Krates: Een Levensbeeld

Chapter 10

Chapter 104,137 wordsPublic domain

De twee frissche meisjesstemmen klonken harmonisch en liefelijk in 't eenvoudig schoone duët: _Ich wollt' meine Liebe ergösse sich_. Eensklaps was Dorus de kamer uitgesneld en in den tuin in snikken uitgebarsten. Juffrouw Barbara, die hem was nageloopen, had hem met het hoofd voorover op de tafel in 't prieel vinden liggen en gezegd: "Ben je gek, Dorus, ga je nu grienen; foei, dat is laf voor zoo'n grooten jongen!"--en hij had haar toegevoegd: "Jij hebt geen hart in 't lijf, ouwe heks!" Maar toen hij, een kwartier daarna, haar wederzag, had hij haar hand gegrepen, die gedrukt en gevraagd:

"Ben je nog boos, juffrouw Barbara?"

"Ja, kwaje jongen!"

"Kom! word maar weer goed. 'k Heb er spijt van, dat ik 't gezegd heb; ik meen het niet zoo kwaad; ik kon 't alleen maar niet velen, omdat ik die muziek had gehoord; ze was mij in mijn ziel gegaan, en toen u dat zei, was 't mij net alsof er iets in mijn binnenste brak."

"Rare jongen, je moest liever geen muzikant worden, als je zoo'n kruidje-roer-mij-niet bent."

"'t Zal wel beter met mij worden, als u maar dikwijls een schietgebedje voor mij doet." Dorus trok een vroom gezicht.

"Als je spot, worden we weer kwade vrienden; pas op!"

"Zijn we dan nu weer goede vrienden?" en hij keek haar vleiend lachend, maar toch ietwat ironisch aan.

"Ja, kwaje jongen!"

"'t Is een wonderlijke jongen," zei 's avonds onder het naar huis gaan juffrouw Barbara tot Tournel; "je kunt niet kwaad op hem blijven. Als hij je zoo aankijkt, is hij in 't geheel niet leelijk; je vergeet, dat hij een bochel heeft, en ik zou hem heusch een zoen hebben kunnen geven."

"Daar zou je hem zeker erg veel pleizier mee hebben gedaan," antwoordde Tournel, terwijl hij zijn wenkbrauwen vertrok en de onderlip vooruitstak.

"Akeligheid!" bromde de matrone en zei geen woord meer, totdat ze thuis waren.

Nog zat Dorus in gepeins verzonken in de kamer en keek doelloos voor zich uit: de woorden van Jacob en de schampere lach van Pieter den tuinman klonken hem nog in de ooren.

Verliefd? Was dat dan liefde, wat hij voor Albertine gevoelde? Hij wist het niet. Een gloeiende blos overtoog zijn gelaat, terwijl hij er over dacht, dat anderen zijn voorkeur voor de dochter van zijn beschermer hadden opgemerkt, en hij had een gevoel, als zou hij haar niet meer onder de oogen durven komen. Als Albertine het ook eens had gedacht en hem innerlijk uitlachte, evenals de tuinman deed!--Neen, dat kon toch niet! Zij was immers altijd zoo vriendelijk en lief, zij was vroolijk, opgeruimd en lachte, maar niet om hem, neen, neen!... Foei, wat een akelig gevoel hadden hem die spottende woorden bezorgd. Tot nog toe was hij zoo vrij en onbevangen mogelijk geweest in Albertines nabijheid. Het scheen hem nu toe, alsof hij haar niet meer zonder te kleuren in het gelaat zou durven zien; alsof haar oogen, als zij op hem rustten, hem zouden zeggen... Ja, wat zouden zij hem eigenlijk zeggen? Hij wist het niet, hij gevoelde alleen maar, dat zijn onbevangenheid voorgoed weg was. In een oogwenk vloog hem al het bloed naar 't hoofd; hij beefde van drift. Die lompe tuinman! de oude wijsneuzige Jacob, hij zou ze wel inpeperen, dacht hij. Onwillekeurig stond hij op, om te zien of zij nog in den tuin stonden. In zijn oog flikkerde de oude toornige vonk, toen hij Pieter ontdekte, die doodbedaard de tuinpaden opharkte en een deuntje floot. Werktuigelijk greep hij naar een looden presse-papier, die naast het raam op eene étagère stond, maar zijn hand bereikte het voorwerp niet;--hij hoorde Albertines stem, die den tuinman toeriep:

"Pieter, doe eens gauw het tuinhek open! Gauw! daar is neef Otto!"

De tuinman liep haastig heen. Een paar seconden later zag hij een jongmensch door den tuin komen en met veerkrachtigen vluggen tred naar het huis snellen.

Albertine vloog hem te gemoet, halverwege den tuin, reikte hem haar beide handen, stond even stil en wandelde toen, arm in arm, met den nieuwaangekomene naar de veranda. Dorus merkte op, hoe gelukkig zij er uitzag, hoe haar gelaat straalde, terwijl zij naar hem opkeek. Zij hield vertrouwelijk haar arm in den zijnen en vouwde de handen over zijn arm samen. Hij keek haar aan met een paar glanzende oogen en fluisterde haar iets in 't oor. Zij lachte hem toe.--Wat ze spraken, kon hij niet hooren, maar hij zag, hoe hij haar onder 't wandelen een kus gaf op de frissche roode lippen, die zij hem lachend bood.

De tuinman keek het paartje uit de verte na en hield de hand boven de oogen, om 't zonlicht af te weren. Jacob kwam juist uit het koetshuis en vertrok zijn breeden mond tot een lach, terwijl hij den tuinman toewenkte en met den duim over zijn schouder heen, op de twee jongelieden wees.

Dat alles zag Dorus, terwijl hij voor het raam stond en hij mompelde in zichzelf: "Wat een knap man, wat een mooi gezicht, wat een flinke houding; hoe innig keek hij haar aan, en hoe gelukkig zag zij er uit. Wat zullen die twee elkaar liefhebben!"

't Was hem plotseling duidelijk geworden, dat Albertine haar neef Otto liefhad. Hij zag het, neen, hij gevoelde het, hoe of waardoor, dat begreep hijzelf niet, maar hij was er zeker van en.... hij was er niet ongelukkig door, hij leed er niet door, integendeel het deed hem goed te weten, dat zij, die hij vereerde, nu niet langer zou kunnen blootstaan aan de ruwe of spottende opmerkingen van anderen. Hij gevoelde als het ware een soort van verlichting en toch.... hij wou liever, dat Otto niet gekomen was.... Zonderlinge tegenstrijdigheid in zijn binnenste, waarvan hij niets begreep, dan dat zij bestond.

Toen hij 's middags beneden in de kamer kwam tegen 't etensuur, zaten neef Otto en Albertine vertrouwelijk pratend op de canapé en dokter Abels in een leunstoel bij hen.

Otto had zijn rechterhand op Albertines schouder geslagen en hield met de andere hand de hare vast.

Een oogenblik bleef Dorus in de geopende deur staan. "Daar heb je nu Dorus, onzen logé," zei vroolijk dokter Abels, hem ziende, tot neef Otto. "Kom eens hier, vriendlief, en maak je compliment aan de jongelui. 't Is vandaag een feestdag, want mijn dochter heeft zich geëngageerd met haar neef Otto Van Vliet."

Dorus zweeg en boog even het hoofd.

Otto stond op en reikte hem de hand, terwijl hij vroeg: "Ben je weer beter? Ik hoorde van Albertine, dat je lang ongesteld waart."

"O ja! meneer," stotterde Dorus, en eensklaps zich tot Albertine wendend, zei hij, met een lichten blos op de wangen: "Juffrouw, ik hoop, dat u gelukkig wordt, heel erg gelukkig;" en toen Albertine hem de hand toestak, drukte hij die zoo hartelijk, dat zij een kleinen kreet van pijn niet onderdrukken kon.

"En wat zeg je daar nu wel van, Dorus?" vroeg dokter Abels, achteroverleunend in zijn stoel en met welgevallen het tweetal vóór hem beschouwend. "Vind je dat niet aardig om zoo'n jong paartje te zien, he? Misschien kom ik ook nog eens bij jou feliciteeren, als jij de bruigom bent. Je ziet vandaag weer wat bleeker dan anders; voel je je niet wel? 'n Beetje geïrriteerd? Heb je hoofdpijn?"

"Neen, dokter."

"Dus je voelt je goed, evenals gisteren, normaal? Niet zoo zenuwachtig meer?"

"Neen, meneer!"

"Best, dan zal 't voor jou vandaag ook een feestdag zijn."

Vragend vestigden zich de groote bruine oogen op des dokters gelaat.

"Je moogt vandaag weer eens spelen, phantaseeren zelfs, ter eere van mijn aanstaanden schoonzoon. Otto, je zult pleizier in mijn jongen hofmusicus hebben," lachte dokter Abels.

"'k Ben er zeer verlangend naar; 'k heb er al zooveel van gehoord door Albertine."

"Altijd weer Albertine," dacht Dorus, terwijl hij, den dokter aanziende, zei: "Maar mijn viool is niet hier."

"Dat's minder, Dorus; je zult toch kunnen spelen."

"Hoe dan, mijnheer?"

"Op mijn viool; ze is in orde gebracht, en..." hij lachte erg vriendelijk, "je moogt haar behouden ook. 't Is een echte Cremona; ik geef ze je als aandenken aan dezen dag... den verlovingsdag van mijn kind, dat ik zoo graag gelukkig zie."

"Lieve, beste papa!" zeide Albertine.

"Och! dat had je goede moeder nog moeten beleven."

De viool van dokter Abels was een prachtig instrument, en toen Dorus 's avonds, na langen tijd zijn vriendin te hebben ontbeerd, haar in de armen hield en de snaren geheimzinnig fluisterend tot hem spraken, speelde hij, phantaseerde hij en liefkoosde hij zijn instrument als een minnaar zijne geliefde. Hij was naar zijn kamer gegaan, hij wilde alleen zijn; er lag egoïsme in dien wensch, maar ook poëzie.

Hoe zong die viool, hoe heerlijk golfde de toon uit de bruine, schoone Cremona. Alles vergat hij om zich heen. 't Was hem alsof hij droomde, droomde van zijn idealen, idealen, die hij nog niet anders dan in onbestemde vormen kende; en toen hij eindelijk den strijkstok neerlei, hoorde hij onder zich in den tuin Otto's stem, die verrukt uitriep:

"Dat is heerlijk, verrukkelijk! Ik gaf er alles om, als ik zoo kon spelen."

"Mij ook?" vroeg Albertine lachend.

"Neen, jou niet, liefste, jou niet!"

Een paar dagen later vertrok Dorus weder naar Tournels woning, en de oude muziekmeester zag met vreugd zijn leerling terugkeeren.

Augusta toonde hem een vroolijk gelaat en drukte hem hartelijk de hand, maar juffrouw Barbara zei:

"Nu begint het spektakel weer; maar als hij 't me te bont maakt, dan moet hij de deur uit."

"Dat heb je al zoo dikwijls gezegd, Barbara," riep Tournel lachend, "dat we best weten, hoe je 't meent."

De nieuwe viool was een welkome gast. Tournel werd niet moede den lof er van te bezingen. "Jongens, jongens! Dorus, je bent zeker onder een gelukkig gesternte geboren. Een viool met dien toon is alles voor je waard. 't Is een lot uit de loterij."

Opnieuw begon Dorus nu te leeren en te werken. Het verblijf en de rust op "Mon Repos" hadden hem goedgedaan; met kracht zette hij zijn studiën voort, en toen nogmaals een jaar verstreken was, zei de heer Tournel:

"Beste jongen, nu is het tijd, dat je naar het conservatoire gaat; ik zal er met dokter Abels over spreken."

't Was voor Dorus een groot geluk, dat de dokter nooit iets ten halve deed en rijk genoeg was om wat hij wilde geheel en ten volle te kunnen doen. Daardoor werd het hem mogelijk gemaakt op het conservatoire te Brussel een plaats te vinden.

Tournel zelf bracht hem er heen, en toen zij te zamen vertrokken waren, schreide Augusta, en juffrouw Barbara zei:

"Huil je, omdat die kromme krates weg is, malle meid?--Ja? Mocht je hem zoo graag lijden?--En hij plaagde je zoo dikwijls.--O, zoo! vond je dat wel aardig?--Nu, huil maar niet meer: hij komt terug.--Ja, 't was wel een driftkop, maar toch een erg goedige jongen, en 't spijt mij ook, dat hij gaat: ik begon nu juist aan hem te wennen."

XI.

ROOFVOGELS.

In de spreekkamer bij den procureur Verhagen zit de oude Philip Strijkman in zijn zondagsche jas met een groote ouderwetsche groene parapluie tusschen de knieën, op welker knop zijn hoed hangt, te wachten; tegenover hem zit vrouw Juttner en naast haar de ongelukkige, gebochelde Kobus. De onnoozele knaap ziet er nu vrij fatsoenlijk gekleed uit, en zijn moeder, die men vroeger niet anders dan als schoonmaakster met jak en rok gekleed kende, heeft thans een groene japon aan, een omslagdoek met palmen om en een hoed op, waarvan de bruinroode keelbanden onder de kin zijn vastgestrikt. Haar handen steken in garen handschoenen, waarvan de vingers te lang zijn en die de grove knokkels van haar werkhanden doen doorschemeren. Het drietal spreekt geen woord, maar de sluwe, groenachtige oogjes van Strijkman gaan rusteloos rond of vestigen zich nu en dan op de mismaakte gestalte van den knaap, die onophoudelijk de hand in zijn broekzak steekt om er een paar rozijnen uit te nemen, die hij blijkbaar met smaak verorbert.

Vrouw Juttner wisselt af en toe een blik van verstandhouding met den pandjesbaas en trekt zwijgend Kobus' buisje terecht of strijkt hem het haar uit de oogen.

Geruimen tijd hebben zij zitten wachten, als eindelijk Keesje, de jongste bediende, binnentreedt en kortaf zegt:

"U kunt binnenkomen."

Langzaam staat Strijkman op en begeeft zich, gevolgd door vrouw Juttner, die haar zoon aan de hand medetrekt, naar het kantoor, waar de heeren Krasser en Van Blaak ijverig zitten te schrijven en tersluiks van hun werk opzien, als het drietal de deur binnenkomt. Bij het binnengaan fluistert Strijkman nog even: "Hou je nou goed, mensch!" De procureur, die als naar gewoonte voor zijn schrijfbureau plaats heeft genomen, draait half het hoofd om en knikt, terwijl hij zegt: "Gaat zitten!"

Keesje schuift een paar stoelen bij de tafel, wijst ze zwijgend den binnengetredenen aan en wipt daarna vlug op zijn hooge kruk, terwijl hij tegen Van Blaak een vies gezicht trekt en met de oogen knipt naar den kant, waar Strijkman zit. Een oogenblik heerscht er algemeene stilte op het kantoor, alleen afgebroken door het krassen der pennen en het kuchje van Strijkman, die zich de keel schraapt om beter te kunnen antwoorden op de vragen, welke hij verwacht, dat de heer Verhagen tot hem richten zal.

Deze wendt zich eindelijk om, schuift zijn stoel een eind achteruit, en den blik vast op zijn bezoekers vestigend, vraagt hij: "En wat kwam u nu eigenlijk hier weer doen?"

Eenigermate van streek gebracht door deze kalme vraag, antwoordt Strijkman zachtjes: "We kwamen eens hooren, hoe 't er nu mee staat, vanwegens de erfenis, weet u?"

"We wouen er met uwés permissie nou wel ereis haring of kuit van hebben," voegt vrouw Juttner er bij.

"Zoo!" Mijnheer Verhagen ziet den knaap strak aan, die zonder zich om iets of iemand te bekommeren zijn rozijntjes eet en onnoozel rondziet.

"We zouden nu graag willen weten, of we niet alvast voor den jongen een duizend gulden of wat voorschot konden krijgen op de erfenis," zegt Philip, terwijl hij er aanstonds op laat volgen: "Juffrouw Blommers kan het zóó niet langer uithouden; ze heeft al haar spaarduitjes er al aan gespendeerd. Is 't niet waar, juffrouw?"

"Och ja!" antwoordt temend vrouw Juttner, die met onderling goedvinden en tot meerdere veiligheid van haar persoon, den naam van Blommers heeft aangenomen, "ik heb zoo gaandeweg alles bijgebrokkeld wat ik kon en voor dien jongen gedaan, wat menschen-mogelijk was.--Dorus, kind! schei nou uit met rozijnen eten; je zult misselijk worden," en luider roept zij: "Hou nou op met eten, Dorus!"

"Och, moeder!" zegt de knaap onwillig.

"Dat is nou aardig, meneer de avekaat: die jongen heeft van het eerste oogenblik af aan, dat ik hem van straat heb opgenomen "moeder" tegen me gezeid; afijn, ik mocht het wel lijden. En dat is hij blijven zeggen nadat hij de hersenziekte heeft gehad... 'k Heb wat met den stumperd uitgehouwen, meneer; altijd door maar kouwe doeken op het hoofd en...."

"Ter zake juffrouw. Nu dan, na dien tijd?"

"Zeit hij nog altijd moeder en 't is hem niet meer uit het hoofd te praten. Casuweel hé, meneer?"

"Ik heb u reeds de laatste maal, dat u hier was, doen opmerken, dat er van voorschot geen sprake kon zijn," antwoordt de procureur.

"'t Is toch wat te zeggen," herneemt Strijkman met een zucht. "Juffrouw Blommers en ik, we hebben al heel wat geld aan dien jongen uitgegeven, meneer! Niet dat we 't niet voor hem overhebben, och God! neen, dat is 't niet, niet waar Dorus?" De pandjesbaas kijkt met zijn gluiperige oogen naar den knaap, die zeer ongegeneerd op den rand van het kopieertafeltje is gaan zitten en met beide handen over de voorpanden van zijn buisje strijkt, terwijl hij grinnikt en op eigenaardig doffen toon zegt "Dorus!...Dorus, heet ik... Oome, is 't nou goed?"

Even kleurt een verraderlijk blosje vrouw Juttner's hoekig gelaat en Strijkman verschiet van kleur, maar beiden herstellen zich dadelijk en wisselen een voor de anderen onmerkbaren blik van verstandhouding.

"'t Is zoo'n hartelijke jongen, meneer, hij zeit altijd "oome." Och, uwé had hem vroeger moeten kennen, toen hij nog alle vijf goed bij mekaar had," zegt de oude man, grinnikend.

Vrouw Juttner werpt een boozen blik op Strijkman, terwijl ze hem in de rede valt met de woorden:

"Nou, zoo erg is 't nog niet: alle vijf! Zeg, de jongen is niet gek!" en plotseling bemerkende, dat zij op het punt is om zich te verspreken, voegt zij er bij: "Hij is alleen maar wat sufferig, nou en dan; is het niet zoo, m'n kind?" De pseudo-Dorus kijkt haar strak aan en herhaalt als voor zichzelf. "Dorus!--Kobus! Kobus!--Dorus! Hè, hè, hè, hè," en luider: "Gaan we nou heen, moeder?"

De schrik slaat Strijkman om 't hart, als hij die woorden hoort, en de procureur ziet beiden bijzonder doordringend aan. Zoo verbeeldt zich ten minste het edele tweetal, dat, als door een gemeenschappelijke ingeving gedreven, opstaat en aanstalten maakt om te vertrekken. In waarheid heeft de procureur slechts een min of meer wantrouwenden blik op de lieden vóór hem geworpen, maar zonder nog in 't minst te vermoeden welk bedrog er door hen gepleegd wordt.

"Kom eens hier, Dorus," zegt de heer Verhagen.

De jongen blijft staan, waar hij staat, en zoekt in zijn zakken, of hij nog rozijnen heeft.

"Kom eens hier, ventje!"

"Och, meneer! de stumperd hoort het niet; hij is doof, erg doof."

"Dat merk ik!"

"Dorus!" roept juffrouw Juttner luid, "ga eens naar meneer,--gauw, en steek je vingers niet in je neus."

De knaap doet een paar stappen vooruit en reikt den procureur de hand, die deze niet aanneemt.

"Hoe oud ben je?"

"Hè! hè! hè! hè!"

"Hij is nou zestien jaar, meneer! Den 12den Januari geweest."

"Hm! zoo; maar weet je wel zeker, juffrouw, dat deze jongen Dorus Makko is, de zoon van den hondenscheerder?"

"Heerem-ensch, meneer!"

Strijkman kucht bedenkelijk en snuit herhaaldelijk zijn neus.

"Meneer de avekaat, kijkt uwé dien jongen eens goed aan, en zie dan eens, of een mensch zich daarmee vergissen kan. Zoo'n bult vind je niet alle dagen, en dan zoo'n fyselomie. Bovendien, ik heb hem immers van klein kind af gekend, en hij mij ook ook; ik was temet de eenige, dien hij nog na zijn ziekte herkende. Is 't niet zoo, beste jongen?" Strijkman spreekt luid en gejaagd.

"Ja, oome,.... Dorus heet ik, Kobus en Dorus!"

Vrouw Juttner krijgt het benauwd, en Strijkman wischt zich tersluiks een paar kille druppels van de slapen.

"Kan hij zich niets meer van zijn vader herinneren?"

"Niemendal, meneer, en van de pampieren ook niet: ik heb ze maar eens weer meegebracht. Wil u ze nog eens zien?" vraagt Strijkman, om aan des procureurs gedachten een andere wending te geven.

"Dank je, 't heeft voorloopig volstrekt geen nut."

"Och, kijkt u maar eens; 'k heb nu 't portretje ook meegenomen." Hij neemt den brief van Adriaan Makko uit den zak en reikt dien met het portret aan den procureur over.

Als de jongen het photographietje ziet, strekt hij de hand er naar uit en zegt dof: "Daar moet ik ook "oome" tegen zeggen, is 't niet, moeder?"

Een nauw bedwongen grimlach omspeelt Strijkmans' dunne lippen, en vrouw Juttner ziet welgevallig verwonderd haar zoon aan, die op het portretje wijzend, herhaalt: "Oome! hé, moeder?"

"Ziet u, meneer de avekaat, dat herkent hij," zegt op min of meer triomfantelijken toon de oude man, en aanstonds laat hij er op volgen: "Zou er nou geen mogelijkheid op wezen, dat we ten minste alvast iets voor hem kregen?"

"Mijn goeie menschen, ik heb je reeds gezegd, dat ik er niets aan doen kan. Er is naar Amerika geschreven, en zoodra we bericht hebben, zal de rechter in deze zaak gekend moeten worden."

Bij het woord "rechter" zien de twee roofvogels elkander tersluiks min of meer angstig aan.

"Dan moet er een voogd voor hem"--Verhagen wijst op den knaap--"benoemd worden, altijd wanneer zijn identiteit voldoende te bewijzen is."

"Identerteit, zeit uwé?"

"Ja, juffrouw! Ik bedoel, als het bewijs geleverd wordt, dat hij werkelijk de jongen is, dien wij zoeken."

"Mij dunkt, meneer, dat's toch duidelijk genoeg, uwé kan er gerust op wezen; ik zal geen gezond oogenblik meer hebben, als...."

"Goeie vriend, mijn tijd is te kostbaar om langer met je te praten. Laat die papieren maar hier; dan zal ik je later wel bericht zenden, hoever de zaak is, en...."

"Ik zal de pampiertjes liever maar weer meenemen," zegt Philip.

"Neem me niet kwalijk, meneer, maar uwè heeft ons nu al ruim drie verrel-jaars op sleeptouw gehouden, en onze lieve Heer weet hoe lang of 't nog duren kan; ik ben een weduwvrouw, die moeite genoeg heeft om aan den kost te komen;"--vrouw Juttner trekt een armoedig gezicht gezicht--"ik kan toch voor niemendal zoo'n jongen niet eeuwig houden."

"'t Spijt mij voor u, juffrouw, maar u zult geduld moeten hebben."

"En hoe lang kan het nog duren?" vraagt Strijkman, terwijl hij de papieren en 't portret weer bij zich steekt.

"Niet te bepalen. De rechter zal...."

't Woord "rechter" bevalt den pandjesbaas in 't geheel niet, en vrouw Juttner voelt zich niets op haar gemak.

't Is dus eenigermate voor haar een uitkomst, als de procureur zegt: "Cornelis, laat deze heer en juffrouw uit."

Als zij vertrokken zijn, keert de heer Verhagen zich half om naar Krasser en zegt: "Er is mij iets niet klaar in deze zaak; wat, weet ik niet recht, maar je moest eens laten informeeren, wie die juffrouw Blommers eigenlijk is."

"Best, meneer!"

Op straat gekomen, valt Strijkman nijdig tegen zijn gezellin, die op een sukkeldrafje naast hem loopt, uit:

"'t Is een nare jongen, dat hij nog altijd Kobus zeit; dat moet je hem afleeren, versta je?"

"Leer jij 't hem af, als je kunt, ouwe gek. Kom hier, Kobu... Dorus!"

"'k Wou, dat die procureur met zijn securigheid naar den duivel liep."

"'t Gaat niet zoo gemakkelijk, als je dacht, hé, Strijkkie?" hoont vrouw Juttner, terwijl zij er bijvoegt: "Je kunt me wel eens weer een paar rijksdaaldertjes geven, hoor! 'k Moet huur betalen."

"Alweer geld? Je hebt pas gehad...."

"Pas! Noem jij dat pas? Al veertien dagen geleden.."

"Acht dagen!"

"Dat lieg je; 't is veertien dagen!"

"Wat, wou jij 't me heeten liegen; heb ik je niet verleden week nog zeventien gulden gegeven,--zeventien mooie ronde guldentjes?" Strijkman zucht.

"'t Is wel mogelijk, maar 't is alweer op; ik kan toch van den wind niet leven. Bovendien, wat ik doe, doe ik toch allemaal voor jou pleizier...."

"Voor _mijn_ plezier?"

"Ja, natuurlijk. Denk je, dat _ik_ 't liefhebberijwerk vind zoo'n jongen te...."

"Hou je mond; je doet 't toch ook om de duiten."

"Waarachtig wel! Maar 'k wou er eerst niet aan, dat weet je toch heel goed. En heb ik niet de meeste moeite en last er van gehad, om dien stumperd wijs te maken, dat hij Dorus heet?"

"'t Is wat moois; hij zeit er nog altijd Kobus bij."

"Kan ik dat helpen?"

"Is 't dan _mijn_ schuld? Ben je gek: jij moet hem leeren, wat hij te zeggen heeft; dat's afspraak."

"'t Is wat lekkers! Je laat mij de kastanjes uit het vuur halen, en jij...."

"Nou! wees maar niet boos. En heeft hij 't dan niet goed gezeid van 't portretje?--Ja, kind, we gaan naar huis.--Ik heb er een dag aan besteed om hem te leeren, dat hij er "oome" tegen zeggen zou; maar jij bent nooit tevreden, ouwe suffer.... Loop niet zoo ver weg, Kobus. Hier! hier!"

"Daar zeg je nou waarachtig zelf Kobus; je bent 'n uilskuiken. Zoo zullen we er nooit komen, als jij zelf je vergist...."

"Och! maak je niet moeielijk; ik weet wat best, wanneer ik op moet passen of niet. Wil ik maar even met je meeloopen naar huis om de centen?"

"'k Heb geen geld!"

"Och! dat's aardig, dan hebben wij ze alle twee niet... en nou liegt een van ons beiden, maar ik niet. 'k Zei daar straks immers vijf gulden; maar wel bekeken, is dat te weinig, oude heer! Je moest maar liever vier riksen geven, dan kan ik meteen voor den jongen een paar nieuwe schoenen koopen."

"Wat zeg je daar, tien gulden? 't Is een schandaal; je wilt zeker weer snoepen, hé?"

"Wil je er een dozijntje van maken, des te beter; dan los ik mijn oorbellen, die nog achter de schuine deur staan."

"Jou oorbellen! Zeker net zoo gekregen als dat speldje?"

"Je begint me te vervelen met je aardigheden.--Kobus! Kobus! loop niet zoo aan den waterkant.--Hier zijn we aan de Prinsensluis. Geef nou 't geld maar hier... of zal ik meegaan?" Zij blijft vlak voor hem staan bij de brugleuning.