Krates: Een Levensbeeld

Chapter 9

Chapter 94,036 wordsPublic domain

De nog weinig ontwikkelde vormen en de eigenaardige onbeholpenheid aan haar leeftijd eigen, maakten, dat haar vrij lang opgeschoten gestalte bij den eersten indruk weinig aantrekkelijks had; bij nadere kennismaking en opmerkzame beschouwing echter was het aan te nemen, dat zich uit de nog slechts half ontloken knop weldra een schoone frissche bloem ontwikkelen zou.

Iets was er, wat iedereen aangenaam bij haar aandeed, namelijk haar melodieuse stem, en grootvader Tournel was er trotsch op als kenner te kunnen zeggen: "Augusta zal eenmaal een sieraad van Polyhymnia worden, zoodra ze wat meer "school" heeft."

Een nicht van Tournel, juffrouw Barbara, bestuurde het kleine huishouden en hield rekening met de inkomsten, iets wat de muziekmeester zelf niet deed. In dat opzicht was hij artistiek en had geen "school". Ware Barbara er niet geweest om, zooals zij het noemde "den duim op 't laadgat te houden", Tournel zou het lot gedeeld hebben van velen zijner kunstbroeders, die meer schulden hebben dan contanten en die van de hand in den tand leven. Nu echter heerschte er een zekere mate van welgesteldheid in het gezin, en al wees de huishoudelijke balans gewoonlijk geen batig saldo aan, toch sloten Debet en Credit op weinig na.

't Was niet tegen te spreken, dat juffrouw Barbara, al was 't dan ook maar zachtjes, de pantoffel hanteerde, maar zij deed het met verstand en overleg, en ofschoon de toon van haar humeur enkele malen "in mineur" klonk, zooals Tournel beweerde, was zij toch goedhartig en braaf, ja zelfs te braaf, te vroom naar den zin van haar neef, die, volstrekt niet kerksch, zich met Barbara's begrippen over den godsdienst niet vereenigen kon en beweerde, dat zij alleen de dominees naliep, omdat het zoo de mode was.

Toch was het niet zoo. Juffrouw Barbara was een nauwgezet mensch, die de uiterlijke vormen van den godsdienst in eere hield, haar lievelingspredikant had, getrouw elken Zondag naar de kerk en viermaal 's jaars naar 't avondmaal ging. Zij bad voor het eten lang, at gauw en dankte weer lang. Hoekig en beenig van gestalte, met een grof tanig gelaat, kleine, scherpe, donkere oogjes en een weinig vaalbruin haar, droeg zij haar muts en haar vijf-en-veertig-jarigen maagdelijken staat met gelatenheid.

Toen Tournel haar den voorslag van dokter Abels, om Dorus in huis te nemen, mededeelde, had zij haar wenkbrauwen gefronst en gezegd: "Als je er wat mee verdient, Tournel, is 't goed, maar anders zou ik er niet op gesteld zijn zoo'n kermisklant in huis te nemen. 't Is gewoonlijk raar soort, halve heidens, die van God, noch zijn gebod weten; als ik last van den jongen krijg, moet hij de deur uit. 'n Virtuoos steekt in dien jongen, zeg je? 't Zal wat wezen, als 't voor de heeren komt..."

Augusta daarentegen had zich op de komst van Dorus verheugd. Vooral de omstandigheid, dat de knaap "kermisklant" was geweest, maakte hem in haar jeugdig oog belangwekkend en haar levendige verbeelding tooverde haar een vluggen clown, vol jolige grappen en kuren, voor de oogen.

Tournel, geheel vervuld met de gedachte aan het onmiskenbaar talent van den jongen, had met geen enkel woord van zijn mismaaktheid gesproken; hij zag in hem alleen den muzikant, niet den bultenaar.

't Was dus geen wonder, dat op den avond, toen Dorus voor 't eerst de woning van den muziekmeester binnentrad, Augusta een kreet van teleurstelling niet kon onderdrukken en halfluid uitriep:

"Ba! een bochel!"

Juffrouw Barbara zei: "Wat een ongelukkige kromme krates", en Tournel antwoordde: "Dat doet er niet toe; hij heeft talent."

Nog nooit had Dorus zich zoo vreemd en onbehaaglijk gevoeld als in den eersten tijd, toen hij bij Tournel was. Hij had een gewaarwording, alsof men hem in een kooi had opgesloten! Instinctmatig gevoelde hij, dat hij er misplaatst was; maar vlug van begrip en bevattelijk als hij was, opmerkende en in zijn brein verwerkend wat hij zag, hoorde en ondervond, verdween dat gevoel van dwang en gedruktheid spoedig genoeg.

Hij lette op, hoe de anderen deden, als zij aan tafel zaten; en juffrouw Barbara zelfs zeide: "Hij merkt goed op en neemt aan; hij zit nu al fatsoenlijker bij 't eten en dat is al veel, want je kunt aan iemand zien van welken komaf hij is, naarmate hij aan tafel zit."

Augusta riep nu niet meer: "Ba! een bochel," want eenige maanden waren voldoende geweest om haar een zekere genegenheid voor den knaap in te boezemen en hem zelfs tegen de soms vrij heftige uitvallen van nicht Barbara te beschermen.

Dorus van zijn kant deed alles wat mogelijk was om zich aangenaam te maken; hij bewees duizend kleine diensten in het huishouden, zonder dat men er hem om vroeg en zijn oogen glinsterden van vreugde, als Augusta hem met een vriendelijken blik er voor dankte.

Met juffrouw Barbara stond hij soms op niet al te goeden voet; haar meestal knorrige toon van spreken hinderde hem, en als haar humeur in "mineur" gestemd was, stond het zijne in denzelfden toon: eenmaal zelfs, toen zij om de een of andere kleinigheid boos geworden, zich het woord "kermisklant" liet ontvallen, vergat hij zich zoover, dat hij haar "een serpent" noemde.

Bijna had dat woord aan zijn verblijf bij Tournel een plotseling einde gemaakt, en 't was Augusta, die hem overreedde om aan nicht Barbara vergiffenis te vragen voor dit woord.

Trouwhartig zei Dorus: "'k Doe het, omdat u het hebben wilt, jongejuffrouw, en ik zal haar zeggen, dat 't mij spijt, maar dat ze toch een serp...."

"Stil, Dorus! zoo moog je niet spreken; je hebt ongelijk," antwoordde Augusta, terwijl ze haar hand op zijn arm lei.

"Ben ik dan nu nog een kermisklant?"

"Neen, dat niet, maar je bent somtijds wel wat ruw."

"Ben ik dan een heiden, zooals zij zegt, omdat ik me in de kerk verveel en liever thuis viool studeer?"

"En waarom ga je er dan naar toe?"

"Omdat u het graag heeft; om juffrouw Barbara doe ik 't waarachtig niet."

"Zoo; maar je moet er om je zelf heen gaan."

"Om mij zelf?"

"Ja, omdat God 't wil."

"Hm! 't zal God wat kunnen schelen, of een jongen als ik in de kerk komt."

"Foei, Dorus, je moogt niet spotten." Augusta kon nauwelijks een lach bedwingen.

"Ik spot niet."

"Dat doe je wel. Je bent ook nog wel een beetje heiden want als wij aan tafel 's middags bidden, dan...."

"Dat is ook geen bidden, jongejuffrouw."

"Niet? Wat is dan bidden?"

"Dat weet ik zelf niet recht."

"Heb je dan nooit gebeden, wezenlijk gebeden?"

"Ja, éénmaal." Plotseling werd Dorus' gelaat ernstig en bleek, zijn oogen vestigden zich een oogenblik als op iets, dat in de verte alleen voor hem zichtbaar was, en hij herhaalde zachtjes: "Ja, éénmaal, toen heb ik geloof ik, wezenlijk gebeden."

Verwonderd keek Augusta hem aan, terwijl zij vroeg: "Wanneer, Dorus?"

"Toen _zij_ stierf, daar 's morgens vroeg in de herberg te Groenendaal. Ziet u, jongejuffrouw, destijds wist ik het zelf niet, maar nu geloof ik, dat ik toen gebeden heb; en zóó bidden ze in de kerk niet, ook niet op de catechisatie, waar ik naar toe moet."

"Moet?"

"Nu, waar ik naar toe ga, als u dat liever hoort; juffrouw Barbara heeft 't mij gebakken, dat ik er heen moet, om...."

"Ha, ha, Dorus, wat sla je weer door," lachte Augusta. "Dokter Abels vond het ook goed, en daarom .... Zie je wel, dat je nog een heiden bent en ruw; wie zegt er nu "gebakken".

"Ik zal het niet meer zeggen, jongejuffrouw."

Langzamerhand veranderde Dorus zoowel innerlijk als uiterlijk De invloed van de beschaafde omgeving, waarin hij zich bevond, deed zich duidelijk merkbaar gevoelen. Ontsnapte hem nu en dan nog eens een ruw woord of een onhebbelijke uitdrukking, dan was een verwijtende blik van Augusta, of een fronsen der wenkbrauwen van Tournel voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij verkeerd had gedaan. Met ijver en lust had hij zich op de studie van zijn viool-methode toegelegd, en als hij voor zijn lessenaar stond met het instrument onder de kin en den strijkstok in de hand, netjes en eenvoudig gekleed, zag hij er niettegenstaande zijne mismaakte gestalte fatsoenlijk uit.

't Kostte hem geen geringe inspanning om weer van voren af aan de geheele _Violinschule_ van Kreutzer door te studeeren, maar Tournel hield niet op om hem het groote nut van die studie voor oogen te houden, en toen een half jaar verloopen was, zei de oude muziekmeester, hem goedkeurend de hand op het hoofd leggend: "Je gaat goed vooruit, Dorus; je stand is goed, de stokvoering wordt beter en je toon is veel krachtiger. Wanneer je zóó je best blijft doen, dan kun je al gauwer dan ik dacht naar een conservatoire gaan".

Hoe glinsterden de bruine oogen van den knaap bij zulk een loftuiting, en hoe vriendelijk vroeg hij dan: "Mag ik nu ook nog eens een half uurtje phantaseeren?" Niet al te dikwijls stond Tournel het hem toe, en deed hij het, dan zei hij met een barsch gezicht: "Nu, een kwartiertje dan, maar langer niet; je speelt toch nog niets degelijks."

Dorus had eens moeten weten, dat, iederen keer als hij zijn phantasie op de viool den vrijen teugel liet, zijn mentor in de kamer beneden of er naast zat te luisteren en dat hij dikwijls Augusta riep, om met hem te hooren naar "dien wildzang", die hem herhaaldelijk de woorden ontlokte: "'t Is bepaald eenig; dat's een discipel, daar ik plezier van zal hebben."

Gedurende den tijd, dat Dorus bij Tournel in huis was, kreeg hij behalve muziek, dank zij de vrijgevigheid van dokter Abels, in allerlei andere vakken les. 't Was ongeloofelijk welke moeite de jongen zich gaf om te leeren. Het had er iets van alsof men een uitgehongerd mensch plotseling een rijk maal had voorgezet en deze alles op eens trachtte in te zwelgen.

In korten tijd maakte Dorus groote vorderingen, hij verslond boeken en noten om 't hardst; maar evenals de onverzadelijke, die te snel eet en te veel op eens, zich de maag overlaadt en onpasselijk wordt, zóó ging het ook hem. Hij zag er bleek, afgemat en zwak uit. Niemand had 't evenwel opgemerkt dan juffrouw Barbara, die niettegenstaande zij dikwijls om allerlei kleinigheden met Dorus kibbelde, den knaap toch gaarne mocht lijden en hem even goed, zoo niet beter dan een der andere huisgenooten, verpleegde en bewaakte. Zij merkte ook het eerst op, hoe Dorus begon te hoesten en te kuchen, hoe zijn eetlust verdween, en hoe zijn groote oogen mat van uitdrukking werden en diep in de kassen lagen.

"'t Is net of de jongen langer en magerder wordt," zei ze tot Tournel.

"Hij groeit, Barbara!"

"Jij laat hem te hard werken, Tournel."

"Ik?"

"Ja, jij! Je moet zoo'n jongen ook wat rust gunnen. Maar je bent altijd zoo geweest; men kan nooit genoeg doen naar jou zin; 't is jagen, jagen, jagen!"

"O, zoo, heb ik het weer gedaan?" pruttelde de musicus.

"O! dacht jij dan soms, dat ik dien jongen zoo aanzette om te studeeren? Zet nu maar zoo'n onnoozel gezicht niet; je weet heel goed, dat...."

"Dat jij vandaag weer in de "kleine terts" bent gestemd. Adieu!"

"Ja, daarmee zou jij je wel van alles willen afmaken, met dat adieu; ik zeg je, Tournel, dat ik den jongen zoo niet langer in huis wil houden. Ik bedank er voor om voor ziekenoppaster te moeten spelen."

"Maar, Barbara! de jongen studeert uit eigen beweging zooveel en...."

"Wel zeker, veeg jij je pad maar schoon; nu heeft de stakker 't zelf gedaan, hé?"

"Natuurlijk, 't is zijn eigen wil...."

"Zet jij hem dan niet elken dag meer en meer aan? 'k Word naar van dat onophoudelijke gezaag daarboven; ik hoor tegenwoordig niet anders dan études."

"Mijn goeie Barbara, bemoei jij je nu asjeblieft met de keuken en kom weer in "majeur"; wil je?"

"Die flauwe oudbakken aardigheid van je kan ik missen; begrepen?"

"Ze gaat over met een dissonant, die zich niet oplost," pruttelde Tournel, terwijl hij de deur uitging.

"Drink jij dat eens op, Dorus," zei Barbara een half uur daarna, terwijl zij hem een kop bouillon, waarin zij een ei gemengd had, voorhield; je ziet er slapjes uit. Je bent toch wel?"

"U is wel goed, juffrouw Barbara, maar ik kan het heusch niet drinken; 't staat me tegen," antwoordde de knaap, terwijl hij moede en mat op een stoel bleef zitten.

Een dag of wat later had Dorus een hevige koorts, die hem noodzaakte in bed te blijven; de koorts hield aan en een zware drukkende hoofdpijn deed hem voortdurend kreunen, terwijl hij nu en dan onverstaanbare woorden mompelde.

Dokter Abels, aan wien men kennis had gegeven, dat zijn beschermeling ongesteld was, kwam dadelijk en verklaarde, dat de knaap zich overwerkt had en dringend rust behoefde.

"Ik zal hem eens een dag of veertien bij mij buiten nemen; dat zal hem goeddoen."

Dorus hield rust, en toen de koorts voorgoed verdwenen was, bracht hem het rijtuig van dokter Abels naar diens villa. Zwak en zenuwachtig kwam hij er aan, tot ergenis van den tuinman, die bij zijn aankomst zei: "'k Kan maar niet begriepen, wat de dokter veur oarigheid an zoo'n jong hêt."

X.

OP "MON REPOS".

Dorus staat voor den spiegel in de logeerkamer van dokter Abels' villa "Mon Repos". Hij is ruim zestien jaren oud, en pas uit de ziekte, die hem vrij hevig heeft aangegrepen, hersteld.

Met de handen op de marmeren penanttafel geleund, ziet hij aandachtig naar zijn spiegelbeeld.

"'k Ben toch erg leelijk; een leelijke bochel," zegt hij met een zucht, terwijl hij zich langzaam met de hand over het voorhoofd strijkt. "Ach! ik wou, dat ik anders was..." Een oogenblik blijft hij nog in gedachten verzonken naar zijn beeld staren, glimlacht bitter en wendt zich dan af, terwijl hij in zichzelven herhaalt: "Ach God! waarom ben ik toch zoo,--'k wou, dat ik anders was."

't Venster van de net gemeubeleerde kamer staat open en de frissche, gezonde, geurige lucht dringt er in breede stroomen naar binnen.

't Is reeds najaar; de boomen en heesters van den tuin bieden aan 't oog een aangenaam rustpunt door de zachte herfstkleuren, die het groen schakeeren. De bloemperken zien er nog meestal kleurig en frisch uit, en 't gras heeft een fluweelachtige tint. Hij nadert het raam en buigt zich over de vensterbank, als hij beneden de stem van den tuinman hoort, die luide roept: "Allo vort! Wil-de wel moaken, dâ' je wegkumt, miseroabele hond; allo! vort dan!"

't Is Boppie, die des tuinmans toorn heeft opgewekt, door in de bloembedden de aard om te krabben.

Jacob, de huisknecht, staat met de handen op den rug bij de veranda en fluit schel en aanhoudend, maar tevergeefs!

Boppie amuseert zich kostelijk in de rulle aarde, rolt heen en weder, blaft en keft, en zet het eerst op een loopen, als Pieter hem een paar kiezelsteenen uit het pad achternagooit.

"Ik kan oe verzekeren, Joacob, dat ik best die'n hond nekken kos, als juffer Albertine niet zooveul op hem gesteld woar."

't Is stil in den tuin, geen windje beweegt de bladeren, en duidelijk verstaat Dorus zelfs de vrij zacht gesproken woorden van Jacob, als hij tot Pieter zegt:

"De juffrouw is net zoo gek op dat mormeldier als die jongen met zijn bochel op de juffrouw is."

"Wat meen ie, Joacob?"

"Wel, heb je nog niet gemerkt, dat hij dol op onze Albertientje is?"

"Wat zeg ie doar?" vraagt de tuinman verwonderd terug. "Minsch, minsch, 't is toch niet woar? Hie is nog 'n kiend!"

"Heb jij dan nooit gezien, hoe hij haar aankijkt? 'k Wil er een daalder onder verwedden, dat hij smoorlijk van haar is."

"Zij-de gek, Joacob, zoo'n kwoajongen, kwoalijk zestien joar old; 't om oe eiges 'n bult te lachen. Kom! de juffer is wel een joar of vief older, geleuf ik."

"Dat zou ook wat. Ik verzeker je, Pieter, dat hij haar aankijkt met een paar oogen--hmmm!--en juist altijd, als zij niet naar hem kijkt."

"Wel! wel! Harrejennig!"

"Die jongen is niet van haar af te slaan; als hij 't maar eenigszins kan, is hij bij haar. Hij loopt haar als een hond na en is zoo verliefd als een groot mensch."

"Nou ge 't zegt, hed-de geliek, dat hê 'k ook gezien, ze bent altied soamen. Ha! ha! ha! 'k zal mien eigen nog ziek lachen, als ik bedenke, dat zoo'nen bult zich wat verbeeldt. Moar ie kunt nooit wèten, meiskes hebben al roare grillen; 't kan best zîn, dat de juffer angehoald wil wezen deur...."

Meer hoort Dorus niet, want eensklaps treedt hij terug van 't venster. Bleek, met starende oogen en vast opééngeklemde lippen, staat hij een oogenblik midden in de kamer stil. De aderen aan zijn slapen zwellen op en schemeren blauwachtig door de bleeke huid; eindelijk opent zijn mond zich voor een diepen zucht. Hij grijpt werktuiglijk naar een stoel en laat er zich op neervallen. Roerloos, met de armen slap langs het lijf hangend en 't hoofd voorovergebogen, blijft hij zitten.

Wat ging daar om in dat jeugdige brein?

Hij wist het zelf niet. 't Was alsof een koude, harde hand hem uit een schoonen droom had wakker geschud; alsof, een ruwe stem hem had doen ontwaken uit een heerlijken slaap. Zonder zelf te weten welk gevoel hem bezielde, was hij van het oogenblik, dat hij weder in dokter Abels' huis kwam, gelukkig geweest in de nabijheid van Albertine, tot wie hij opzag als tot eene heilige. Zonder zich rekenschap te kunnen geven van zijne gewaarwordingen, had hij den invloed gevoeld van haar reine maagdelijke schoonheid, de weldadige uitwerking van haar zachte manieren en vriendelijke belangstelling op zijn geheele persoonlijkheid ondervonden.

Onwillekeurig had hij geluisterd naar de innerlijke stem, die zwakker of sterker zich vroeg of laat doet hooren in ieder hart. Zijn hartstochten evenwel sluimerden nog; 't was alleen het onbekende gevoel van sympathie, dat hem onweerstaanbaar tot Albertine had getrokken. Dat gevoel, uit dankbaarheid en bewondering geboren, was nog onvermengd en zuiver.

Het denkbeeld van verliefd te zijn, was nooit bij hem opgekomen; hij had alleen met schroomvalligen eerbied opgezien tot zijn weldoenster en aan 't woord liefde hij geen oogenblik gedacht. Hij was ook nog zoo jong.

't Is waar, een goedkeurende blik, een vriendelijk aanmoedigend woord van Albertine maakte hem onuitsprekelijk gelukkig en zijn oogen lazen als het ware elken wensch van hare lippen, nog vóór zij dien uitgesproken had.

Hij wilde slechts bij haar zijn, haar zien en hooren spreken; verder had hij ook niet gedacht of gewenscht. Zijn gedachten wijlden ook slechts dan bij haar, wanneer zij in zijne nabijheid was,--en dat hij haar gezelschap zocht, was geheel natuurlijk. 't Was voornamelijk door Albertines invloed dat hij al meer en meer beschaafd werd, maar evenmin als hij zelf het wist, vermoedde het meisje er iets van, dat zij zoo krachtig medewerkte om Dorus' geestes- en gemoedsleven te ontwikkelen. Zij van haar kant beschouwde hem met medelijdende belangstelling en verheugde zich even hartelijk in zijn herstel als in zijn ontwikkeling.

Het belang, dat haar vader in het lot van den knaap stelde, was de eenige drijfveer geweest, die haar tot hem had gebracht, maar toch was er iets in Dorus, wat haar, niettegenstaande zijn mismaakt figuur, tot hem trok. Waren het de zwaarmoedige bruine oogen, die, als zij tot haar opzagen, zoo kinderlijk vertrouwelijk blikten? Was het de innemende trek om den mond, of waren het de parelwitte tanden, die tusschen de welgevormde lippen schitterden? Misschien! maar zeker was het de vereeniging van een en ander met het geniale, dat, zonder dat Dorus zelf het wist, op zijn voorhoofd en in zijn oogen te lezen was.

Er ligt in den blik, in de uitdrukking der oogen van sommige menschen iets vreemds, onverklaarbaars en wonderlijks, dat aantrekt en sympathie inboezemt, ook dan zelfs, wanneer de uiterlijke lichaamsvorm in alle opzichten veel te wenschen overlaat. Soms schijnt het genie bij voorkeur krachtig en breed zijn stempel te hebben gedrukt op een gelaat, dat zonder dien afdruk onmogelijk, zelfs niet voor een kort oogenblik, de aandacht van anderen zou kunnen wekken.

Toen Dorus overwerkt en moede, bleek en koortsig op "Mon Repos" kwam, had Albertine dadelijk opgemerkt hoe groot de verandering was, die hij reeds had ondergaan. De ruwe, opvliegende knaap was zacht en gedwee geworden; zijn taal was die van een fatsoenlijk mensch, en al ontvielen hem nu en dan nog enkele uitdrukkingen, die aan zijn vroeger beroep of stand herinnerden, toch zou niemand aan hem gezegd hebben, dat hij voor nog geen jaar geleden als kermisklant in een tent meereisde.

Enkele malen was Dorus, gedurende zijn verblijf bij Tournel, op dokter Abels' villa te gast geweest, en elken keer als hij na een afwezigheid terugkwam, kon men zien welke vorderingen hij in alles maakte. Er woonde in dat wanschapen lichaam een krachtige geest, vatbaar voor elken indruk, zoowel ten goede als ten kwade, een geest, begaafd met een opmerkingsvermogen, zoo volledig en fijn, als slechts weinigen bezitten, juist en te rechter tijd onderscheidende, instinctmatig goed en kwaad schiftende, eenvoudig, natuurlijk en waar, maar gevoelig en prikkelbaar in de hoogste mate. Die prikkelbaarheid, aan alle artistieke naturen eigen, uitte zich nu eens door een snel gesproken, scherp en snijdend woord, dan weer door een zenuwachtigen lach of een traan, die, niet te weerhouden, zijn oog ontsprong. In dat jeudige gemoed trilde een snaar, die zachtkens bewogen een heerlijken toon voortbracht, maar een schrille dissonant liet hooren, zoodra zij ruw werd aangeraakt.

Hoe meer hij werkte, des te meer wilde en kon hij werken; hoe meer de factoren van zijn geest arbeidden, des te sneller en onvermoeider spanden zij zich in om alles in zich op te nemen, wat nieuw en belangrijk was.

Dorus' lichaam evenwel leed er onder. In zijn vollen groei--hij was langer en magerder geworden--stond de werkzaamheid van geest en lichaam niet in goede evenredigheid, en daarom was het juist te rechter tijd, dat dokter Abels hem noodzaakte eenige rust te nemen, door hem een kamer in zijn villa af te staan en hem het "dolce far niente" te leeren. Rust, naar lichaam en geest, was alles wat hij behoefde; hij vond beide op "Mon Repos".

't Was zoo heerlijk kalm daarbuiten en de menschen waren er zoo vriendelijk. Dokter Abels was voor hem zoo vaderlijk goed en zorgend, Albertine zoo schoon en lief; en toch was Dorus niet volmaakt gelukkig: iets ontbrak hem,--zijn viool!

"Drie weken lang mag je geen streek doen," had de dokter bevolen. "Maar, dokter," zei Dorus, "dat zal ik niet uithouden."

"Zou je denken? Probeer 't maar. Alles kan, als 't moet, als men 't ernstig wil."

"Dat zal hem in de techniek achteruitzetten", bromde Tournel.

Onverbiddelijk bleef de medicus bij zijn besluit. "Muziek hooren moog je, zooveel als je wilt. Albertine zal je alle dagen wat voorspelen, maar zelf muziek maken, niet. Zoodra je wat aangesterkt zult zijn, zal ik je viool weer uit den ban doen.--Leeren moog je ook niet."

"Maar, dokter, wat mag ik dan ?"

"Wandelen, lucht happen, naar de wolken, de bloemen, de vogels kijken, desnoods in den moestuin werken."

"En lezen, dokter?"

"Hm! van tijd tot tijd, maar alleen wat ik je geef."

"Als ik dat maar uithouden kan; ik word juist ziek, als ik niet spelen mag. Och toe, dokter, laat mij..."

"Stil! ik weet beter wat nuttig en noodig voor je is."

Dorus boog het hoofd en zweeg.

Hij dacht, dat hij 't nooit zou kunnen volhouden; maar de veranderde omgeving, de zon, de bloemen, de tuin, de gezellige toon in dokter Albels' huis deden het hunne er toe om de drie weken, die op raad van den geneesheer verdubbeld waren, te doen voorbijgaan, voordat hij het eigenlijk wist.

Tournel en Augusta waren herhaaldelijk op "Mon Repos" geweest, juffrouw Barbara een paar malen, en allen waren het eens, dat de jongen er veel beter en gezonder uitzag, minder zenuwachtig en prikkelbaar was. Tot aller verwondering was Dorus zelfs niet boos geworden, toen juffrouw Barbara, zonder hem evenwel te willen kwetsen, onnadenkend vroeg: "Vind je 't hier niet vrij wat plezieriger dan in zoo'n kermistent?"

Slechts eenmaal was Dorus weer zenuwachtig en gejaagd geweest, namelijk op een avond dat Augusta met Albertine zong.