Chapter 11
De oude vrek wordt beurtelings geel en rood van ergernis en herhaalt zijn poging om uit de handen van zijn kwelgeest te komen, door te zeggen: "Ik heb geen geld, waarachtig niet."
"Ook niets meer in je ijzeren kistje, hè!"
Zijn gelaat wordt valer dan ooit, als hij stotterend vraagt: "M.m.mijn ijzeren k.k.kist?"
"Dacht je, dat ik niet wist, waar je den aap in bewaarde? Och, m'n lieve Strijkkie! vrouw Juttner heeft zulke goeie oogen en ze kan zoo zachtjes loopen. Dacht jij, dat ik verleden 's avonds niets gezien had? Hè, hè, hè!"
Strijkman heeft zich hersteld en zegt ruw: "Je zeurt."
"Dacht je, dat ik niet gesnapt had, dat jij laatst, toen je de deur had opengelaten en ik onverwachts binnenkwam, in eens je kistje onder de tafel hebt gestopt? Meen je, dat ik niet begreep, dat je daarom zei, dat je niet op kondt staan van de rimmetiek?"
De oogen van den pandjesbaas vestigen zich met een moordlustige uitdrukking op de vrouw, als hij met saamgeknepen lippen zwijgt.
"Heb je wel gehoord, dat de avekaat van den "rechter" sprak? Daar moet ik niets van hebben, versta je?"
"Serpent!" sist Strijkman.
"Heb je lust om een poos in de gribus [4] te zitten? Ik niet. Ik geloof, dat ik het wijste doe om naar dien avekaat te gaan en hem te zeggen, hoe de vork in den steel zit; dat jij me hebt overgehaald om...."
"Wijf, hou je stil, of...." De oude maakt een dreigend gebaar.
"Poeh! poeh! wat een drukte: wees kalm, man, dan krijg je geen dikke beenen. Hè! hè! hè! Dok nou maar gauw een dozijntje guldens... Nou doe ik 't geen cent minder.... Zie je, Strijkkie, _ik_ zou wel vrijloopen, als ik sprak. 'k Ging weer uit schoonmaken; 'k zou m'n kost wel weer ophalen, maar jij was er bij, ha! ha! gloeiend bij, hoor!"
"Moeder, ik heb zoo'n honger."
"Hij heeft trek in zijn eten, Strijkman.--Ja, Kobus, we gaan naar huis!--Kom, zanik nou niet langer en geef het geld."
"'k Heb 't niet bij mij; kom dan morgenavond maar na tienen."
"Nou, goed dan! 'k Zal zoolang wachten, maar om tien uur precies sta ik op je stoep. Dag, Strijkkie!--Kom, jongen!"
De pandjeshuisbaas draait zich nijdig om en zegt iets tusschen de lippen, dat allesbehalve een zegenwensch is.
Strijkmans winkel is gesloten, vrouw Juttner is prompt om tien uren gekomen, en zuchtend heeft de oude man aan zijn kwelgeest twaalf gulden uitbetaald. Als zij vertrokken is, neemt hij een boekje en noteert er in: "f 12.- aan de weduwe Juttner." De lamp staat op tafel en de zwarte kat ligt er als naar gewoonte onder.
"Satansche feeks," mompelt de pandjesbaas, terwijl hij nijdig naar de deur ziet, waardoor de vrouw verdwenen is. "Zij ruïneert me heelemaal. 't Is God geklaagd. Laat eens zien... 't Is nu," hij telt de cijfers, die in het boekje staan, op, "twee honderd zestig... negentig, drie honderd... Wel vervloekt!" roept hij hardop... Miauw, zegt de poes, die de slaperige oogen opent.
"Daar!"--nijdig prikt de vrek de kat met zijn pen in den neus, zoodat zij blazend van de tafel springt.
"Drie honderd zestig--'t is om te huilen--zeven-en-zeventig, transporteere:--drie honderd een-en-negentig--'k ga op de flesch--vier honderd zes en veertien, is vier honderd twintig--zes en dertig.--Satansch wijf!--vier honderd acht-en-zeventig gulden! Allemachtig! en dat in nog geen tien maanden!"
Hij smijt woedend de pen op tafel, staat op en loopt in 't kleine kamertje op en neer. Zijn roode oogen doen hem pijn van 't kijken.
Met zijn bril op den neus beziet hij nogmaals de cijfers, telt, hertelt en ziet dat het eindcijfer juist is. Weer gaat hij aan tafel zitten en pruttelt in zichzelven: "Zoo gaat het niet langer; 't is niet om uit te houden,--ze melkt me uit als een koe. Was ik het maar nooit begonnen. Maar 't is toch ook vier ton! Als ik die kluit uitbetaald krijg, kan 't er wel af. Hm! die procureur is niet scheutig. God weet, hoe lang 't nog duren kan, eer... En 't is niet sekuur ook. Vrouw Juttner is te goochem. O! Philip, wat ben je een ouwe ezel geweest! Ja, maar ik moest toch een jongen hebben. Dat die Kobus, die krates, ook juist zoo'n moeder heeft.--Zij laat me geen rust. 't Is om dol te worden, en ik durf haar waarachtig niet aan. Ze is in staat om den heelen boel in de war te gooien, en als ik niet meer geef... Hè! 'k zou wel trek hebben om iets te eten, maar ik moet zuinig wezen tegenwoordig."
Hij gaat naar het hoekkastje, opent het en kijkt er in. "'k Heb niets meer in huis; dat beetje bitter, zou ik dat nemen? Maar dan heb ik morgen niets." Hij ruikt aan de flesch. "Hè! dat 's toch erg lekker. Kom! één slokje. Hmm...! 'k zal de helft nemen.--Vier honderd acht-en-zeventig gulden naar de maan; als 't zoo doorgaat, maakt ze me heelemaal op." Hij houdt de flesch tegen het licht, na gedronken te hebben, en smakt met de lippen. "'t Doet me goed; 'k was zoo rillerig. Och! 'k zal 't maar uitdrinken en dan morgen niets nemen, dan komt het overeen uit." Hij drinkt met kleine teugjes, en als de flesch leeg is, zet hij ze weer weg, na zorgvuldig de laatste droppels op zijn nagel te hebben laten loopen.
De genoten spiritus, hoe weinig 't betrekkelijk ook zij, geeft aan zijn wangen een hooger tint en zijn oogen beginnen te glimmen. "Ik wou, dat ik haar nu hier had," zegt hij binnensmonds; "'k zou haar knijpen, ranselen. Hm! dat 's ook al strafbaar. Tegenwoordig is alles strafbaar. Zoo'n afzetster: bij de vijf honderd gulden; 'k zou haar kunnen vernielen." Hij slaat met de rimpelige vuist op tafel. "En hoe kom ik van haar af?--Als zij mij t'avond of te morgen maar niet besteelt; daar is ze niets te goed voor." Hij bukt zich naar 't luik in den vloer. "Zou ze weten, dat hij dáár staat? Neen, dat heeft ze toch niet afgeloerd; maar..." Hij is op 't punt het luik te openen! als een kloppen op de voordeur hem doet opschrikken.
"Wat is dat? Zoo laat nog iemand; wie kan dat wezen?"
Met de lamp in de hand sloft hij naar voren.
"Wie is daar?"
"Ikke!"
"Wie is ikke?"
"Doe maar open, Strijkkie! Ik ben 't maar!"
"God zegen me, zij is 't waarachtig! Wat zou ze nu weer willen hebben?" Met onzekere hand schuift hij den grendel van de deur, opent het slot en laat vrouw Juttner binnen, die zonder plichtplegingen in 't kamertje gaat, op zijn stoel plaats neemt en zegt:
"Dat dacht je niet, dat ik van avond nog zou terugkomen, hè? Ja! hoe later op den avond, hoe schooner volk."
"Wat moet je?"
"Jongens, wat ben jij beleefd! En ik kom je nogal' waarschuwen."
"Waarvoor?"
"Om op je tellen te passen. Toen ik van avond op mijn kamer kwam, zeiden de buren, dat er iemand geweest was, zooveel als een rechercheur van de politie, zoo'n stille, weet je... Hij kwam om naar mij te informeeren en had vaa alles gevraagd, en..."
"Nou, en?" Strijkman ziet haar angstig aan.
"Zij wisten niets; daarom konden ze niemendal zeggen..."
"En wat zou 't dan verder?"
"Ze zeien, dat hij gevraagd had, of ik de moeder was van Kobus of z'n pleegmoeder, en of jij ook al vroeger kennis aan mij had gehad, en zoo al meer."
"God bewaar me!"
"En dat er sprake van was, dat jij op een erfenis loerdet... Afijn, de man wist zoo wat den heelen boel, naar 't scheen..."
Natuurlijk loog vrouw Juttner ongeveer alles, wat zij' zeide. De waarheid was, dat er iemand van Verhagens kantoor was geweest, om naar juffrouw Blommers te informeeren: wie zij eigenlijk was, of zij er reeds lang woonde, enz. De buren hadden hem, zooals vanzelf spreekt, weinig inlichtingen kunnen geven, en de man was onverrichter zake weer vertrokken.
De slimme weduwe evenwel besloot dadelijk van deze omstandigheid tot haar voordeel partij te trekken, door Strijkman een schrik aan te jagen en hem zoodoende hoe langer hoe meer in haar macht te krijgen. De vrek was allesbehalve op zijn gemak en antwoordde: "'t Is een ellendig ding. Hoe komt zoo'n stille op 't idee; ik heb nooit wat met de politie uitstaande gehad."
"Niet? Och kom!"
"Waarachtig niet!"
"Nou 'k heb 't dan wel eens anders gehoord: ze hebben me ereis verteld, dat jij er niet vies van bent om goed te koopen, dat op den kop is getikt. De juffrouw, die beneden me woont, zei ten minste: "Ik heb uwé met dien ouwen Strijkman zien loopen; hoe je aan dien vent komt, begrijp ik niet: uwé is zoo'n bedaard, stil, ordentelijk mensch, en hij..."
"Ze kent me niet eens!"
"Of ze je kent!--"'t Is een ouwe, vrekkige duitendief, die al lang op 't rooie dorp moest zitten",--zei ze."
"Dat zal ze me waar maken!"
"Bedaar nou, Strijkkie. 't Mensch had het zelf van een inspecteur, dien langen blonden, je weet wel, die laatst bij je geweest is om...."
"Jawel, ik weet, wien je meent."
"Nou, dat is een verre neef van haar en die zei: "We loeren al lang op dien ouwen pandjeshuisbaas; hij zet de menschen af, neemt woekerwinst, en... op een goeien dag rukken we hem in,"
"Maar mensch, je bazelt; ik heb nooit met de..."
"Hou je gemak; ik zeg 't immers alleen om je te waarschuwen. Nou weet je, dat ze op je vigileeren," herhaalde vrouw Juttner, aan wie de angstige uitdrukking van Strijkmans gelaat en het beven van zijn handen niet ontgaan was.
"Ze kunnen me niets maken, niets, niemendal!"
"Dat moet je nou niet zoo zeggen, vaderlief; je zult wel wat op je boekje hebben, en als zij een hond willen slaan, kunnen ze wel een stok vinden. Maar wees maar bedaard: ik zal je wel op de hoogte houden, hoor!... Je begrijpt, ik ben wat erg op je gesteld, en 'k heb veel liever, dat ze jou niet in de doos stoppen; want 'k moet je eerlijk zeggen, 't leven bevalt me zoo een boel beter, dan uit schoonmaken te gaan. Ja, of jij nou al in je eigen moppert, dat hoor ik niet eens meer.... Zeg! nou ik toch hier ben, kijk eens eventjes, of je niet een halfsleten broek voor Kobus hebt; de zijne wordt dun, en je begrijpt van die paar centen, die je mij geeft, kan dat niet af."
Een violetkleurige tint verft Strijkmans gelaat, en de vuisten ballend vlak voor haar oogen, roept hij eensklaps: "Dier! wat let me of...."
"Ga je gang maar, als je 't hart hebt." Zij ziet hem sarrend aan.
"Mijn deur uit!"
"Zeg, 't hoeft geen mooie broek te zijn," antwoordt zij, kalm zitten blijvend.
"Er uit, of....!"
"Nou! voor van avond zal ik je zin eens doen; schreeuw maar zoo niet, ik ben slaperig!" Ze staat op en gaat langzaam naar de deur. Tegen den deurpost staat een parapluie; vrouw Juttner bemerkt haar, en met de woorden: "'k Zal die parapluie maar meenemen, de mijne is weg," neemt zij het regenscherm onder den arm.
"Slaap wel, Strijkkie! Droom ereis van me."
"Geef m'n parapluie op, gauw!"--hij grijpt tevergeefs naar zijn eigendom.
"Mis, poes! Zul je om 't broekie denken, ouwe heer! Wel te rusten;" en met een grijnzenden lach gaat zij de deur uit, die Strijkman werktuiglijk heeft geopend. "n'Avend, Strijkman!--Kijk! 't regent."
Op straat gekomen, lacht zij er heimelijk om, dat zij den ouden vrek zoo heeft beetgehad, en denkt er over na, hoe zij 't aanleggen zal om haar prooi altijd zekerder en vaster te verstrikken.
Strijkman is na haar vertrek moedeloos op zijn stoel neergevallen en zucht: "'k Ga op de flesch; wat moet ik beginnen, 'k heb niets geen recht tegen haar." Hij schreit van woede en spijt en slaat de magere, knokkelige handen herhaaldelijk tegen zijn voorhoofd. "Wat te doen, wat te doen?"
Boven in huis op een der kamers is het onrustig geworden. Er is ruzie, hevige ruzie, allerlei verwarde stemmen schreeuwen dooreen, en duidelijk verstaat hij de woorden: "Vrouwenbeul! je moest je schamen je vrouw zoo te slaan."
"Ik kan mijn eigen vrouw slaan, als ik wil; ze moet doen, wat ik zeg, en anders...."
Strijkman luistert, aan de trapdeur staande. Wederom hoort hij die schrille stemmen. Ze klinken akelig door den nacht; hij hoort, hoe de vrouw gilt en huilt, hoe de basstem van den man zich telkens weer verheft, en eindelijk, hoe er opnieuw klappen vallen.
Op zijn gelaat komt een duivelachtige uitdrukking: er is bij hem een gedachte opgekomen, die hem doet glimlachen als een sater. "Als ik haar eens trouwde, dan had ik recht! Hm!... dien suffen bochel heb ik dan op den koop toe; maar 't is misschien toch de wijste weg, hè! hè! hè! hè!" Hij lacht en schurkt zijn schouders heen en weer. "Ik trouwen. 't Is zot, erg zot, maar toch de beste weg; ik heb meteen iemand, die den boel aan kant kan houden; en als zij sporreling maakt, dan..." hij slaat met de hand door de lucht. "Hè! hè! hè! hè!--'t is een goed idee. Den jongen heb ik altijd bij de hand, het wijf kan mij niets meer maken--ze kan toch haar eigen man niet aangeven--en de rest zal ik wel met haar vinden. Hè! hè! hè!" nogmaals klieft hij de lucht, ditmaal met den pook, dien hij van de kachel heeft genomen, "'k zal haar trouwen, hè! hè! hè! en dan...!"
XII.
BIJ OUDE VRIENDEN.
............................................................"'t Wordt mij hoe langer hoe duidelijker, beste vriend, dat ik nog in heel veel zaken bij anderen achtersta. Hoewel ik mijn best doe om in te halen, wat ik in mijn kinderjaren heb verzuimd, of niet kon aanleeren, toch schijnt het mij alsof ik er nooit zal komen. Soms bekruipt mij een gevoel van moedeloosheid, als ik hier de andere jongelui zie, die reeds zoo vroeg ruimschoots zijn voorzien geworden van alles wat ik mis, en 't kost mij inspanning om niet jaloersch te zijn. Ik troost mij met de gedachte: langzaam gaat zeker. Hier op 't conservatoire heb ik veel gestudeerd om nog meer te studeeren, maar ik ga vooruit, en ge zoudt er u over verwonderen, als gij mij hoordet spelen, hoeveel beschaafder en rijker mijn toon is geworden. Mijn Cremona is heerlijk en wekt de afgunst van het halve conservatoire op. Wat heeft die beste dokter Abels mij daar toch een heerlijk geschenk mee gemaakt! A propos, heb ik u reeds medegedeeld, dat juffrouw Albertine mij met haar man op haar huwelijksreisje heeft bezocht? 'k Was blij haar te zien en te vernemen, dat zij gelukkig is. Haar vader schreef mij ook dezer dagen. De goede man blijft steeds mijn beschermgeest; ik wou maar, dat ik bij machte was hem te bewijzen, hoezeer ik gevoel, welke verplichtingen ik aan hem heb...."
"Zie je, Augusta, dat doet me genoegen, als ik zoo iets lees. Die jongen is dankbaar en hartelijk; ik verlang er zeer naar om hem weer te zien," zegt de heer Tournel, die in zijn huiskamer zit en een brief van Dorus hardop voorleest.
"Schrijft hij niet, of hij spoedig komt, grootpapa?" vraagt het meisje, dat, met eenig borduurwerk bezig, bij 't venster plaats heeft genomen en aandachtig luistert.
"Zeker! zoo dadelijk zul je 't hooren." Tournel vervolgt met lezen: "... Ik verlang er ook naar u allen weer te zien en voor u te spelen. Juffrouw Barbara zal..."
"Wat zal juffrouw Barbara?" vraagt eensklaps de huisgeest van den muziekmeester, met een stapel borden in de handen en een paar opgerolde servetten onder den arm binnenkomend.
"Stoor me niet." Tournel vervolgt: "...Juffrouw Barbara zal nu niet meer over mijn _gezaag_ te klagen hebben; zelfs mijn phantaseeren zal, hoop ik, nu genade vinden in haar oogen."
"Zoo, denkt hij dat?" pruttelt de matrone. "Hm! hij kon zich wel eens vergissen; wat wordt die jongen pedant!"
"Pedant? Geen zweem er van, Barbara!"
"Ja, jij kunt geen kwaad van hem hooren; maar je zult zien, 't wordt later een kwast;--dat zijn die artisten toch allemaal!"
"Zoo! dank je voor het compliment."
"Niet te danken, Tournel, 't is tot je dienst."
"Grootpapa! lees verder, als 't u belieft."
"Mijn professeur, monsieur Vianol, heeft zich onlangs met lof over een phantasie, die ik gecomponeerd heb, uitgelaten. Hij zei: _C'est fort bien; ça parle au coeur_ (wat zegt gij van mijn Fransch?). Ja, ik _moet_ het hier wel leeren, er wordt niets anders gesproken.--Ik heb ook een kleine burlesque geschreven, die in zijn smaak viel.
"Wat is die compositieleer toch moeielijk en streng; ik leg er nog dikwijls mede overhoop, maar ik gevoel en begrijp gemakkelijk, en dat helpt. Ik wou, dat u eens hoorde wat ik geschreven heb; 'k zal u hierbij een afschrift zenden, dan kunt ge 't eens spelen en mij uw oordeel zeggen...."
"Heeft u die kopie al?"
"Ja, kind."
"En is 't mooi?"
"'t Ziet er goed uit, maar ronduit gezegd: 'k waag er mij niet aan." Tournel leest verder:
"....De dubbele flageoletten liggen niet gemakkelijk, maar ik kon ze niet anders maken; daarom schreef ik er een "ossia" bij."
"Een ossia, wat is dat, Tournel?"
"Een andere, gemakkelijker passage, Barbara."
"Zie je nu wel, dat hij pedant is? Begrijp je niet, Tournel, dat het zooveel beduidt als: "dat kun jij toch niet spelen en daarom...."
"Daarom! daarom! Jij moet je niet bemoeien met zaken, die je niet aangaan; 't is bovendien de waarheid. Dorus speelt met virtuositeit, en ik niet. Stoor me toch niet telkens in mijn lectuur; dek jij de tafel maar verder en zorg, dat we iets te eten krijgen... "Gij hebt mij in uw laatsten brief gevraagd, beste vriend, of ik 't nu beter met de jongelui hier kon vinden? Hebt ge me dan verkeerd begrepen? 'k Heb nooit onaangenaamheden gehad; ik sloot mij alleen maar bij niemand aan, omdat ik gevoelde, dat... Enfin, 't gaat me nu uitstekend, en ik heb een viertal vrienden, die mij aanstaan. Dat is volkomen genoeg; wij hebben een clubje gevormd, dat soms allergezelligst vergadert. Ze noemen mij in de wandeling: Triangle, driehoek. Drie namen voor één bochel! Krates, Boeckelorum, Driehoek; 't is immers veel meer, dan ik verlangen kan."
"Dat is aardig gezegd, grootpapa."
"'t Is toch zonderling, dat hij zelf altijd over zijn hoogen rug lacht en spot, en toch niet velen kan, dat anderen 't doen; daar ligt eene inconsequentie in..."
"Vindt u?"
"Ja zeker!"
"Ik niet; zelf er om lachen is heel iets anders dan uitgelachen worden. Uitlachen is kwetsend, zelf lachen verstandig."
"Nu, uitlachen is het woord, niet bepaald; belachelijk is Dorus in 't geheel niet, zóó mismaakt is hij niet."
"Neen! hij is mooi... Zijn eene schouder is wel een handbreed hooger dan de andere; 't is een koning onder de bochels, hoor!"
"Barbara, wat overdrijf je! Vind je het ook niet, Augusta?"
"Ik vind Dorus in 't geheel niet leelijk, wat zijn gezicht betreft; zijn bult, ja! natuurlijk, die is ongelukkig om te zien, maar...."
"Nu, goed dan, 't is een Adonis.--Ben je nu klaar met lezen, Tournel? De tafel is gedekt."
"Op 't oogenblik. Waar waren we ook weer? O, ja!"
"...'t Is meer dan ik verlangen kan, en waarlijk, als ik in den spiegel zie, schijnt mij die laatste naam "Triangle" bepaald geestig."
"Ha! ha! ha! ha!"
"Lach je daarom, Augusta?"
"Ja, hij schrijft dat zoo aardig."
"...'t Is nu reeds bijna twee jaren, dat ik hier ben, zonder in Holland te zijn geweest; waar blijft de tijd! Ik verheug er mij op, dat ik u allen tegen het einde van 't jaar zal terugzien, want ik heb plan om met Kerstmis over te komen. Dr. Abels schreef, dat hij er bepaald op gesteld was. Mag ik dan ook een paar dagen bij u blijven? Als juffrouw Barbara mijn kamertje nog niet tot provisiekamer heeft bevorderd, zou 't wellicht gaan."
Dat is nog al aardig, dat hij zich dat herinnert. 't Is waar, ik zei dikwijls, dat ik er een proviandkamertje van wou maken! Maar dààr kunnen we hem niet hebben, Tournel!"
"Waarom niet?"
"'t Is nu geen jongen meer; 't zal wel een verwend heertje geworden zijn, daar in Brussel. Weet je wat, Augusta, ga jij dan zoolang in 't kleine kamertje slapen; dan kan hij, als hij komt, in jou kamer logeeren."
"Heel goed, nicht."
"Gekheid, Barbara, hij moet 't nemen, zooals 't hier is, en...."
"En ik zeg je, dat het niet gebeurt; in huis ben ik de baas, in het orkest jij,--begrepen?"
"Goed, goed, kom asjeblieft niet in een anderen toonaard, en luister."
".....Ik beloof algeheele onderwerping aan al haar schikkingen, mits zij mij maar niet wegstuurt; want ik beschouw uw huis, beste vriend, als mijn tehuis...."
"Hij is toch niet erg pedant geworden, Tournel."
"Zie je wel, Barbara, dat je te voorbarig was... Luister verder... Hoe heerlijk, prachtig en rijk het ook bij dokter Abels moge zijn, hoe hartelijk en vriendelijk iedereen voor mij is, toch gevoel ik mij dáár niet zoo op mijn gemak, als bij u. Mag ik komen?"
"Wat dunkt je, Barbara?"
"Zou je vóór Kerstmis Augusta's kamertje niet kunnen laten behangen, Tournel?"
"Hoe zou hij er nu uitzien, grootpapa?"
"Dokter Abels zei laatst, dat hij veel knapper is geworden; hij is wat gegroeid, en daardoor schijnt hij niet zoo erg krom als vroeger...."
"Je moet hem eens vragen, als je schrijft, of hij daar gewend is op een bed of op een matras te slapen...."
"'k Zal er om denken, Barbara."
"Wat schrijft hij gemakkelijk, grootpapa! 't Is net alsof ik hem hoor praten; ik ben ijselijk nieuwsgierig om hem weer te zien. Zou hij mij nog herkennen? Neen, hé? Ik ben zoo lang geworden en veranderd, zegt iedereen. Of hij mij nog altijd met jongejuffrouw zal aanspreken? Mij dunkt, hij moest me maar Augusta noemen, dat klinkt veel prettiger."
"Zeker, kind. Heb jelui elkaar dan vroeger niet bij den naam genoemd?"
"Wel neen, ik noemde hem Dorus, maar hij mij niet Augusta."
"Zoo!"
"Wat zal 't mij een genot zijn om U weer de hand te drukken, beste vriend, en U te hooren zeggen: "Je hebt nu methode en school genoeg. Ga nu je gang maar: je wildzang is kamerzang geworden." O! ik verdiep me nog zoo graag in den tijd, toen ik bij U was; spoedig hoop ik allen in gezondheid weer te zien. Mijn beleefde groeten aan juffrouw Barbara en uw dochter."
"Ha! ha! ha! wat klinkt dat deftig, grootpapa!"
"Vind je?"... "Postcriptum. Maakt Boppie 't goed?"
"Bop! Bop!"
"Waf! waf!"
"Compliment van den baas."
"Malle meid!"
"De soep staat op tafel, Tournel."
't Is nacht!
De torenklok slaat twaalf; dof en zwaar dreunen de slagen, alsof er sneeuw in de lucht ligt. Langzaam valt de hamer twaalf malen op de klok, hoog boven in den toren. Over de huizen en het dak der kerk ligt zwart en ondoordringbaar de nacht en daardoor schijnt het bijna alsof de toren vrij in de lucht zweeft.
Bij elken klokslag beven de oude steenen muren, de balken en binten, en valt langzaam een weinig stof naar beneden tot onder in den toren; zóó gaat het jaren lang, altijd door, altijd een weinig, totdat eenmaal de muren zelf ineenstorten en alles stof wordt.
De klok slaat en het geluid zweeft over alle daken; zachtjes, bijna onmerkbaar trillen overal de vensterruiten. Hoe weinigen hooren het uur van middernacht. Wie bekommert zich om het beetje stof, dat van de muren valt? Wie denkt er aan, dat elk uur een stofdeel van uw eigen heerlijkheid schudt? Zorgelooze mensch! ge voelt het niet. Morgen vroeg ziet ge in den spiegel en vindt uw aangezicht onveranderd, evenals den kerktoren vóór u,--en toch valt er stof bij elken klokslag!
De nachtwacht hoort de torenklok. Twaalf uur! Brrr!! 't wordt koud, bitter koud; hij trekt zijn jaskraag omhoog, zijn muts dieper over de ooren. Onverschillig ziet hij rond; zijn blikken dwalen langs de donkere vensters, totdat hij er een bemerkt, waar achter de gordijnen nog een nachtlichtje brandt. Daar sluimert een jong meisje. Straks, als de dag door de ruiten dringt, kust hij een paar oogen wakker, die nog nooit een morgen zagen zonder frisscher te glanzen dan den dag te voren en die aan den ontwakenden morgen trots mogen vragen: "Wie is schooner, gij of ik?" Als het dag wordt, schijnt het bijna alsof alle bloesems, die de tijd op het gelaat van anderen ontbladerde, op dit gezichtje werden uitgestrooid, midden in den nacht, terwijl buiten de winterstorm huilde in de duisternis.
De nachtwacht gaat verder: "Twaalf uur heeft de klok; bewaar je vuur en licht!" klinkt zijn eentonige roep.--Nog is de klank van zijn stem niet uitgestorven in den stillen nacht, als in een huis naast dat andere een licht wordt gebluscht. Er is daar iemand gestorven, en een doode heeft geen licht meer noodig. Een menschenziel is van de aarde verdwenen. Een tempel is ineengestort, gebouwd van hoop en wenschen, van vreugde en leed, teleurstelling en verwachting.
De nachtwacht gaat verder....