuiveren staat, vér boven de omwenteling des levens, en droomden het eindeloos Nirvana binnen.
Toen zij haren tocht volbracht had, daalde Miao Sjen weder naar de aarde neder, waar haar lichaam door een geesten-tijger naar het heilig Cypressenwoud [30] was gebracht, zoodat het niet vergaan kon. Zij ontwaakte als uit een droom, in haar oude lichaam. Maar de Gele Draak en de geestenkinderen kwamen haar in menschengedaante weêr te hulp, en geleidden haar naar een oud klooster op den berg Hiang Shan [31]. Koning Tsjoang was door den hoogsten hemelkoning gestraft met even-zooveel booze zweren als hij menschen in het klooster de Witte Musch had doen verbranden. Een oude priester zeide hem, dat alleen een poeder, gemaakt uit de linkerhand en het linkeroog van een zijner kinderen, hem kon redden. Zijne twee dochters wilden zich niet opofferen, en hij zou onder de vreeselijkste pijnen gestorven zijn, als Miao Sjen niet van zijne ziekte had gehoord. Zij had vóor dien tijd al eens haar lichaam aan een hongerigen tijger aangeboden [32], om diens leven te redden, en het was een heel kleine opoffering voor haar, haar linkeroog en linkerhand te geven voor haar vader. En hierin ligt, geloof ik, een van de oorzaken van de populariteit van Kwan Yin. De Hiao toch, de liefde voor de ouders, is de voornaamste hoofddeugd van de chineezen, door Confucius overal verheven, en hier doet een Boeddha een allerschoonste daad van Hiao, door zichzelf te verminken, om haren vader te redden. Toen linkerhand en oog niet genoeg waren gaf zij ook nog de rechter.
Door deze daad van liefde werd de zonde van den koning geboet, en kwam hij tot inkeer. Al de leden der koninklijke familie legden zich ten laatste op verreining der ziel toe, en werden boeddha’s. Door de Hiao van het kind konden dus de ouders en zusters de onsterfelijkheid verkrijgen.
Dit is wel het mooiste in de anders zoo sombere leer van het boeddhisme, dat aan de liefde, van een mensch uitgaande, zulk een intenze kracht wordt toegekend, dat zij invloed heeft op het Karma van andere menschen, ja, het kwaad van duizenden zondaren kan neutraliseeren, en die alzoo bevrijde zielen op haren adem mede kan voeren naar Nirvana. [33] Zóó gaat van Kwan Yin een emanatie uit van liefde, die zacht neêrdroomt op het woelende noodlot der menschen als sereen maanlicht op een wild-stormende zee, dat de golven eindelijk tot eene vlakke, rustige strooming effent.
En een van de eerbiedwaardigste figuren in de godsdiensten van alle tijden is stellig wel deze Kwan Yin, die de eindelooze zaligheid van Nirvana had kunnen bereiken, maar geen eeuwigheid van geluk wilde, zoolang de wereld nog in zonde en droefheid was, en een heiligen eed zwoer, niet te zullen rusten, zoolang nog één menschelijke ziel verloren moest achterblijven. [34]
Haar ijver in het heilige reddingswerk is wonderbaarlijk, en rust nooit. Eeuwiglijk werkt de liefde, die zij uitstraalt, op de zonden der wereld. Alle menschen zijn kinderen van deze blanke moeder van genade, die, in de hemelen troonend op eene witte wolk, zich zacht-neigend voorover buigt om te luisteren naar der zondaren gebed. Zij wordt aangeroepen als „Ta Ts’z’ Ta Pei”: „De groote Genade, het Groote Medelijden. Zij is „de Oceaan van Mededoogen”, de „Beschermer der Wereld”, de „Verlosser van Vrees”.
De plaats, waar zij, na haren tocht door de hellen, negen jaren woonde in gepeinzen, is de bedevaartplaats voor millioenen uit China, Thibet en Japan. Het is het eiland Phu-Tho, in den Chusan-archipel. [35] Hier was vroeger de berg van wierook, geheel wit, hier was het gras wit, de hooge bamboebosschen wit, en was de zee wit van de schitterende blankheid van Kwan Yin, die daar troonde in haar wit gewaad.
De uitingen van vereering aan Kwan Yin zijn naïef en simpel als die van de westersche vrouw uit het volk voor haar Mariabeeld. Het Kwan Yinbeeld wordt opgetooid en versierd als een lievelingskind; het krijgt een mooi zijden baadje, en een hoed met pluimen en blinkende paarlen. Kleine kinderen dragen een klein Kwan Yinbeeldje van goud of koper op het hoofd, en loopen met vlaggetjes, waarop haar roem staat geschreven.
Op de drie groote feestdagen van Kwan Yin, op den 19en van de tweede, zesde en negende chineesche maand: den dag van hare geboorte als Miao Sjen, den dag, waarop zij werd geworgd, en den dag, waarop zij, na haren vader gered en hare geheele familie bekeerd te hebben, voor goed ten hemel steeg, worden de publieke offeranden en ceremonieën voor haar verricht, maar bovendien wijden voorál de vrouwen haar eenen dienst van elken dag. De mannen hebben niet zulk eene groote vereering voor Kwan Yin, en dienen liever de woeste goden van het taoïsme, met de dreigende gebaren en de bloeddorstige gezichten. En dit is juist eene bizondere teêrheid voor mij in de figuur van Kwan Yin, dat zij alleen door het vrouwelijke gevoel, dat altijd naïef en intuïtief is, wordt begrepen, en zij als ’t ware schijnt te breken voor minder gevoelige beschouwing. Al wat China mist aan essentiëel vrouwelijks, al wat de chineesche vrouw mist in hare omgeving, om haar onbegrepen gevoel aan te wijden, is gepersonifiëerd in die wonderreine vrouwenfiguur van Kwan Yin.
De mooiste tempel van Amoy, Nam Phu Tho, het zuidelijk Phu Tho, is voornamelijk aan den dienst van Kwan Yin gewijd.
Hoe dikwijls heb ik niet in dat bedehuis van Kwan Yin gezeten, dat zoo heerlijk aan den voet van hooge rotsen is gelegen, met een vergezicht over groene rijstvelden, bergen en zee! Want de moderne tempels van Kwan Yin, als die van alle andere chineesche boeddha’s, zijn geen heilige monumenten van adoratie, geen paleizen van statie en majesteit zooals de Notre Dame of de Ste Gudule; zij zijn een veilig thuis, een toevluchtsoord, een rustplaats voor moede reizigers. Zij zijn als het huis van een moeder, waar de kinderen altijd veilig en welkom zijn, en waar zij kunnen spelen, eten en slapen. Zelfs beesten weigert men den toegang niet, en dikwijls ben ik te paard den geheelen tempel rond gereden, voor de oogen van de vier reusachtige wachters Kin Kang, zonder dat dit door de priesters bizonder vreemd werd gevonden. Er worden zelfs visschen, honden en runderen gevoed en verzorgd, uit medelijden. En toch doet dit familjaar-vertrouwelijke niets af tot de plechtigheid van de plaats. Want bij een chineeschen tempel is niet de tempel zelf een alleen-staand gebouw, dat ook in een straat of aan een gracht zou kunnen staan, maar het is vooral de omgeving, de kunst van Fung Shui [36], die haar waarde bepaalt. En ik weet dan nu ook de schoonheid van dien tempel onafscheidelijk van den somberen, majestueuzen rotsenmuur, die zich grijs-zwart achter hem verheft, van de groote, trotsche boeddhaboomen in de binnenplaats, van de wijde, blinkende rijstvelden, van de teêrgelijnde bergen in de verte, en vooral van het uitzicht op de groote, groote zee. Want een tempel, om een standplaats te hebben, die heilig genoeg is voor de woning van een Boeddha, moet altijd met het front gericht zijn naar de open zee, zooals een menschenziel uitziet in de eindeloosheid.
Eén middag zal ik nooit vergeten. Het was een donkere, sombere Novembernamiddag, tegen vijf uur. Zwarte wolken hingen dreigend om de rotsen, toen ik van een rit terugkeerde; en ziende, dat het gevaarlijk was, met den naderenden storm, in een sampan de zee over te steken naar mijn eiland, zocht ik een schuilplaats in den tempel.
Het was duister in het derde paviljoen, waar het kolossale beeld troont van Kwan Yin. Het oude goud glom in het donker van een mystiek rooden glans. Groote schaduwen weifelden aan de wanden en in hoeken, en glimplekken beefden vreemd in het rond. Er was een vaag, somber licht om de boeddha.
Juist toen een ratelende donderslag door de lucht weerklonk, sonoor voortdaverend over de bergen, kwam een grijze priester binnen, die voor het groote beeld bleef staan, en een monotoon gezang aanhief. Somtijds sloeg hij op een houten voorwerp, met doffen slag van gedempt geluid, of deed hij een kleine schel zilverig tinkelen. Hij stond onbewegelijk. Het gezang weêrklonk hol in het paviljoen, ál somberder en somberder. De regen kletterde neer, de donder sloeg met fatale slagen, de wind brulde om de deuren, en felle bliksemstralen lichtten blauwgeel weêr over het biddend-gebogen hoofd. Maar den priester bewoog het met geen enkel vreezen, en hij zag noch hoorde. Steeds klonk zijn somber gezang, een eentonig, plechtig zingen als van een ziel, die, in de diepste duisternissen verloren, om licht bidt en erbarmen.
De roerlooze priester, stil, als enkel een ziel, zingende zoo somber-droef gezang, het vreemd-lichtende beeld van Kwan Yin, zoo hoog-statig en sereen in het duister; de brullende storm, de daverende donder, het hel-bliksemende licht, het was als het diepe mysterie van het geheele boeddhisme gesymbolizeerd, de droef-verloren, maar rustig-biddende ziel, eindeloos kalm in den woedenden passiestorm van het leven....
Geeft deze legende van Miao Sjen een verhaal van een der voornaamste incarnaties van Kwan Yin en van hare lotgevallen als mensch, er bestaan nog tallooze andere sprookjes en vertellingen over hare daden van liefde als boeddha.
Op de meeste platen, die Kwan Yin voorstellen, ziet men haar met een kindje aan elke zijde. De een is een jongetje, Shen Ts’ai, de ander een meisje Lung Nü. Om de beteekenis van deze twee dienaren te verklaren, moeten wij zoeken in het werk „See Yiü”: Zwerftochten in het Westen. Dit wonderlijke boek, dat niet in den ouden stijl der „Kings” maar in den verhalenden trant is geschreven, en dat eene verzameling van sprookjes is van eene zoo rijke en weelderige fantasie, dat alleen de Märchen van Grimm er mede kunnen vergeleken worden, en wel een van de allerpopulairste boeken is van de chineezen, bij oud en jong geliefd, en overal in theaters vertoond,—dit schijnbaar kinderlijke werk is van een veel diepere beteekenis, dan de meeste westersche lezers wel hebben vermoed. En de Kwan Yinfiguur speelt er een hoofdrol in.
De beroemde koning T’ai Tsung (627–649 n. C.) van de Thang dynastie, die door eene onvoorzichtigheid zijn generaal Wei Ting gelegenheid had gegeven, Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning, te dooden, en die deze schuld alleen volkomen kon boeten door een mysterieuzen „King” (soetra) te verkrijgen, die de macht had, de zielen uit de hellen te verlossen, liet een priester oproepen, die den moed had, dezen soetra in het onbekende Westen te gaan zoeken. Toen bood zich een priester aan, Saan Tsang geheeten, die op zich nam, het heilige boek te vinden. Deze priester stond onder de bescherming van Kwan Yin, die hem, met andere gaven, het kostbare, van goud schitterende gewaad Kia Sha deed geven, afkomstig van Shakyamuni.