Krates: Een Levensbeeld

Chapter 18

Chapter 18964 wordsPublic domain

"Wat blief je?" vraagt haar echtgenoot, verwonderd opziende.

"Kun je mij niet eens voorlezen, wat dokter Abels je schrijft?"

"Kun je luisteren, als Fritsje hier is?"

"Natuurlijk!--Stil, kindje, wees nu maar eens een oogenblik rustig.--'t Is toch zoo'n wilde baas, Dorus. Ja! goed, speel dan maar met mama's pantoffel, maar stil zijn, hoor!--Ik luister." Zij buigt zich over de leuning van den stoel, waarop haar man zit, en als haar glanzig haar zijn wangen raakt, draait hij even het hoofd om en steelt een kus van de frissche roode lippen, die zoo verlokkend dicht in zijn nabijheid komen.

"Gekke man!" meesmuilt Augusta, "lees nu liever."

"'t Begin heb je zeker al gezien, nieuwsgierige vrouw!" en lachend knikt hij haar toe, als hij lezend vervolgt:....

"uit uw laatsten brief, beste Dorus, heb ik gezien, dat ge zoo recht gelukkig zijt. Dat Augusta voor u een uitmuntende vrouw zou zijn, wist ik immers wel vooruit.--De kleine Frits, mijn petekind, groeit dus goed; dat verheugt mij bijzonder! 't Is schande, dat ik hem nog niet heb gezien, maar binnenkort hoop ik mijn schade in te halen. Tegen het begin der volgende maand denk ik u allen weer te zien; ik heb plan om over Hanover naar Berlijn te gaan en vraag bij u een dag of wat belet. Ik word oud en een paar dagen rust op reis zullen wel noodig voor mij zijn. Schrijf mij spoedig eens terug, of gij mij afwachten kunt...."

"Wat een vraag, manlief!"

"....Verder nieuws, wat uwe belangstelling wekken kan, weet ik niet. Ja toch, iets is er wel, wat u misschien zal interesseeren, namelijk dit: ik las onlangs in de krant, dat de pandjeshuishouder Philip Strijkman in arrest is genomen wegens het opkoopen van gestolen goederen. Boontje komt om zijn loontje..."

"Ha! ha! ha! ha! ha!"

"Lach je daarom, Dorus?"

"Ja, kind! ik herinner mij op eens zijn verbluft gezicht toen hij mij weerzag."

"O, zoo!"

"...En nu, beste vrienden, leeft wel. Tot ziens; in gedachten omhels ik mijn petekind en Augusta, altijd als haar echtgenoot het permitteert..."

"'t Is toch een vroolijk oud man! Ho! ho! wat is dat, Fritsje?--Augusta, pas op! hij dribbelt de tuindeur uit."

"Tatateratata! tateratatata!" schettert uit een trompet. Er roffelt een trom en aanstonds daarop klinkt een vroolijke marsch, geblazen door een zestal vagebondeerende muzikanten, met oude uniformjassen aan en petten met verschoten galons er om, op 't hoofd.

"Hier, Fritsje! hier blijven!" Augusta snelt den kleine achterna, die, aangelokt door de tonen van de blaasinstrumenten, naar buiten is geloopen.

Met het jonkske op den arm blijft zij staan luisteren bij het tuinhek, waarnaast de zes muzikanten een plekje schaduw gevonden hebben en in het zweet huns aanschijns blazen en trommelen, om een bescheiden loon te verdienen.

Dorus is haar gevolgd en merkt met verrukking op, hoe de kleine Frits zijn hoofdje op de maat der muziek heen en weer beweegt en met de armpjes zwaait, als dirigeerde hij een orkest. Als hij genaderd is en naast Augusta staat, ziet hij de muzikanten scherp aan, en voor hij er zelf aan heeft gedacht, ontsnapt de naam "Löbell!" luide zijn lippen. Verwonderd kijkt de trommelslager van den troep op en staart Dorus onderzoekend aan. De andere musici staken hun spel en blijven doodstil en verbluft zwijgen, als de trommel op eens een harden slag, met beide stokken te gelijk, krijgt en zij de wonderlijke woorden vernemen:

"Kottorie, das ist ja der Boeckeloroem! Potz Blitz, wie kommt der hier?"

Lachend antwoordt Dorus: "Goed gezien, Löbell! Ik ben het. Ziedaar, laten je vrienden zich hiervoor eens te goed doen in de herberg, en kom jij eens even bij ons in den tuin."

Een oogenblik later zit de oude Löbell op de tuinbank en Dorus tegenover hem op een stoel. Glimlachend luistert hij naar 't geen de grijze muzikant hem vertelt; en Augusta lacht hartelijk mede, als Löbell eindelijk zegt:

"Schwerenoth, noch einmal, ich hèv 't damals wol gezegd: der Boeckeloroem, da wird noch mal was rechtes draus. Noen! hèv ich nicht gelijk gehad?..."

"En blaas je geen trompet meer, Löbell?"

"'t Gaat nicht mehr; ich hèv 't asthma; die broest ist kapoet, der blasebalg taugt nicht mehr; daroem bin ich weer nach meine Heimath gezogen oend trommele mir noen mein bischen brot zoesammen."

"Arme kerel!"

"Noe! 's ist mir doch noch besser gegangen wie oenserm frühern Prinzipal Carlo."

"Hoe zoo?"

"Wel, wissen sie dass nicht: die hèvt zich voor een paar Jahren den nek gebrochen bij 't opschlaan von die tent. Es war da in die laatste Jahren auch nichts mehr los, nachdem joeffrouw Keetje todt war, lief die boel durch mekanderen.... Aber noe bitte, Herr....? Ich durf wol nicht mehr so famieljaar Doroes zeggen?"

"Zeg jij maar gerust Dorus, Löbell!"

"Herr Doroes dann! ist das je vrouw?"

"Juist!"

Plotseling staat de oude trompetter op, slaat zijn stramme beenen met de hielen tegen elkaar en zegt, de hand met militair saluut aan de muts brengend:

"Alle achtung! Oend vor dem kleinen, dicken prachtkerl da, ein donnerendes hoch! dreimal hoch!"

"Boeckeloroem!--Boeckeloroem!--Ach! entschuldige, ich meine Herr Doroes, jij hèvt een paradies gevonden. Aber," hij bukt zich en ziet naar iets, wat aan zijn voeten krabbelt, "zoo'n blinde lahme Köter von ein hoend möchte ich er doch nicht in hebben" Maar 't oude hondje goed bekijkend, roept hij eensklaps luid: "Nein! schwerenoth! ich hèv nichts gezegd, hoor!--'s Ist ja der Boppie. Noe! die hèvt zich sein Gnadenbrot wol verdiend."

AANTEEKENINGEN.

[1] Amsterdamsche volksuitdrukking voor _dood_.

[2] Veenhuizen.

[3] Bargoensche uitdrukking voor gelijk- op deelen.

[4] Bargoensch voor gevangenis.

INHOUD.

Een drama binnenshuis "Krates" Bij Signor Carlo Paljas Bij dokter Abels In den kermiswagen Het procureurskantoor Plannen Bij Tournel Op "Mon Repos" Roofvogels Bij oude vrienden Polyhymnia Nog eens roofvogels Vier jaren later Teruggekeerd Slot