Krates: Een Levensbeeld

Chapter 12

Chapter 124,053 wordsPublic domain

Gij jong en zorgeloos meisje, dat daar sluimert in het vriendelijke huis, als morgen de jonge dag uw jeugd met nieuwe bekoorlijkheden tooit, zie dan naar het huis naast u! Weldra zal daar een lijk, eenmaal jong en stralend van leven evenals gij, worden uitgedragend,--slechts één polsslag vroeger van de eeuwigheid. Zie naar den toren tegenover u! Schoon ge het niet ziet, toch is het zoo: er valt stof, altijd door, gestadig!

Maar 't is nog geen morgen; de wind fluit ijskoud verstijvend langs de daken en door de straten. In de tuinen trekt en rukt hij aan de takken der boomen, met doelloos brutaal geweld, evenals een vagebond.

Nu beproeft hij zijn kracht aan de schoorsteenen, als wilde hij ze omverwerpen. Zijn ze te hecht en te sterk, dan blaast hij er nijdig doorheen, zoodat de warme asch in den haard uiteenstuift en de sluimerende vonken opnieuw ontgloeien. Als een deugniet voert hij midden in den nacht allerlei kattekwaad uit.

Buiten bij de gracht staat een hooge populier, die zich den geheelen zomer in het water spiegelde, van 's morgens tot 's avonds. Nog gisteren keek hij er in, dor en bladerloos, stroef en ernstig, als telde hij de naden en strepen van zijn schors.--Daar komt de wind, schudt hem ruw heen en weer, blaast met kracht zijn spiegel, zijn eenige vreugde, mat en trekt een ijsvlies over het water. Gewoonlijk echter doet hij dit eerst tegen den morgen, als hij uitrust van het geweld, dat hij in de duisternis maakte. Hij rammelt met de zolderluiken, fluit een snerpend lied op een gebroken vensterruit of draait den windwijzer op het dak van de kerk heen en weer, tot hij steunt en knarst, zoodat de kraaien in den toren onrustig worden en eindelijk angstig heen en weer vliegen.

Eén uur slaat de klok; de dikke, zware toon hangt zich in den ruwen wind en vliegt er mede voort, totdat hij eindelijk in de verte verdwijnt en sterft.

De wind is bedaard, de nevel trekt op en de nacht verschuilt zich in de kelders, om plaats te maken voor een helderen frisschen Kerstmorgen. Het licht tintelt in duizend heerlijke kleuren op de berijpte boomen, en vroolijk schijnt de zon op de van de koude blozende wangen der menschen, die door de straten van het stadje heen en weer loopen, trappelende met de voeten en met de tintelende vingers in de zakken, in handschoenen of in bonte moffen.

De ochtendbeurt is gedaan. Met blauwe neuzen en strakke koonen keeren de vrome kerkgangers naar hunne huizen terug of zoeken vrienden en bekenden op, bij wie zij den Kerstdag zullen doorbrengen.

Voor 't venster der woning van den muziekmeester staat Augusta en wischt met haar zakdoek een plek schoon op een glasruit, waar de ijsbloemen den strijd om haar leven moeten opgeven, want de kachel is haar moordenaar.

Barbara loopt van de keuken naar de kamer, en van de kamer weer naar de keuken, keurt de koffie, die geurige dampen verspreidt, en warmt de boter, die zij met bekwame hand sierlijk in het vlootje terechtschikt.

"Daar komen ze, daar komen ze!" roept het meisje op eens en snelt de kamer uit naar de voordeur, opent die en laat met een blijden groet en hartelijken handdruk Dorus en Tournel, die hem van den postwagen heeft gehaald, binnen. Juffrouw Barbara komt, ijlings haar boezelaar afdoende en achter de keukendeur werpend, nader, en als zij Dorus ziet, reikt ze hem de hand, met de woorden: "Komaan! ben je daar weer? Dat's nu eens goed. Je bent gegroeid; je ziet er goed uit. Ga maar eens gauw zitten; je zult wel koud zijn."

"Waf! waf! waf!"

"Ben jij daar, Boppie? Ken jij den baas nog, goeie hond?"

"Waf!"

Augusta ziet hem met verwondering aan.

't Is Dorus, en toch is het juist alsof het een ander is, denkt het meisje, als zij hem, terwijl de anderen druk en levendig praten, in stilte opmerkzaam gadeslaat. Wat er aan hem veranderd is, weet zij niet recht, want zijn gezicht is, schoon iets minder bleek dan vroeger, toch hetzelfde gebleven. De oogen zijn even groot en bruin, maar--ja! dat zal het zijn,--er is een geheel andere uitdrukking in gekomen: 't is alsof ze nog verstandiger en zwaarmoediger rondzien; de mond lacht vriendelijk, en toch is er een trek van vastheid en rust om de lippen gekomen, dien zij vroeger niet kende. Onwillekeurig bloost zij, als Dorus na de eerste begroeting het woord tot haar richt en op vroolijken toon zegt: "'k Zou je--pardon! U--haast niet herkend hebben, want...."

"Och zeg liever je, als je wilt; 't klinkt veel beter."

"Mag ik?" Dorus ziet Tournel glimlachend aan.

"Natuurlijk; kort voordat je kwaamt, zei ze nog, dat 't haar pleizier zou doen, indien je haar Augusta wildet noemen."

"Is 't heusch?"

't Meisje bloost sterker, maar ziet hem flink in de oogen, als zij antwoordt: "Zeker; dat jongejuffrouw is zoo stijf."

"Wil je mij dan ook weer als vanouds Dorus noemen? Of zeg je soms liever Triangel?"

"Foei! wat een vraag."

Dorus reikt haar de hand, terwijl hij zegt:

"Zooals je wilt; Augusta dan,--maar 'k mocht toch waarlijk wel juffrouw zeggen tegen een dame als jij."

"Och kom!"

"Zeker!" In stilte denkt hij, terwijl hij haar bewonderend aanziet: "Wat is zij mooi geworden! Welk een lieve uitdrukking hebben die oogen!"

Juffrouw Barbara leest op Dorus' gelaat den indruk, dien Augusta op hem maakt, en zegt vrij scherp: "In mijn tijd werd men eerst een dame, als men meerderjarig was; ik ten minste was op dien leeftijd...."

"'k Geloof het graag, juffrouw Barbara," valt Dorus min of meer onbescheiden in.

Tournel, die aan het gelaat van zijn nicht ziet, dat er slecht weer op komst is, mengt zich in het gesprek door te vragen: "En mij, vind je mij niet veranderd, grijzer geworden? Maar Barbara heeft de eeuwige jeugd, is't niet zoo?"

Ondeugend glimlachend antwoordt de jonkman: "Ik vind u niets verouderd, maar vooral jùffrouw Barbara niet. De last der jaren drukt u beiden in 't minst niet."

"De last der jaren," pruttelt de matrone, onaangenaam getroffen door dit woord, en zij denkt er bij: "Wie weet, voor hoe oud hij mij aanziet, zoo'n akeligheid!"

Weldra zitten allen in de gezellige kamer bijeen, en zelfs Barbara's humeur is niet bestand tegen de bedarende macht van de snorrende kachel, de dampende koffie en van het kerstbrood, dat zoo uitlokkend met krentenoogen tot eten uitnoodigt. Dorus' blikken vestigen zich als vanzelf op het tegenover hem zittende meisje, dat hem vroolijk, als oude bekende, toelacht en vrij en frank hem aankijkt, als zij zegt: "Toe, Dorus, doe alsof je thuis waart. Mag ik je nog eens even bedienen?"

Wat is zij veranderd; hoe groot en zacht zijn die oogen geworden! Als zij spreekt, lachen ze zoo vriendelijk, en de hagelwitte tanden kijken zoo vroolijk tusschen de kersroode lippen uit. Bewonderend volgt hij haar bewegingen; er ligt een natuurlijke gratie in alles wat zij doet, en haar buigzame, maar toch gevulde en sierlijke gestalte steekt zoo voordeelig af bij de stokkerige vormen en hoekige bewegingen van juffrouw Barbara, dat hij onwillekeurig medelijden met de matrone krijgt.

Ongedwongen is alles wat zij doet; vrij, zonder bazig of onvrouwelijk te zijn, gezellig pratend, zonder te ratelen of te babbelen, is Augusta inderdaad eene allerliefste jonge dame geworden. Dorus merkt het met vreugde op; zijn blikken wenden zich niet van haar af, en zijn oor gaat te gast, als hij de muziek harer stem hoort. En niet alleen Dorus denkt er zoo over, neen! al de heeren leden van Polyhymnia zijn het er vrij wel over eens, dat juffrouw Tournel's stem geheel in overeenstemming is met haar uiterlijk. Sommige dames uit het stadje, die meer of minder jaloersch zijn op Augusta's aantrekkelijke verschijning, beweren wel is waar, dat zij minder mooi dan wel interessant is en dat men te veel ophef van haar zang maakt, maar moeten toch erkennen, dat zij, zooals men 't noemt, _à la mode_ is; en menig dilettant-bariton, bas of tenor, dingt naar de eer om haar balboekje, bij 't jaarlijksch bal der zangvereeniging, in handen te krijgen. Zooals zij daar nu zit in 't eenvoudige huisjaponnetje, smaakvol maar bescheiden gekleed, boeit zij door ongekunstelde en natuurlijke vroolijkheid.

De koffie is gedronken, het kerstbrood een ruïne geworden, en nog zitten allen rondom de tafel. Van lieverlede is Dorus aan het vertellen geraakt. Hij spreekt over Brussel, over zijn ervaringen aan het conservatoire, vertelt van zijn vrienden en bekenden, en doet dat zoo levendig en aangenaam, op zoo beschaafden, soms geestigen toon, dat hij, zonder 't zelf te weten, het drietal, dat aandachtig toehoort, aan zijn lippen kluistert.

Augusta lacht nu en dan luid en hartelijk en wendt geen oog van hem af. Zij verwondert er zich over, dat hij zoo vroolijk vertellen kan, en denkt herhaaldelijk in zichzelve: "Hoe is 't mogelijk, dat een paar jaren iemand zoo veranderen kunnen."

Dorus denkt juist hetzelfde van haar.

"En nu moet Augusta eens voor je zingen, Dorus. Je zult erg aan haar zang gewonnen hebben; ze heeft nu voldoende school en--ja! schrik niet--coloratuur ook!" zegt Tournel, als men eindelijk van tafel is opgestaan.

"Ei, ei! coloratuurzangeres?"

"Och, grootpapa," antwoordt het meisje even kleurend, "'k ben nu niet bij stem...."

"Moet ik deftig worden, Augusta: laat je je bidden, of is 't nog als vroeger?"

"Heb ik me ooit laten bidden, Dorus?" Haar stem klinkt een weinig geraakt.

"Ben je boos?" vraagt Tournel.

Zonder antwoord op deze laatste woorden te geven, zet Augusta zich aan de piano, preludeert even en slaat dan met vaste hand eenige akkoorden aan.

Genoeglijk glimlachend knikt Tournel zijn ouden leerling toe, als het meisje met haar krachtige altstem begint te zingen: _Ich grolle nicht_.

Even ziet zij om en lacht naar Dorus bij deze woorden.

"'t Past er niet precies op, Augusta, maar 't is toch aardig gevonden."

Zuiver als glas, krachtig als metaal, maar innig en gevoelvol klinkt haar geluid door de kamer. Tournel knikt herhaaldelijk tevreden met het hoofd en ziet Dorus aan, als wilde hij zeggen: "Zie je, dat is 't gevolg van mijn methode, daar zit school in..." _Ich grolle nicht, Wenn mir das Herz auch bricht..._ Met een onbeschrijfelijk weemoedige uitdrukking zingt het meisje de slotwoorden, en Dorus, die zwijgend heeft zitten luisteren, springt eensklaps op. De tranen staan hem in de oogen en de stem stokt hem in de keel, als hij "bravo!" roept, terwijl hij haar zijn beide handen toesteekt.

"Dat is zingen! Augusta, ik dank je...."

"Au! je doet me pijn, Dorus!"

"O! pardon. Och! neem me niet kwalijk, 't kwam door je eigen schuld; waarom zing je ook zóó!--Ja, juffrouw Barbara! lach me maar gerust uit, geneer je niet; ik zie toch wel, dat je 't doet."

"Ik denk er plotseling aan, dat ik je eens zag grienen in 't prieel."

"Grienen?"

"Wel ja, toen de twee meisjes dat duet zongen. Weet je 't niet meer?"

"O, ja! nu herinner ik 't mij. Op "Mon repos...""

"Juist! Je bent nog niets veranderd; ik dacht, dat je nu niet meer zoo'n otje-buiskruit was."

"Otje--wat?"

"Zoo'n buskruitvaatje. Poeff!! dat vliegt me op als pulver bij 't minste of geringste, en dan op eens paf! neergeslagen als een pannekoek, en grienen er bij. Wat was je toen laf!"

"Artistenbloed, Barbara!"

"Och, loop heen! Artistenbloed is evenals alle overig bloed, geen zier anders, Tournel!"

"Dat's niet waar, nicht Barbara!"

"Kijk me zoo'n wijsheid eens aan. De jongejuffrouw wil ook een duit in 't zakje gooien."

Met een verhoogden blos op de wangen antwoordt Augusta: "Een artist heeft geen visschenbloed, zooals zoovelen, die met niets dwepen, wie niets in verukking kan brengen en die voor niets gevoel hebben, dan voor 't alledaagsche. Bah! ik heb een hekel aan menschen, die nooit in vuur kunnen raken, die nooit warm worden, die nooit boos zijn óf driftig!"

Dorus verslindt haar als 't ware met de oogen, als zij vervolgt:

"Neen, dan heb ik liever iemand, die opvliegt of een traan in de oogen krijgt; die voelt en begrijpt, wat hij hoort.."

"Maar, Guustje!"

"'t Is niet laf, als een man schreit van aandoening; 't is alleen een bewijs, dat hij een hart heeft en geen stokvisch is."

"Maar, kind, wat mankeert je?"

"Niets, nicht Barbara! maar ik word boos, als ik zoo iets hoor, en dan kan ik niet zwijgen."

"Artistenbloed!" zegt Dorus, op haar toe gaande en haar de hand toestekend.

"_Mijn_ bloed!" roept Tournel verheugd.

Barbara trekt de wenkbrauwen omhoog, en zich omdraaiend bij de deur, tikt ze even met den voorvinger tegen het voorhoofd, terwijl ze onder 't heengaan mompelt: "Alle drie."

Gelukkig heeft geen van 't drietal de vleiende pantomine van nicht Barbara opgemerkt, en als zij vertrokken is, zegt Dorus: "Augusta, ik dank je; dat was ferm gesproken."

Nog schitteren de oogen van het meisje, nog kleurt een donker rood haar wangen, en de lieve, vriendelijke mond heeft een ernstiger plooi gekregen, als zij antwoordt: "Misschien heb ik te veel gezegd voor een meisje, maar ik kan het niet helpen; ik ben nu eenmaal zoo, ik zou...."

"Jij zoudt iemand vurig kunnen lief hebben, maar ook fel kunnen haten, geloof ik."

"Haten? Dat is 't woord niet."

"Ik wel!" In Dorus' oogen flikkert een oogenblik het oude, onbluschbare, wilde vuur. "Ik heb lief,--of ik haat, onverdeeld. Een middenweg is er niet!"

Bijna beangst ziet het meisje hem aan, als zij antwoordt: "Dat meen je niet..."

"Waarlijk wel!"

"Maar iemand kan je toch ook onverschillig zijn."

"Ja, misschien heb je toch gelijk, Augusta; maar met menschen, die mij onverschillig zijn, bemoei ik mij ook niet."

"Zoo!... Maar ik vind dat woord haten van jou verschrikkelijk."

"Kinderen, windt elkaar niet noodeloos op. Vooral heb jij, Dorus, nog geen oorzaak om iemand te haten; en jij, Augusta, zult nog dikwijls genoeg met hem kunnen kibbelen. Dus daarom...."

"Maar wij kibbelen volstrekt niet, grootvadertje! Is 't wel, Dorus?"

"Integendeel, wij sympathiseeren?"

"Zij sympathiseeren!" lacht Tournel, met welgevallen de twee jongelieden vóór hem beschouwend.

"We zullen bepaald goede vrienden zijn, Augusta!"

"Dat zijn we immers altijd geweest."

"Heb jij nog wel eens gedacht aan den tijd, toen ik nog hier woonde? Weet je nog, dat je mij een heiden noemdet?"

"Ik, Dorus? Tante deed het!"

"Wel neen! Jij ook."

"Ja, maar dat was alleen uit gekheid. En jij noemdet mij de kleine kat."

"Dat was ook gekheid, natuurlijk; want je was volstrekt niet kattig, nooit!"

"Maar 'k ben 't nu geworden, Dorus! Dat heb je zoo even wel gemerkt!"

"Je vischt!"

"Wà-blief?"

"Je vischt!"

"'k Begrijp je niet."

"Och kom!"

"Heusch niet!"

"Papa Tournel, je kleindochterje is coquet geworden."

"Vind je, Dorus?"

"Zeker!"

"Coquet? Daar protesteer ik tegen; 't is volstrekt niet waar."

"Nu! nu! word maar niet boos."

"Ik ben niet boos, maar ik vind je akelig."

"'t Spijt me voor jou!"

"Voor mij?"

"Ja, want 't is niet aangenaam om met iemand, dien je akelig vindt, te sympathiseeren."

"Nu vind ik je nog akeliger."

"Des te erger voor je!"

"Ik sympathiseer volstrekt niet met je, hoor je wel?"

"Ich grolle nicht!"

"Ba! je zingt valsch en leelijk."

"Dat is waar, volkomen waar; we zijn 't alweer eens."

"Ik vind je onuitstaanbaar."

"En ik vind jou allerliefst en mijzelven heel akelig. Zie je wel, Augusta, dat we toch sympathiseeren?"

"Plaaggeest!"

"Ha! ha! ha! 't is curieus om te hooren."

"Help me liever tegen hem, grootpapa; ik houd het niet uit."

"Dat's te bescheiden, dat meen je niet!"

"Foei! je maakt het te erg; ik ga heen...."

"Kom niet te gauw terug!"

"Waarom niet?"

"Omdat we 't dan te spoedig eens zouden zijn."

Lachend verwijdert zich het meisje, en Tournel klopt Dorus op den schouder, terwijl hij zegt: "Je hebt er goed slag van om te plagen.--Maar gekheid apart, wat zeg je van haar?--Een dot, hé? Kerel! 't is mijn schat, mijn oogappel, mijn trots. Wat een stem! Ze zingt _f_ kruis, de lage _g_, kolossaal voor een alt!--Wat een taille, 't is een volwassen vrouw,--en nog pas achttien..... Keek je niet op, toen je haar terugzaagt? Zeg, Dorus, is 't niet een meisje om op te verlieven?"

De oude muziekmeester geraakt in vuur, als hij over zijn kleinkind spreekt, en wordt niet moede al haar deugden en voortreffelijke hoedanigheden op te sommen. En als hij eindelijk zegt:

"Ja, ja! ze is nu geen kind meer, al wil Barbara haar ook nog zoo graag klein houden. Wil ik je eens wat vertellen? Maar geheel _entre-nous_ hoor! Ze heeft al aanzoek gehad, dat wil zeggen, ik voor haar, zie je; zij wist er niets van, geen jota; 't was iemand, die haar herhaaldelijk op Polyhymnia ontmoet had, en je begrijpt...."

Als Tournel dat zegt, begrijpt Dorus plotseling, dat ook hijzelf geen kind meer is en dat het meer dan vriendschap is, wat hij voor Augusta gevoelt. Zóó plotseling, zoo spontaan evenwel overkomt hem dat gevoel, dat hij er, ondanks zichzelven, van schrikt. Hij merkt, dat hij eerst bleek wordt en dan weer rood, en ziet met eenigen angst naar Tournels gelaat, of daarop ook te lezen staat, dat deze zijn ontroering bemerkt. Maar neen! de oude man is veel te veel met zijn eigen gedachten bezig om op Dorus te letten.

"Ze is nog wat jong om.... enfin dat wordt alle dagen beter--en hij is nog maar candidaat-notaris; dat is een treurig baantje, als je geen protectie hebt. Ik heb 't vooreerst afgewimpeld, maar.... hij houdt aan en ik geloof, dat Guustje hem gaarne ziet; 't is ook een aardig mensch, een knappe jongen, 'n mooie krullekop, een figuur als een prins en...."

Een pijnlijke trek vliegt over Dorus' gelaat, als hij onwillekeurig in den spiegel ziet, die achter Tournels stoel hangt, en in gedachten de woorden herhaalt: "Een figuur als een prins...."

Een zucht ontsnapt onhoorbaar zijn borst, hij zwijgt en buigt even het hoofd.

"Wil ik nu eens voor u spelen?"

"Graag, daar verlang ik naar. Je viool is hiernaast; ik heb ze opgeborgen. Wacht! ik zal ze halen;" en opstaande, verlaat de oude heer even het vertrek.

Als hij alleen gebleven is, slaat Dorus nogmaals een blik in den spiegel; 't is een weemoedige blik, die, door 't glas weerkaatst, hem eensklaps doet zeggen: "Triangel! Krates!"

Dorus speelt. 't Is zijn eigen compositie, de _Burlesque_, die hij te Brussel schreef. Tournel zit achterover in zijn stoel geleund, met de beenen over elkaar geslagen en de rechterhand onder 't grijze hoofd, aandachtig te luisteren. Soms trekt hij plotseling de wenkbrauwen omhoog en spitst hij de lippen, als wilde hij daardoor zijn verwondering te kennen geven over 't geen hij hoort; en zachtkens wiegt hij het hoofd heen en weer, als een thema uit de _burlesqe_, dat eenigszins den rhytmus van een wiegeliedje heeft, zijn ooren streelt. In de gang bij de half geopende deur staat Augusta met de handen gevouwen te luisteren; 't is koud in de gang, maar zij merkt het nauwelijks en ongeduldig wenkt zij achterwaarts met de hand tot zwijgen, als Barbara, het hoofd uit de keuken stekend, haar toeroept: "Ga toch naar binnen, je krijgt het anders beet..."

De _burlesque_ is geëindigd met een schitterende variatie en een finale, die een volkomen meesterschap der techniek vordert.

"Bravo! Bravissimo! dat heb je ontzaglijk goed gespeeld," roept Tournel vol verrukking uit, als Dorus den strijkstok laat zinken.

Augusta is naar haar kamertje gegaan en blijft daar een oogenblik in gepeins voor 't venster staan; zij merkt niet, dat de glasruit bevroren is en dat ze niet naar buiten ziet. Zij denkt aan 't geen zij hoorde en tracht zichzelf rekenschap te geven van wat zij ondervindt. In langen tijd heeft zij zich niet zoo tevreden en gelukkig gevoeld als nu. Zou 't kunnen komen, omdat Dorus terug is? Zij weet het niet recht en blijft een poosje staan denken.

Eindelijk merkt ze, dat het vinnig koud is, en gaat terug naar de huiskamer, waar zij door Tournel ontvangen wordt met de woorden: "Jammer, dat je niet hier waart, Augusta; Dorus heeft gespeeld, en..."

"Ik heb de _burlesque_ gehoord grootvader;" en tot Dorus zich wendend: "Ik maak je wel zeer mijn compliment".

Er trekt een wolk over 't voorhoofd van den jonkman bij die woorden, en bijna geraakt antwoordt hij:

"Dank je! Maar 'k wou liever dat _jij_ 't minder deftig hadt gezegd."

"Hoe zoo?"

"Voel je dat niet?"

Augusta kleurt even, als zij zachtjes antwoordt: "Neen!"

"Dat spijt mij."

"Dorus! nu moet je mij, mij in 't bijzonder, een groot genoegen doen," zegt Tournel, eensklaps het gesprek afbrekend.

"Waarmee? Als ik 't kan, gaarne, dat weet u wel."

"Aanstaanden Maandag over acht dagen hebben wij een groote uitvoering van Polyhymnia; doe mij het pleizier en speel één nommer, bij voorbeeld deze _burlesque_."

"Twee, als ge wilt, beste vriend! Maar zal dokter Abels 't goedvinden?"

"Waarom niet? En bovendien, je kunt het hem immers vragen...."

"Dorus!" zegt op eens Augusta, die een oogenblik heeft staan nadenken.

"Wat is er, Augusta?"

"Je bent toch niet boos op me, wel?"

"Zeker niet; maar...."

"Dacht je, dat ik je spel niet mooi vond?"

"Hoe zoo?"

"Omdat ik zoo koel zei: "Ik maak je zeer mijn compliment."

"Hm! dat niet; maar ik had toch liever gehad, dat..."

"Ik wist op 't oogenblik niets anders te zeggen, omdat, omdat--nu, omdat ik geen woorden had om te zeggen, _hoe_ mooi ik 't vond..."

Met kracht vliegt het onstuimige bloed den jongen kunstenaar naar 't hoofd en kleurt zijn wangen; het tintelt en glinstert in zijn oogen; hij wil iets zeggen, maar hij kan niet, 't is hem alsof zijn keel wordt dichtgeschroefd.

't Meisje staat vriendelijk lachend voor hem en biedt hem haar handje, zacht vleiend herhalend:

"Je bent toch niet boos op me?"

Snel grijpt Dorus de hem toegestoken vingers en drukt er even zijn lippen op. Een lichte siddering vaart hem door de leden, als hij 't warme, zachte handje met zijn lippen aanraakt, en zij trekt het haastig terug, terwijl een vluchtig rood haar gelaat bedekt.

XIII.

POLYHYMNIA.

Wat was het druk in het kleine stadje! Schier in elk fatsoenlijk huis was alles in de weer. De dochters van den burgemeester liepen naar de jonge dames van den notaris, en de jeugdige schoonen, die den rijksontvanger tot vader hadden, vergaderden met de meisjes van een der wethouders. Waarom? Natuurlijk, omdat de groote uitvoering van Polyhymnia met een bal besloten zou worden, en omdat een bal voor alle jonge meisjes in een kleine stad het summum van genot is.

De groote societeitszaal, door het bestuur nu, evenals alle jaren, welwillend afgestaan voor de uitvoering, werd gelucht, gewit, geschrobd, gespoeld, dagen lang, en de kastelein liet door den timmerman achter in de zaal een verhooging opslaan, die als orkest dienen moest. Er werd gepast, gemeten en met elken centimeter gewoekerd, omdat er meer dan veertig executanten, dames en heeren, waren, en omdat er genoeg ruimte moest overblijven, om te kunnen dansen.

"Jansen, denk er om, 't dansen is eigenlijk de hoofdzaak," riep de kastelein herhaaldelijk tot den timmerman, die, met zijn duimstok in de hand, beweerde, dat hij nog vijftig centimeters meer noodig had.

"'k Zal oe zeggen, Boakels, de doames en heeren kunt toch niet als hoaring in 'n tunneke stoan. Zie-de, doar kun-de de pigano rèkenen, en doar den lessenaar veur den olden heer Tournel; doar mô je riekelijk ruumte veur nèmen, want ie wèt wel, Boakels, hie sloat met de erm en de been, as ie oan den gang is...."

"Nou, jij moet 't weten Jansen, als je 't maar precies doet zooals verleden jaar."

"Loat 't moar oan mien òver! Joa, wâ 'k nog zeggen wou, den dansekoater hêt mien ezegd, dat 'k hier en doar den vloer zal afschoaven en dâ 'k 's oavonds hier wèzen mos, om er schuufpoeier over te strooien."

"Als meneer Davids 't gezegd heeft, is 't goed; die zal 't wel met het bestuur besproken hebben."

Overal in het stadje waren de naalden in beweging, want de dames hadden elkaar op de repetitiën beloofd om "doodeenvoudig" te komen, 'tgeen gelijkstond met een wedstrijd om elkaar de loef af te steken door een schitterend toilet. Menig vader zuchtte in stilte over de aderlating, die zijn beurs onderging, en menige moeder, die in 't bezit was van een stel dochters, dat onwederlegbaar den huwbaren leeftijd had bereikt, vestigde in stilte haar laatste hoop op den gewichtigen avond.