Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel

Part 1

Chapter 13,817 wordsPublic domain

KWAN YIN. EEN BOEK VAN DE GODEN EN DE HEL.

DOOR HENRI BOREL.

AMSTERDAM P. N. VAN KAMPEN & ZOON.

VOORWOORD.

Eigenlijk heb ik het land aan voorredes. Maar ik vind het toch heusch noodig even iets vóóraan dit boek te zeggen. Toen mijn „Wijsheid en Schoonheid uit China” was uitgekomen, heb ik daar zoo nu en dan iets over moeten hooren. Dat kon niet anders. Ik hoorde het uit recensies, over het algemeen wat men noemt gunstige, en uit brieven en gesprekken. Een mijner gewezen collega’s, als sinoloog een geleerde van groote beteekenis, zeide: „Een mooi boek heb je daar geschreven, een mooi boek,—maar niet wetenschappelijk”. En in de wijze, waarop hij dat „niet-wetenschappelijk” uitsprak, was te voelen hoeveel hooger hij wetenschappelijk stelde dan mooi. Dat had ik wel voorzien. Mijn boek was .... mooi (prettig om te hooren, nietwaar?), maar .... niet wetenschappelijk, niet zuiver sinologisch, en zuiver ethnografisch. En dat is een doodzonde in de oogen der speciaal wetenschappelijke wereld.

Daarom heb ik een bizonder prettige aandoening gevoeld bij het lezen van een artikel in het „Nieuw Bataviaasch Handelsblad” [1] aan de hand van een mij onbekend gebleven literator, die zich „Lettore” teekende. Deze recensent zegt precies wat ik zelf heb gedacht bij het hooren van dergelijke streelende veroordeelingen van mijn boek door de exacte wetenschap-mannen. „Den kunstenaar” zegt hij, „wil men altijd ver afhouden van de wetenschap, van wat men noemt het exacte.”

Lettore vermoedt dan ook, „dat dit werk (dat van mij n.l.) door de wetenschappelijken daarom met wantrouwen zal worden aangezien. Want ik ken hun angst voor den arbeid, die hun gebied betreedt, enz.”

En ten laatste verklaart hij, dat mijn boek hem „een duidelijker inzicht en een geheugenvaster kennis heeft gegeven, dan een kille, begrensde verhandeling zou kunnen doen.”

Laat ik maar eerlijk bekennen, dat dit een satisfactie voor mij was.

Had ik eenvoudig een logisch, vormelijk relaas gegeven, een exacte opsomming of inventaris van de door mij in China geziene dingen, allen behoorlijk in hokjes en loketjes, met papiertjes er op, vooral zonder emotie, en vooral met veel geleerdheid, in een algemeen gebruikelijke verpakking van onaandoenlijke taal gestoken,—ja, dan had ik wel kans gehad om óók wetenschappelijk geweest te zijn. Die heb ik mij dus laten ontglippen.

Maar, laat ik dit nu met nadruk zeggen, om verdere vergissingen te voorkomen, dit heb ik van ’t eerste oogenblik af aan niet gewild, en dit ben ik voorloopig niet van plan ook.

Ik houd van warm, van liefdevol, en van innig. Ik houd van emotie. Zonder emotie zou China voor mij een dood land zijn geweest, en zou ik er nooit iets over geschreven hebben. De geleerdheid kan mij geen ziertje schelen dan alleen als hulpmiddel om de schoonheid te leeren begrijpen, en als uit haar geen emotie wordt, is zij mij niets waard.

Ik heb in dat heerlijke wonderland, dat China heet, te midden van een nooit gedroomde majesteit van zeeën en bergen, de dierbaarste en zuiverste emoties in mijn leven gevoeld. Die emoties tracht ik weer te geven in mijn werk, dat ik alleen dáárom schrijf. Ik meen in de schoonheid de essentie van de geheele natuur en het geheele menschenleven in China te zien, en die werd mij door de emotie geopenbaard. Ik geloof dat de ziel van een volk en van een land niet aan te roeren zijn door intellect alléén, door enkel exacte wetenschap, want die ziel, hun eigenlijke, essentieele Wezen, is van een transcendente natuur en kan alleen benaderd worden in den warmen gloed en op den hoog-gaanden rythmus van door de schoonheid gecreëerde emotie. Dit is nu mijn ethnografie en mijn wetenschap.... Men kan van de dingen, die ik schrijf, voorzoover ze emotie zijn, onmogelijk zeggen, dat ze niet zoo zijn of niet zoo zouden kunnen zijn. Ik heb ze zoo gevoeld en daarom zijn ze zoo.

Zeker, ik heb menschen gesproken, die óók in China zijn geweest, die langs de dingen zijn gegaan, waar ik van sprak, en die mij verwonderd vroegen, of dàt nu alles was, waar ik zoo over uit ben, daar zij „er niets in gezien hadden”. Dat ligt niet aan die dingen, maar aan die menschen.

Mijn werk en dat der exacte geleerden liggen in verschillende sferen. Ik eerbiedig het hunne met een heel grooten eerbied, want ik kan het weten welk een toewijding en energie het vereischt. Maar ik ken mijzelf het recht toe, op mijn eigen manier te werken, met mijn eigen middelen. En het lust mij, niet de wondere bloemen van China te ontleden en te determineeren, maar mij weg te droomen in hun glans en schoone kleuren en hun zoeten honig te puren in blijde zaligheid.

Ik wilde dit absoluut nog even zeggen, om duidelijker te maken hoe ik mijn „Wijsheid en Schoonheid uit China” kwam te schrijven en hoe ik ook thans tot dit werk ben gekomen.

De pretensie van sinoloog en ethnograaf te willen zijn, in den zin althans dien de exacte—o! zoo exacte!—wetenschap daaraan geeft, heb ik hiermede voldoende van mij afgewezen. Zoo ik die ooit bezeten had, ik zou andere, niet déze boeken hebben geschreven.

En hiermede is dan dit voorwoord gesproken.

HENRI BOREL.

KWAN YIN. DE GODIN DER GENADE.

OVER CHINEESCH BOEDDHISME EN CHINEESCHE KUNST.

Het is nu vier jaar geleden, dat ik bij Drouot in den Haag voor het eerst boeddhistische beeldjes zag. Ze waren van groven steen, en niet bizonder fijn van kleur en lijn, maar ik voelde er toch iets liefs van. De kleineren stelden eene vrouw voor, op een lotus gezeten, in wit gewaad met een kindje op den arm. De grooteren dezelfde vrouw, op een zetel in een rots, met aan weerszijden een kind, en nog een op den arm. Naast haar, links, een vaasje met bloemen, ook wel eens met een enkel takje, waarmede zij verondersteld wordt dauw (Amrîta) te sprenkelen, en rechts een vogel, ter hoogte van haar schouder. Ik vond in deze vrouw zulk een gelijkenis met beeldjes van de Heilige Maagd, dat ik vermoedde, dat zij eene oostersche Maria was. Er was iets zachts en teeders in, door de ruwe vormen heenschijnend, dat mij aantrok, en ik zette zulk een beeldje op mijn schrijftafel, waar enkel mooie dingen mogen staan, opdat ik mij rustig en vertrouwd blijf voelen, even opkijkend van mijn werk.

Hoe heerlijk voor mij te bedenken, welk schitterend liefs en subliems mij is gekomen van deze vrouwenfiguur; hoe op dit ruwe, eenvoudige beeldje àl mooiere en mooiere zijn gevolgd, hoe de grove lijnen van dat weinig zeggende gezicht daarin zijn geworden zacht en aetherisch als gebeden, hoe de harde, schelle steen is geworden een fijn, transparant porselein, een mirakel van tot materieloozen zieleglans ópreinende stof, hoe het eerst nog menschelijke gezicht is geworden tot een revelatie van Godheid, mij aanziende met groote, stille oogen, van ziel tot ziel!

Waar in het Westen de gebeden der donkere volkeren opgaan naar de lichte, lelieblanke Moeder-Maagd, gekleed in den zuiveren schijn van haar kuischheid, teeder houdende boven de wereld het schuldeloos Godskind, dat de zonden der stervelingen met zijn bloed zal boeten; waar in majestueuze paleizen van adoratie het eeuwig-glimlachend beeld der Moeder Gods troont, in ongenaakbare staatsie, op van goud en juweelen schitterende altaren, in een gewijde atmosfeer van wierook en gebeden, daar licht het éven virginaal reine beeld van de Godin der Genade boven de duistere zondenwereld der oostersche Aziaten; biddende scharen liggen geknield, priesteren in goud-omzoomde gewaden zingen sombere Soetra’s met monotone melodieën, statig als het ruischen der zee, en zij zweeft hoog in de witte wolken, in een blank gewaad van aether, schijnend van een maneglans, en sprenkelt zoeten dauw van genade in den chaos der menschelijke smarten. En vrouwen op aarde liggen geknield in het stof, smeekend om vruchtbaarheid van nieuw leven, en zij heft een zacht-lachend kindje op boven de devote in deemoed, en belooft zegen aan haren schoot.

Een Maagd, in zachtlucht gewaad van divien licht, een rayonnant blanke verschijning in de sombere rijen der ontzaglijk strenge boeddhistische goden, een opperste openbaring van vrouwelijke genade, van troost, van vergeving, onder de donkere mysterieën van het onverbiddelijk Karma; het neêrgaande, neigende, zacht-zegenende in het rotsharde, strenge, rechte; zoo is in het chineesche boeddhisme die figuur van de Boeddha van de liefde en het medelijden, met dien zacht zangerigen naam als het zingen van een viool, van Kwan Yin, de Godin der Genade. [2]

Het is zeer bizonder, en nooit voldoende verklaard, hoe onder de goden van het boeddhistische pantheon eene vrouwelijke figuur in China een allereerste plaats inneemt, en een figuur, van welke men in het geheele boeddhisme van Azië nergens eene volkomen gelijkenis terugvindt. De meeste sinologen hebben gezegd, dat zij niets is dan eene chineesche varieteit van de indische Avalokites’vara, die vooral in Thibet wordt aangebeden.

Het is niet mijn doel, hier eene studie te maken over de afkomst van de Kwan-Yin-figuur in het chineesche boeddhisme, die beter in een sinologisch tijdschrift zou thuis behooren, maar heel in ’t kort wil ik er toch even enkele dingen van zeggen. Volgens de meeste sinologen en oriëntalisten is Kwan Yin (Kwan=Zien, Yin=Geluid, gebeden), eene chineesche vertaling van Avalokites’vara, [3] d.i. de neder (ava)- ziende (alôkia) vorst of Heer (is’vara). Volgens professor de Groot hebben de chineezen dit Avalokites’vara verward tot Avalokita-svara, en dit beteekent „die nederziet” (Kwan) op geluiden, tonen (Yin, svara), gebeden. Avalokites’vara heeft echter bij de Indiërs bijna uitsluitend mannelijke attributen, zegt professor de Groot terecht, en hij leidt uit de vrouwelijke figuur van Kwan Yin af, dat zij oorspronkelijk een voor-boedhistische godheid was van de oude chineezen. Dit komt mij het waarschijnlijkste voor, ook om andere redenen. Monier Williams, er op wijzende, dat ieder der hindoe-goden zijn vrouwelijk evenbeeld—sakti—had, zegt dat Kwan Yin correspondeert met de figuur van Siva’s vrouw, [4] zoodat dan daaruit haar vrouwengedaante zou verklaard zijn.

Ik zal mij hierin niet verder verdiepen, daar het tot mijn mooi-vinden van de Kwan-Yin-idee er weinig toe afdoet of zij uit Indië dan wel uit China afkomstig is, en ik meer de schoonheid en de mij door haar gedane emoties van chineesche menschen en godsdiensten en dingen wil geven dan de wetenschap, die mij slechts hulpmiddel is.

Wat wel het allerverschrikkelijkste is in het boeddhisme is de leer van Karma, of, zooals de chineezen het noemen, Yin Kwo (Oorzaak en Gevolg), de wet, dat het goede en het kwade zich eeuwiglijk zelf weer produceeren, en die van het menschenleven een noodlot maakt, vooraf bestemd door daden en gedachten uit vorige levens. Wèl wordt hierdoor op bizondere wijze verklaard, dat àlles wat voor ons in dit leven onrecht schijnt toch nog recht kan zijn, als boete voor vroegere zonden, maar het is zwart en hard om de onverbiddelijkheid en het vergevinglooze. Daarom is des te meer liefelijk die witte, zachte vrouw, in dat zoet-wuivende gewaad, die van weening wordt bevangen door het ontzaglijk lijden der menschen, al is het door hun eigen Karma zoo bestemd, en die door de intense kracht van hare tot daad geworden liefde de verdoemde zielen, knarsetandende in hellepijn, met millioenen overvoert naar de reine gewesten der zondeloozen, glimlachend van vrede.

De overeenkomst van Kwan Yin met de Heilige Moeder is zóó treffend, dat men wel eens eene oostersche Maria in haar heeft willen zien. [5] Vooral het kindje, dat zij op den arm draagt, en hare geheele gedaante, gaven daar aanleiding toe. Bij nadere studie blijkt duidelijk, dat er niet het minste verband, bestaat tusschen de twee diviene figuren, voor zoover hun afkomst en hun beteekenis aangaat, maar dat, door een onverklaarbaar wonder, de aanbidding van beide eene kunst deed geboren worden, die aan beide dezelfde gratie, hetzelfde allerliefelijkst vrouwelijke, essentieel moederlijke en toch onbevlekt virginale gaf. Ik heb Kwan Yinbeelden gezien, die, in eene roomsch-katholieke kerk geplaatst, de geloovigen op de knieën zouden doen zinken. Ik heb een beeldje van oud ivoor, dat in Italië voor een oud Mariabeeldje zou gekocht worden door kenners. De vrouwenfiguur staat heel recht en statig, in een langen mantel met geornamenteerde randen, en houdt op den linkerarm een kindje, dat met een bloem speelt. Het hoofdje van het kindje is zoo fijn en teeder gemodelleerd, alles is zoo bezorgd en gevoelig afgewerkt, dat alleen een diep religieus gevoel de lijntjes en omtrekjes zóo, als biddend, kon uitdroomen, en men heeft hier hetzelfde in-vrouwelijk en moederlijk vrome, dat de beste Mariabeelden hebben, in een zoogenaamd heidensch beeld, in het Oosten van een geheel ander werelddeel gemaakt. Waar in het Westen heilige plaatsen zijn met wonderbeeldjes, die zieken genezen en mirakelen doen, heeft men in China dezelfde beroemde Kwan Yinbeeldjes, die den omtrek beschermen, die, door het geweld ontvoerd, vanzelf weer op hunne oude plaats terugkomen, en die blinden het licht, dooven het gehoor, lammen de beweging geven. Wordt het altaar van Maria met bloemen, goud en zilver versierd, in ’t midden van kaarsen en wierook, het beeld van Kwan Yin wordt omhangen met fijne zijden mantels, en krijgt een schitterende kroon, groote, roode kaarsen branden voor haar, droomerig dampen wierookstokjes hun blauwe wolkjes voor haar op, en uit slanke, ranke vazen zien groote lotussen haar peinzend aan. En, als om het wonder te volmaken, het ritueel der boeddhistische priesteren, hunne kniebuigingen, hunne processies, hunne gewaden, tot zelfs hunne gezangen toe, vertoonen de grootste overeenkomst met de ceremonieën in de roomsche kerken.

De chineezen zijn een volk, dat wel het minst van alle mij bekende volken gevoel heeft voor het divien-vrouwelijke, in welk de grootste westersche dichters de directe revelatie van het goddelijke zagen, en door het aanschouwen waarvan zij zich dat goddelijke niet alleen van de aangebeden vrouw, maar van zichzelf en de geheele menschheid bewust werden. Zijn er in de chineesche literatuur al aandoenlijke gevallen te vinden van gehechtheid tusschen man en vrouw, het idee Liefde in de allerhoogste beteekenis is in China onbekend, voor zoover gepersonifiëerd in eene vrouw. Liefde tusschen man en vrouw, zoo zuiver geestelijk en tot puren godsdienst geworden als bv. in Dante’s Divina Commedia, is een idee, dat in geen enkel chineesch hart ingang zou vinden, aangezien het geheel buiten de orde der in China bekende ideeën ligt. De physieke bekoring, desnoods samen met genegenheid, en altijd samen met kuischheid, trouw en gehoorzaamheid, is wat de chinees in eene vrouw begeerlijk ziet. Maar het idee van „het vrouwelijke” op zichzelf, als een abstract idee, voorstellende iets zoo smetteloos reins als een blauwen lentehemel, een blank besneeuwd veld, eene doodstille, klaarspiegelende zee, is in China onbekend. Het vrouwelijke in China correspondeert met het begrip „duister” (Yin), het zware, stoffelijke, dat naar de aarde zonk toen de chaos zich opende, terwijl het „licht” (Yang), waartoe het mannelijke principe behoort, lucht ópzweefde en den hemel vormde. Het vrouwelijke is volgens chineesche begrippen het inferieure, het bevlekte in vijf bevlekkingen, die in de hellen met verzinken in een bloedrivier worden geboet; de vrouw is de in pijn en zonde barende, goed voor de voortbrenging van het geslacht, en het bereiden van voedsel en kleederen. [6]

Daarom is het wèl wonder, dat de verbeelding van dit volk, dat het divien vrouwelijke niet begrijpt en daarom inferieur is aan de europeesche, een volk, dat de vrouw voorstelt als de personificatie van het principe „duister”, een zoo wonder-teêre, van liefelijk-reine vrouwelijkheid glanzende figuur als Kwan Yin heeft gecreëerd.

En, wel het meest miraculeuze van alles, de kunstenaars van China, die haar beeld in steen, porselein of hout, in krijt of kleuren weergaven, zooals zij haar in hunne aanbidding zagen, zij maakten een vrouw, die in geen enkel opzicht op de typen de chineesche vrouw gelijkt, een vrouw, rijzig en recht-statig, schrijdende met majestueuzen stap, in een kuisch, zacht-wuivend gewaad, dat geen vrouw in China draagt, of wel zittende in wijd-uitvallende gewade-plooien als St. Barbara van Van Eyck, het lijf een weinig voorovergebogen, als neêrneigende tot het leed der menschen beneê, met blanke, effen borst, die niet-ontwikkeld is, als van een heel jong meisje, en een gelaat, waarin àl wat fysieke bekoring heeft volkomen weg is, en waarover een schijn glanst van zuivere ziele-essence. Een vrouw, om voor op de knieën te vallen en het hoofd biddend te verbergen in de plooien van haar gewaad, een vrouw met oogen, om de duisterste onbewustheden van de ziel te verreinen en te doen schitteren van haar licht, een vrouw met handen, om zacht op een brandend hoofd te leggen en te plooien tot eindeloos teeder gebaar van vergeving, een vrouw, als de vernietiging van de fysieke verlangens, die stomgeslagen terugsidderen voor haar heilig blank gewaad, en de verheerlijking van het zuiver-geestelijke, van Het Vrouwelijke als de revelatie van God.—Heeft in de westersche kunst het beeld van de Heilige Maria op schilderijen of in statuën nog dikwijls het te lief-aanvallige, het te begeerlijke, dat de adoratie van een priester onbewust verlangen van een minnaar zou doen worden, de meeste oude Kwan Yinbeelden zijn zoo wonderrein uitgevoerd, dat niet de vaagste gedachte aan de vleeschelijke vrouw haar zou durven naderen. Zij heeft geen mollige, ronde vormen, haar zwarte lokken vallen niet lang uit, golvend over haar schouders, geen glimlach beroert haar mond. Haar lichaam is als de pure incarnatie in opperste openbaring van het idee ziel in stof, en een kuisch, blank gewaad omvouwt het zacht, uitvallend in groote, wijze plooien. Hare oogen staren streng en rustig naar één punt, als verloren in meditatie; haar ooren zijn lang, met dikke lobben, haar kin onmerkbaar klein, haar wangen teêr als bloemebladen. Het haar is opgemaakt in een wrong, hoog op het hoofd, zoo fijn dat ieder haartje apart glanst als een straaltje licht; het wordt opgehouden door een langen naald, en rust van voren op een kroontje met paarlen. In het voorhoofd schittert de zieleparel—She Li Tsz’—die in de intense meditatie is omhoog gerezen, en daar straalt van zuiver goddelijk licht; op haar vlakke, spiegelreine borst schittert het kruis Svastika in een krans van paarlen.

Des te wonderlijker is deze gevoelige, pure vrouwenfiguur in een land als China, omdat de meeste taoïstische [7] goden, die gelijk met de boeddhistische aangebeden worden, en waaronder de god van den Oorlog—Kouan Ti—wel de voornaamste is, in ’t geheel geen sereene figuren zijn, maar woeste, bijna wanstaltige gedaanten, met grimmig, wild gezicht, een langen baard en dreigende oogen. De vier groote wachters, die aan den ingang van iederen tempel staan, zijn kolossale, afschrikwekkende beelden, grijnzend, en onheilspellend van gebaar. Maar deze zijn dan ook uitvindingen van den lateren tijd en niet meer, zooals Shakyamuni zelf zeide, simpele symbolen van een idee. Een boeddhabeeld is oorspronkelijk de plastiek van de essentieele leer. In de immens rustige trekken van het gelaat is de geheele leer gegeven van de verreining der ziel en de bevrijding der hartstochten, en den stil-starenden blik der half-toeë oogen ziet de aandachtig geloovige gericht naar de verre horizonnen van het eindeloos Nirvana. In de kuische neêrdaling van een arm en de uitgestrekte hand, met de palm naar buiten, is in zéér simpele lijnen uitgedrukt het medelijden, de chariteit voor de menschheid, in het sublieme gebaar van een opgeheven hand, met drie vingers óp en de punten van duim en wijsvinger samen, is eene geheele prediking van de beste dingen der leer duidelijk te voelen. De boeddhistische beelden waren oorspronkelijk volstrekt geen afgoden, maar zuivere symbolen, symbolistische plastiek van de abstracte, hoogste realiteit.—Zij waren dan ook kunst, in den hoogsten zin van het woord, want alle kunst was oorspronkelijk symbool, en werd gemaakt van adoratie voor het goddelijke.

Men is zoo algemeen gewoon, van oude boeddhistische beelden te spreken als van afgoden, of wel van curiositeiten, of bibelots. Maar na veel—o zoo genotvol—zien van zulke beelden heb ik heel duidelijk in mij gevoeld, dat zij een beteren naam verdienen, want zij zijn echte, zuivere kunst. Zij zijn gemaakt door kunstenaars,—simpele menschen, van eigen grootheid onbewust; iedere omtrek, ieder lijntje, ieder vormpje is geboren uit adoratie, en zij zijn onsterfelijk als de beste oud-egyptische beelden en de reinste creaties der primitieven.—Zij zijn op de uiterste grens van geest en stof, en geven in stof zichtbaar weêr de onstoffelijke en onzichtbare idee van de goddelijke ziel. Zoo als het sereene, eindeloos kalme gelaat van een oud boeddhabeeld moet wel het gezicht zijn van den uítgeleden, verreinden asceet, als zijn ziel, opzwevende in het eeuwig Nirvana, nog éven den afglans van haar licht scheen op het in ’t stof achtergelaten lichaam. Het aandachtig zien naar zulke wonderen van religieuze kunst als oude boeddhabeelden van brons of porselein leert veel meer van het boeddhisme dan het lezen van vele soetra’s. Want het onzichtbare ziet u hier aan, met stil-starende oogen, en de materielooze ziel schijnt voor u op in deze simpele figuur van een tot een gebed van strenge lijnen en aetherische vormen geworden lichaam.

En dit heeft deze kunst voor boven die der afbeelding van den Christus, dat zij niet geeft het lijden, maar het hoogste geluk, niet de bloedende pijn, maar de verlossing, niet den kruisdood, maar de opstanding, het suprême moment, als de bevrijde ziel wègdroomt in het eindelooze.

Eigenaardig is het feit, dat, volgens een chineesch werk uit de zeventiende eeuw, waaruit ik een en ander zal overnemen, Kwan Yin voornamelijk zich op aarde geïncarneerd heeft om het vrouwelijk deel der menschheid te komen verlossen, dat slechter was dan het mannelijke. Ik zal uit het curieuze werk: „De oorspronkelijke echte soetra van het overvoeren van Kwan Yin” een en ander van de oorspronkelijke legende van Kwan Yin aanhalen. Het is een wonderlijk boek, waarin de drie leeren, confucianisme, boeddhisme en taoïsme broederlijk naast elkaar voorkomen, en dat den lezer op voorname punten dikwijls in den steek laat, juist als het er op aankomt, maar zeer karakteristiek chineesche volksideeën over godsdienst weêrgeeft. [8] Zij wordt er in voorgesteld, zwevende in het groote hemelpaleis Ta Lo, in allerhoogste zaligheid, gezeten in den lotus der acht kostbaarheden.

Zij was in eindeloos genieten. Haar oneindig vér-ziend oog zag, hoe in het Oostelijk Land de menschen in begeerte waren naar wijn, schoonheid en schatten, zéér dwalende. In hun hart was opgesloten de lust naar roem en geld, en zij waren bevlekt van zonde. De groote Wet wentelt rond, en straft en beloont op duizenderlei wijzen. De menschen leven als beschonkenen, in een droom, en sterven. Hunne beenderen worden verstrooid, talloos als bergen. Het slechte straft zichzelf zonder einde. De Eerwaardige voelde, voor zij het zelf wist, een groot medelijden in haar liefdevol hart en sprak: „Vanaf het openen van den chaos tot op dezen dag heb ik de menschen geholpen, heb ik het Oostelijk Land hervormd, heb ik ze overgevoerd door vele gevaren, en ze tot bewustzijn gebracht. Thans, tegen het einde der Chow dynastie [9], is het menschelijk hart in groote verwarring, vol doodslag en overspel. De hemel ziet het slechte van al deze levenden. Hoe dit zwarte principe te verdrijven en te versmelten, dat opwolkt in het ledig?