Krates: Een Levensbeeld

Chapter 7

Chapter 74,080 wordsPublic domain

Hij las verder: "'t Is altijd jammer, dat je niet mee bent gekomen; hier in Amerika is nog wel geld te verdienen... Schrijf mij toch eens terug; je hebt mij ook niet geantwoord op mijn brief, waarbij ik je vijftig dollars zond. Ik wil je nog wel eens wat zenden, maar ik ken je zwak en zeg nogmaals: den drank moet je laten, anders wordt die je ongeluk... Jawel, jawel, dat is net zoo. Wacht, hier onderaan"--hij leest: "Hoe gaat het met Dorus? Geef hem bijgaand portret; dan kan hij zien, hoe zijn oom er uitziet; ik houd van het ventje; hij zal zich mij wel niet herinneren, want hij was maar vijf jaar, toen ik hem het laatst zag... Hm!--Vijf jaar.--Dus zes jaren lang was hij toen al weg.--Uw broeder Adriaan."

Strijkman legde het papier op tafel, vouwde het weer in de plooien en zei in zichzelven: "De zaak is zoo klaar als een klontje; er zit een erfenis in Amerika; Makko is dood en niemand anders dan de "krates" zal er recht op hebben. Jongens, jongens, Strijkman! daar is in allen gevalle voor jou wat van te halen, als je het slim overlegt. Had ik het vooruit kunnen weten, dan zou ik dien jongen bij me hebben gehouden. Wat drommel! waar zou hij zitten? Op avontuur is hij dood.--Hè, als ik dat eens zeker wist." Hij stond op, slofte met zijn handen in de zakken het kleine vertrek op en neer en begon te fluiten:

"Malbroek die vaart ten oorlog, en hij komt nooit weerom." Kwam hij maar nooit weerom, dan was de zaak gezond; maar"--hij dacht na--"als de jongen nog leeft, gaat het niet. Hm! hm!... dan zit er toch nog wat voor je op, ouwe Philip!" Hij ging naar de tafel, trommelde met de vingers op de papieren, neuriede: "tiromtom tomme tomtijne, tiromtom tomme tomtom" en zei in zichzelf: "Hè, hè, hè! Dit is Dorus Makko, deze twee stukjes papier en deze brief zijn Theodorus Johan Makko, geboren te Amsterdam, op den 12den Januari 1849, en "krates" is niemand, hè, hè hè, hè, hè." Hij lachte tot zijn roode oogen er van overliepen en wreef zich de knokkelige vingers, terwijl hij nogmaals de melodie van Malbroek floot.

"Jongens, jongens, Dorus! wat zul je moeten bloeden om die drie stukjes papier terug te krijgen, altijd als je nog leeft. Hoeveel zou zoo'n erfenis wel kunnen bedragen? Als het eens een ton was, hè! 'k Zal morgen dadelijk eens naar dien procureur gaan; 'k moet er het mijne van hebben; 'k zal het goochem aanleggen om wat te weten te komen, dat beloof ik je! En nu eerst die lieve papiertjes weer bij mekaar gedaan en den boel weer goed achter slot.--Tiromtom tomme tomtom!"

De oude pandjesbaas droomde dien nacht van een groote massa goud, die uit Amerika was gekomen. Tot aan zijn ellebogen woelde hij in de dollars, en "krates" stond er bij en kreeg niets,... niemendal!

Den volgenden morgen zocht hij zijn grijze overjas en een hoed van lage drukking op, deed, hetgeen voor hem een zeldzaamheid was, een halfhemdje voor; nam, hoewel het heerlijk droog winterweer was, een van de in pand gegeven parapluies onder den arm en begaf zich naar het kantoor van den procureur Verhagen, waar we hem hebben zien binnentreden.

Geruimen tijd heeft Strijkman in het spreekkamertje zitten wachten; hij heeft in zichzelven nog eens goed overdacht, wat hij doen en zeggen zal, en ziet eindelijk tot zijne vreugde de deur van de wachtkamer openen.

Keesje verschijnt, en met de woorden: "Wilt u maar binnenkomen," gaat hij hem voor naar het kantoor.

De koffie is gedronken, de broodjes zijn verorberd en de pennen krassen weer over het papier.

Als hij binnentreedt, wendt de heer Verhagen even het hoofd om en zegt: "Cornelis, geef mijnheer een stoel!"

"O, dank u, meneer, het is niet noodig; doet uwé geen moeite, jongeheer!" antwoordt de oude man, maar neemt toch op den aangeboden stoel plaats.

"U heeft verlangd mij te spreken?"

"Om u te dienen, meneer de avekaat."

"U is mijnheer Philip Strijkman?"

"Zooals u zegt."

"Pandjeshuishouder in de Egelantiersdwarsstraat?"

"Met uw welnemen, dat is het woord niet. Ik heb een huis van verkoop met recht van wederinkoop."

"Maar u leent toch geld op pand?"

"Tegen een zeer matige rente, meneer de avekaat."

"Hm, hm!"

"'t Is een karig stukje brood. Wanneer men medelijdend van aard is, zooals ik, is het tegenwoordig geen winstgevende zaak."

Cornelis ziet Van Blaak aan en lacht; zelfs Krasser kijkt even op, om kennis te maken met een medelijdenden pandjesbaas.

"Waarover wenschte u mij te spreken?"

Eenigszins verlegen antwoordt Strijkman: "Er is gisteren iemand vanwegens uw kantoor bij mij geweest, om naar een zekeren Makko, die op een bovenkamer bij mij in huis heeft gewoond, te informeeren."

"Juist! En wat weet u van dien Makko?"

De kalme bedaardheid van den procureur doet Strijkman niet op zijn gemak zijn; hij antwoordt dus eenigszins haperend: "Ik, ik, hm! weet alleen, dat hij dood is."

"Dat is niet veel. Heeft u den man goed gekend?"

"Jawel, meneer de avekaat; hij kwam zoo 's avonds wel, eens bij me inloopen--'t was nogal een conversabel man--en dan rookten we samen een pijpje en..."

"En dronken samen een glas."

"Excuseer, meneer! Ik gebruik hoogst zelden iets."

"Die Makko anders wel, niet waar? Ik meen te hebben gehoord, dat hij zelfs in een aanval van delirium gebleven is."

Daar had ik me bijna vergaloppeerd, denkt Strijkman: hij schijnt goed op de hoogte te zijn; ik moet uit een ander vaatje tappen. Hij vervolgt: "Och! meneer, omdat 't zoo'n goeie vrind van me was, sprak ik er niet over--ja! dat was treurig; die drank, die drank weet wat! Ik heb hem wat dikwijls gewaarschuwd en gezegd: "Klaassie, Klaassie, dat gaat den verkeerden weg op met jou, man!" Maar 't hielp niet.--'t Was anders een goede vent, meneer; hartelijk en vriendschaphoudend; hij heeft me wat dikwijls gezegd: "Strijkman, als jij zoo vaderlijk met me spreekt, dan ben ik een heel ander mensch." O! meneer de avekaat, ik heb er zoo'n hartzeer van gehad, dat hij nog zoo akelig aan zijn eind is gekomen." Hier haalt de pandjesbaas zijn bonten zakdoek uit en wischt zich de roode oogen.

"U schijnt dus nogal met hem bevriend te zijn geweest?"

"We waren, om zoo te zeggen, als twee broers. Kort voor zijn dood liet hij me een brief zien van zijn broer Janus uit Amerika; die schreef er ook nog over, en toen zei hij : "Strijkman, ik wou, dat ik het laten kon; ik wou, dat ik zoo matig was als jij."--Die broer van hem, meneer de avekaat, dat was een net mensch."

"Heeft u dien ook gekend?"

"Nog beter dan Klaas, meneer! Hij was een jaar of zeven in Amerika, toen de andere stierf. Ja! dat was een werkezel! Jammer, dat hij zoo'n teringachtige vrouw had en geen kinderen."

De procureur ziet hem van ter zijde aan en denkt: "Je schijnt met al de omstandigheden goed bekend"; maar toch vraagt hij met een zeker wantrouwen in zijn stem: "Heeft u de oproeping in het _Handelsblad_ gelezen?"

Strijkman spert zóó verwonderd zijn oogen open en zet zoo'n dom eerlijk gezicht, dat Verhagen oogenblikkelijk overtuigd is; dat hij de oproeping niet kent. Daarom zegt hij tot Van Baak: "Wil u die oproeping even voorlezen."

Terwijl Van Baak leest, glijdt een bijna onmerkbare vreugdetrek over Strijkmans gelaat. Niemand bemerkt het, en meewarig klinkt zijn stem, als hij antwoordt: "Och, is die goede Janus dood? Och! en kinderloos overleden. Dus het is zeker een erfenis, die Klaas zou gekregen hebben, als...."

De procureur valt hem in de rede door te zeggen: "Maar uw vriend Nicolaas Makko had toch kinderen?"

"Een zoontje meneer! Och! een hart van een jongen, maar een beetje speelsch en wild. Hij is op straat geloopen juist dien dag, waarop zijn vader stierf; en waar hij gebleven is, weet niemand. 'k Ben nog dikwijls heen en weer door de buurt gesjouwd om het kind te zoeken. Overal heb ik naar hem gevraagd, want ik had zoo'n medelijden met den stumper; ik was, om u de waarheid te zeggen, van plan geweest den jongen te benaderen."

"Zoo, ei! was u dat van plan geweest?"

"Ja, meneer! en ik heb waarachtig alles gedaan wat ik kon om hem weerom te vinden; maar u begrijpt, zoo'n kind van elf jaar loopt weg--vindt zijn huis niet weerom--zwerft rond, en de goede God weet"--hier begint Strijkman weer te huilen--"of het arme schaap niet in het water is geloopen! Ach God, mijnheer, 't was zoo'n lief jongetje, het is toch zonde!"

"En heb je nooit meer iets van hem gehoord?"

"Geen taal of teeken, meneer."

"En heeft die Makko niets nagelaten, geen papieren?"

"Neen, meneer de avekaat. 't Was bij hem, 't spijt me dat ik het zeggen moet, een nakende boel; hij had in den laatsten tijd, zonder dat iemand het wist, alles zijn huis uitgebracht. O die ongelukkige drank! Voordat er iemand van de buren kwam, heb ik nog gekeken of er ook iets van waarde was in de oude latafel, die er nog stond, want ik dacht: "Je kunt nooit weten, als er onbetrouwbare handen aankomen..." maar er was niets in en op de kamer, anders niet dan een paar hondenhokken, die we tot brandhout hebben geslagen. Hij was van zijn vak hondendresseerder, weet u! De oude stoelen, die er waren, en het beddegoed heb ik maar gehouden voor de achterstallige huur."

"Zoo! dus hij was u nog iets schuldig?"

"Afijn, meneer, laten we daar maar niet over spreken: de man is dood, en ik zal er zonder het geleende geld, dat hij mij nooit teruggegeven heeft, ook nog wel komen. Wat een jammer, dat die ongelukkige jongen niet te vinden is, want nu zou hij toch zeker moeten erven."

"Waarschijnlijk."

Een zonderlinge trek speelt om Strijkmans ingevallen mond en in zijn oogen gloeit een hebzuchtige vonk, als hij op schijnbaar onverschilligen toon de vraag doet:

"En is het nogal van belang, wat hij erven moet?"

Mijnheer Verhagen ziet hem met een heel klein, bijna onmerkbaar lachje om de lippen aan, terwijl hij antwoordt: "Mag ik u wel zeer bedanken voor de gegeven inlichtingen, mijnheer Strijkman? Ik ben u verplicht voor de moeite, om hier te komen, maar ik mag nu niet langer uw tijd in beslag nemen.--Cornelis, wil je mijnheer even uitlaten!"

Werktuigelijk staat de pandjesbaas bij deze kalme woorden op, neemt zijn hoofddeksel en verlaat het kantoor.

Terwijl hij de gang doorloopt, denkt hij: "Nu ben ik nog even wijs; die man laat niets los." 't Prikkelt hem verschrikkelijk, dat hij niets te weten is gekomen, en hij waagt pogingen om Keesje uit te hooren, door te zeggen:

"Dat geeft zeker veel drukte, hé, jongeheer, zoo'n erfenishistorie?"

"Pas op het treedje in de gang. Ja, vooral als het zoo'n groote is," antwoordt Keesje, die den lust niet bedwingen kan om den ouden droogstok, zooals hij hem in gedachten noemt, eens beet te nemen.

"Zoo! is 't zoo'n groote?" vraagt Strijkman, met den deurknop in de hand.

Geheimzinnig steekt Keesje het hoofd vooruit en fluistert: "Een ton of vier!--Dag meneer!"--Strijkman staat op straat. Halfluid herhaalt hij in zichzelf vol verbazing: "Vier ton!"

VIII.

PLANNEN.

"Vier ton!" Onophoudelijk herhaalde Strijkman die twee woorden in zichzelf, toen hij, weer te huis gekomen, in zijn achterkamertje zat.

"Krates! met vier ton!" altijd door klonken hem die woorden in de ooren. Hij dacht er dag en nacht over na, hoe hij destijds zoo dom had kunnen zijn den jongen niet bij zich in huis te nemen, en stelde zich levendig voor, hoe alles zou gegaan zijn, als hij het wel had gedaan.

"Je bent een ezel geweest," zij hij tot zichzelf; "had je toenmaals dien Dorus bij je in huis genomen, dan was 't zoo klaar als een klontje geweest, dat je een goede portie van die vier ton hadt ingepalmd. Ik zou wel gezorgd hebben, dat ik voogd over dien jongen geworden was, en dan..."

Strijkman dacht over het _hoe_ niet na; hij was bij al zijn geslepenheid en geldzucht toch een weinig ontwikkeld man, verblind door zijn begeerigheid en dom genoeg om geen rekening te houden met de maatschappelijke verhoudingen en wettelijke bepalingen. 't Scheen hem genoeg te weten, dat Dorus een rijke erfgenaam was en minderjarig. Zooveel wist hij van het Burgerlijk Wetboek wel af, dat elke minderjarige een voogd moet hebben; en naar zijne meening had hij, indien hij de verpleger van den knaap was geworden, op de voogdijschap het meest onbetwistbare recht gehad. Niet de minste twijfel kwam bij hem op, dat de kantonrechter in dit geval met hem wel eens van meening had kunnen verschillen. Hij geloofde, dat, als Dorus er maar was, de erfenis zoo al niet dadelijk geheel, dan toch voor een groot gedeelte onder zijn beheer zou komen; en daarom bleef het hem een voortdurende kwelling, dat hij indertijd juffrouw Ram's raad niet had opgevolgd en "Krates" had opgenomen.--Waar zou hij zijn? Zou hij nog leven? Die twee vragen hielden hem voortdurend bezig. Hij had zich vroeger nooit om den jongen of diens lot bekommerd of er over nagedacht. Nu evenwel was de knaap hem geen oogenblik uit de gedachten.

Dorus was na den dag, waarop zijn vader stierf, niet weer in de Egelantiersdwarsstraat of daaromtrent gezien. Niemand had ooit meer naar hem gevraagd. Men was hem vergeten, gelijk zooveel andere ongelukkigen vóór hem. 't Was tien tegen een, dat hij ooit weer te voorschijn kwam; er sterven gewoonlijk zooveel kinderen tusschen de 10 en 12 jaren; waarom zou Dorus ook niet... Hij kon immers in 't water zijn geloopen, overreden of gestorven zijn van gebrek en... 't Warrelde in Strijkmans brein, wanneer hij al die mogelijkheden overdacht. Langzaam aan maakte hij zichzelven wijs, dat het niet anders mogelijk kon zijn, en eindelijk stond het bij hem vast: Dorus was dood!

"Zóóveel geld!" steunde hij, "en geen cent zal ik er van zien. Ach! ach! wat een jammer! 'k Zou Dorusje op mijn handen hebben gedragen, als ik zijn voogd was geworden."

't Werd bij Strijkman een zeker soort van manie om er over te tobben; hij dacht over niets anders meer; hij treurde bepaald over het verlies van den kleinen bochel.

Nog een paar malen was hij bij den procureur Verhagen geweest, om nadere inlichtingen in te winnen omtrent de erfenis en te vernemen, of de oproepingen in de dagbladen ook gevolg hadden gehad, maar ongetroost was hij weer thuis gekomen, want.... Verhagen was zoo dicht als een pot en Dorus was en bleef verdwenen. 't Eenige wat hij van den rechtsgeleerde herhaaldelijk had vernomen, waren de woorden:

"Wij kunnen niets zeggen of doen, vóórdat de jongen zelf gevonden is."

Ruim een half jaar is voorbijgegaan; 't is zomer geweest, en de herfst is gekomen met zijn onvermijdelijk gevolg van wind en regen. Kil klettert de regen tegen de beslagen ruiten van het oude vervelooze huis in de Egelantiersdwarsstraat; 't is guur en winderig buiten, somber en ongezellig daarbinnen. De pandjeshuishouder zit op zijn hooge kantoorkruk aan zijn lessenaar, met eenige kleine pandjes en een hoop briefjes van in- en verkoop vóór zich, als een havik bij zijn prooi.

Terwijl hij daar zoo met alle aandacht de pas ontvangen zaken nog eens beziet, komt een vrouw met een jongen den winkel binnen en blijft voor de lage balie staan. Het licht der lamp, die op den lessenaar staat, wordt gedeeltelijk door het groene gazen scherm onderschept en werpt een schaduw op de binnengetredene en den naast haar staanden knaap.

Strijkman is zoo verdiept in het beschouwen der voorwerpen, dat hij niet oogenblikkelijk bemerkt, dat er iemand in den winkel is gekomen en eerst door een met gedempte stem geuit "goeden avond" opmerkzaam wordt.

"Wat wil u?" vraagt hij, even opziende.

"'k Wou vier gulden hebben op een doekspeld."

"Zoo! Ik zal je helpen.--Hm! vier gulden? Dan moet 't al een mooie speld zijn." Hij neemt de lamp, draait de pit ietwat op en plaatst haar op het tafeltje naast zijn lessenaar met de woorden:

"Laat 'k nu eens kijken!"

Als het licht op de vrouw en den jongen valt, deinst Strijkman onwillekeurig terug; zijn oogen worden onnatuurlijk groot en vestigen zich op den knaap, die hem onnoozel aanziet.

"Krates!" zegt Strijkman vrij luid, terwijl hij de lamp grijpt en omhooghoudt, om den jongen beter te kunnen zien.

"Je hoeft mijn jongen niet uit te schelden, hoor! 't Kind doet je immers niets," bromt de vrouw en ontevreden laat zij er op volgen: "Ouwe kerel, je moest je schamen; dank God, dat jij geen bochel hebt."

De pandjesbaas herstelt zich en antwoordt: "Word maar niet boos, juffrouw; ik schrikte van den jongen, omdat..." Hij voleindigt niet; want met de snelheid des lichts schiet hem nogmaals de gedachte door het hoofd: "Die jongen lijkt als twee druppels water op Krates."

"Kom! 'k heb geen uren den tijd; wil je nou 't speldje zien of niet?"

"Dadelijk, juffrouw!"

De oude man is van zijn verbazing eenigermate bekomen en neemt werktuigelijk het aangeboden voorwerp in de hand, beschouwt het opmerkzaam bij het lamplicht en vraagt: "Vier gulden, zei uwé?" Zijn oogen vestigen zich, terwijl hij spreekt, voortdurend op den jongen.

"Kun je vijf geven, des te beter!"

"Vijf? 'k Zou je danken; geen rijksdaalder."

"Geef dan maar weer hier; 't is een mooie doekspeld met een echt steentje."

"Hm! hm! echt, dat is nog de vraag." De pandjesbaas laat het kleine juweeltje, dat in den doekspeld gevat is, in het licht fonkelen, brengt het aan de punt van zijn tong, wrijft er mede over zijn mouw, neemt een loep en bekijkt het nog eens aandachtig. "Hm! 't kon toch wel een echt steentje wezen." Zijn gedachten verdeelen zich weer tusschen het speldje en den jongen. "'t Is ordinair goud.--Is dat je zoontje?"

"Ja! en wat zou dat?"

"'n Aardige jongen. Hoe oud?"

"Zestien jaar.--Hoe is 't, geef je nou vijf gulden?"

"Vijf gulden? 't Is te veel, moeder, ik kan 't niet doen.--Hoe heet hij?"

"Kobus! Maar wat gaat dat jou eigenlijk aan?"

"Och! 'k vraag 't maar zoo, juffrouw; ik houd zooveel van jongelui, weet u. 'k Zal je drie gulden vijftig geven, geen cent meer."

"Leg toch niet te zeuren, baas: 'k moet vier gulden hebben op een maand terugkoop."

"'t Kan niet! Ik geef al veel te veel, waarachtig!"

"Geef dan mijn speldje maar weerom, dan verpas ik het; ik kan bij den goudsmid elk oogenblik acht gulden krijgen."

"Gaan we nou haast heen, moeder?" vraagt de knaap, die tot nog toe gezwegen heeft, op zoo doffen, onnoozelen toon, dat Strijkman onwillekeurig den jongen scherp aanziet en aan de vrouw vraagt: "Is die jongen doof?"

"Doof? Nou, niet zoo'n klein beetje.--Hoe is 't, moet ik nog langer wachten? Je bent erg taai van avond."

"In Gods naam dan, daar heb je vier gulden op een maand, met terugkoop voor vier-gulden-vijftig;--'k zal even het briefje schrijven."

Terwijl hij aan het lessenaartje het bewijs van recht tot wederinkoop schrijft, vraagt de oude man: "Hoe heet je?"

"Weduwe Juttner, Goudsbloemdwarsstraat, boven 't water- en vuurhuis."

"Zoo, ben je weduwe?"

"Al zeven jaar.--Maak toch voort."

"Is dat je eenigst kind?"

"Ja! Kristenenzielen, wat ben jij nieuwsgierig," antwoordt de vrouw op onwilligen toon.

"Kom! kom! word nu niet knorrig, juffrouw! Ik vraag het maar alleen, omdat ik een jongen gekend heb, die sprekend op je zoontje geleek; de stakker had ook zoo'n bochel. 't Arme kind is weggeloopen..."

"'t Is wat te zeggen om zoo'n zoontje te hebben," bromt de vrouw met een ontevreden blik op den knaap, die vadsig met de handen onder de kin op de balie leunt. "Hij is van zijn tweede jaar af zoo krom gegroeid,--er was niets aan te doen,--en hij is er onnoozel bij; verstand zit er niet in. Ach God, 't is zoo'n stumperd, niet waar Kobus? Hij weet kwalijk, hoe hij heet."

Die laatste woorden vóóral treffen Strijkman. In één minuut rijpt in zijn ziel een plan en bijna ontsnapt hem een kreet van blijdschap, als hij antwoordt: "Och, is hij onnoozel; dat is jammer!"

"'t Is een bezoeking! Wat moet je met zoo'n wurm beginnen? Hij deugt nergens voor. Je zoudt zoo zeggen, 't is een doodeter. Och, voor een ander is hij niets, niemendal, maar voor mij is hij erg aanhalig, dat is waar, hoor.

--Heb je nu mijn briefje?"

"Ziedaar, juffrouw."

"Goeien avond.--Zeg goeien avond, Kobus."

De knaap hoort het niet en verlaat met zijn moeder Strijkmans winkel.

Dien nacht kon de oude pandjesbaas weer geen oog dichtdoen; onrustig woelde hij in zijn bedstede heen en weer, een paar malen zelfs stond hij op om water te drinken, want zijn tong was droog en een zenuwachtige aandoening deed zijn verhemelte branden.

't Was immers als twee druppels water Dorus. De jongen van vrouw Juttner had juist zoo'n bochel, ongeveer hetzelfde rosachtig-blonde haar.... En zestien jaren! de ouderdom zelfs kwam uit,--en dan onnoozel en doof er bij. "'t Kan niet mooier," dacht Strijkman, terwijl hij rechtop in zijn bed met de hand onder het hoofd zat te soezen... 't Warrelde in zijn brein; hij overlegde: "Die vrouw schijnt wel handelbaar te zijn. "Sakkerloot! wat een bestiering, dat die jongen juist hier moest komen; de echte "krates" is dood;--natuurlijk is hij dood, anders was hij toch wel door de oproeping in de kranten te voorschijn gekomen. We kunnen niets doen, voordat de jongen zelf gevonden is, heeft de procureur gezegd. Wel, 't kan niet mooier: de jongen _is_ gevonden. Kobus heet hij, doof is hij, Dorus-Kobus, Kobus-Dorus, 't heeft allemachtig veel van mekaar, hij zal evengoed op den roep "Dorus!" luisteren. Hè, hè, hè! oude Philip, dat is een buitenkansje. Met de papieren van den "krates" maken we van Kobus Juttner--Dorus Makko... Hè, hè, hè, hè! Dan worden we voogd en dan krijgen we geld, hè, hè, hè, hè!" Hij grinnikte van pleizier en sloeg met beide handen op zijn deken.

Eindelijk sliep Strijkman met het hoofd vol plannen in, en toen hij den volgenden morgen ontwaakte, meende hij nog, dat hij droomde, als hij aan het gebeurde van den vorigen avond dacht.

Gedurende een paar dagen overlegde de oude vrek, wat hij doen zou, en toen zijn plan geheel tot rijpheid was gekomen, zocht hij vrouw Juttner op.

De weduwe, wier zoontje Strijkmans gedachten zoozéér vervulde, was een vrouw van min of meer verdachte reputatie. Vroeger te Rotterdam gehuwd met een sjouwerman, was zij, na diens dood, gedurende eenige jaren in verschillende gezinnen als schoonmaakster werkzaam geweest, evenwel zonder ooit ergens lang of vast te blijven.

Hoogstwaarschijnlijk was dit te wijten aan haar weinig ontwikkeld begrip van het mijn en dijn. Een en ander had haar genoopt Rotterdam te verlaten en sedert eenige maanden woonde zij in de hoofdstad. Waarvan zij nu eigenlijk leefde, wist niemand; bedelen deed zij niet, ofschoon zij, zooals een van haar vroegere buurvrouwen aanmerkte: "een gezegend kind had, om bliefje-wat-te-geven mee te spelen."

"Met zoo'n kind is je kost gekocht," hadden de bedelaars van beroep, die in haar straat woonden, dikwijls met een soort van naijver gezegd, als zij den jongen zagen; maar ofschoon zij slim en sluw genoeg was om deze aanduiding te begrijpen, was zij er tot nog toe niet toe overgegaan om haar Kobus tot broodwinning te gebruiken. Misschien was er in haar ziel, hoe bedorven ook, nog een sprankje gevoel van eigenwaarde overgebleven; wellicht was het ook alleen de band van moeder tot kind, die nog niet rekbaar genoeg was geworden om haar te doen besluiten den ongelukkige te exploiteeren.

Er trilt in elke ziel, hoe laag de snaren daarvan ook gestemd mogen zijn, altijd nog een enkele, die schooner toon voortbrengen kan, als zij te rechter tijd bewogen wordt.

't Was een ellendig klein vertrekje, met een bedstede aan het eene eind en een schoorsteen met een vuurpot er onder aan den anderen kant. Een oude kist, een gebroken tafel en een paar manke stoelen maakten met eenig ander huisraad op den bezoeker den indruk, dat verval, slordigheid en verwaarloozing hier woonden.

Vrouw Juttner zat, bij een eindje kaars, het buisje van haar zoon Kobus te verstellen, toen de pandjesbaas binnentrad.

Zij schrikte, toen zij hem zag, en voordat hij iets gezegd had, stond zij op en vroeg met eenigen angst in haar stem:

"Is er wat met het speldje?"