Krates: Een Levensbeeld

Chapter 14

Chapter 144,094 wordsPublic domain

In de groote zaal is het bal in vollen gang; dáár gloeien de wangen steeds hooger rood, en levenslustig tintelen de oogen der dansende paren bij de opwekkende tonen der muziek.

Augusta danst onvermoeid en geniet haar jeugd... En in het kamertje, boven in Tournels bescheiden woning, is het donker en kil; daar ligt Dorus voorover, met het hoofd op het bed; in het kussen smoort hij zijn tranen en snikken. Hij is nog jong, nog geen twintig jaren, en toch heeft hij geen jeugd. Er overvalt hem een gevoel, alsof hij oud is, heel oud! te oud voor de wereld.

Hoe onstuimig klopt zijn hart, en hoe wild jaagt hem het bloed door de aderen! In gedachten hoort hij de wals _"rêve, viens encore!"_ en in den geest ziet hij, hoe Augusta in de armen van dien anderen rondzweeft. Hij haat dien man, hij zou hem kunnen vernielen en toch kent hij hem niet, toch heeft die man hem nooit eenig leed gedaan voor dezen; maar nu in dit oogenblik ontneemt hij hem ook alles.

"_Rêve, viens encore!_" zegt hij in gedachten, als hij zich voorstelt, hoe hij een kort oogenblik gedroomd heeft, dat Augusta hem liefhad. Zij is reeds als knaap zijn droombeeld geweest, zonder dat hij er eigenlijk besef van had: dat merkt hij, dat gevoelt hij eerst nu; juist nu, omdat hij haar verloren heeft, op het oogenblik, waarop hij haar meende te vinden.

Dorus is alleen, niemand bekommert zich over hem. Ja toch wel! die kleine hond, Boppie. Tevergeefs springt hij tegen Dorus op, krabbelt aan het bed en kwispelt met zijn stompje staart. 't Helpt hem niet; zijns meesters gedachten toeven elders, en hij let niet op 't trouwe dier, dat eerst gaat opzitten om aandacht te wekken, dan zachtjes jankt en eindelijk, moede van 't vruchteloos pogen, zich aan de voeten van "den baas" neervlijt.

De ijzige wind daarbuiten is bedaard en de witte ijskristallen en vlokken liggen rustig op de daken of samengewaaid en opgestapeld in vensterhoeken en kozijnen, als rustten zij uit van hun dwarrelenden tocht. De oude torenklok slaat "drie". Dorus hoort het niet! Helder schijnt de maan op de bevrozen ruiten van 't venster, maar hij ziet de ijsbloemen niet op het glas, beschenen door het koele licht der maan. Toch zijn zij in vele opzichten het beeld van hetgeen het leven biedt.

Bloemen geeft hem de kunst door zijn talent. Schoon zijn ze, schitterend en blinkend als de ijskristallen, koel en koud; het kalme licht der maan doodt ze niet, maar voor den warmen zonneschijn verdwijnen ze en komen niet terug. Arme Dorus, warmte en zonneschijn, liefde en geluk, dat is het wat gij zoekt, wat gij mist, waar ge thans om schreit en snikt, als wilde het hart u breken; waarom ge nu wenscht te mogen, te kunnen sterven.

Den volgenden dag sliepen allen in Tournels huis buitengewoon lang, en toen eindelijk Dorus niet aan de ontbijttafel verscheen, ging Tournel naar zijn kamer, om te zien, of hij soms ongesteld was geworden, maar kwam eenige oogenblikken later verwonderd terug met een beschreven papier in de hand.

"Zoo iets heb ik nog nooit beleefd. Wat een wonderlijke gril is dat nu!--Dorus is vertrokken!"

"Wat zeg je, Tournel, is hij weg?"

"Waarom, grootvader?"

"Daar, lees, of neen, luister!"

Beste vrienden!

"Verwondert u niet, dat ik vertrokken ben; ik moest weg, en ga naar 't conservatoire terug. 'k Heb gisterenavond gemerkt, wat mij ontbreekt: 't is onnoemelijk veel; ik ga weer studeeren. Hartelijk dank voor alles, wat ik bij u genoten heb; ik zal deze dagen nooit vergeten, nooit en nimmer! Vaartwel en leeft gelukkig.

Dorus."

"Heb je nu ooit zoo iets beleefd?"

"Wil ik je eens wat zeggen, Tournel, hij schaamt zich."

"Hij zich schamen! Waarom?"

"Omdat hij gisterenavond, of liever van nacht, dronken, thuis is gekomen."

"Wat zeg je daar, Barbara, hij, Dorus, dronken?"

"Hij kon niet eens goed loopen, zeg ik je."

"Dat's niet waar, nicht Barbara, dat is onmogelijk waar, dat geloof ik nooit!"

"Kijk eens aan, hoe je partij voor hem trekt. Wel! wel! men zou haast zeggen, dat je...."

"Nu, wat dan?" Augusta's oogen fonkelen, en zij kleurt even.

"Dat je wat voor hem voelde."

"Dat doe ik ook."

"Ei! ei!"

"Ik beschouw hem als een broer, als een besten vriend, van wien ik heel veel houd, en daarom wil ik niets hooren, dat...."

"O, zoo!"

Hoofdschuddend zegt de grijze Tournel:

"Dronken! Ik kan het haast niet gelooven; 't zou verschrikkelijk zijn."

XIV.

NOG EENS ROOFVOGELS.

"Dus je wilt met mij trouwen, Strijkman?"

"Zooals ik zei."

"Is 't waarachtig? Kom je daar nu weer mee aan? Voor anderhalf jaar geleden heb ik immers al gezegd, dat ik volstrekt geen idee in je heb. Begin je nu weer?"

"Wat ik zeg, meen ik."

"Ha! ha! ha! ha!"

"Lach je daarom?"

"Hè! hè! hè! hè! hij vraagt me voor den tweeden keer! Hè! hè! hè!"

"'t Is niet om te lachen, vrouw Juttner!"

"Neen, 't is om te huilen! Och, Strijkman, hou as-je-blieft op, ik zou me een ongeluk lachen." En herhaaldelijk met de handen op de knieën slaande, giert de weduwe het uit van pret, terwijl zij den tegenover haar zittenden pandjesbaas aanziet.

"Je lijkt wel mal!"

"Ha! ha! ha! wat verbeeld jij je wel, oud, leelijk mirakel!" De vrouw lacht tranen.

"Zeg ereis, 't kan wel minder."

"Ha! ha! ha!"

Met een zonderlinge uitdrukking van dwaze verwondering ziet Strijkman vrouw Juttner aan, die onbedaarlijk lacht, nu en dan naar haar zoon Kobus, die bij het venster staat, kijkt en, op hem wijzend, giegelend zegt: "Wou je zijn stiefvader worden? God beware hem er voor!"

De kamer, waar het tweetal roofvogels zich nu bevindt, is een achterkamer met het uitzicht op een plat; zij is schamel gemeubeld, maar een vorstelijk verblijf in vergelijking met het armoedige vertrekje, vroeger door de weduwe bewoond.

De onnoozele Kobus ziet door het venster naar een loerende kat, die op het plat een paar rondhuppelende musschen belaagt. Nu en dan verheldert een domme lach zijn wezen en roept hij op een doffen toon, zich half omdraaiend: "Moeder, hij loert er op! maar hij krijgt ze toch niet..."

"Kom eens hier, Kobus!"

Langzaam nadert de idioot, en als hij bij de tafel staat, zegt zijn moeder, op den pandjesbaas wijzend: "Hij wil je vader worden. Hoe vind je hem?"

"Vader is dood, ik heet Dorus.--Dorus,--is 't zoo goed?"

"Schei maar uit met je geleerde les; je kent haar toch niet van buiten," pruttelt Strijkman nijdig.

"Hij doet zijn best, en dat's meer dan je verlangen kunt."

"'t Is wat moois! 'k Wou, dat ik nooit..."

"Begonnen was. Och, Strijkkie, dat liedje kennen we. Ja! veel gaan we niet vooruit met de erfenis, maar _wij_", zij drukt op dat woord wij, "hebben geen haast, niet waar, Kobus? Wij leven zoo stilletjes voort; we konden het wel wat breeder hebben, als jij maar wat meer woudt afschuiven, maar jij bent nou eens niet scheutig; anders..."

"Wou je me nog gauwer doodarm maken?"

"Waarachtig niet, Strijkkie, we moeten langer pleizier van je geld hebben dan vandaag of morgen; daarom doen we langzaam aan, dan breekt het lijntje niet."

"Zanik nu maar niet langer. Wil je of wil je niet?"

"Trouwen?"

"Ja, wat anders?"

"Hoor eens, beste man, 'k ben net zoo gaar als jij. Dacht je nou, dat ik niet snapte, waarom je me trouwen wilt? Och! zie je me voor zóó dom aan? Wil ik je ereis wat zeggen? Als ik jou vrouw was, dan kon ik mijn keel wel aan den kapstok hangen, dan moest ik naar jou pijpen dansen en dan kon jij met me doen wat je woudt. Maar nou doe ik met jou wat ik wil. Begrepen? En daarom trouw ik je niet. Je bent me ook nog al een lief mannetje! Zoo'n uitgedroogde stokvisch mankeert me nog voor mijn dood. Ha! ha! ha!"

Woedend staat Strijkman op van zijn stoel.

"Hou je gemak, vader! Maak je niet dik; dun is de mode. Wij kunnen immers goede vrinden blijven, al trouwen we niet... Zeg! zul je eens om 't geld voor de huur denken?"

"Je krijgt geen cent meer."

"Och, geloof je dat waarachtig? Kom, kom! hou je maar zoo niet; ik weet het wel anders, m'n engel."

"Ik ben niet bang meer voor jou dreigementen, versta je?"

"Heel goed, des te beter voor jou, Strijkkie!--Maar laten we nu eens verstandig met mekaar praten. Je wilt graag van me af, hé?"

"Dat is te zeggen..." De oude man gaat weer zitten.

"Je ziet wel, dat er van de erfenis niets komt. Hoe lang ben je er nu al over bezig?"

"Over de vier jaren, God beter 't. Jij kost me al een kapitaal aan geld; en jou suffe jongen..."

"Zeg, niet schelden, hoor! Die stumper is ongelukkig genoeg, en dat hij niet dol op je is, is waarachtig geen wonder..."

"Die procureur Verhagen is eigenlijk de schuld van alles. 'k Wou, dat ik nooit iets van hem had gezien of gehoord en dat jij naar de..."

"Begin je weer? Laten we de zaak afmaken: ik wil schappelijk met je handelen; je kunt me afkoopen."

"Zoo, dat zou je wel willen." Strijkman brengt werktuiglijk de hand naar zijn borstzak.

"Dat spreekt vanzelf. Denk je, dat ik jou gezelschap zoo aardig vind? 'k Zie liever je rug dan je gezicht, maar je duiten zijn goed, o! zoo goed, net zoo goed als die van een ander. Luister eens, Strijkkie!"

"Nou?"

"Je bulkt van het geld en ik leef van..."

"Van _mijn_ duiten..."

"Nou ja dan, als je zoo wilt, maar armoedig. Ik wil 't beter hebben: ik heb idee om een winkelnering op te zetten, zoo'n winkeltje van alles en nog wat. In de Rozenstraat is een huisje te koop met een stand. Wat het huis kost, weet ik niet, maar voor den stand en den winkel, met wat er in is, vragen ze zestien honderd gulden."

"Wat zeg je! Zooveel geld voor een...?"

"Ja, 't is een koopje. Voor een winkel met nering."

"Een mooi koopje!"

"Koop jij nou dat huisje, betaal de zestien honderd gulden; dan zit ik in een winkel en dan zal ik mijn kost wel ophalen. 't Huis blijft jou eigendom, maar huur en belasting betaal ik niet."

«Jongens, jongens, wat ben je aardig. Heb je soms nog iets?"

"Neen, alleen van tijd tot tijd eens een nieuw pak voor Kobus, anders niet. Je zult er bepaald een goed werk mee doen, en komt er te avond of te morgen nog iets van die Amerikaander erfenis, dan is de jongen altijd tot je dienst. Wat zeg je nou, ben ik niet schappelijk? Wat kan het je kosten? Een paar duizend gulden op z'n hoogst; dat is voor jou niemendal."

"Ei!"

"Je krijgt van mij de pampiertjes met den brief en het portretje terug en..."

"Die komen mij toe, die heb jij gegapt!"

"Hè, wat ben je ordinair: "gegapt!" Je hebt ze me gegeven."

"Dat lieg je!"

"Nou goed dan: ik heb ze genomen, omdat ze bij Dorus hooren. 't Was noodig, dat ik ze bewaarde, omdat..."

"Omdat je een serpent bent. Ik ben gek geweest, toen ik met jou en je lummel van een jongen begon, maar ik ben nog zóó gek niet om zooveel geld te vermorsen, en ik heb het ook niet; 'k ben arm. Jij hebt mij arm gemaakt."

"Wat praat je toch van gek; als je me trouwde, dan was je gek; want zou je nou waarachtig denken, dat _ik_ me maar goedsmoeds onder den duim zou laten krijgen? Strijkkie, ventje, je bent dom; ik doe je een weldaad, dat ik _niet_ met je trouw, dat moet je alleen wel zestien honderd gulden waard zijn... Kom hier, Kobus, je ligt zoo ver uit het raam, kind!"

"Ik heb het niet, ik doe het niet en ik wil het niet."

"Dat laatste wat je zegt is waar. Nou afijn, mij ook goed; dan blijft het zooals het nu is, maar in allen geval moet je een gulden of vier, vijf meer in de week geven, en..."

"'t Is om een beroerte te krijgen; ik ga heen...."

"Beslaap je er maar eens op.--Dag, Strijkkie! pas op, dat je niet van de trappen valt. Ha! ha! ha!"

Bij de deur staande, neemt het gelaat van den pandjeshuishouder een afschuwelijk dreigende uitdrukking aan, terwijl hij zegt: "Wacht maar, beest! ik zal je wel helpen!"

"Doe dat, vadertje! Dat is juist, wat ik wil; help me aan zestien honderd gulden: dan laat ik je met rust."

Tegen deze kalme woorden is Strijkman niet bestand; woedend verlaat hij de kamer en strompelt naar beneden, de deur uit, en naar zijn woning.

In zijne woning teruggekomen, geeft Strijkman zijn gemoed lucht door met zijn magere knoken op de tafel te slaan en alle mogelijke soorten van verwenschingen tegen vrouw Juttner uit te braken. Niemand hoort ze dan de zwarte kat, die verwonderd zit rond te kijken, totdat een nijdige schop haar de vlucht doet nemen onder het kastje.

"Als ik maar durfde," mompelt hij, herhaaldelijk met de vuist dreigend, "als er maar geen vijftien of twintig jaren op stond, dan zou ik haar nekken. Als ze maar met me trouwde! Ik had haar in een half jaar, neen, in drie maanden mak gemaakt. Maar ze is te goochem! Zoo'n vervloekte feeks."

Daar klinkt het winkelschelletje.

"Hé, wat is dat? Op Zondag iemand voor!" Verwonderd ziet de pandjebaas naar zijn kantoortje; hij is niet gewend in zijn sabbatsrust te worden gestoord; Zondags is het pandjeshuis gesloten, van één uur 's middags, en hoogst zelden gebeurt het, dat iemand na dien tijd hem bezoekt.

"Wat kan dat wezen?" Voorzichtig gluurt hij door de reet der tusschendeur.

"Vollek!" roept een ongeduldige stem.

"'t Is een brievenbesteller. Wat moet die hier?" denkt de oude man, terwijl hij naar voren komt.

"Philip Strijkman?"

"Die ben ik!"

"Asjeblief, een brief; goeden dag!"

"Een brief voor mij," denkt Strijkman, "van wien kan die zijn?" Hij draait den brief om en om, voor hij hem opent, breekt eindelijk het lak los, en als hij kennis van den inhoudt neemt, krijgt hij plotseling een kleur, voor zoover zijn taaie opperhuid daarvoor vatbaar is.

Halfluid herleest hij:

"Mijnheer!

"Eindelijk is er licht gekomen in de erfenisaangelegenheid van wijlen Adriaan Makko. Wees zoo goed om aanstaanden Donderdag tegen elf uren ten mijnen kantore te compareeren, met den door u aangewezen erfgenaam en zijn pleegmoeder, ten einde met mij tot een regeling der zaak over te gaan. Gaarne had ik, dat u de onder uwe berusting zijnde papieren meebracht.

"Met achting,

UEd. Dw. Dienaar _Verhagen_, Procureur."

"Met achting Uedeles dienstwillige dienaar," juicht de oude man bijna luid. "Dat zou hij niet schrijven, als hij geen dubbeltjes voor mij had gekregen. Vier ton! Halt! misschien is het enkel maar een voorschot! Dat doet er niet toe. In allen gevalle is het iets." Hij sloft heen en weder door het kleine kamertje en wrijft zich in de magere handen, zoodat de dorre gewrichten knappen en kraken.

"Jongens, jongens, wat een zegen, dat ik nog niet met dat serpent getrouwd ben! Hè! hè! hè! hè! hè! wat zal ik haar nu het land aanjagen. Al ging ze nu ook op haar knieën voor mij liggen, ik zou haar niet nemen. "Tirom tomtommetomtijne! tirom tomtommetomtom," neuriet Strijkman, terwijl hij zijn stijve beenen op de maat van het bekende: _Marborough s'en va t'en guerre_ beurtelings opheft en weer neerzet, zoodat de vermolmde vloerplanken steunen.

Hij fluit, neuriet en bromt tusschen de tanden zijn lijfdeuntje en verkneukelt zich in de gedachte, dat hij eindelijk zijn doel heeft bereikt.

"Tiromtomtommetomtom! 't Zal me benieuwen, hoeveel er losgekomen is.--Tiromtomtom!--Zou ik vrouw Juttner dadelijk 't briefje laten lezen?... Blikslagers! als de jongen nu maar op zijn tellen past; hij zeit nog zoo dikwijls Kobus... Zij moet hem voor Donderdag nog eens goed onderhanden nemen.--Tirommetomtijne,--Als ik de duiten in handen heb, dan koop ik een huis--hm! altijd voor Dorus natuurlijk--op de Keizersgracht. Tirommetom.."

"Miauw! miauw!"

"Zoo, poes! ben jij daar weer? Heb je honger? Ja, je krijgt ook wat van den baas. Daar dan, daar heb je een beetje water en wat brood, poes! Ja, jij krijgt ook wat van de erfenis, hè! Een halsband met belletjes." Handenwrijvend gaat hij op zijn hurken zitten en kijkt de kat grijnzend aan. De pandjesbaas is geheel en al vervuld met het denkbeeld van de vier ton, die hem volgens zijn meening nu niet meer ontgaan kunnen. Hij maakt in gedachten allerlei plannen, en het komt zelfs niet bij hem op, dat de echte Dorus Makko wel eens kon zijn te voorschijn gekomen.

De procureur Verhagen, die door de toevallige ontmoeting met Dorus op het concert van Polyhymnia den naam Makko had gehoord, was door het daaropvolgend gesprek met dokter Abels tot de overtuiging gekomen, dat de ware erfgenaam de jonkman was, dien hij op dien avond had hooren spelen. Alles, wat hij van dokter Abels vernomen had, kwam overeen met hetgeen Strijkman hem had verteld, tot op één punt na, namelijk de verdwijning van den knaap en zijn opneming door vrouw Juttner. Er was voor den procureur weinig scherpzinnigheid toe noodig om te begrijpen, dat hij met een paar oplichters te doen had, en 't kostte geringe moeite om te doorzien, welken weg het tweetal op wilde. In overleg met dokter Abels had hij besloten den pandjesbaas nogmaals te ontbieden, om hem de papieren van Dorus afhandig te maken.

Zedelijk waren zoowel Verhagen als dokter Abels overtuigd, dat Dorus de ware erfgenaam was, maar wettig was het niet te bewijzen, evenmin als het overtuigend bewijs kon geleverd worden, dat de papieren, die Strijkman onder zich had, aan Dorus toebehoorden.

In allen gevalle moest de identiteit van Dorus Makko voldoende bewezen worden. Maar door wien? De eenige, die dit kon, was Strijkman zelf, en natuurlijk zou deze zijn best doen om het tegendeel vol te houden. Er moest dus met overleg en slimheid gehandeld worden. Dokter Abels had zich bereid verklaard als voogd van Dorus op te treden en de erfenis, die in waarheid slechts een kleine twintig duizend gulden bedroeg, te beheeren, totdat Dorus meerderjarig zou zijn.

Een confrontatie van Strijkman met Dorus was het eenige middel om tot den gewenschten uitslag te komen, en derhalve had de procureur aan dokter Abels voorgesteld op den bepaalden Donderdag ten zijnen kantore de komst van den pandjeshuishouder en zijn medeplichtigen aan het bedrog vrouw Juttner en haar zoon, af te wachten.

Dorus' overhaast vertrek uit Tournels woning, waarvan hij zijn beschermer slechts met een paar haastig geschreven regelen had kennis gegeven, hadden dit plan evenwel doen uitstellen, totdat de jonkman weer uit Brussel zou zijn teruggekomen.

De dokter, die volstrekt niet vermoeden kon, waarom zijn jeugdige beschermeling zoo eensklaps was vertrokken, had naar Brussel geschreven en den stelligen wensch uitgedrukt, Dorus op den bepaalden dag te Amsterdam te ontmoeten, evenwel zonder eigenlijk de redenen te vermelden, waarom hij hem wenschte te spreken.

"Ik begrijp niets van uw overhaast vertrek, nu drie weken geleden," schreef hij: "gij zijt mij daaromtrent nog altijd eene opheldering schuldig, die ik u verzoek mij dan te komen geven. Ik zal u aanstaanden Woensdag in het _Hôtel des Pays-Bas_ verwachten. Reken er op, dat gij een paar dagen, misschien langer, zult moeten blijven, in uw eigen belang; uw toekomst hangt er gedeeltelijk van af..."

Toen Dorus dien brief ontving, kwamen hem de woorden uw "toekomst hangt er gedeeltelijk van af," geheel en al duister voor. In den gemoedstoestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevond, werd hij door allerlei denkbeelden bestormd. Zou Tournel geraden hebben, dat hij Augusta liefhad? Was het mogelijk, dat zij voor hem gevoelde, zooals hij voor haar? Zou hij verkeerd hebben gezien, dat die blonde jonkman haar hart bezat? Zijn hoofd duizelde. 't Warrelde in zijn brein en de hoop streed in zijn ziel tegen zijn verstand. Hij schaamde zich nu, dat hij zoo onbekookt en onnadenkend had gehandeld, en durfde nauwelijks zijn weldoener onder de oogen komen.

Wat zou deze hem wel zeggen, hoe zou hij hem ontvangen en wat moest hij wel antwoorden aan den man, aan wien hij zoo oneindig veel verschuldigd was?

Gedurende den langen weg van Brussel aan Amsterdam maakte hij honderd plannen. Nu eens besloot hij ronduit alles aan dokter Abels te zeggen, dan weer zocht hij een geldige reden voor zijn verdwijnen te vinden, maar telkens stuitte hij daarbij op onoverkomelijke moeielijkheden.

Eindelijk stond toch het besluit bij hem vast, alles ronduit te zeggen, hoe moeielijk 't hem ook vallen zou.

't Is Woensdagavond. In een der ruime kamers van het _Hôtel des Pays-Bas_ brandt een knappend vuur in den open haard; een carcel-lamp verspreidt een aangenaam zacht licht door het vertrek en over de tafel, waarop een flesch wijn en een paar glazen staan.

In een gemakkelijken fauteuil zit dokter Abels; tegenover hem, met de handen op de leuning van een stoel gesteund, staat Dorus. Hij is bleek en zenuwachtig.

Vriendelijk vraagt dokter Abels: "Je bent dus zoo even aangekomen?"

"Ja, dokter!"

"Je bent vermoeid, dat kan ik aan je zien; ga zitten."

Dorus plaatst zich zwijgend tegenover hem in een stoel.

De vriendelijke oogen van den dokter vestigen zich met een ernstige uitdrukking op Dorus' gelaat. Er ligt in den blik, waarmede hij zijn beschermeling aanziet, een zacht verwijt, als hij vraagt:

"Wat heb ik gedaan, Dorus, dat ik je vertrouwen niet meer bezit?"

"U, dokter?"

"Ja, ik. Luister eens, beste jongen. Je hebt me gegriefd door die plotselinge vlucht; ik gebruik met opzet dat woord, want je overhaast vertrek mag bijna dien naam hebben. Waarom ben je niet bij mij gekomen, om mij te zeggen, wat er gebeurd is, op of na het bal van Polyhymnia?"

Dorus zwijgt verlegen.

"Is 't waar, Dorus, wat juffrouw Barbara zegt: Ben je toen 's nachts dronken tehuis gekomen, en is 't omdat je je daarvoor schaamdet, dat...?"

"Dronken, dokter, ik? Dat's onwaar, geheel onwaar." Een gloeiend rood van verontwaardiging kleurt zijn wangen. Als een weerlicht vliegt hem de gedachte door 't hoofd: "Ook dat nog: dronken! denken ze--en Augusta zal 't gelooven!" Met vaste stem herhaalt hij: "Dat is gelogen!"

"Ik geloof je; 't doet me genoegen, dat 't niet zoo is. Maar wat bewoog je dan, om...."

"Om zoo overhaast heen te gaan? Och, dokter, zie mij niet zoo uitvorschend aan; ik wil u, hoe moeielijk 't mij ook valt, alles zeggen;--maar lach mij niet uit."

"Waarom zou ik je uitlachen?"

"Omdat!... Omdat!... Ik weet het niet..." en plotseling zijn stoel met een ruk naar dien van den dokter schuivend, vat Dorus met beide handen de rechterhand van zijn beschermer, en terwijl hij die krampachtig drukt, zegt hij dof: "Omdat ik zoo diep ongelukkig was en nog ben..."

"Wat zeg je daar: diep ongelukkig, jij, en dat na 't succes van dien avond? Ik begrijp je niet!"

Een oogenblik zwijgt de jongeling, maar een aanmoedigend: "Kom jongen, spreek! Wat drukt je?" doet hem moed vatten en blozend zeggen: "Augusta!"

Even, bijna onmerkbaar, glijdt een fijn lachje over het gelaat van den dokter en een zeer zacht "Aha!" ontglipt zijn mond.

"'k Heb haar lief, o, zoo lief!" zucht Dorus, en droef laat hij er op volgen: "maar zij mij niet. Hoe zou ze ook, mij een.... bochel, een..."

"O, wringt de schoen daar!.. Maar vriendlief, _hoe_ kon je zoo dwaas zijn om...?"

"Om te denken, dat zij...?"

"Neen! om heen te gaan....?"

"Om heen te gaan? Och, dokter, nu voel ik, dat 't een dwaasheid was, maar ik had ook zooveel geleden in dien nacht; ik zag, dat zij een ander liefheeft en...."

Medelijdend ziet dokter Abels hem aan, als hij antwoordt:

"Er zijn meer lieve meisjes in de wereld, Dorus. Troost je; je bent nog zoo jong, dat...."

"Hoe kunt u dat zeggen, dokter! Moet men dan eerst oud zijn om lief te hebben?"

"Dat niet, Dorus, maar..."

"Maar ik zal nooit meer eene andere kunnen lief hebben, nooit! dat weet ik zeker."

"Wees kalm en redeneer."

"Liefde redeneert niet, dokter; dan is het geen liefde. Ze is plotseling in mij ontgloeid, ontvlamd als een vuur, en ik voel, dat het mij verteert, maar..."

"Denk eens bedaard na."

"Dat kan ik niet! ik heb nog nooit iemand zoo liefgehad, nog nooit heb ik zoo iets ondervonden; ik zou alles kunnen opofferen, alleen om haar mijn vrouw te mogen noemen. En toch kan dat niet! kan dat nooit!"

Dorus begint hartstochtelijk te weenen, hij houdt de handen voor het gelaat en bemerkt dus niet, dat dokter Abels hem medelijdend glimlachend aanziet.