Chapter 6
"Kri! kri! krikri! kri! krikri!" zingt de krekel, beneden achter den haard; 't is zoo stil in huis, dat men op de bovenkamer het geluid vernemen kan. Vermoeidheid en slaap overweldigen den knaap, en 't hoofd zinkt hem eindelijk op de borst.
De zieke droomt. Kille druppels parelen op haar voorhoofd en moeielijk haalt zij adem. Langzamerhand worden haar trekken kalmer. In den droom ziet zij een engel, die over haar sponde zweeft; zacht glanzen zijn vleugels, kalm en rustig is zijn aangezicht. In 't schitterend witte kleed, omstraald door zacht en liefelijk licht, nadert hij en raakt met zijn vingers haar voorhoofd aan. Met zijn vleugelen overschaduwt hij haar lichaam, en eensklaps is alle pijn en angst geweken. Een wonderzalig gevoel van rust en vrede doorstroomt haar geheele zijn; met zachte hand wischt hij haar de parels van de slapen en met den frisschen palmtak, dien hij draagt, wuift hij haar koelte toe, terwijl hij haar in 't oor fluistert:
"Heb geen angst! Ik ga u voor in 't rijk van 't eeuwig licht.... Ik ben de dood, maar ook het leven; 'k doe u inslapen, opdat gij ontwaken kunt in het onbegrepen oord, dat niemand zonder mij binnentreedt...."
Een beweging der kranke doet Dorus opschrikken en vragen:
"Wilt ge iets?"
Vrouw Keetje heeft geen herinnering van haar droom, maar als ze ontwaakt, is een weldadig, kalm gevoel haar bijgebleven.
"Kun je bidden, Dorus?"
"Bidden...? Neen!..." Ontsteld ziet hij haar aan. Bidden! wie zou 't hem hebben geleerd?
"Ik wil bidden, Dorus."
De knaap vouwt werktuigelijk de handen, als vrouw Keetje fluistert: "Onze vader, die in de Hemelen zijt"... Die in de Hemelen zijt," herhaalt onwillekeurig Dorus. Zij kent het Onze Vader niet meer, maar toch bidt zij verder: "Wees mij genadig, want Uwer is de macht........"
"Uwer is de macht," fluistert Dorus eerbiedig mede.
"....En de heerlijkheid tot in eeuwigheid, amen,"
"....In eeuwigheid, amen."
't Daagt in het oosten, 't gloort aan de kim, langzaam overwint de dag den nacht en het ruischt in de boomen als een zucht bij 't ontwaken. De eerste grijs schemerende lichtstralen dringen door het venster. De lamp op de tafel brandt flauw, de olie is verteerd; al zwakker en doffer wordt haar schijnsel; eindelijk gloeit nog slechts een randje licht aan de pit. Ook dat verdwijnt, eerst aan de eene zijde, daarna aan de andere; één vonkje nog, en dan stijgt een draaiend, lichtblauw, teringachtig rookzuiltje uit het glas omhoog. De lamp is uitgegaan.
Nog bewegen zich Keetjes lippen, maar Dorus hoort geen woorden meer; de ademhaling wordt korter en korter. Zij ziet hem nog even aan, als hij zich angstig over haar heen buigt en sidderend vraagt: "Ben je zoo benauwd?" Even beweegt zij ontkennend het hoofd, bijna onmerkbaar, dan komt de adem nog hooger; het gorgelt en borrelt in haar keel en een klein, heel klein luchtblaasje hecht zich aan een der mondhoeken. Onzichtbaar nadert de engel des doods en neemt den laatsten adem van haar trillende lippen, die hij tot een vriendelijken, gelukkigen glimlach plooit. En als hij haar zijn kus op 't voorhoofd drukt, glijdt over het geheele gelaat der vrouw een uitdrukking van oneindig kalmen vrede, die er op blijft rusten, zelfs als het marmerkoud zal geworden zijn.
Vrouw Keetje is dood!
Arme Dorus! ge weet het nog niet, ge begrijpt nog niet, dat zij, die u liefhad, is heengegaan.--Ge kust haar beide wangen, maar zij voelt het niet meer.--Ge legt uw hand op haar voorhoofd, en 't is nog warm. Schijnt het niet alsof zij u nog aanziet met die halfgesloten oogen? Maar 't is geen licht meer, dat er uit straalt.... Druk haar de oogen toe, Dorus! 't Is de laatste dienst, dien ge haar bewijzen kunt.
Bevend staat hij bij de doode; de herinnering aan het sterven van zijn vader komt een oogenblik in zijn geest op; hij huivert, als hij er aan terugdenkt, en werktuigelijk ziet hij naar den grond, als zag hij daar nog die akelig verwrongen trekken. En als hij dan de kalme uitdrukking op 't vriendelijke gelaat der vrouw ziet, barst hij eensklaps in tranen uit.
't Wordt lichter buiten. Zilveren strepen vervangen het karmozijn aan den horizont. Violette wolkjes drijven voort of smelten samen met het azuur en tintelend trilt het licht door hun floers, totdat het plotseling scheurt. Schitterend breken de zonnestralen zich baan en spiegelen zich triomfeerend in den dauwdroppel, die op de grasscheuten en bladeren beeft.
Eindelijk is het dag. De morgenwind wuift de kruinen der boomen zachtkens heen en weer, uit het gras stijgt de leeuwerik omhoog en zijn lied juicht door de lucht als een groet aan de ontwakende natuur, als een hulde aan het licht, dat alles bezielt en verwarmt.
Maar daarbinnen in de kamer luistert niemand er naar. De gestorvene hoort het niet. De knaap ligt met de handen voor het gelaat op de knieën voor het bed; hij schreit en snikt hartverscheurend.
Nog nooit heeft hij zóó geschreid, maar hij heeft ook nog nooit iemand verloren, die hem--die hij liefhad; zij was de eenigste--en nu.... hij wou, dat hij ook dood was.
"Bim Bam!--Bim Bam!" men luidt voor de vroegmis.
De vrouw in de herberg is reeds op; zij zal naar de kerk gaan... Wacht! eerst nog even naar de zieke kijken.
Met 't kerkboek in de hand gaat zij naar boven.
"Bim Bam!--Bim Bam!"
"Zou ze nog sloapen? 's Is zoo arg stille doarbinnen; dien bult is zêker ôk in in sloap gevallen. Loat ik gauw êns kiêken...."
"Bim Bam!--Bim Bam!"
"Zij de al wakker, juffer?--Za'k moar êns bie oe kommen?--'k Hè moar 'n hortjen tied!"
"Bim Bam!--Bim Bam!"
Vrouw Carels opent eindelijk de deur; zij heeft haar tijd noodig, als zij de mis niet verzuimen wil.
Ontzet treedt zij terug, wanneer zij binnenkomend de treurige groep ontwaart; en met medelijdende stem zegt ze:
"Och erm! is ze uut den tied?--Och erm! doar zul-de ôk weet af hebben, jeungske. 't Was krek 'n moeder veur oe,--niewoar?"
"Bim Bam!--Bim Bam!"
Vrouw Carels verzuimt de mis.
VII.
HET PROCUREURSKANTOOR.
"Sakkerloot! wat is het koud vandaag, ik kan mijn vingers maar niet warm krijgen, en die miserabele kachel wil niet trekken; 'k geloof, dat de wind op den schoorsteen staat." Met die woorden nam de eerste klerk op het procureurskantoor van den heer Verhagen den pook uit het haardstel, begon met een ontzettend geweld de ouderwetsche kolomkachel op te poken en veroorzaakte daardoor een geraas zoo sterk, dat de jongste bediende, die met opgetrokken knieën en de handen in de zakken op een hooge kantoorkruk zat, ongestraft het miauwen van een kat nadeed, tot groot vermaak van den tweeden klerk, die, tegenover hem zittend, op zijn vingers blies en met de voeten op zijn bankje trappelde, om ze eenigermate warm te krijgen. Mijnheer Krasser bukte zich met den pook in de hand voorover, zoodat de panden van zijn belijdenisrok, dien hij sedert onheuglijken tijd van staatsiekleed tot kantoorjas had gedegradeerd, als een zwaluwstaart achteruitstonden, waardoor zijn korte pantalon nog korter scheen en het bewijs leverde, dat het lappertje, 't welk voor hem werkte, bij het verstellen met de harmonie der kleuren geen rekening hield.
De kachel begon te snorren. Nog een paar geweldige aanvallen met den pook, en mijnheer Krasser richtte zich in zijn volle lengte op, plaatste zich met de handen op den rug voor de kachel en vestigde zijn groenachtige oogjes, die onder een paar reeds naar het grijze zweemende wenkbrauwen uitkeken, op Keesje den jongsten bediende, terwijl hij hem met een verkouden neusklank in zijn stem toevoegde:
"Jij schijnt te rentenieren vandaag!"
"Mijn vingers zijn zoo koud, mijnheer Krasser."
"Ga er op zitten, dan worden ze warm," antwoordde de eerste klerk, terwijl hij met zijn magere, stokkerige vingers de dunne, bruingrijze haarlokken, die spaarzaam op zijn hoekigen schedel verspreid lagen, bij elkander zocht; om zich daarna te overtuigen, dat het half dozijn haartjes, 't welk onder zijn kin uitbotte, nog niet afgevroren was.
"Heeft u die scheiding van tafel en bed van De Witt onderhanden?" vroeg Krasser aan Van Blaak, zijn collega, die juist begonnen was om met een houtje den inkt in den koker tot den gewenschten staat van vloeibaarheid te brengen.
"Ik dacht er juist aan te beginnen."
"En jij, Cornelis, als nu je handen eindelijk warm zijn, kunt die wisselprotesten overschrijven."
"Akkoord Van Putten," bromde binnensmonds Keesje, die intusschen bezig was met een radeermesje een inktvlak van een protocol, dat voor hem lag, af te schaven.
Het kantoor van den procureur Verhagen was in de zijkamer van zijn huis op de Heerengracht gevestigd; de oostenwind, die vlak op de ramen stond, hield de bloemen, die de wintervorst op de ruiten had getooverd, in stand, niettegenstaande de kachel bloosde van inspanning om ze te doen verdwijnen. Waarschijnlijk was ook de wind oorzaak, dat mijnheer Krasser, wiens lessenaar vlak bij de ramen stond, nog geen roeping gevoelde om zijn warm plaatsje te verlaten.
Het cylinderbureau van den procureur was gesloten; de lederen armstoel er voor stond nog ledig, en deze omstandigheid, gevoegd bij de gehoorigheid van het huis, bracht het drietal er waarschijnlijk toe, het goddelijke _festina lente_ in eere te houden.
Van Blaak geeuwde heimelijk, terwijl hij uit een doosje pennen na langdurig onderzoek een driegaatjes-pen nam en, na herhaaldelijk de deugd van het staal op den nagel van zijn linkerduim te hebben beproefd, er toe overging een houder te nemen, waar die in paste.
Keesje had een sandrakdoosje eenige malen open- en dichtgeschroefd en, na door het deksel te hebben geblazen, weer voor zich gezet, omdat hij voor die geradeerden vlek, bij rijpelijk indenken, geen sandrak noodig had. Krasser inspecteerde de kachelpijp en de schuif, keek in den kolenemmer, deed den turfbak open, overtuigde zich van den voorraad turf en blokjes, nam uit zijn hoornen doos een snuifje en maakte de geestige opmerking, "dat het geen zomer was," een aardigheid, die bij van Blaak een gegrinnik uitlokte en Keesje de gedenkwaardige woorden deed fluisteren: "Als hij van achteren braadt, is hij van voren nog koud."
De groote ouderwetsche hangklok met beweegbare scheepjes, die in de gang stond, liet tienmaal zijn klassieken slag hooren.
Met drie stappen van zijn ooievaarsbeenen begaf Krasser zich naar zijn lessenaar.
Van Blaak's pen dook in den den zwarten poel van den inktpot en op Keesjes zegel verscheen als met een tooverslag het woord "protest."
In de huisgang klonk een voetstap: de kantoordeur werd geopend en met een deftig: "goeden morgen, heeren!" verscheen de procureur Verhagen op den drempel.
Een heilige stilte heerscht in dezen tempel van Themis, als de procureur zijn schrijfbureau opent en eenige papieren ordent; zij duurt voort; totdat hij het eerwaardig grijze hoofd halverwege omwendt en met de hand langs de onberispelijk geschoren kin strijkend aan Krasser vraagt: "Wil u zoo goed zijn om mij eens even den brief uit New-York te geven; hij ligt op de G.; u weet wel, het is die brief, waarin Galway schrijft over de nalatenschap van een zekeren Makko; 'k meen, dat hij Adriaan heet."
Krasser heeft reeds bij de eerste woorden van zijn chef den brief uit het loket genomen en reikt hem nu over, terwijl hij er een Handelsblad bijvoegt.
"Hier is de brief en de krant, waarin de oproeping is geplaatst."
"Dank u." De procureur kijkt den brief even in en ontvouwt daarna de krant. Na een oogenblik zoekens legt hij het blad voor zich en leest overluid: "_Oproeping. Zij, die nabestaanden of erfgenamen zijn van Adriaan Makko, in leven handelaar in leder en huiden te Klengstown (Massachusets), overleden te New-York op den 17den_ April 1865, worden uitgenoodigd zich in hun belang aan te melden ten kantore van den procureur C.D. Verhagen te Amsterdam.--Hm, hm! we zullen haar nog eens laten plaatsen. Meneer Van Blaak, wil u die oproeping even overschrijven, met deze verandering--"_erfgenamen zijn of kunnen aanwijzen_."
De tweede klerk overtreft zichzelven in vlugheid, als hij schrijft, en de procureur vervolgt tot Krasser: "Heeft u onderzoek gedaan aan het stadhuis en bij de buurtsecretarissen?"
"Om u te dienen, mijnheer, maar't heeft tot niets geleid."
"Dus er schijnt niemand van dien naam hier in de stad te wonen. We zullen de oproeping nog eens plaatsen, en leidt dat tot geen resultaat, dan zullen we den brief ad acta leggen en aan Galway antwoorden, dat ..."
Een kloppen op de deur breekt zijn woorden af en doet hem "binnen" roepen.
't Is Janus, de kantoorlooper, die met den hoed in de hand binnentreedt. Hij legt eenige dossiers op mijnheer Verhagen's schrijftafel, met de woorden: _Gerhard versus Kist_--koud weertje, meneer,--_Legalisatie Schomberg_--hè! mijn vingers vallen haast af.--_Agema_ aanstaande week voor het hof.--Zes gulden vijf-en-veertig en een kleinen cent van Hopkamp--een brutale snuiter, meneer.--Een-en-dertig gulden zestig centen van den betaalmeester; vier-en-dertig centen af voor zegel.--Is het zoo niet akkoord, meneer?"
"In orde, Janus. Niets nieuws?"
"Neen, meneer. Ja toch; 'k heb casuweel gehoord, alsdat er voor een jaar of wat geleden in de Egelantiersdwarsstraat een zekere Klaas Makko heeft gewoond."
"Zoo; en waar?"
"Dat dacht ik wel, dat u dat vragen zou, en daarom ben ik er meteen maar op uitgesnoven en heb eens geïnformeerd. De buren wisten er mij niets anders van te vertellen, dan dat hij boven het pandjeshuis van een zekeren Strijkman een kamer had bewoond, en dat hij het lirium had gehad en daarin gebleven was."
"Zoo; dus overleden."
"Toen ben ik bij den pandjesbaas gegaan,--Och, meneer, wat een droogstok van een vent, daar is meneer Krasser, met verlof gezegd, nog vet bij."
Een onverstaanbaar gebrom en een toornige blik van den aldus gevleiden doen Keesje op zijn kruk heen en weer schudden, terwijl Van Blaak in zichzelven grinnikt: "die is goed."
Met onverstoorbare kalmte vervolgt Janus:
"De pandjesbaas woont in het benedenhuis; het ziet er daar nog al wonderlijk uit; zoo'n echte hurriewinkel--een pan, zooals ze hier zeggen--van alles door elkaar. Afijn, dat hinderde mij niet: ik maakte een praatje en zei: "Rappeleert u je, dat hier een zekere Makko heeft gewoond?"--"Jawel," zei hij; "'t was wat een likkebroer; 'k ben nog geld aan hem te kort gekomen." Toen vroeg ik: "Weet je ook of hij permetasie in Amerika had?" Hij dacht, dat het wel kon wezen, maar sekuur wist hij het niet.--Ziet u, meneer, die pandjesbaas bevalt me niet: hij heeft zoo iets raars in zijn oogen."
"Dat interesseert me niet, Janus."
"Dat interesseert uwé wel, met verlof; want ik geloof, dat die Strijkman er meer van weet, maar het niet zeggen wil."
"Hoe bedoel je dat?"
"Nou, meneer, ik kon niks meer uit hem krijgen en daarom liep ik de trap eens op en vroeg bij een paar van de buren. Niemand wist er iets van; het waren allemaal menschen, die er nog zoo lang niet woonden. Maar casuweel liep ik een juffrouw tegen het lijf, die me zei: "Ik ben er toevallig bij geweest, toen op de voorkamer de meester bij den dooie kwam, maar gekend heb ik hem niet; als je er meer van weten wilt, moet je maar eens naar juffrouw Ram gaan; een huis of drie verder in de straat heeft zij een winkeltje."--Toen daar heen."
"Maak een beetje voort, Janus! Je vertelt erg langzaam.--Cornelis, bemoei je met je werk."
"'t Protest is af, meneer!"
"Zeg dat dan," bromt Van Blaak, als hij hem over den lessenaar heen een ander blad ter overschrijving toereikt.
"Die juffrouw Ram wist er meer van en zei, dat die Makko een hondenscheerder was geweest en dat hij een heele knappe vrouw had gehad, maar dat die vóór hem gestorven was en dat hij later alleen met zijn zoontje had gewoond."
"Hm! zoo; en dat zoontje?"
"Dat noemden ze in de buurt "krates", omdat hij een bochel had. Juffrouw Ram zei, dat die jongen op den dag, waarop zijn vader stierf, was weggeloopen, en dat niemand wist waar hij gestoven of gevlogen was; en dat 't wel apparentie had, dat de jongen te water was geraakt of zoo."
"'t Is wel, dank je!... Je weet dus, summa summarum, nog niets."
"Met uw verlof, meneer, dat is wat kras gezegd ; ik dacht nogal, dat ik..."
"Neem deze stukken en breng die naar den ontvanger van de registratie, dadelijk."
Brommend keert Janus zich om, neemt zijn rosachtig schemerend hoofddeksel in de hand en vraagt bij de deur staande: "Nog iets van uw orders, meneer?"
"Dank je."
Als hij de deur uitgaat, grijpt Keesje de gelegenheid aan om, onopgemerkt door zijn patroon, een leeg pennendoosje naar Janus' hoofd te slingeren; het projectiel mist zijn doel niet; Janus steekt hem dreigend de vuist toe, Keesje toont Janus zijn tong en met een slag valt de deur dicht, zoodat Krasser een inktvlak uit zijn pen laat vallen en de procureur, het hoofd omwendend, "lomperd" zegt. Gedurende eenigen tijd krabben de pennen over het papier. Mijnheer Krasser heeft nu en dan een fluisterend onderhoud met zijn patroon en af en toe wordt Van Blaak in het gesprek gemengd. Van tijd tot tijd komen cliënten, die de kantoorschel in beweging brengen en daardoor aan Keesje de gelegenheid geven voor een oogenblik zijne zitplaats te verlaten, langer in het spreekkamertje te blijven dan noodig is en met een onverschillig gezicht de daardoor uitgelokte verwijten van Van Blaak aan te hooren.
De hangklok slaat het middaguur; de procureur staat van zijn schrijfbureau op en vraagt: "Is er nog iemand in de spreekkamer, Cornelis?"
"Neen, mijnheer."
"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken."
Bedaard verlaat hij het vertrek, en als zijn voetstappen niet meer in de gang klinken, staat Keesje bij de deur, zet de borst vooruit, trekt zijn mond in een deftige plooi, en met onmiskenbaar talent zijns meesters spraak nabootsend, zegt hij tot de anderen:
"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken."
Van Blaak lacht luidkeels en zelfs Krasser grijnst.
De bloemen op de ruiten zijn èn door de heldere winterzon èn door de warmte van de kachel ontdooid en als door een vloeibaren sluier zijn de dik berijpte boomen en de besneeuwde huizen van den overkant der gracht zichtbaar geworden. 't Is minder ongezellig in het kantoor en het wordt er zelfs behaaglijk, als juffrouw Bekker, de huishoudster, met een blad, waarop bordjes met brood en kommen koffie staan, verschijnt.
De geur der koffie verspreidt zich door het vertrek en werkt zoo opwekkend op Keesje, dat deze met één sprong de juffrouw nadert en haar de woorden ontlokt: "Je bent toch een akeligheid: altijd moet je iemand aan het schrikken maken."
"Je hebt er geen suiker ingedaan. Waarom geef je de anderen suiker en mij niet? ..."
"Zeur niet, Keesje; neem nu je kop van het blad; er is suiker in."
"Zoo? Nu, geef dien kop dan maar aan Van Blaak."
"Zeg, wil jij wel van mijn koffie afblijven!"
"Cornelis geef me mijn broodje en mijn kop koffie, en houd de juffrouw niet langer op."
"Och, meneer Krasser, die jongen is een plaag; 't is iederen dag weer hetzelfde gezanik. Een mensch staat hier net voor mal."
"Kijk dan toch uit, je morst er de helft weer overheen, ezel!" pruttelt Krasser, als Keesje het hem gevraagde in een behoorlijk hellenden stand toereikt.
"Is het nu gedaan? 'k Zal het aan meneer zeggen, hoor, naarheid!" knort juffrouw Bekker, als Keesje, na zich van het zijne te hebben voorzien, onder tegen het blad een slag geeft.
"Dag, juffrouw!"
Bons! de deur valt dicht.
"Je bent toch een traiter," zegt lachend Van Blaak, intusschen zijn broodje verorberend. Krasser staat voor het venster en ziet naar buiten; met de eene hand brengt hij zijn kop koffie aan den mond en met de andere trommelt hij op de ruit. Keesje staat voor het andere raam en zegt eensklaps met vollen mond:
"Dat is een mooie jongen!" Snel veegt hij met de hand op het glas een plek schoon en herhaalt:
"Kijk eens, Van Blaak, wat een uitgedroogde stokvisch staat hier op de stoep."
"Die man kijkt zeer onwelvoegelijk en brutaal naar binnen," merkt Krasser aan.
"Ik geloof waarachtig, dat hij hier moet wezen.... Jawel, hij leest het naamplaatje."
In de gang klinkt de huisschel. Keesje stormt naar voren en komt een oogenblik later weer binnen, terwijl hij neuriet: "Toen Pierlala lag in de kist.... Ik heb hem in het spreekkamertje gelaten; 't is net de huisbaas uit de poppenkast."
"Cornelis, ik verzoek je die onbetamelijke aardigheden op de cliënten van mijn patroon achterwege te laten; bovendien kan iemand aan zijn uiterlijk iets toe- of afdoen?"
"Ik kan het niet helpen, mijnheer Krasser; 't is ook zoo'n grappige vent, en ik laat me villen, als het niet die pandjesbaas is, waar Janus van morgen van vertelde. U is er nog vet ..."
"Ga op je plaats en gedraag je behoorlijk."
Cornelis had goed gezien: 't was Philip Strijkman, die nu bij den procureur in het spreekkamertje zat te wachten. Toen den vorigen dag de kantoorlooper Janus in de buurt, waar de pandjesbaas woonde, onderzoek had gedaan, begreep de slimme vogel, dat er allicht op de een of andere wijze een sommetje uit te halen zou zijn. Hij had daarom met de meeste omzichtigheid op de tot hem gerichte vragen geantwoord en vermoedde niet, dat Janus bij juffrouw Ram was geweest. Het kwam hem hoogst gelegen, dat er 's avonds iemand in het kantoortje verscheen, die nieuwsgierig vroeg: "Zeg eens, Strijkman, wat deed van morgen die looper van procureur Verhagen bij jou?"
"O! zoo, is 't de looper van procureur Verhagen? Ik ken hem niet."
"Hebben ze je nou eindelijk eens bij de kladden? Heb je misschien een pandje genomen, daar een luchtje aan is?"
"Neen," was 't antwoord, "'t is een particuliere zaak..." en Strijkman had zich meteen voorgenomen zoo spoedig mogelijk naar den procureur te gaan, om te weten wat er eigenlijk aan de hand was.
Toen hij 's avonds alleen in de binnenkamer zat, kwam hem de dood van den hondenkoopman voor den geest. Hij zocht een kistje, waarin hij allerlei papieren en kleinere voorwerpen van waarde had geborgen, en dat hij met zijn opgepotte geld zorgvuldig in een kleine ijzeren kist, in het zoogenaamde keldertje onder zijn kamer, weggesloten hield. Bij het schijnsel van de lamp spreidde hij den inhoud voor zich op tafel uit.
"Ha! daar hebben wij de paperassen," mompelde hij, terwijl hij de papieren, die hij eenmaal uit Makko's latafel had genomen, met oplettendheid bekeek. "Dat is de trouwakte--hier 't geboortebewijs.--Hm! wie weet, wie weet! daar is misschien een aardig stuivertje aan te verdienen. Ik heb zoo'n idee, dat ze dien Makko zoeken, omdat er hier of daar vandaan duiten voor hem losgekomen zijn. Hè, hè, hè, hij zal er niet veel aan hebben, als het zoo is. Daar is de brief en het portretje; nu zal ik hem toch eens even lezen: 't is altijd goed om op de hoogte te zijn; en het portretje,"--hij hield het bij 't licht--"nogal een goed gezicht: hij lijkt wel wat op Makko. Waarachtig! hij lijkt er veel op; alleen schijnt hij donkerder van haar te zijn. 't Kan best een broer zijn, best." Hij draaide het portretje om. "'t Lijstje is geen cent waard. Hé! daar staat iets achterop; 't lijkt wel, of het door een kind is geschreven; 't is onduidelijk. O,--o--oome!--ja dat staat er: "Oome."
Met de handen onder het hoofd las hij met ingespannen aandacht: "Klengstown, 14 Mei 1860.... Hm! Klengstown? Waar ligt dat! Zeker in Amerika.--Waarde broeder!... Dat is allemaal gezanik, daar ik toch niets van begrijp. Wacht! nu zal het komen: 't Is mij voor den wind gegaan, geld ontbreekt mij niet, ofschoon ik voor mijn zaken steeds meer noodig heb... Mijn vrouw is ziekelijk, teringachtig. Zooals gij weet, stierf mijn dochtertje verleden voorjaar."
"Ha!, ik begrijp het al, zeker die vrouw toen doodgegaan, toen hij zelf doodgegaan,--de heele boel dood; en nu, als Makko niet dood was, kwam hij aan het erven. Wie weet wat een kluit geld zoo'n man heeft nagelaten!"