Chapter 2
Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: "Als ik den jongen neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel" (een oude schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) "missen; dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet misschien voor drie ... En dan zoo'n kijk-in-den-pot ... Neen, 'k zal vrouw Sabel maar houden."
"Nou, Strijkman, hoe denk je er over?"
"'k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.--Waar zit die jongen?"
"'k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem bij je sturen," antwoordt de juffrouw zich verwijderend.
Waar zit die jongen?
Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt kind, een jongen van ongeveer elf jaren.
Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt, rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig, zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek, iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje, een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje staart, dat rusteloos heen en weer gaat.
Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes.
"Ze bennen weg; jij was ook bang voor 't leven. Hu! wat was dat akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z'n eigen dood gedronken; 't is wel m'n vader, maar ik hield niet van hem, hij kon mij ook niet uitstaan ... 'k Heb niets geen spijt, dat hij dood is. 't Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen."
"St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij 't tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten, koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!"
Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en gaat voelend en tastend naar de deur.
"Gesloten," mompelt hij. "O! maar dat's niet erg, ik weet wel raad," en naar de vervelooze latafel gaande--de duisternis hindert hem niet, hij kent elken hoek van 't vertrek--haalt hij uit de bovenste lade een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur, terwijl hij grinnikt: "Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet, en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot."
"Komt, jongens!" fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen doen hooren. "Zoo! nu maar vooruit." Hij zet de deur wagenwijd open en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij het zevental honden de kamer uit.
Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het blaffen en 't leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt.
Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt, vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand.
De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil.
"Niets, niemendal!" bromt Strijkman. "Hoe komt die deur open?--Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek; ik ben bestolen. Wie heeft ..."
Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede.
"Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft." Met die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open.
"'n Avond, baas Strijkman," grinnikt de jongen, die met zijn beenen tegen het houten beschot trommelt.
"Satanskind! heb jij die honden losgelaten?"
"Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!"
"Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!"
Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de knaap doodkalm den ouden man in 't gelaat, terwijl hij antwoordt:
"Ze waren toch niet van jou, wel?"
"Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en..."
"Vader heeft verleden week toch de huur betaald...."
"Hou je mond, krates, en kom van dat bed af."
"Neen."
"Waarom niet?"
"Omdat je "krates" tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen."
"Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.--Allo, gauw! kom er af."
"Neen."
"Wil je niet?--Wacht ik zal je beenen maken." Strijkman grijpt een hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op.
"Sla maar toe, als je durft, maar als je 't doet, bijt ik je," en evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;--"ik ben niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij me krijgen kon. Ha! ha! ha!"
Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van 't bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan, terwijl hij nog eens sarrend herhaalt:
"Sla nou maar toe, als je kunt."
"Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden met je spreken," zegt Strijkman, met ingehouden drift.
"Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel."
"Hoe heet je dan eigenlijk?"
"Dorus."
"Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen."
"Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!"
"Nu goed dan. Ben je nu tevreden?" De zweep vliegt in een hoek.
Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep, die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: "Nou, wat moet je dan?"
"Bijdehand genoeg," mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen:
"Waar moet je naar toe?"
"Weet ik het!"
"Heb je geen oom of tante?"
"Neen."
"Geen andere familie?"
"Neen."
"Dan moet je naar 't Gesticht?"
"Mij een zorg," bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der kisten slaat; "in 't gesticht krijgen ze eten genoeg...."
"Zou je denken?" grinnikt Strijkman.
De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede wijst:
"Mag ik _hem_ daar meenemen?"
"Wie?" Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting.
"Boppie?"
"Wie is dat? Je broertje?"
"'k Heb geen broertje,--nooit gehad," antwoordt de knaap, die aanstonds daarop even fluit en met de vingers knipt.
Een kort blaffen en 't slaan van Boppie's staartje tegen de beddeplank doet den ouden man verwonderd vragen:
"Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg."
"Dan wil ik er ook niet heen.--Pst! hier Boppie, kom bij den baas."
't Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen.
"Ba! wat een mormeldier!"
"Vind je, baas?" Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: "Wij blijven bij mekaar, hé Boppie!" en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan.
Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl hij vraagt:
"Hoe kom jij aan dien sleutel?"
"Die lag altijd in de latafel, dáár!"
Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig ziet hij ze door en mompelt: "Trouwakte, geboortebewijs.--Jij heet Theodorus Johan, hé?"
"Dorus heet ik.--Laat je me nu haast de deur uit?"
"Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! 't lijkt wel een broer van Makko.--Had je nog een oom?"
"Ja! maar wat gaat jou dat aan?"
Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt: "'k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is."
De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden: "Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen op jou kriek."
"Dief!" schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij.
Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de woorden: "Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren."
De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt: "Laat me er uit! Laat me er uit! of..."
De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: "Allo! marsch dan!"
"Dief, dief!" gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor Strijkmans voeten.
"En zoo'n jongen zou ik in huis nemen," mompelt Strijkman, terwijl hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent, hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren.
Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de straat op; waarheen weet hij zelf niet.
't Is donker; 't is koud en nat in de straten, maar hij merkt het niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachten dooreen en draaien zich om één hoofddenkbeeld: "Niet weer terug naar die akelige kamer en niet naar het Gesticht."
Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht, dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen, die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij gaat verder. "Hè! 'k wou, dat ik zoo'n broodje had," zucht hij in stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, 't Spui op en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand over de pijnlijke plaats en mompelt: "Wacht maar; als ik groot ben, zal ik het hem betaald zetten! Zoo'n leelijke dief! Hé, Boppie, 't is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest dan, hondje. Kijk!" hij raapt een paar koude aardappels op, die bij een stoep liggen, "dat is voor jou, hond!" En op de vlakke hand houdt hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. "Dat is lekker, hé? Ja, smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat doet mijn rug zeer." Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan.
"Loop jij ook met lucifers?" vraagt plotseling een opgeschoten jongen met een brutaal, van de pokken geschonden gezicht, die naast hem op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes waslichtjes toont.
"Neen."
"Zoo! 't is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg; er is geen droog zout meer aan te verdienen. 'k Geef ze nou al voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen ... Waslucifers,--waslucifers! allemaal zonder vergif.--Waslucifers, heeren! ... Loop jij met een marmotje?"
"Neen."
"Wat heb je daar dan?"
"Een hondje."
"Verdien je daar centen mee?"
"Neen."
"Loop je dan niet om centen?"
"Neen."
"Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe jij voor den kost?"
"Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon."
"Waar woon je?"
"Nergens."
"Heb je dan geen vader of moeder?"
"Allebei dood."
"Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?"
"Neen. 'k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal."
"Dan ben jij een zwerver." De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam aan en zegt dan: "Zeg! je hebt een bochel."
"Dat weet ik wel."
"Daar kun je geld mee verdienen."
"Hoe zoo?"
"Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers, heeren! Allemaal goed, vijf centen 'n doos!"--De jongen staat op en gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet.
"Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!" roept Dorus den jongen achterna, terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit zijn bakje is gevallen. "Je hebt een pakje doosjes verloren." Hij staat op, loopt hem te gemoet en zegt: "Daar heb je ze terug."
"Dat is mooi van je," antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer opbergt. Daar heb je twee centen."
"Dank je, houd ze maar."
"Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?" Dorus aarzelt. "Pak aan dan!--Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze gehouden; 'k had ze verpast, hoor!"
Dorus steekt de centen in den zak.
"Ik woon in den Duivelshoek," vervolgt de jongen, "in een gang; in 't huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in van den baas uit het _Kraaiende Haantje_, daar kun je van nacht in slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg je een pak ransel."
"Ik ben niet bang voor slaag."
III.
BIJ SIGNOR CARLO.
Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde, dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen, van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De groote gele letters met zwarte randen maakten aan het "gedistingeerde publiek" kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo's honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts, vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis, waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin, bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar ineengerolde tricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes, een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor Carlo verblijf hielden.
Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord gezocht.
De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader voorgesteld als "het wonderkind Miss Betty," balanceerde half in de deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen.
"Kijk dan toch uit, Betty!" riep vrij knorrig de jongenheer Carlo junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op het hoofd staan. "Schei er liever uit, als je die flesschen telkens laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd."
"Dat zou jammer wezen," antwoordde zijn broer Paulo, die een eind verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten poedel.
"Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!" riep de heer Carlo zijn geslacht op tamelijk barschen toon toe. "Zoolang ik aan mijn toilet bezig ben, wil ik rust hebben."
De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot "productiën" in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen.
Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht, dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn geruite pantalon, zooals hij het noemde "sjiek" uit.
"Allo!" riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe, "laat eens een paar van de artisten buiten komen."
"Wie?" klonk het terug.
"Eerst Jack, dan Minca en Tom."
In den wagen blafte een hond; 't was Tom, hij had zijn naam gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met den staart tusschen de beenen, op zijn buik tot voor Carlo's voeten en keek hem toen aan met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen.
"Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet jij dat wel, hè?" Het rietje zwiepte door de lucht. "Je moest strieps hebben.--Rechtop, Minca!--Hier Jack! Moet ik je afstraffen?"
Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart.
"Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste ook niet." Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog.
"We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack." De twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo's zoon vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën begonnen.
"Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog eens! Hoepla! hoepla!--Daar heb je het waarachtig weer, net als gisterenavond! Allo, hier, Tom!" Angstig kwam de hond nader; hij trok met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! "Ik voel toch niets verkeerds," gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals: "Allo! Hoepla! Vooruit!"
Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak voor den hoepel neer.
"Kom hier!" Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep:
"Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. 't Zou wat moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; 't is de beste van den heelen troep.--Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets is gebeurd; ik vat het niet...."
"Ik wel!" klonk plotseling een stem uit den drom van jongens, die zich langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld.
"Verwonderd keek Carlo op en vroeg: "Wie zegt dat daar?"
"Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel," riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was het, vooruit.
"Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?" zei de directeur en wenkte Dorus tot zich.
Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor Carlo en zei, op den poedel wijzend: "Zie je, daar begint 't weer, dat's kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die 't gedurig weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel."
"Had jou vader er dan verstand van?"
"Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij."
"Ei!"
"Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken."
"Wat was je vader?"
"Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!"
"Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ..."
"Als je bochel zegt, vertel ik niets!"
Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan.
"Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens dichter bij, ventje."
Dorus bleef staan en schudde het hoofd.
Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken, een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd.
Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor den kunstenmaker neergezet.
"Dat's valsch!" gilde hij.
Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesd met een hoogroode kleur en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: "Nu zeg ik heelemaal niets."
"Daar zit ras in," mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden: "'k Zal je wel eens even bijlichten!"
"Sla me niet!" riep het kind. "'k Heb je toch niets gedaan; ik hoef toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je 't me vriendelijk gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ..."
Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; 't was zijn vrouw, die hem vroeg: "Laat mij eens met den jongen praten; met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de stumper er uitziet?"