Chapter 4
Een half uur later schatert het publiek het uit bij de "productiën" van den onvergetelijken hansworst Theodorus, die dezen keer zichzelven overtreft; en als hij, ouder gewoonte, aan het slot der voorstelling rondgaat, om een "douceur of drinkgeld voor den paljas", valt menig cent en ook een enkel zilverstukje in de bus en verschaft hem na de deeling eenig zakgeld, dat hij aanstonds in een kous wegstopt in een hoekje van den wagen, aan hem alleen bekend.
Bijna twee jaren was Dorus nu reeds bij Carlo's gezelschap geweest en met den tijd een bruikbaar lid er van geworden, want niemand kon zoo snel en goed als hij de honden africhten, niemand wist zoo als hij partij te trekken van alle kleinigheden en zoo goed een nieuwe vertooning met de honden en apen te bedenken en uit te voeren. Over 't algemeen mocht iedereen hem gaarne lijden, omdat hij gedienstig was en voor een vriendelijk woord alles deed, wat van hem verlangd werd. Het was onmiskenbaar, dat allen hem, niettegenstaande zijn jeugdigen leeftijd,--hij telde even dertien jaren--met een weinig meer onderscheiding behandelden dan de anderen. Hij was een stille knaap geworden, die, als hij niets te doen had, kon zitten mijmeren en droomen, terwijl hij met de handen om zijne knieën geslagen, strak voor zich heen keek. Bedaard ging hij zijn weg, deed wat hij te doen had en bemoeide zich overigens weinig met de anderen.
Na de associatie met Hermans waren er muzikanten gekomen en met hen een verandering in Dorus' wezen. Hoe slecht en valsch de muziek, die de vijf blazers maakten, ook klonk, toch was Dorus in den eersten tijd, zooals men het noemt, niet van de muzikanten weg te slaan.
Een van hen, de eerste trompetter, een Hanoveraan, was weldra zijn vriend geworden en bij hem bracht hij gewoonlijk zijne vrije oogenblikken door. Löbell was vroeger huzaar geweest, en na met een stijve knie afscheid van den dienst te hebben genomen, rondreizend muzikant geworden en eindelijk bij Hermans' gezelschap zooveel als muziekdirecteur.
De reeds bejaarde man speelde behalve trompet ook nog viool en begeleidde op dat instrument de evolutiën van miss Betty, die zich verbeeldde zwakke zenuwen te hebben en daarom minder goed tegen de schelle tonen van het blaasorkest te kunnen.
"Zou jij mij niet kunnen leeren trompet blazen," vroeg Dorus op zekeren dag, toen Löbell na de voorstelling zijn instrument in den groensaaien zak pakte, die voor dat doel bestemd was.
Lachend antwoordde de Duitscher, terwijl hij zijn dikken grijzen knevel opstreek, een groote zoogenaamde moffenpijp opstak en als een stoomboot begon te dampen: "Kottbewahre, was wol jij? Daar ist jouw broest nicht voor, daar hèv jij kein aassem voor, kleiner kerl.--Trompete blasen, das ist nicht iederein sein werk; ich hèv ze noe al dreissig jaar keblazen, maar ich hèv ooch eine broest als wie ein schmied."
"O! ik kan ook blazen," antwoordde Dorus, terwijl hij een langwerpig houten fluitje te voorschijn haalde en eene vroolijke melodie begon te spelen.
"Ei! sieh' mal, soo ein sakkermenter! Wie hèvt jou die walzer geleerd?"
"Niemand, Löbell!"
"Was?--Wie kommen jij dan so akkerat an die melodie, oend..."
"Afgeluisterd, als jelui ze speelde."
"Das ist ja ganz nett.--Gib das ding mal her."--Hij bracht het aan den mond, probeerde om er op te blazen, maar wierp het verachtelijk neer, met de woorden: "Das blaas ich kapoet: das ist spielerij, niks weerdig. Donnerwetter, jonge, hoe bring jij het fertig om da dr'op zoe spielen?--'s Ist jammerschade, dat jij zoo'n schwache broest hebt, want jij soll het wol leeren, jij hèvt ein besonders goed gehör..."
"Kun je me dan niet leeren viool spelen, Löbell?"
"Violin? Ach Gott, joenge, das ist das miserabelste instrument was existirt; ich hèv't geleerd, oend noe ich es kenne, is 't goed, maar 't ist kein instrument mit ehren. 's Ist der reinste quinkelierkasten; daar sitst keine kraft in. Goed voor zoo'n schmachtriemen von 'm schoelmeister oem sein leege maag damit zoesamen zoe schnoeren, weiter nichts."--De brave Löbell zag als een echte, trompetter met verheven minachting op elk strijkinstrument neer. "Lern jij maar eins erst goed trommelen."
"O ho! dat ken ik lang."
"Auch den roffel?"
"Wat best! Toe, Löbell, leer mij een beetje viool; 'k zal je de helft van mijn aandeel in 't douceur geven."
"Teufelskerl," bromde de Duitscher, terwijl hij den knaap, die op zijn fluitje eenige snelle loopjes blies, van ter zijde aanzag. "Sakkerment, wenn daar kein moesikant d'rin steckt, will ich ein hondsfott sein."
"Nu, Löbell, wil je? 'k Deel tusschenbeide wel een halven gulden; dat zou dan een kwartje voor jou wezen."
"Was, was! ein kwartje, bin jij toll? Wenn ich je was leer, versta je, dan ist et aus vrindjap, omdat jij zoo'n boeckelorum bint,--maar eine violinstunde voor 'n kwartje geef ik niet, das ist kein honorar!"
't Duurde niet lang, of Dorus kende de grepen van de viool. Wel is waar had hij verschrikkelijk veel onaangenaamheden ondervonden van het geslacht Carlo, dat niet de minste sympathie koesterde voor zijn muzikale studiën, en de directeur Hermans had hem reeds herhaaldelijk over dag uit de tent gejaagd, als hij de gamma's studeerde; maar Dorus hield vol, en eer drie maanden verloopen waren, speelde hij allerlei deuntjes en wijsjes, en toen nogmaals een halfjaar was verstreken, zei Löbell: "Kottorie, hij spielt bijna zoo goed wie ik! Maar 's ist oend bleibt toch ein schwaches miserabeles quinkelierinstrument: da lob ich mir die trompete, da steekt moesik d'rin."
De directeur Hermans, die eerst zijn best had gedaan om den jeugdigen violist tegen te werken, liet hem nu stil begaan, want een kostelooze versterking van zijn orkest was een vooruitzicht, dat hem aanlokte; ook de familie Carlo begon er schik in te krijgen, dat haar Dorus zoo knap werd, en juffrouw Keetje, die reeds langer dan zeven maanden sukkelde en voortdurend aan hoofdpijn leed, vroeg dikwijls: "Toe, Dorus, speel eens wat voor mij; dat fleurt me op."
De oude viool, die Löbell voor een beetje geld voor Dorus van een vakgenoot had overgenomen, was nog zoo slecht niet en de knaap wist er tonen uit te halen, waarover iedereen verstomd stond.
Wanneer hij eens of tweemaal iets hoorde, speelde hij het onmiddellijk na, en dikwijls varieerde hij het stuk zonder 't bijna zelf te weten. Het was alsof een nieuw leven voor den knaap begon; wanneer hij zijn viool in handen had gevoelde hij zich gelukkig en elke dag bracht hem eene schrede verder in de techniek, hoe gebrekkig de grondslag er toe ook gelegd was. Zonder moeite, als instinctmatig, vond hij grepen en positiën en soms verbaasde hij zichzelf over de tonen, die zijn vingers aan de snaren ontlokten.
Eens op een Zondag--de tent was in een klein stadje opgeslagen, waar op den sabbat niet gespeeld mocht worden--stond Dorus alleen op het ledige tooneel en speelde. Zijn vingers drukten werktuiglijk de snaren en even werktuiglijk liet hij dus den strijkstok op en neer gaan. Hij begon met eene bekende melodie, die hij ergens gehoord had; vaster en vaster werd zijn streek, en eindelijk phantaseerde de knaap. Zijn oogen schitterden, zijn borst zwoegde en het zweet parelde op zijn voorhoofd.
Dorus droomde op de viool. Nu eens smeltend en zacht,. als een beeld van zijne eerste kindsheid, toen moederliefde hem koesterde, dan weer woest en wild, als jammerde het in de snaren van weedom en smart, eindelijk melancholisch en zacht, klonken de tonen, die hij aan zijn instrument ontlokte. Hij speelde voort, terwijl tranen hem over de wangen liepen, maar hij merkte het niet, evenmin als hij gewaarwerd, dat Löbell achter op het tooneel was gekomen. Een schelle dissonant, als de laatste kreet van een gewonde ziel, brak zijn droomerij af; langzaam liet hij de viool zakken en staarde doelloos voor zich uit.
"Kratz noer weiter, kerlchen, kratz noer weiter!" riep eensklaps Löbell, maar met een stem zoo week, alsof 't eene moeder was, die tot haar kind sprak, en terstond daarop liet hij met zijn gewone ruwe stem volgen: "Jij bint ein schwerenöther, ein teufelskerl; daar sitzt doch wahrhaftig beina soviel musik d'rin, wie in meine trompete! Sakkerments kerl! wo hèv jou das keleerd?"
"Van jou, Löbell," antwoordde Dorus lachende, terwijl hij met welgevallen zijn viool beschouwde.
"Von mir--das soll der teufel! Ich wol, dat ich 't zoo kon, versta je?"
"Och kom, Löbell!"
"Waar hèv je die noten van dat schtuk?"
"De noten?--Wat bedoel je?"
"Ich betoel die moesiek. Ist es gedruckt?"
"Wel neen!" antwoordde Dorus verwonderd. "Ik speelde maar zoo wat uit het hoofd, wat me zoo in de gedachten kwam."
"Donneroenddoria? waar das fantasie,--alles aus de kànes gespielt?--Waarhaftig?"
"Natuurlijk, Löbell."
"Dan zeg ik, dat het sjande oend sünde ist, wenn jij nog langer den hanswoerscht macht. Jij moet stoedeeren oend dan wird der ouwe Löbell nog beleven, dat jij een virtuoos wirst."
"Een virtuoos, wat is dat?"
"Das?"--De oude trompetter streek verlegen zijn knevel.--"Das? Das ist ein kerl, die zóó moesiek macht, das die menschen sich de handen kapoet schlagen, bei 'm applaudiren, oend der liebe herr Kott das herz im leibe lacht."
Er was in Dorus' geheele zijn en wezen verandering gekomen. Hij werd stiller en teruggetrokkener dan ooit, zijn viool was zijn alles geworden en het hansworstenpak, dat hij eenmaal verheugd had aangetrokken, begon hem tegen te staan. Wel deed hij zijn plicht en werkte op de voorstellingen naar behooren mede, maar het ging niet van harte zooals vroeger, en niet ten onrechte maakte Signor Carlo de opmerking: "Die viool is het bederf van Dorus' productiën; hij heeft er zijn hoofd niet meer bij, en de honden vernegligeert hij ook; ik zal er hem eens over onderhanden nemen. Ik heb er niet tegen, dat hij speelt, maar de zaak moet er niet onder lijden."
Hij nam Dorus onderhanden, en al wat deze op de tot hem gerichte verwijten antwoordde, was: "Ik kan het niet laten, maar ik zal mijn best doen om mijn werk niet te bederven." Toen, als door een plotselinge gedachte getroffen, vroeg hij: "Laat me het hansworstenpak uittrekken, Carlo, en in het orkest spelen, dag en nacht, als je wilt."
"Waarachtig niet; ik heb nog nooit zoo'n paljas gehad! 't Publiek lacht al, zoodra het je maar ziet, en bovendien je bent een geboren paljas: 't zou zonde en jammer wezen, als je voor de kunst verloren gingt. Nu, zet maar zoo'n ongelukkig gezicht niet; je hebt het toch goed, en ik mag je graag lijden. Weet je wat, als je dan zoo graag spelen wilt, speel dan op de avondrepresentatie in je hansworstenpak een paar mopjes, dan zal ik je op het programma den "muzikalen clown" noemen".
"Maar, Carlo!"
"Wil je, of wil je niet?"
"In dat leelijke pak?" vroeg Dorus met een zucht.
"Ja, en anders ruk ik je viool in. Begrepen?"
"In Gods naam, ik zal spelen."
V.
BIJ DOKTER ABELS.
't Is een heerlijke zoele zomerdag; de lucht is vol zonneschijn, helder en blauw is de wolkelooze hemel. In de zonnestralen dartelen duizenden insecten; alles is vol warmte, leven, glans en gloed. De geur van jasmijn en kamperfoelie vervluchtigt zich in de warmte der zon. Krachtig slaat de vink in den beukeboom; vroolijk wiegt zich het roodborstje in de twijgen van het vlierbosch in den tuin.
Vol en prachtig staan de rozen in het bed te bloeien, en schitterend vereenigen verbena's en geraniums haar kleuren tot een heerlijk schoonen krans.
't Zoele windje suizelt zachtkens door de bladeren en draagt den vlinder voort, die een oogenblik in 't zonnelicht drijft, en blaast zelfs geen enkel stofje van zijn vlerkjes, die blinken als lichtgeel goud, met purperen glans overtogen.
Een waas van bloemenlucht en warmte drijft tusschen de bladeren der kastanjeboomen, of zweeft er doorheen tot in de openstaande ramen van het zacht rose getinte heerenhuis. In de ruime, sierlijk gemeubelde tuinkamer staat dokter Abels voor de opengeslagen vensters.
"Heerlijk weer, goddelijk!" zegt hij zacht en kijkt naar de lucht, naar de bloemen en den tuin. Met welgevallen ademt hij de frissche geuren van het groen in.
Buiten slaat de dorpsklok negen uren. De dokter verlaat het venster en nadert de ontbijttafel, die in het midden der kamer gereedstaat. Het keurig fijne porselein, het zilveren theeservies met de Chineesche kopjes noodigen tot aanzitten uit.
De versche eieren in het Sèvres eierenstel zien er uitlokkend uit en het sardijntje in zijn blikken doosje biedt zijn zilverkleurige lekkernij vrijmoedig aan.
De met zorg gekozen meubelen, de prachtige vleugel van Erard, de harmonische overeenstemming der kleuren van behangsel, overgordijnen en tapijt, de algeheele afwezigheid van overladen pracht, wijzen er op, dat wij ons in de woning van een ontwikkeld man van smaak bevinden.
"Reeds negen uur; Albertine is laat vandaag," zegt de dokter, terwijl hij in afwachting, dat zijne dochter de thee voor hem zal komen schenken, het fijn damasten servet, dat, in zilveren ring gerold op zijn bord ligt, ontvouwt en over de knieën legt. Hij neemt zijn mes op en draait het werktuigelijk in de hand heen en weer, terwijl hij achterover in zijn stoel ligt. Zijn vriendelijke oogen rusten daarbij als vanzelf op een vrouwenportret in crayon, dat tegenover hem in een zwarthouten lijst aan den wand hangt.
Hij zucht onhoorbaar, en het is alsof zijn oogleden rood en de hoekjes vochtig worden, terwijl, hij achterover in den stoel leunend fluistert: "Arme vrouw, je bent te vroeg heengegaan. En jij ook, Henri, mijn jongen, mijn stamhouder," voegt hij er bij; terwijl hij het grijze hoofd omwendt om naar een schuins achter hem hangende photographie te zien. Een immortellenkrans om het kleine lijstje toont aan, dat Henri de laatste was, die hem verliet. Nog een blik vol weemoed werpt hij op de beide portretten en staart dan doelloos in den tuin, waarin de vlinder in de zonnestralen dartelt, als het beeld van het herboren leven.
Feldeinwärts flog ein Vögelein Und sang im munteren Sonnenschein Mit süssem, wunderbaren Ton: Adé--ich fliege nun davon! Weit! weit! weit! Reis' ich noch heut!
zingt een glasheldere meisjesstem in den tuin. De dokter heft eensklaps het hoofd op, en een gelukkige lach speelt om zijn lippen, als hij de slanke gestalte zijner dochter voor het huis ziet verschijnen.
Weit! weit! weit! Flieg' ich noch heut!
klinkt het weer, terwijl Albertine nadert en nog buiten haar vader toeroept: "Goede morgen, papaatje! Goed geslapen?"
Met den wijsvinger dreigend, antwoordt hij: "Tientje, Tientje! wat ben je laat; ik heb op je gewacht."
Het bevallige meisje, nog steeds in de deur staande, lacht vroolijk, heft op haar beurt het fijne vingertje omhoog en antwoordt schalks: "Papaatje, papaatje! wat is u laat! Ik heb al wel een uur op u gewacht. 'k Heb de kippen gevoerd, de duiven hun eten gegeven en ik heb bloemen geplukt." Zij toont een paar rozenknoppen met een takje jasmijn en nadert met luchtigen tred haar vader, die het hoofd achteroverbuigt en zoo zijn morgenkus in ontvangst neemt. Zij steekt een rozenknopje in zijn knoopsgat, kust hem nogmaals op beide wangen en zegt lachend: "Dat is voor mijn knorrigen papa, omdat hij te laat is opgestaan."
"Je weet je aardig uit de klem te redden, Albertientje!"
"Neen, heusch, papa, ik ben al een uur op."
"Nu goed, kind, ik zal je voor dezen keer gelooven. Schenk me maar gauw een kopje thee in."
"Dadelijk, papa."
Met ongedwongen bevalligheid plaatst het meisje zich aan de tafel. Terwijl zij thee inschenkt en het ontbijt verder gereedmaakt, slaat haar vader met welgevallen elke harer bewegingen gade en denkt: "Wat ziet ze er toch lief uit; ze heeft juist de oogen van haar moeder en hetzelfde weelderige, blonde haar; 't is alsof ik mijn goede Anna verjongd en frisch weer voor me zie!" En nogmaals richt zich zijn blik op het portret tegenover hem.
Albertine ziet er werkelijk allerbekoorlijkst uit; hare rijzige gestalte komt in den met kant omzetten witten peignoir geheel tot haar recht. Op haar fijn besneden gelaat strijdt het dons van de perzik met de kleur der meiroos en der lelie om den voorrang. Achttien zomers lachen u aan uit haar groote, donkere oogen, die, door fijn gebogen wenkbrauwen overschaduwd, eenigszins vreemd afsteken bij den overvloed van aschblond haar, dat zich noode in de sierlijk gewonden wrong laat bedwingen. De wijde mouwen van den peignoir gunnen een onbescheiden blik op den poezelen ronden arm en het coquette muiltje, dat zich even van onder de plooien van haar kleed laat zien, schijnt voor een kindervoetje berekend.
"Nog een kopje, papa?" vraagt het meisje, terwijl zij met een sierlijke beweging het zilveren trekpotje opneemt.
"Zeker; en je kunt me ook nog een broodje geven."
Terwijl zij het een en ander gereedmaakt, ziet haar vader op zijn horloge en zegt: "'t Is al bijna weer tijd om uit te rijden, Tientje; nog een klein kwartiertje en..."
"En nog juist tijd genoeg om u even een wals van Chopin voor te spelen," en opstaande voegt zij er bij: "Ja, ja! ik ken mijn vadertje: zijn muziekstuk moet hij hebben voor hij uitrijdt, niet waar?"
"Kind! je bederft me!"
"Of u mij, papa!" Albertine staat op een slaat het kostbare instrument open. "Chopin, papa?"
"Neen, Tientje, speel liever iets van Mendelsohn; ik weet niet, hoe het komt, maar ik ben vandaag niet opgewekt."
"Niet; scheelt er wat aan, papa?" Het meisje wipt vlug van de pianokruk op, vat haar vaders hoofd tusschen haar beide handen en, terwijl zij hem in de oogen ziet, vraagt ze: "U is immers toch wel?"
Glimlachend ziet dokter Abels haar aan en antwoordt: "Zeker, kind ; 't is maar een van mijn mistroostige buien. Kom, speel nu, kind!"
"Zal u dan weer vroolijk worden, lieve, beste, oude papa?"
"Ja, ja, malle meid!"
Albertine preludeert even, en weldra ruischen de toonen, die haar geoefende vingers aan het schoone instrument ontlokken, door de kamer. Plotseling houdt het meisje op met spelen en vraagt:
"Papa, waarom speelt u toch nooit meer op de viool? U speelt zoo goed!"
"Och, kind!"
"En u heeft zoo'n prachtig instrument."
"'k Heb er geen tijd meer voor, Albertientje, en bovendien, sedert je moeder dood is, heb ik er den rechten lust niet meer in; wij maakten altijd samen muziek en..."
"Mama is nu al bijna twee jaren dood, is 't niet zoo papa?"
"Ja, kind, en Henri al anderhalf jaar."
't Is een oogenblik stil, doodstil in de kamer. De dokter staat langzaam op. en strijkt zich een paar malen met de hand over het voorhoofd. Albertines vingers dwalen over de toetsen. Zacht en innig klinkt de melodie van "_Es ist bestimmt in Gottes Rath_," uit den vleugel. Pianissimo eindigt zij, springt plotseling van haar zitplaats op en valt haar vader om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijn borst verbergt en zachtjes zegt: "Maar wij hebben elkaar toch nog, niet waar?"
"Ja, mijn schat, ja!"
"Mijnheer, het rijtuig is voor!" roept de knecht, die in de tuindeur verschijnt.
"Ik kom, Jakob. Adieu Tientje!"
"Dag, papa!"
Dokter Abels werpt haar, in de tuindeur staande, nog een kushand toe en begeeft zich door den tuin naar het koetshuis, waar onder de porte-cochère zijn rijtuig gereedstaat. Terwijl hij instapt, wendt hij zich tot den huisknecht, met de woorden: "Jacob, denk er om, dat je van middag wat soep brengt aan vrouw Teunissen en de flesch wijn, die in de eetkamer op het buffet staat, bij den ouden Stoffels in het Hanenstraatje. Je weet wel, waar het is?"
"Jawel, dokter, waar ik laatst dat mandje en die kleeren..."
"Juist."
Het portier valt met een slag dicht; Barend de Koetsier klapt even met de tong, de twee bruinen trekken aan, stappen de poort uit en weldra rolt het rijtuig in snelle vaart den weg op. Jacob ziet het na, en terwijl hij de groote staldeuren sluit, zegt hij bij zichzelven: "'t Is toch een goed man, die een boel voor een ander overheeft. Jammer, dat hij zoo mankeliek is tusschenbeide."
Albertine is weer aan de piano gaan zitten. Haar kleine handen glijden vaardig en snel over de toetsen; ze speelt een concertstuk. Breed en vol ruischen de accoorden der introductie en als een zoetvloeiende stroom van harmonie volgt een adagio, dat als een lied van liefde en lust tot het hart spreekt en doordringt tot het diepst der ziel; nu eens jubelen de tonen, dan weer klagen zij vol weemoed en smart.
Het meisje gevoelt, wat ze speelt; haar onberispelijke aanslag en hare vaardigheid komen heerlijk uit, als zij bij het scherzo met het meeste gemak de zwaarste passages overwint. Als een vogel, verscholen in het gebladert, juicht de discant en de basnoten klinken als een menschenstem, die zingt van weelde en van geluk.--Zij speelt voort, terwijl haar oogen schitteren en haar wangen zich hooger kleuren. Alles om haar heen heeft zij vergeten; op dit oogenblik leeft zij alleen in de muziek. Daardoor bemerkt ze ook niet, dat zij een toehoorder heeft; 't is een knaap die tegen de openstaande tuindeur geleund, ademloos toeluistert. Zijn oogen zijn strak op de liefelijke verschijning vóór hem gevestigd en met gevouwen handen luistert hij toe; geen enkele toon ontsnapt hem. Het is alsof hij de muziek, die hij hoort, in zich opneemt; alsof elke noot, elk accoord in zijn ziel weerklank vindt. Bleekheid en blos wisselen snel op zijn gelaat, zenuwachtig trillen zijne lippen en plooien zijn mond tot een weemoedigen lach of sluiten zich een seconde later weder vast op elkaar. Onbeweeglijk staat hij daar, totdat het meisje ophoudt met spelen; en alsof hij uit een betoovering ontwaakt, strekt hij de handen verlangend naar haar uit.
"Wat doe jij daar? Wat voer je daar uit?" klinkt plotseling Jakobs stem in den tuin en doet hem tot de werkelijkheid terugkeeren; maar nog is hij te zeer onder den indruk van het gehoorde, om dadelijk antwoord te kunnen geven.
De huisknecht nadert, en met de barsche woorden: "Kun jij geen antwoord geven, leelijke bochel?" vat hij hem bij den kraag en trekt hem een eind den tuin in.
Al het bloed stijgt in één oogenblik naar het hoofd van den jongen; hij rukt zich los, bukt zich en grijpt bliksemsnel een handvol zand, dat hij den knecht in het gezicht werpt.
"Vervloekte jongen!" roept Jakob, terwijl hij met een pijnlijk gelaat de eene hand naar de oogen brengt en met de andere tevergeefs hem weer poogt te grijpen. "Houd hem vast!" roept hij den tuinman toe, die het geval heeft gezien en, ijlings toegeschoten, den bultenaar stevig bij den arm neemt en heen en weer schudt.
"Laat me los!" gilt de knaap, terwijl hij vruchteloos zich aan de handen van den tuinman poogt te ontwringen.
Albertine is op het hooren van het geschreeuw in den tuin opgevlogen en staat nu tusschen de beide mannen, terwijl zij vraagt: "Wat is hier te doen, Jakob? Waarom schreeuw jelui zoo?"
Bedeesd slaat de jongen de oogen neer en doet geen verdere poging om te ontkomen, als Jakob antwoordt:
"Ik was zoo even in den stal, juffrouw, en zag hoe die gemeene bochel...." Een toornige blik van den aangewezene treft hem en ontlokt hem de woorden: "Kijk me maar zoo valsch niet aan; 'k zal je straks wel nader spreken.--'k Zag hem door de kleine deur sluipen en in den tuin gaan; er is hier dezer dagen veel slecht volk in de buurt, want met de kermis te Groenendaal zwerft allerlei gespuis rond, en ik dacht: die komt eens kijken, of hij hier wat op den kop kan tikken, 't Is zeker een jongen van een spel of zoo, dat kun je wel aan zijn plunje zien. Ik prakkezeerde zoo bij mezelven: ik zal hem stil zijn gang laten gaan en zien wat hij uitvoert. Ik zag hem langs het huis gaan en door de ramen kijken. U was net aan 't spelen, juffrouw; toen bleef hij aan de open deur staan en loerde om het hoekje naar binnen. Hij keek zeker, of er wat van zijn gading was."
"Dat lieg je."
"Houd je mond, kwajongen; ik weet, wat ik gezien heb. Toen wilde hij naar binnen gaan."
"'t Is een leugen, juffrouw, 't is een leugen!" roept hartstochtelijk de jongen, terwijl de tranen hem met kracht uit de oogen springen en over zijn bleeke wangen rollen. "Ik luisterde naar de muziek, anders niet. Laat me toch los!"