Krates: Een Levensbeeld

Chapter 8

Chapter 84,061 wordsPublic domain

Ieder ander, minder gejaagd en zenuwachtig dan Strijkman op dit oogenblik was, zou onwillekeurig door dat gezegde op de gedachte gekomen zijn, dat vrouw Juttner reden had om de wijze, waarop zij aan het speldje gekomen was, geheim te houden. De oude man was nu echter te zeer vervuld met zijn plan, dan dat hij door den uitroep der weduwe achterdocht kreeg, en antwoordde haastig: "Neen! neen! maar ik moet je eens spreken, juffrouw. Zijn we hier alleen?"

"Kobus ligt in de bedstee en slaapt."

"Hm! en als hij eens wakker werd?"

"Dan hoort de stumperd nog niets."

"Zoo!--En de buren kunnen die niets verstaan, of...?"

"Als je zoetjes spreekt, niet. Maar, baas, wat wil je eigenlijk? Ik heb het speldje nog van mijn overleden man, en dus..."

"Ik praat niet van dat lor," antwoordde Strijkman gejaagd, terwijl hij den minst gebrekkigen stoel nam en tegenover de vrouw aan tafel ging zitten. "Ik heb wat voor jou te verdienen!"

"Zoo! Nou dat zal wat wezen! Jij bent de rechte er voor. Ja, je kijkt naar die flesch, hé? Er is een drupje in geweest. Ik heb last van kramp op de maag, begrijp je? 't Zal wat moois wezen, wat je hebt."

"Dat zal je meevallen, juffrouw. Wat zou je zeggen, als ik je vertelde, dat je voor je heele leven bezorgd kunt zijn?"

"Hè?"

"Kun jij je mond houden?"

"Als 't moet, ja; anders niet te best..."

Strijkman dacht een oogenblik na, voor hij verder sprak; het denkbeeld kwam bij hem op: "Gesteld eens, dat vrouw Juttner niet wil, dan weet zij...."

"Nou, waar prakkezeer je over? Vertrouw je me niet?'"

"Jawel, maar...."

"Als 't zoo mooi is wat je te zeggen hebt, hou dan je mond maar; 'k wil mijn vingers niet branden, versta je. 'k Verdien graag geld, maar...."

"Wat zou je zeggen, juffrouw, als ik jou jongen, Kobus, eens een groote erfenis bezorgde; misschien wel zooveel, dat hij al zijn leven geborgen was, en jij er bij...?"

"Ben je gek, baas Strijkman? Hoe zou jij..."

"Jij weet nog niet wat ik kan," grinnikte de oude, terwijl hij zijn magere knokkels wreef.

"Praatjes maken, dat kun je!"

"Hè, hè, hè, hè!.... Kijk me maar niet zoo gluiperig aan; ik loop er zoo gemakkelijk niet in; uithooren laat ik mij niet, en als ik niets zeggen _wil_...."

"Hou je je mond, dat begrijp ik wel. Hoor eens baas, ik ken je nog maar pas; maar ik heb genoeg van je gehoord, om te weten, dat jij niets doet, of je moet er aan verdienen."

"Hè, hè, hè! dacht je, dat ik niet royaal kon zijn?"

"Kom, zeur nou maar niet: jou royaligheid en de duivel z'n barmhartigheid is van één soort; kom nou maar in eens voor den dag met wat je wilt. Wat moet je met Kobus?"

"Hij is onnoozel, hé?"

"Ongelukkig, ja!"

"Zou hij--hm! zou hij zijn naam kunnen vergeten...?"

"Wat bazel je toch?"

"Ik heb het in mijn hand juffrouw, om te maken, dat Kobus een rijke jongen wordt, en...."

Een oogenblik tintelde een vonk van vreugde in het gelaat der vrouw en richtte zij haar blik op de bedstede, waar de gebrekkige knaap sliep; in het volgende zag zij Strijkman wantrouwend aan, terwijl zij fluisterend zei:

"Daar spin jij toch het meeste zij bij, ouwe duitendief!"

"Natuurlijk, ik wil er ook wat aan verdienen."

"En zeker alles en nog wat.... Wou jij mijn armen wurm gebruiken om jou rijk te maken, en hem dan misschien later met een kluitje in 't riet sturen? Ik dank je; ik moet er niets van hebben."

"Wees niet gek, mensch; wij zijn alle drie uit den brand, als jij goochem bent en meedoet...."

"Nou, spreek dan ronduit: wat wil je?"

Nog een oogenblik aarzelde de oude man, voor hij er toe overging zijn plannen aan de weduwe te vertellen, maar toch behaalde zijn begeerigheid de overwinning en vertelde hij haar de geschiedenis van Dorus Makko en de Amerikaansche erfenis, evenwel voorzichtigheidshalve verzwijgend welke papieren hij in handen had.

Vrouw Juttner's oogen schitterden, terwijl Strijkman vertelde, en toen hij geëindigd had, stak zij hem over de tafel de hand toe en zei:

"Sla toe, ouwe slimmerd, ik doe mee; maar als er wat van komt, zorg je dat ik vrijloop, en Kobus ook."

"Wat zou er van komen?"

"Je kunt niet weten: als 't gesnapt wordt, dat wij--jij," verbeterde zij snel,--"den jongen, mijn Kobus, ondergeschoven hebt, zit er misschien wat op; en daar zou ik voor passen...."

"Als jij zorgt, dat hij gelooft dat hij Dorus heet, en als hij zelf zijn mond maar dicht houdt, is er geen kwaad bij."

"Dat's gemakkelijk genoeg: de stumperd ziet bijna nooit wat."

"Des te beter.--Hm! 't zou ook niet kwaad zijn, als je verhuisde; om de buren, weet je!"

"Misschien."

"Ergens naar toe, waar niemand je kent."

"Dat kost geld...."

"Dan moet je hem wennen aan den naam van Dorus. Kan hij lezen of schrijven?"

"Wel neen, hij is nooit op school geweest."

"Zoo! dat is goed,--hè hè hè! heel goed." Strijkman wreef zich in de handen.

"Dan moet hij er verder wat knapper uitzien...."

"Mooie dingen: waar haal ik 't geld er voor vandaan ?"

"Ja, hm, dat's lastig...."

"Niets lastig: jij hebt geld genoeg. Geef me een gulden of twintig op hand, dan steek ik hem wat beter in zijn plunje, en...."

"Ho! ho! 't geld groeit me niet op den rug."

"En ik heb het niet. Zeg! er is nog een druppeltje in de flesch, 't is lavas.... Wil je ?

"'k Dank je.--Hm! dus ik zou moeten beginnen met een twintig guldens te wagen."

"Die niet waagt, die niet wint."

"Je hebt gelijk, het kan niet anders, maar het is veel geld.--Och! God, zooveel geld."

Zuchtend besloot de pandjesbaas zich deze opoffering te getroosten en haalde uit zijn vest een zeemlederen zakje te voorschijn, waaruit hij zes rijksdaalders en vijf guldens nam en die aan de weduwe overreikte met de woorden:

"Daar dan, maar wees er in Gods naam zuinig mee."

Tot laat in den nacht zat het tweetal bijeen en besprak de wijze, waarop zij zouden samenwerken om Kobus Juttner voor Dorus Makko te doen doorgaan.

Zelden was een paar meer aan elkander gewaagd dan dit. Vrouw Juttner dacht kalmer na dan Strijkman en menigmaal gedurende hun gesprek toonde zij, dat ze voor hem niet onderdeed in sluwheid.

Ze werden 't spoedig eens, hoe zij het zouden aanleggen om aan de fabel, die zij samen bedachten, allen schijn van waarheid te geven. De slotsom hunner overleggingen kwam hierop neer, dat Strijkman eerst alleen en dan met de weduwe en den knaap den procureur Verhagen zou gaan opzoeken en hem zou trachten wijs te maken, dat Dorus Makko na den dood zijns vaders geruimen tijd door de stad had gezworven en eindelijk door vrouw Juttner uit medelijden was opgenomen. De papieren zouden volgens de meening van den ouden man het verdere wel doen.

Allerlei zwarigheden kwamen hun echter, toen zij het plan bespraken, voor den geest. Wat zouden zij zeggen, indien een der vroegere buren van Dorus Makko toevallig den pseudo-Dorus zag en zich herinnerde, dat "Krates" volstrekt geen idioot was geweest?

"Hij is gevallen en suf geworden," zei Strijkman.

"Dat is te casuweel," antwoordde vrouw Juttner; "ik weet beter: hersenziekte gehad, zenuwzinkingkoorts of zoo iets; laat dat maar aan mij over... 't Treft goed, dat ik pas een maand of drie hier in de stad woon; afijn, ik zal wel zorgen, dat ik er een mouw aan pas.--En nou wat anders, baas Strijkman. Wat geef je wel aan mij en Kobus, als alles goed afloopt? Ik hou van spijkers met koppen," zeide de weduwe ten slotte, terwijl zij met de ellebogen op de tafel steunde en, met de handen onder de kin, haar overbuur strak aanzag.

"Dat zullen we later zien, juffrouw!"

"Neen, neen! vaderlief, zóó zijn we niet geschapen; eerst zeggen, hoeveel."

"Hm, hm! hoeveel dacht je?"

"Wat dacht jij?"

"Nou, ik wil 't royaal behandelen; je zult van elke honderd gulden er twintig hebben."

"Och, kom! dacht jij dat? Jongens, jongens! dat's te scheutig, Strijkman, dat neem ik niet aan."

"Niet?" vroeg de pandjesbaas verwonderd.

"Waarachtig niet, dat doe ik niet."

"Wat dacht jij dan, juffrouw?"

"We zullen eerlijk deelen, jij de helft en ik de helft, annemekannememeesamen, [3] hoor!"

"Hè? Je dolt met me."

"Waarempel niet; en als je niet gauw toehapt, dan zeg ik: jij één derde part en ik twee derde parten, want wij zijn met ons beiden."

"Dat kun je begrijpen. De helft, ik denk er niet aan..."

"Hè, hè, hè! jij kunt zonder mijn jongen niets krijgen, sliep uit!"

"Vervloekte feeks," bromde Strijkman tusschen de tanden; "als ik niet meedoe, krijg je niemendal."

"Nou, hoe denk je er over, ouwe heer: de helft of een derde? Gauw antwoord!

"En als ik niet wil, blijf jij er nuchter van."

"Och kom, denk je? Dan zal de procureur Verhagen er nog wel een aardigheidje voor overhebben om..."

"Hou je mond, vrouw Juttner," riep Strijkman verschrikt uit; "'t is goed, om de helft dan..."

"'k Dacht wel, dat je toe zoudt happen, ouwe zondaar!"

Strijkman beet zich op de lippen en vertrok. Toen hij weer op straat stond, mompelde hij: "Ze is waarachtig nog goochemer dan ik; maar wacht maar, als ik de duiten eerst heb, dan..."

Toen vrouw Juttner alleen was, bleef ze nog een oogenblik in de vlam der kaars staren en overdacht al wat zij gezegd en gehoord had.

"Een gare rot," zei ze binnensmonds; "maar ik ben ook niet van gisteren, 'k hou hem in de gaten, en afschuiven moet hij in ieder geval, al komt er niets van de zaak; 'k houd hem toch aan 't lijntje;" en terwijl zij de kaars opnam, ging zij naar de bedstede, waar haar zoon sliep.

De mismaakte knaap lag met zijn mond open te snorken. Zijn wezenlooze trekken schenen daardoor nog slapper en onaangenamer; 't weinige rosachtige haar kleefde vochtig aan zijn voorhoofd en slapen, en de rimpelige hals was nog meer in de schouders gezonken dan anders.

Met het licht in de hand stond vrouw Juttner voor het armoedige bed; zij fronste de wenkbrauwen en haar mond vertrok zich minachtend;

"'t Is toch een leelijk kind, als je hem zoo ziet," zei ze. "Was hij toch maar doodgegaan, toen hij kwam."

Zij raakte met vinger en duim zijn mond aan om dien te sluiten. De slapende jongen keerde zich om, sloeg half de oogleden open zei in zijn slaap: "Moeder."

"'t Is toch een ongelukkige, akelige stumperd, en wurm!" Zij trok de rafelende deken wat hooger om zijn schouders. "Moeder" fluisterde hij nogmaals.

"Hij is toch erg op mij gesteld. Arm schaap!" Zij schoof een stuk karpet, dat opgerold onder 't getornde hoofdkussen lag, wat dieper. "Geld zul je hebben; geld, veel geld, Kobus."

Toen haalde zij onder de bedstede vandaan een stroozak en een paar andere stukken karpetgoed, legde een er van onder haar hoofd, dekte zich met het tweede toe, blies het licht uit en sliep weldra op den grond uitgestrekt in.

IX.

BIJ TOURNEL.

Wat was er van Dorus geworden, sedert den treurigen morgen, waarop hij bij juffrouw Keetje's sterfbed knielde?

De arme knaap, die op dien ochtend alles verloren had wat hem lief en dierbaar was op de wijde wereld, was instinctmatig naar dokter Abels' woning gesneld.

Plotseling stond hij met bleeke wangen en ontdaan gelaat voor Albertine, die met haar vader in den tuin een morgenwandeling deed.

"Ze is dood, van morgen gestorven!" was alles wat hij uitbrengen kon, terwijl hij met de handen voor het gelaat op de tuinbank neerviel.

Medelijdend zagen dokter Abels en zijn dochter den armen jongen aan, die, overweldigd door zijn smart, zijn tranen hun vrijen loop liet en op niets en niemand scheen te letten.

"'k Zal wat voor dien jongen doen", zei de dokter tot Albertine, terwijl hij zijn rijtuig liet inspannen om naar de herberg te Groenendaal te rijden.

Juffrouw Keetje was begraven. Het was een aandoenlijk tooneel geweest, toen de acrobaat Carlo en de zijnen aan de afgestorvene de laatste eer bewezen. De sterke man beefde als een riet en weende luid, toen de kist in den schoot der aarde wegzonk...

"Dat is mijn ondergang," mompelde hij herhaaldelijk, toen ze van de begrafenis terugkwamen. "Dat's mijn ondergang," herhaalde hij een paar dagen later met zware tong, toen hij weer in de tent moest optreden en niet kon, omdat hij... te veel gedronken had.

Arme Carlo! ongelukkige, zwakke sterke man, te zwak om alleen te staan, uw steun, het tengere, vrouwtje is van u weggenomen en 't verdriet om haar gemis doet u terugkeeren op het pad, dat ge, door haar zachte hand geleid, zoo lang gemeden hadt. Wat Dorus betreft, hij kon niet meer in zijn hansworstenpak optreden, 't was hem onmogelijk, en trots de dreigementen van Carlo's mededirecteur Hermans bleef hij weigeren. Viool spelen wilde hij wel, maar toen Hermans 's avonds zijn spel hoorde, riep hij kwaad en driftig: "'t Lijkt wel een treurzang. Als jij zoo speelt, jaag je het publiek mijn tent uit; kijk naar Carlo, dat is eerst een kerel. Wel drinkt hij een borrel en was een paar dagen in de war, maar hij heeft toch nooit zoo goed gewerkt als nu; jij bent een sentimenteele stumperd, een huilebalk; je hadt aanspreker moeten worden."

Alleen de oude Löbell nam hem 's avonds na de voorstelling ter zijde en vroeg medelijdend: "Bin jij nou nog zoo schwermoedig, Boeckelorum? Je hebt gespielt, das ich, weiss Gott, de thränen in de augen kreeg. Jongens, wat een schade oend jammer, dat jij nicht voor de moeziek wordt opgebracht; 'k wol, dat ik geld had; ich liet je stoedeeren, wenn's auch op das jammerholz ist."

Gelukkig voor Dorus was Löbell niet de eenige, die er zoo over dacht, en had dokter Abels hetzelfde denkbeeld gekregen.

Korten tijd na Keetjes dood had hij opzettelijk in gezelschap van Albertines muziekmeester in een naburige plaats eene voorstelling van het _Théatre des Nouveautés_ bijgewoond en Dorus nogmaals hooren spelen.

De oude muziekmeester was geheel en al oor geweest, en toen hij eindelijk verrukt zei: "Die jongen kan een groot man worden; 't is een talent, zooals ik zelden heb gehoord," stond dokter Abels' besluit vast om den knaap uit de hem onwaardige omgeving te verlossen en voor de kunst te behouden.

Dorus wist niet wat hij antwoorden moest, toen de dokter hem vroeg: "Heb je lust om te studeeren voor musicus? Wil je van Carlo vandaan?" De knaap stond sprakeloos van vreugdevolle, dankbare verbazing, keek met groote verwonderde oogen dokter Abels aan, greep eensklaps zijn handen, kuste die en stotterde : "Ik kan niets meer zeggen, meneer!"

Met leedwezen zag de directie van het _Théâtre des Nouveautés_ hun hansworst vertrekken. Carlo bromde: "Dat heb je er nu van, als je een jongen van de straat opneemt; als hij wat kan, snijdt hij uit." Hermans beweerde : "Sedert hij op de viool krast, is hij voor paljas toch niet meer te gebruiken." Maar de oude Löbell zei, terwijl hij Dorus met het mondstuk van zijn pijp op 't hoofd tikte: "Doe schwerenöther! noe kann noch 'mal was rechtes aus jou werden; schade oend jammer, dat jij kein broest voor die trompete hévt! Adjé! kerlchen, mach's goed."

Het kostte Dorus weinig moeite om afscheid te nemen van het geslacht Carlo en de overige leden van het gezelschap. De toekomst lachte hem rooskleurig tegen; zijn hoogste wensch zou vervuld worden; hij zou muziek leeren! Nauwelijks kon hij aan zooveel geluk gelooven; 't overstelpte hem; hij was zenuwachtig en gejaagd, en eerst toen hij in den postwagen zat, die hem naar de stad zou brengen, werd hij kalmer.

's Avonds laat kwam hij in het huis van den muziekmeester Tournel, aan wiens zorgen zijn beschermer hem had toevertrouwd, aan, en toen hij in het kleine kamertje, dat hem als verblijf werd aangewezen, ter ruste zou gaan, zuchtte hij: "Als het maar geen droom is."

Neen! 't was geen droom; daar lag immers zijn viool op tafel; daar stond in den hoek een muzieklessenaar en daar, op den stoel, hing een nieuw pak kleeren, zoo goed als hij er nog nooit een had aangehad.

Toen hij den volgenden morgen vroeg ontwaakte, scheen de zon warm en vriendelijk in zijn kamertje, blonk glinsterend op de daken en speelde met het loof der boomen van het kleine tuintje achter het huis. Zijn oude viool scheen hem op tafel toe te lachen, 't Was alsof zij hem toeriep: "Goeden morgen! Zie je me niet? Hier ben ik."

't Was nog doodstil in huis. Hij luisterde; niets bewoog zich. Zonder gedruisch opende hij het venster; zoel en geurig stroomde de frissche morgenlucht in het vertrekje, een vogel zong in den tuin en een bij gonsde naar binnen.

Hij ademde met wellust de heerlijke lucht in. Snel kleedde hij zich aan en keek met aandacht naar de bij, die vergeefsche pogingen deed om weer naar buiten te komen.

"Szoemm! szoemm!" gonsde het insect en stootte tegen de vensterruit.

"Wou je er uit, kameraad?"

"Waf! waf! waf!" klonk een kort blaffen buiten.

"Boppie!" Dorus boog zich uit het venster.

"Waf! waf!"

"Ouwe jongen, ben jij daar? Hoe kom je hier? Ben je mij nageloopen?"

"Waf!"

"Koest dan! Boppie, koest dan, spring niet zoo op; je kunt toch niet bij mij; koest, dan, Bop!"

't Blaffen buiten ging over in een zacht gejank. 't Werd weer stil in den tuin.

"Dat's aardig," lachte Dorus in zichzelf, "hij is me nageloopen. Goed beest!" Hij zag naar buiten. Boppie lag rustig in 't grasperk en keek omhoog naar 't openstaande venster. Zijn stompje staart kwispelde onophoudelijk heen en weer, en toen hij Dorus weer aan 't raam zag, blafte hij zachtjes.

"Koest!"

"De viool op tafel ziet er vandaag heel anders uit dan gewoonlijk," dacht de knaap. "Ze is veel glimmender dan vroeger; ik wou wel eens hooren, of ze ook mooier klinkt. Ze slapen hier nog allemaal in huis; ik durf niet, ze zullen wakker worden." Hij nadert de tafel. "Zouden ze het beneden hooren?--Kijk daar zit een vezeltje aan de kwint; dat moet er toch af."

"Ting!" kwam de snaar, toen hij haar aanraakte. Dat "ting" was beslissend; hij nam de viool op en speelde pizzicato zachtjes een paar noten. De strijkstok lag nog op tafel, het zonlicht tintelde in het paarlmoeren belegsel van den stok.

"'t Is toch een mooi stokje," dacht hij. Hij greep er naar en woog het in de hand. "Hè! licht als een veer en toch sterk...." Beneden in de huisgang sloeg de klok zeven uren. "'t Is nog te vroeg om te spelen. Och, maar als ik 't heel zachtjes doe, dan hooren ze het niet."

Luchtig en licht gleed de strijkstok over de snaren; 't was een vluchtige, oppervlakkige melodie, die zachtjes door het vertrekje klonk.

Dorus speelde en vergat allengs, dat hij niet alleen in huis was; hij speelde voort,--het heerlijke zonlicht, de frissche morgenlucht bezielden hem.

"Waf! waf! waf!" blafte Boppie in den tuin; hij herkende de zangerige stem daarboven.

Dorus hoorde het niet en phantaseerde verder. "Bravo! Bravo! mijn jongen," klonk eensklaps de stem van Dorus' mentor, den muziekmeester Tournel, die zachtjes was binnengekomen.

"Bravo!" herhaalde hij, "heel aardig gespeeld; maar 't is wildzang, en als je daarmee doorgaat, komt er niets van je terecht." Verwonderd zag Dorus den heer Tournel aan, die hem een muziekboek voorhield en vervolgde: "Als je dit hebt doorgestudeerd, moog je weer eens phantaseeren. Voorloopig moet je er mee ophouden. Beloof je me dat?"

"Als het noodig is, zeker."

"Goed! berg dan nu je instrument maar op;--laat 'k het eens zien." De muziekmeester hield de viool schuins voor het venster, zoodat het licht door de S-gaten viel, zag opmerkzaam binnen in de kast en mompelde, een paar akkoorden grijpende: "'t Is een aardige viool; 't lijkt mij een Kuyper te zijn, en zij klinkt goed op de D en de G. Kom, vriendje, nu ontbijten. Augusta en Barbara wachten op ons."

"Waf! waf!" klonk het buiten.

"Dat is Boppie, mijnheer!"

Verwonderd keek de muziekmeester op, terwijl hij vroeg:

"Wat bedoel je?"

"Hij is me nageloopen."

"Wie?"

"Mijn hondje; Boppie! Mag ik hem hier bij mij houden?"

"Hm! 'k houd niet veel van honden. Ze kunnen zoo slecht tegen muziek; dat's lastig."

"O! hij niet, hij jankt nooit. Toe, meneer! laat 'k hem maar houden. Al joeg ik hem ook weg, hij zou toch iederen keer weeromkomen, en...." Dorus keek vriendelijk lachend, maar met een zweem van trots den heer Tournel aan, "'t is geen gewoon dier; hij kan op de klok zien, domino spelen en tellen."

"Dus een professor onder 't hondengeslacht," lachte Tournel.

"Waf! waf!"

Eensklaps boog Dorus zich uit het venster en riep: "Bop!"

"Waf!"

"Geef attentie, Bop! Hoeveel is tweemaal twee?" Dorus maakte een bijna onmerkbaar teeken met de hand en sprak op den echten kermistoon.

"Waf! waf! waf! waf!" blafte Bop.

"Hoort u 't?"

"Heel aardig! Nu houd hem dan maar bij je, maar je moet je afwennen om zoo raar met hem te spreken."

"Ja, meneer!"

De oude heer Tournel, aan wien voorloopig door dokter Abels Dorus' opleiding was toevertrouwd, leefde stil en bedaard met Augusta, zijn kleindochter, een wees, in de provinciestad, aan welker uiteinde de villa van den dokter stond. 't Was een vriendelijk man en een type in zijn soort: als leeraar der muziek uitstekend, als executant niet boven het middelmatige zich verheffend.

In het kleine stadje evenwel beschouwde men hem als een soort van phenomeen, want Tournel arrangeerde bij elke gelegenheid toepasselijke stukken.

Voor de zangvereeniging Polyhymnia schreef hij koren en soli, voor de gymnastiekvereeniging Hercules een feestmarsch en voor het zangkoor in de Luthersche kerk kerstliederen en paaschgezangen. Behalve orgel, Zondags in de Groote kerk, speelde hij viool en dirigeerde de orkestvereeniging Orpheus en het zanggezelschap Polyhymnia, gaf pianolessen aan de jonge dames, onderwees violoncel en leerde klarinet spelen aan den eenigen dilettant, die zich in het stadje aan dat instrument waagde.

"Methode," was zijn geliefkoosd stopwoord,--"School," het tweede, wat hij gebruikte. 't Was geheel een musicus van den ouden stempel; hij dweepte met Bach en Beethoven, vereerde Mozart, Meyerbeer en Mendelsohn, en zag met eenige minachting neer op den in de mode komenden Offenbach en andere dergelijke "muziekfabrikanten", zooals hij ze noemde.

Er lag over zijn geheele persoon een waas van klassieke waardigheid, dat bijna op de grenzen van het vermakelijke kwam. Geen zweem van artistieke losheid lag er in den vorm van zijn hoofdhaar, dat geheel achterover gekamd als door een grijzen sluier de schedelhuid liet doorschemeren. Zijn diepliggende grijsblauwe oogen zagen eenigszins mat de wereld in en met zorg gekweekte bakkebaarden, steeds kort geknipt, begrensden een paar bleeke wangen, die zich alleen dan hooger kleurden, als hij zich in Polyhymnia ergerde over de sopranen of alten, die geen maat wisten te houden, hoezeer hij ook met zijn schepter zwaaide of met den rechtervoet stampte. In zijn mond, die goed besneden, meestal vriendelijk lachte, stonden een paar tanden te veel vooruit en gaven daardoor iets zonderlings aan het overigens vrij regelmatige gelaat. Hij was gewoon een pince-nez te dragen, die hem, zoodra hij op repetitiën in vuur kwam, regelmatig van den neus viel, en hij dweepte met lange gekleede jassen, die door een staanden boord en een zwarte halsdas waardig werden ter zijde gestaan, om aan zijn geheelen persoon een deftig uiterlijk te geven. Zijne kleine handen waren bijzonder zorgvuldig verpleegd en zijn voeten staken altijd in keurig net schoeisel. Hij was van Fransche afkomst, en zij, die dit wisten, verklaarden dat hij de voorliefde en zorg voor zijn handen en voeten daaraan dankte.

Zijn kleindochter Augusta, die sedert den dood harer ouders bij hem woonde, was het zonnetje in huis; hij had zijn kleinkind, dat zoo vroeg reeds wees werd, afgodisch lief, en als het bruingelokte hoofdje van het bijna veertienjarige meisje zich vertrouwelijk tegen zijn arm legde en het fijne handje zijn wangen liefkoosde, terwijl de donkere fluweelige oogen zoo innig hartelijk in de zijne keken, was er niet veel wat de oude aan zijn kleinkind weigeren kon.

Augusta was niet bepaald mooi te noemen; het krullend, bruine haar en de prachtige oogen waren haar grootste sieraad; voor het overige was haar gezichtje goed besneden, ofschoon de ietwat te groote mond er iets onregelmatigs aan gaf.