Krakatau en de Straat Soenda De Aarde en haar Volken, 1886

Part 2

Chapter 2 3,778 words Public domain Markdown

Een weinig verder stoomen wij langs de vulkanische eilanden Sebesi en Seboekoe, en dan midden door de groep der Lagoendi-eilanden, aan den ingang der Lampong-baai gelegen. Hier is het niet enkel, als op het Prinseneiland, de lage kuststreek, die getroffen werd: de gansche oppervlakte werd verwoest. Overal, langs de hellingen en tot op den top der heuvelen, ziet men niets dan verbleekte stammen, sommigen op den grond liggende, anderen nog overeind staande, maar allen van takken en bladeren beroofd. Deze totale verwoesting is ongetwijfeld toe te schrijven aan den regen van heete asch en slijk, die, door den wind voortgedreven, aan de westzijde van Krakatau veel heviger is geweest dan aan de oostzijde.

Het groote eiland Sumatra loopt ten zuiden, aan de straat Soenda, uit in drie lange landpunten, die twee wijde en diepe baaien vormen, de baai van Semangka ten westen en die van Lampong ten oosten. In de eerste baai heeft de overstrooming zich het verst uitgestrekt: de hoofdplaats Beniawang (op honderd-dertig kilometers van Krakatau) werd ganschelijk verwoest; tweeduizend-honderd-zestig menschen kwamen in dit district om het leven. Eene golf spoelde het huis weg van den hollandschen controleur, en meer dan driehonderd inlanders, die daar eene toevlucht hadden gezocht, vonden er den dood. Bijna alle dessahoofden, te Beniawang vergaderd om den resident te ontvangen, die den 27 verwacht werd, kwamen evenzeer om het leven. Ook daar heeft de slijkregen groote schade aangericht: in de bosschen braken de takken onder de vracht van modder en doodden in hun val de ongelukkige vluchtelingen.

In de Lampongbaai, zooveel dichter bij Krakatau gelegen, was het aantal slachtoffers natuurlijk veel aanzienlijker: het bedraagt niet minder dan zevenduizend-een-honderd-vijf-en-zestig. Ketibang, Tjandi en Kalianda, belangrijke dessas aan den voet van den vulkaan Radjah-Bassa, werden geheel verwoest; eerst viel daar een regen van geweldige stukken steen, toen van gloeiende asch en eindelijk van koude modder. In deze diepe baai, die de gedaante van een trechter heeft, drongen de golven met buitengewone hevigheid binnen. De gansche kustzoom werd verwoest door eene golf, die eene gemiddelde hoogte had van vier-en-twintig el. Haar spoor is overal duidelijk zichtbaar; gelukkig werd slechts eene zeer smalle strook getroffen, want overal begint de grond dicht bij zee snel te rijzen.

24 Mei.--Wij hebben heden nacht geankerd op eenige mijlen afstand van Telok-Betong, waar wij heden morgen aan land gaan. De boot, waarmede wij naar den wal roeien, baant zich een weg te midden van drijvende massa's puimsteen, die hier en daar nog zeer lastige banken vormen. Op het strand, langs den nieuwen van puimsteen gemaakten weg hebben chineesche kooplieden armoedige kramen en schuren opgeslagen, die zij later door welvoorziene winkels zullen vervangen. Onvermoeid werkzaam, als zij voor eigen rekening arbeiden, matig, tuk op gewin, zuinig en met eene zeldzame volharding begaafd, zullen zij zich spoedig van de geleden verliezen weten te herstellen.

In plaats van de welvarende stad, waarvan de regelmatig aangelegde straten zich als verloren in het weelderig lommer van prachtig geboomte, ziet men nu niets dan eene wijde naakte vlakte, hier en daar met kommen brak water bezaaid, een kweekplaats van kwaadaardige koortsen. Onder eene brandende zon steken wij deze akelige wildernis over, waar de helft van de bevolking der stad, ruim vijftienhonderd menschen, den dood vond. De van bamboes gebouwde luchtige hutten der inlanders zijn spoorloos verdwenen; zij werden letterlijk door de zee weggevaagd; terwijl hier en daar verspreide puinhoopen de plaats aanwijzen waar de steviger gebouwde europeesche huizen hebben gestaan.

De resident is afwezig. Zijne fraaie woning, die wij bezoeken, bleef gespaard, dank zij haar ligging op een heuvel, dertig el boven het peil der zee; maar toch scheelde het niet veel, of ook dit huis had het lot van alle andere getroffen.

De katastrofe greep plaats op den 27 Augustus, des morgens ten half elf. Volgens den heer Verbeek heeft niemand eigenlijk kunnen waarnemen wat er gebeurde, omdat alles in eene duisternis gedompeld was, die, volgens de verklaring van getuigen, donkerder was dan de donkerste nacht. De vluchtelingen, die zich in het huis van den resident verzameld hadden, hoorden slechts een vreeselijk geknetter en gekraak, veroorzaakt door een hevigen wind, die de takken verbrijzelde, de boomen velde en de slijkregen met geweld tegen de deuren en vensters joeg. Zelven kunnen wij ons overtuigen dat de zee tot de eerste trede gestegen is van de trap, die naar het terras voert, waarop de woning van den resident is gebouwd. Vlak beneden die trap zijn de teekenen van de door het water aangerichte verwoestingen duidelijk zichtbaar.

Van dit fraai gelegen punt omvat de blik een schier grenzenloozen horizon: aan de eene zijde de wijde golf van Lampong, aan de andere het heuvelachtige land; men ziet ook den Apenberg, een regelmatig gevormden, vrij hoogen kegel, langs welks voet de geteisterde strook gronds door haar vaal bleeke kleur scherp afsteekt tegen het groen der bosschen, die de berghellingen bekleeden.

Wij worden met de grootste vriendelijkheid ontvangen door den heer J. Dronkers, ambtenaar in dienst der hollandsche regeering, die met zijne jeugdige vrouw een klein huisje bewoont, dat geheel van bamboes is opgetrokken, maar dat toch zeer comfortabel is ingericht. Wij vernemen daar, dat de streek, vroeger vrij gezond, thans zeer ongezond is geworden. Uit het noodlottige moeras, dat thans de plaats van Telok-Betong inneemt, ontwikkelen zich voortdurend verpeste dampen en kwaadaardige miasmen, en de koorts is hier spoedig inheemsch geworden. Wij hebben ook het genoegen, bij den heer Dronkers kennis te maken met den heer Van Heuckelum, mijningenieur te Batavia, en thans op eene ambtelijke inspectiereis.

In den namiddag, toen de allengs dalende zon een deel van haar ondragelijken gloed had verloren, stelden die heeren ons een uitstapje voor naar de plek, waar de stoomboot de _Barouw_ midden op het land ligt. Onder weg zien wij verschillende groote visschersvaartuigen, die op grooten afstand van het strand, midden tusschen gras en struiken, op hun zijde liggen. Wij doorwaden de rivier Koeripan en vervolgen dan onzen weg stroomopwaarts, langs den rechteroever. Maar weldra worden wij overvallen door een stortbui, waarvan nog het minst onaangename gevolg is dat de hard geworden asch, waarover wij loopen, zeer glibberig wordt. Dat is nog het ergste niet: het pad stuit eensklaps tegen een kreupelbosch, dat ons ondoordringbaar schijnt. Toch dringen wij er in door, voorafgegaan door onze maleische gidsen, die ons een weg banen in de jungle. Eindelijk, na een zeer vermoeienden tocht van een uur, zien wij eensklaps, bij eene kromming der rivier, een allerzonderlingst schouwspel voor ons: eene groote raderstoomboot, geheel ongeschonden, ligt daar, midden in het woud, even als eene brug over de rivier, die rustig onder de kiel doorvloeit over eene bedding van breede zwarte kiezelsteenen. De prachtige tropische flora vormt eene eigenaardige lijst om deze wonderlijke schilderij, die wij, helaas! niet lang op ons gemak konden beschouwen, want de regen begon op nieuw en wel in heviger mate. Bovendien spoedt de dag ten einde en wordt het hoog tijd om aan boord terug te keeren. Onze terugtocht geleek wel eene vlucht. Rillende van koude, na de gloeiende hitte van den dag, doornat, waren wij wat blij, dat wij ons in de machinekamer van de _Kediri_ konden verwarmen.

Dit interessante uitstapje herinnerde mij een soortgelijk tochtje, dat ik zeven jaren vroeger, in een geheel ander deel der wereld, ver genoeg van Sumatra, had gemaakt, Dat was te Arica, op de kust van Peru. Den 18 Augustus 1868, ten gevolge van eene aardbeving, werd de stad door geweldige golven overstroomd en verloren een aantal harer inwoners het leven. Door de golven opgetild, werden drie schepen op het strand geworpen, waar zij, na het terugvloeien van de zee, op een mijl afstands van de kust op het droge bleven liggen. Zij bleven daar negen jaren, toen de zee wederom buiten haar oevers trad en in het land doordrong. De amerikaansche korvet _Waterie,_ vlot geworden, strandde op nieuw een mijl dieper landwaarts in, midden in een woestijn, nabij den spoorweg van Tacna. Daar zag ik de boot, in de maand September 1877; haar stevige ijzeren kiel, door de twee raderen gesteund, stond recht op den grond, als wachtte zij dat de zee, bij eene derde inbraak, haar mede zou nemen voor een nieuwen tocht.

Met de _Barouw_ heeft de zaak zich aldus toegedragen. De boot lag geankerd voor Telok-Betong, toen in den morgen van den 27 Augustus, eene golf haar optilde, zonder schade over den dijk beurde en midden in het chineesche kwartier nederzette. Den 28, toen het weder dag werd, was het vaartuig verdwenen. Men vond het terug op de eigen plek, waar wij nu het gezien hebben, in eene kromming van de rivier Koeripan, op een afstand van drieduizend-driehonderd el van zijne ankerplaats op de reede, en van tweeduizend-tweehonderd el van het punt in de chineesche wijk, waar het des morgens was te land gekomen. Al de maleische prauwen waren in de vallei gestrand; alleen de _Maria_, een transportschip voor het vervoer van zout, was gespaard gebleven en wiegelde zich, tot aller verbazing, rustig en kalm, midden op de reede.

Op het oogenblik van de katastrofe meenden de twee eenige Europeanen, die zich aan boord van de _Barouw_ bevonden, de kapitein en de machinist, zich te kunnen redden, door zich aan de takken van een boom vast te klemmen; maar eene tweede golf, nog geweldiger dan de eerste, sleepte den boom in haar vaart mede, zoodat de beide ongelukkigen verdronken. De bemanning daarentegen, die aan boord was gebleven, kwam met den schrik vrij.

25 Mei.--De heer Van Heuckelum, die op eene gelegenheid wachtte om naar Batavia terug te keeren, is met ons aan boord van de _Kediri_ gegaan, die 's nachts het anker heeft gelicht. Dezen morgen ten acht uren houden wij stil tegenover de oostkust van Seboekoe, op twee-en-dertig mijlen afstands van Telok-Betong, in de richting van Krakatau. De boot brengt ons aan land; dank zij het mooie weer gaat de ontscheping gemakkelijker dan op de vorige dagen. Wij bezoeken ook het kleine Protectie-eilandje, dat bewoond was, zoo als blijkt uit de overblijfselen van de in regelmatige vakken geplante kokospalmen; maar er is geen spoor meer te ontdekken van de inlandsche hutten, waarvan de bewoners, ten getale van honderd-vijftig, allen zijn omgekomen.

Het groote eiland Seboekoe, dat wij vervolgens aandoen, was onbewoond. Dit eiland is betrekkelijk vlak, en hoewel mede van vulkanischen oorsprong, heeft het geen centralen bergkegel, zoo als het naburige Sebesi. Hier zijn wij nog slechts acht mijlen verwijderd van het brandpunt der verwoesting, van Krakatau; de uitwerkselen zijn dan ook hier nog verschrikkelijker dan wij tot dusver gezien hebben. Het eenmaal groenende bosch is vervangen door een wilden baaiert van geteisterde en verbleekte stammen, langs de heuvelhellingen verstrooid en gedeeltelijk onder de asch bedolven.

Onze vaart vervolgende, kwamen wij in den namiddag te Sebesi, op slechts twintig kilometer afstand van Krakatau. Niemand weet wat daar eigenlijk is geschied, want van de drieduizend inwoners van het eiland, Maleiers of Chineezen, ontkwam geen enkele aan den dood. De groote golf van den 27 moet hier eene hoogte hebben bereikt van minstens dertig el. Het geheele eiland ligt nu bedolven onder eene minstens tien meter dikke laag van grijze asch, vermengd met puimsteen en stukken obsidiaan. De algemeene omtrek, die de gedaante vertoont van een bijna zuiver regelmatigen vulkanischen kegel, is onveranderd gebleven; maar het strand is niet onbelangrijk vergroot door de massa stoffen, door Krakatau uitgebraakt en hier opgehoopt.

Wij gaan eerst over eene wijde vlakte, waar breede diepe geulen de nog steeds wisselende beddingen aanwijzen der beken, die na iederen harden regen ontstaan. Thans vindt men er geen droppel water; toch is het niet geraden, zich op dit verraderlijke terrein te wagen, waarvan alleen de oppervlakte droog is. In den beginne schijnt het gaan gemakkelijk, maar weldra begint de grond onder uwe voeten weg te zinken en langzamerhand zakt ge al dieper en dieper in eene laag modderige asch, waarin ge groot gevaar zoudt loopen geheel te verzinken. Ik spreek uit eigen ervaring: zonder de hulp van den heer Bréon, die in mijne nabijheid was en haastig toeschoot, zou ik vermoedelijk verloren zijn geweest.

De onbetrouwbare vlakte verlatende, beklimmen wij de eerste hellingen. Ook daar moet men nog zeer voorzichtig zijn, want hoewel de asch aan de oppervlakte tot eene vaste massa is geworden, is de ondergrond nog los en bewegelijk, en ziet men overal breede scheuren met loodrechte wanden: de minste stoot kan eene instorting ten gevolge hebben. In een der ravijnen, eerst onlangs gegraven door de geweldige regens die gedurende den noordwestelijken mousson nedervallen, treft ons een hartverscheurend schouwspel. In hun onwederstaanbaren loop van de toppen van den vulkaan naar de zee, hebben de wateren de aschlaag weggespoeld, zoodat de vroegere grond weder boven is gekomen. Op deze plek moet toen eene dessa hebben gestaan, want daar liggen, te midden van de overblijfselen der vernielde woningen en stukken huisraad, een vijftigtal geraamten. Sommigen zijn nog bekleed met de veelkleurige sarongs, die betrekkelijk weinig geleden hebben. Aan de schedels ziet men nog lange zwarte haarlokken; stukken huisraad, uitgebleekte beenderen, kleedingstukken, alles ligt in akelige wanorde door elkander. Blijkbaar zijn deze ongelukkigen gestikt onder een regen van betrekkelijk koude slijk, want nergens ziet men eenig spoor van verbranding.

Maar reeds heeft de natuur aangevangen, hare hand tot genezing der geslagen wonde uit te strekken: krachtige spruiten van bananen schieten uit den grond omhoog; kokosnoten, van de verwoeste boomen afgevallen, zijn ontkiemd, en binnen kort zullen hunne wuivende waaiers dit doodenveld overschaduwen.

26 Mei.--Eindelijk zetten wij koers naar Krakatau, het hoofddoel van onzen tocht. De _Kediri_ vervolgt haar weg langzaam en voorzichtig; onophoudelijk wordt het dieplood uitgeworpen, want de vroegere peilingen hebben hier alle waarde verloren.

Reeds aanstonds kunnen wij een hoogst belangrijk feit constateeren: het verdwijnen van de drie nieuwe eilanden, die men onmiddellijk na de uitbarsting had waargenomen. Op de plek waar deze eilandjes waren gelegen, staat thans vier meter water.

De geringe diepte van het water dwingt ons, het ruime sop te kiezen; en na een langen omweg gemaakt te hebben, naderen wij andermaal zoo dicht mogelijk Krakatau. Te vergeefs zoekt de gezagvoerder eene geschikte ankerplaats: op de plek waar zich, negen maanden geleden, de bergkegel van den Danan verhief, peilen wij thans eene diepte van tweehonderd-veertig tot driehonderd meter. De _Kediri_ moet onder stoom blijven op vijfhonderd meters van den wal; wij zullen trachten met de sloep zoo dicht mogelijk de kust te naderen.

Wij bevinden ons nu vlak tegenover de groote scheur: de eene helft van den voornaamsten bergkegel van Krakatau, den Rakata, een sedert lange jaren uitgebranden vulkaan, is afgescheurd en in de diepte verzonken met het grootste gedeelte van het eiland; de andere helft staat nog, gelijk aan een achthonderd el hoogen, reusachtigen muur van driehoekige gedaante. De algemeene kleur is roodachtig bruin. Men onderscheidt zeer duidelijk de ligging der oude lavabeddingen in vrij regelmatige lagen geordend, onderling gescheiden door zandbeddingen en van boven tot onder doorploegd door een net van lichter gekleurde aderen en strepen.

Straks, naarmate wij nader kwamen, scheen Krakatau ons als gehuld in een witachtigen rook. Wij hielden dit voor dampen, opstijgende uit de spleten in den loodrechten wand, die den vulkaan aan de noordzijde afsluit; zij verhieven zich langzaam en zweefden, als een doorschijnend wolkje, om den top. Maar nadat wij met de sloep dichter bij den bergwand waren gekomen, zagen wij dat de onderstelde spleten niet anders waren dan ravijnen, en wat wij voor dampen hadden aangezien, niet anders dan stofwolken, opgejaagd door de steenen, die schier onophoudelijk langs de genoegzaam loodrechte hellingen naar beneden rollen. Terzelfder tijd hoorden wij een aanhoudend gerucht, niet ongelijk aan het geknetter van een verwijderd geweervuur, terwijl wij duidelijk steenen van verschillende soort konden onderscheiden, die door de lucht vlogen en na herhaaldelijk tegen de rotsen gestooten te hebben, eindelijk in zee vielen. Wij merken ook op, dat wanneer deze projektielen een lossen korreligen grond aanraken, zij dien in beweging brengen; dan storten de vastere bestanddeelen, aarde, zand en steenen, als donkerkleurige lawinen naar beneden; zij rollen door de ravijnen en stroomen in breede massa langs de hellingen, en vormen eindelijk kegels, waarvan de voet op den bodem der zee rust, die hier ter plaatse zeer diep is, want op eenige vademen afstands van de kust peilt het dieplood nog twintig meters. De grijsachtige asch daarentegen, met stof vermengd, stijgt in wolken omhoog en wordt door den wind medegevoerd.

Intusschen werd een onzer roeiers aan het been getroffen door een steen ter grootte van een kleinen oranjeappel, terwijl een tweede veel grooter steenblok op ettelijke meters afstands van de sloep in zee viel. Langer vertoeven was blijkbaar gevaarlijk; wij verwijderden ons dus zoo spoedig mogelijk, nadat het ons gelukt was op verschillende punten fragmenten van de rotsen machtig te worden.

Het wordt inderdaad tijd terug te trekken. De Rakata schijnt het zeer stellig op ons gemunt te hebben: getuige het rusteloos geknetter en gedonder, de steeds dichter wordende stofwolken, en de overal opspuitende waterstralen, als ware de zee aan het koken, maar die eenvoudig het gevolg zijn van de onophoudelijk neerploffende steenen.

Het was toen omstreeks twaalf uur op den middag: de steenstortingen zijn dan, ten gevolge van de brandende hitte, het sterkst. Wij hebben opgemerkt dat, met het dalen der zon, het verschijnsel in kracht en omvang afneemt en dat het 's nachts geheel ophoudt.

Aan de westelijke punt van de scheur in de piek van Rakata vinden wij eindelijk een plek, waar wij aan land kunnen gaan. Wij zetten voet aan wal op een klein strand, aan het uiteinde van een ravijn, waarvan de steile wanden aan den eenen kant bestaan uit oude zwartachtige lavabeddingen, en aan den anderen uit asch en puimsteen, die tot eene vaste massa geworden zijn. Daar kunnen wij in alle veiligheid den aard bestudeeren der rotsen en van de verschillende vulkanische stoffen, door de jongste uitbarsting uitgeworpen en die hier eene laag vormen ter dikte van tachtig en zelfs honderd el.

Ondanks al mijne nasporingen, heb ik aan wal geen enkel spoor van plantaardig of dierlijk leven gevonden, met uitzondering van eene enkele, zeer kleine spin: deze zonderlinge bodinne der wedergeboorte was bezig haar webbe te spinnen! Het zou zeer belangrijk zijn, stap voor stap de ontwikkeling gade te slaan van het nieuwe leven op dezen grond, die nu als in de boeien des doods gebonden ligt, maar die binnen weinige jaren, dank zij de koesterende warmte der tropische zon en de overvloedige regens, zijn voormaligen dos van weelderig groen zal hebben herkregen.

In den namiddag bezoeken wij het dus genoemde Verlaten-eiland, vroeger een prieel van groen, thans geheel overdekt met eene grauwe aschlaag, dertig meters dik. De diepe scheuren in de oppervlakte geven aan het eiland, op zekeren afstand, het voorkomen van een gletscher. Hier, evenals op Krakatau, zijn de hoogste boomen geheel en al onder het slijk bedolven.

Dit eiland, ten noordwesten van Krakatau gelegen, was, voor de uitbarsting, daarvan slechts gescheiden door een nauwen zeearm, ettelijke honderd ellen breed; tegenwoordig bedraagt de afstand tusschen de beide eilanden zes kilometers. Volgens den heer Verbeek, is de oppervlakte van het eiland meer dan verdriedubbeld.

Deze dag was een der belangrijkste, maar ook in hooge mate vermoeiend ten gevolge van de ondragelijke hitte, nog vermeerderd door de weerkaatsing der zonnestralen. Op deze geheel verwoeste naakte eilanden is nergens een plekje te vinden, waar men zich tegen de brandende stralen der equatoriaal-zon beveiligen kan.

27 Mei.--In den vroegen morgen zetten wij koers naar eene zwarte rots, die op twee kilometers ten noorden van Krakatau, even boven de golven uitsteekt: dit is het eenige overblijfsel van het gedeelte des eilands, dat tijdens de uitbarsting in de diepte verzonk. In de onmiddellijke nabijheid, op de plaats waar weleer de vulkanische kegel van den Danan verrees, wordt thans op eene diepte van tweehonderd meter nog geen grond gepeild.

Het Lange-eiland, waarheen wij ons vervolgens begeven, komt bijna geheel overeen met het naburige Verlaten-eiland; het is ook in omvang toegenomen, maar in mindere mate dan het laatstgenoemde. Zeer waarschijnlijk zijn deze beide eilandjes niet anders dan stukken grond, die in vroegeren tijd van Krakatau zijn losgescheurd, bij eene uitbarsting waarvan de historie de heugenis niet heeft bewaard.

Wij stevenen nog eens naar Krakatau en werpen het anker uit op hetzelfde punt als gisteren, maar zonder ons verder op te houden; vervolgens zet de _Kediri_ koers naar Merak, waar wij omstreeks vijf uren in den namiddag aankomen.

Merak, waar de telegraafkabel die Java met Sumatra verbindt, in zee afdaalt, ligt op de noordwestkust van eerstgenoemd eiland. Het is een der plaatsen, die van de ramp het meest geleden hebben. De stad, eene der belangrijkste van de residentie Bantam, werd ten eenemale verwoest; van de veertien europeesche inwoners, die niet voor de uitbarsting waren gevlucht, hebben er niet minder dan dertien het leven verloren.

Sedert heeft men het inlandsche dorp hooger op in de vallei verplaatst, waar men voor inbraak van de zee beveiligd is; de europeesche bevolking van Merak bestaat thans slechts uit den wachter van den vuurtoren, een engelschen loods en een jongen Duitscher, die de betrekking bekleedt van directeur van het post- en telegraafkantoor. Zijn onlangs nieuw gebouwd huis staat op een steil voorgebergte, ongeveer vijftien ellen hoog. Van de naburige huizen is niets meer over dan het plaveisel in cement; alles is weggevaagd door de zee, die hier eene hoogte bereikte van gemiddeld dertig el.

28 Mei.--Wij hebben dezen geheelen dag te Merak doorgebracht. Terwijl de maleische koelies eene vracht steenen voor den bouw der haven te Tandjong-Priok aan boord van de _Kediri_ sjouwen, hebben wij eene groote wandeling langs de kust gemaakt, waar de sporen der katastrofe nog bij iederen voetstap zichtbaar zijn. De kleine spoorweg naar de steengroeven is vernield: de rails werden gebroken en verwrongen; de locomotieven en wagens werden medegesleept en in de zee verzwolgen. Bij laag water ziet men nog, half in het zand bedolven, eene omgeworpen locomotief. De kust zelve werd geheel verwoest: geheele stukken van het strand zijn weggezonken; waar vroeger eene hooge kaap in zee uitstak, ziet men nu een inham.

Wij besluiten ons bezoek te Merak met een uitstapje naar den vuurtoren, die, dank zij zijne ligging op den vijftig el hoogen top van een eilandje, aan de verwoesting ontkwam. Onder het gastvrije dak van den wachter brengen wij de heete uren van den dag door. De woning ligt in de nabijheid van een dicht bosch; men heeft van hier een schoon uitzicht en krijgt des avonds den koelen zeewind uit de eerste hand.

Den volgenden morgen waren wij te Batavia terug. Andere, liefelijker tooneelen wachten mij. Na eenige dagen van rust in de paradijsachtige omstreken van Buitenzorg, zou ik mijne reis beginnen door de binnenlanden van Java, van dat wonderschoone, rijk gezegende land, waar het leven zich, op alle gebied, in zijne rijkste vormen openbaart.