Krakatau en de Straat Soenda De Aarde en haar Volken, 1886

Part 1

Chapter 1 3,730 words Public domain Markdown

Produced by Jeroen Hellingman and The PG Distributed Proofreaders Team

KRAKATAU EN DE STRAAT SOENDA.

De herinnering aan de ontzettende ramp, die in Augustus 1883 het eiland Krakatau en de naastbij gelegen kusten van Java en Sumatra getroffen heeft, is--zoo als het altijd gaat--door den stroom van latere gebeurtenissen en indrukken uitgewischt. Toch mogen wij wel aannemen dat zij nog niet zoo geheel verdwenen zal zijn, of de lezers van ons tijdschrift zullen met belangstelling kennis nemen van het volgende verhaal van den heer Edmond Cotteau, die ingevolge opdracht van de fransche regeering, eenige maanden na de ramp, de door de uitbarsting geteisterde streken heeft bezocht en van zijne bevindingen mededeeling gedaan. Van de uitbarsting zelve is niemand der nog levenden getuige geweest; maar uit de verwoestingen, door haar aangericht, kunnen wij eenigermate afleiden, welk schouwspel het noodlottige eiland en de omliggende streek op die vreeselijke Augustusdagen moeten hebben opgeleverd. Wij laten thans het woord aan den heer Cotteau.

Den 11 Mei 1884 bevond ik mij, na een zeer interessant uitstapje naar Serawak (Borneo), te Singapore. De _Oxus_, van de Compagnie des Messageries maritimes, was juist aangekomen; aan boord bevonden zich mijne twee vrienden, de heeren Bréon en Korthals, aan wie met mij, van wege het ministerie van onderwijs, eene wetenschappelijke zending was opgedragen naar de straat Soenda en het vulkanische eiland Krakatau. Ik was een maand vroeger van Parijs vertrokken: wij ontmoetten nu elkander weder op de afgesproken plaats.

In den avond van dienzelfden dag gingen wij aan boord van de stoomboot _Emyrne_, die tweemaal in de maand, na aankomst van de fransche mail, de passagiers en brieven naar Batavia overneemt, waar wij den 14 Mei aankwamen, na eene gelukkige vaart van twee-en-vijftig uren.

Zoodra wij geïnstalleerd waren, deden wij de noodige stappen om het welslagen van de ons opgedragen zending te verzekeren, hetgeen zonder hulp en medewerking van hooger hand niet mogelijk zou zijn. Gelukkig ging alles naar wensch. De consul van Frankrijk, de graaf de Pourtalès, beijverde zich ons van dienst te zijn; hij stelde ons aan den gouverneur-generaal te Buitenzorg voor. Zijne Excellentie had de beleefdheid, een kleine rijksstoomboot tot onze beschikking te stellen; en dank zij de bereidwilligheid en den ijver van hoogere en lagere ambtenaren, konden wij reeds eene week na onze aankomst de reis naar de straat Soenda aanvaarden.

Maar het zal niet overtollig zijn, vooraf in het kort de feiten in herinnering te brengen, die de aandacht van de geheele wereld eensklaps hadden gevestigd op het eilandje Krakatau, waarvan de tot dusver zoo goed als onbekende naam plotseling eene vreeselijke vermaardheid had verkregen.

In de laatste dagen van Augustus 1883, nauwelijks eene maand na de ramp van Ischia, bracht de telegraaf naar Europa de tijding over van een nog veel schrikkelijker onheil. Eene uitbarsting, heviger dan alle waarvan de geschiedenis melding maakt, had, zoo luidde het bericht, de straat Soenda als ten onderste boven gekeerd, de groote eilanden Java en Sumatra verwoest en aan meer dan honderdduizend menschen het leven gekost. Zooals doorgaans, bleken ook hier de eerste berichten overdreven. Toch was de onopgesmukte werkelijkheid verschrikkelijk genoeg. Het mag toch thans als uitgemaakt worden beschouwd, dat het aantal slachtoffers niet veel minder heeft bedragen dan omstreeks veertigduizend, waarvan de meesten in de golven zijn omgekomen, terwijl de anderen onder een slijkregen zijn verstikt of door de gloeiende asch verbrand.

Krakatau ligt op 6°7' zuiderbreedte en 103°6' oosterlengte, in het westelijk gedeelte van de straat Soenda, ongeveer halverwege tusschen Java en Sumatra. De eigenaardige vorm van het eiland verried aanstonds zijn vulkanischen oorsprong; maar de eenige uitbarsting, waarvan de geschiedenis melding maakte, dagteekende reeds van 1680. In het begin van 1883 was het onbewoonde eiland geheel met dicht bosch bedekt en werd het algemeen gerekend tot de uitgebrande vulkanen te behooren. Maar de sinds twee eeuwen sluimerende kracht gaf eensklaps, op den 10 Mei, teekenen van leven. In het noorden van het eiland begon de Perboewatan, een heuvel van niet meer dan honderd-twintig ellen hoogte boven de zee, stroomen van vuur en wolken rook uit te braken, vergezeld van een geweldig onderaardsch gerommel en van slagen als kanonschoten. Te Batavia en te Buitenzorg, die in rechte lijn honderd-vijftig kilometers verwijderd zijn, kon men duidelijk het gerucht hooren.

Gedurende de drie volgende maanden herhaalden de uitbarstingen zich telkens met meer of minder hevigheid. In Juni werd er een nieuwe krater, de Danan, gevormd. In het begin van Augustus telde men drie voorname brandpunten van uitbarstingen, ongerekend de rookwolken en dampen, die op een aantal andere plaatsen opstegen. Maar de hoogste top van het eiland, de Rakata, die eene hoogte van achthonderd-twee-en-dertig meter bereikt, gaf nog volstrekt geen teeken van werkzaamheid.

De uitbarsting van Krakatau volgde haar gewoon verloop en men bekommerde er zich niet veel om, toen men, op den 26 Augustus, te Batavia op nieuw een aanhoudend gerommel hoorde als van een verwijderden donder. Dit gerommel ging gepaard met slagen, eerst zwak en kort van duur, maar die allengs zoo in hevigheid toenamen, dat in den nacht van 26 op 27 Augustus niemand in het westen van Java een oog kon toedoen. Den 27, des morgens ten zeven uur, weerklonk een zoo geweldige slag, dat vele menschen te Batavia in de meening verkeerden dat een andere vulkaan was begonnen te werken.

Omstreeks tien uren werd de hemel met een geelbleeke tint overtogen en nam de duisternis hand over hand toe. Terzelfder tijd begon een dichte aschregen te vallen, die tot een uur aanhield, toen verminderde en om drie uur eindigde; daarna keerde ook allengs het daglicht terug. De uitbarsting in den morgen van den 27 overtrof te Batavia alle andere in hevigheid: in verscheidene winkels werden de glasruiten verbrijzeld. Daarna hoorde men niets meer tot zeven uur in den avond, toen het geluid weer duidelijk verneembaar werd. Tusschen tien en elf uren weerklonken weer slagen, die niet veel minder hevig waren dan die van 's morgens. Eenige uren daarna hield het geluid geheel op.

Het geluid der geweldige uitbarstingen van den 27 Augustus heeft zich veel verder verspreid dan bij eenige vorige gelegenheid, waarvan de historie de heugenis heeft bewaard. In onze kolonie Cochinchina, meer dan zeventien graden (negentienhonderd kilometers) ten noorden van Krakatau, hoorde men de slagen zoo duidelijk, dat men van alle posten langs de kust naar Saïgon telegrafeerde: "Gevecht op zee, buiten het gezicht." Nog meer: ditzelfde geluid werd gehoord op afstanden van ruim drieduizend kilometers: op Ceylon, in Birmah, op Nieuw-Guinea, enz:--in één woord, over eene oppervlakte, die gelijk staat met het vijftiende gedeelte van de oppervlakte der aarde.

Over hetgeen er in die vreeselijke dagen op Krakatau zelf en op de eilanden en kusten van de straat Soenda is geschied, hebben wij maar zeer schrale berichten van zeer weinige ooggetuigen. Het eenige bewoonde eiland was Sebesi, op dertig mijlen afstands van Krakatau; de drieduizend bewoners van dat eiland zijn tot den laatsten man omgekomen. Op de kust van Java werden Merak, Anjer en Tjaringin, de eenige plaatsen waar Europeanen woonden, totaal verwoest; de meesten dier Europeanen hadden de vlucht genomen, en van degenen die achterbleven, brachten maar zeer weinigen er het leven af. Eindelijk heerschte overal eene volslagen duisternis, die er niet weinig toe bijdroeg om den schrik en de verwarring te vergrooten.

Gedurende de katastrofe bevonden zich tien schepen in de wateren van de straat Soenda. De gezagvoerders hebben van hunne bevinding treffende verslagen gegeven; maar die verslagen zijn uit den aard der zaak zeer onvolledig, want eene ondoordringbare duisternis omgaf de schepen aan alle kanten. Toch heeft een dier gezagvoerders de rookkolom kunnen meten, die zich bij de eerste uitbarsting verhief, en waarvan hij de hoogte op zeven-en-twintig-duizend el schat. Het klinkt bijna ongeloofelijk dat geen dezer schepen ernstig letsel heeft bekomen; ja, nog sterker, de golven, die langs de kust zulk eene geweldige hoogte bereikten, zijn als het ware onopgemerkt langs die schepen heen gegleden: hetgeen wel hierin zijne verklaring zal vinden, dat zij, ten gevolge van hare buitengewone lengte, de vaartuigen niet eensklaps maar geleidelijk optilden.

Het is meer dan waarschijnlijk dat de vreeselijke slag, die in den morgen van den 27 te Batavia en te Buitenzorg werd gehoord, samenviel met de instorting van het noordelijk gedeelte van Krakatau. Eene oppervlakte van twintig vierkante mijlen, ongeveer twee derde gedeelten van het eiland, met inbegrip van de helft van den berg Rakata en de twee vulkanen Danan en Perboewatan, zonk weg in de zee. De ontzaglijke waterverplaatsing veroorzaakte die reusachtige golven, die bij herhaling op de kusten van Java en Sumatra aanrolden, mijlen ver in het land doordrongen, de huizen wegvaagden, de grootste boomen ontwortelden en duizenden menschen verzwolgen.

Deze golven, die op de kust van Bantam, ongeveer dertig kilometers van haar uitgangspunt verwijderd, nog de geweldige hoogte bereikten van dertig en zelfs zes-en-dertig meters, hebben zich verder voortgeplant dan bij menschenheugenis immer is voorgekomen. De sterkste van deze golven, die om half elf 's morgens Tjaringin op Java en Telok-Betong op Sumatra verwoestte, en twee uren later de benedenstad van Batavia onder water zette, deed hare werking niet alleen gevoelen langs de kusten van China en Japan, op Madagaskar en in den geheelen Stillen-oceaan, maar zij drong zelfs door in den Atlantischen Oceaan en werd aan den getijmeter te la Rochelle waargenomen. Deze golf heeft dus letterlijk de reis om de aarde gemaakt.

De massa uitwerpselen van Krakatau overtreft zeer verre die van de geweldigste tot dusver bekende uitbarstingen: men heeft het volume op elf kubieke kilometers begroot. Rondom Krakatau hebben zich asch, sintels en puimsteen in zoo ontzaglijke hoeveelheden opgehoopt, dat nabij gelegen eilanden geheel overspreid waren met een vaal bleek lijkkleed ter dikte van dertig tot veertig el. Nieuwe eilanden zijn opgerezen uit de ondiepe wateren van de straat; maar, zooals te verwachten was, zijn zij weldra weder verdwenen onder de aanhoudende werking der golven, die rusteloos op deze onzamenhangende ophoopingen van allerlei materialen aanrolden. Gedurende zes maanden was de baai van Lampong (Sumatra) verstopt door eene bank van puimsteen, die alle scheepvaart onmogelijk maakte. Die drijvende bank was een kilometer breed en niet minder dan dertig kilometers lang, bij eene gemiddelde dikte van tien à twaalf el. Langzamerhand hebben de losse puimsteenen, door de werking van wind en golven, zich verspreid en worden nu vaak door stroomingen tot op onmetelijke afstanden van hun oorsprong medegevoerd. De asch heeft zich evenzeer over eene ontzaglijke uitgestrektheid verspreid: men heeft niet alleen te Singapore, maar ook in Japan van die asch gevonden.

Ik ga nu over tot het verhaal van onzen tocht.

Den 21 Mei, des morgens ten zes uren, namen wij te Batavia, aan het station Noordwijk, plaats in den trein naar Tandjong-Priok, eene nieuwe haven, die de nederlandsche regeering te midden der afschuwelijkste moerassen heeft doen aanleggen. De werken, die reeds ontzaglijke sommen verslonden hebben, zijn nog verre van voltooid: men heeft daar inderdaad eene kolossale onderneming op touw gezet. Tandjong-Priok staat bekend als zeer ongezond; en wanneer ik zie, door welke lage moerassige streek de spoorweg loopt, komt mij die kwade reputatie verre van onwaarschijnlijk voor. Ongetwijfeld heerscht hier de koorts, maar des nachts is het gevaar het grootst. Sommigen zeggen, dat men de ongezondheid van de nieuwe haven zeer overdreven heeft. Wat hiervan zij, de vreemde gezagvoerders ankeren nog altijd, als vroeger, op de roede, op een aanmerkelijken afstand van de kust, en de nieuwe bassins zijn zoo goed als ledig.

De hoofdingenieur, de heer Van Berckel, van onze komst verwittigd, wachtte ons aan het station en stelde ons voor aan den gezagvoerder en den stuurman van de _Kediri_, die bereids onder stoom lag. Beiden waren Hollanders, maar spraken met het grootste gemak fransch. Wij vertrekken zonder verder oponthoud.

De kleine stoomboot, die de indische regeering voor een tiental dagen tot onze beschikking heeft gesteld, is wat de Hollanders hier een hopperbarge noemen. Zij wordt meestal gebruikt voor het vervoer van steen en andere bouwmaterialen, die van verschillende punten langs de kust moeten worden afgehaald en naar Tandjong-Priok gebracht. De boot is natuurlijk niet ingericht om passagiers op te nemen, maar toch zijn wij zeer blijde dat wij er over beschikken mogen.

Wij stoomen langzaam de haven uit en zetten koers naar de reede, ons een weg banende midden door een aantal lage eilandjes, bouquetten van groen oprijzende uit den schoot der wateren. Het panorama, dat zich voor onze blikken ontrolt, verdient wel de aandacht. Op den achtergrond verheffen zich, statig en indrukwekkend, twee machtige vulkanen, de Gedeh en de Salak; aan deze reuzen sluit zich eene bergketen aan, wier schemerende lijnen zich aan den westelijken horizon verliezen. Meer in de nabijheid, aan den voet der bergen, dekt een nevel van rossige dampen de kust en ontneemt ons het gezicht op Batavia: dat zijn de noodlottige uitdampingen der moerassen, die in dit vroege morgenuur nog in de lucht hangen en drijven, tot de zeewind ze verstrooit en medevoert.

Ziedaar de vuurtoren van Edam, voorts de dokken en de marinewerven op het eiland Onrust. Verder liggen nog andere grootere en kleinere eilandjes verspreid, die allen de namen van hollandsche steden dragon: Amsterdam, Rotterdam, Middelburg enz. De kust, waarlangs wij nu varen, behoort tot het district Pangerang: zij werd tot op een afstand van duizend tot vijftienhonderd el landwaarts in overstroomd. Negen dorpen werden geheel verwoest, vijf gedeeltelijk, en tweeduizend-driehonderd-veertig inlanders of Chineezen kwamen daarbij om het leven.

Om twaalf uren varen wij langs de baai van Bantam, waaraan het district Serang grenst, dat bij de ramp negentien-honderd-drie-en-dertig slachtoffers verloor.

Weldra stoomen wij langs kaap Sint-Nikolaas, en de _Kediri_, van richting veranderende en naar het zuidwesten koers zettende, vaart de straat Soenda binnen. Ter rechterhand zien wij de kust van Sumatra, waarboven de groote vulkaan Radjah-Bassa oprijst; ter linkerhand hebben wij de kust van Java, en varen dicht langs het schilderachtige vlek Merak, met den indrukwekkenden bergtop van den Karang op den achtergrond. Voor ons uit bespeuren wij het zonderlinge eiland Poelo-Renjang, door de Hollanders Dwars-in-den-weg genoemd. Op dezen afstand gezien, schijnt dit eiland in vier op zich zelf staande stukken verdeeld: het is dus niet zoo vreemd, dat men aanvankelijk heeft gemeend dat Poelo-Renjang door de uitbarsting in vieren was gescheurd. Inderdaad bestaat het eiland uit vier vrij hooge bergen, die onderling door drie lage landtongen verbonden zijn. Vroeger was het geheele eiland met dicht bosch bedekt, en daardoor als samenhangend geheel kenbaar; maar nadat de inbrekende golven letterlijk alle boomen op de lagere gedeelten van het eiland hadden vernield, scheen het eensklaps alsof Poelo-Renjang zelf in stukken was gescheurd.

Wij varen op een afstand van twee mijlen langs de jammerlijk geteisterde kust van de residentie Bantam. De tallooze kokospalmen die het strand bedekten zijn verdwenen; alle boomen zijn vernield en nergens is een spoor van menschelijke woning te ontdekken. Waar ter nauwernood negen maanden geleden eene talrijke vreedzame bevolking leefde, ziet men nu niets meer dan eene kale moerassige vlakte. Langs de kust strekt zich een breede geelachtige zoom uit: daar heeft de inbrekende zee alle leven vernield; akelig scherp steekt deze woestijn af tegen het schitterend groene kleed van het aangrenzende landschap.

De gezagvoerder wijst ons de plek waar Anjer lag, de meest bezochte javaansche haven in de straat Soenda. De geheele omliggende vlakte, over eene breedte van ongeveer duizend el, is verwoest. De zee heeft op de kust reusachtige koraalblokken geworpen, waarvan het grootste een volume heeft van driehonderd kubieke el. Een weinig verder lag het volkrijke vlek Tjaringin, waarvan ook niets is overgebleven. De wijde vlakte rondom het dorp wordt begrensd door heuvels van twintig tot dertig el: de weinige menschen, die den tijd hadden het leven te bergen, vonden daar een toevluchtsoord.

Het is officieel geconstateerd dat te Merak, Anjer en Tjaringin negentienduizend-zeshonderd-twee-en-dertig slachtoffers zijn gevallen, waaronder twee-en-dertig Europeanen. Acht-en-veertig dorpen werden geheel, zeven-en-dertig andere voor een gedeelte vernield.

Kort voor zonsondergang krijgen wij voor de eerste maal Krakatau in het gezicht, dat van hier gezien, de gedaante heeft van een op zee rustenden gelijkzijdigen driehoek; dichter bij, in westelijke richting, vertoont zich de regelmatig gevormde kegel van Sebesi.--Eenige oogenblikken daarna verdwijnt de zon in de golven, en ontvouwt zich voor onze blikken een tooverachtig schouwspel. De zee gelijkt een metalen spiegel; de bergen en vulkanen worden van bruin donker violet; de westelijke horizon, eerst oranjegeel met bleekgroene strepen, kleurt zich aanvankelijk met gouden tinten, die dan rooskleurig, vervolgens paars worden en eindelijk zich oplossen in donker blauw; op den voorgrond teekent zich, tegen dat lichtend kleurrijk fond, de donkere omtrek van Poelo-Renjang met zijne groote boomen, die hoewel dood nog staande zijn gebleven en nu uit zee schijnen op te rijzen. Zulk een pracht en gloed van kleuren, als hier voor weinige minuten onze oogen verrukte, is in onze koude noordsche streken ondenkbaar.

22 Mei.--Wij hebben den geheelen nacht tegen wind en stroom moeten kampen, op vrij grooten afstand van den wal. Dit zuidwestelijk gedeelte van de kust van Bantan werd even als de meer noordelijke kuststreek overstroomd, maar daar de bevolking hier dun gezaaid was, vielen er veel minder slachtoffers. Tegen acht uren in den morgen werpt de _Kederi_ het anker uit voor den vuurtoren van Java's eerste Punt.

Er gaat een vrij sterke branding; niet dan met moeite kan de sloep de kust naderen, en onze maleische matrozen dragen ons op hun rug naar het strand. Verwrongen ijzeren balken en reusachtige palen, in wanorde door elkander op het strand verspreid, wijzen de plaats aan van den ouden aanlegsteiger, op den 27 Augustus 1883 door de golven vernield. De grond is bedekt met puimsteen; de kortelings aangelegde weg, waarlangs wij ons naar den vuurtoren begeven, is geheel van die steenen gemaakt. Onder weg vernemen wij eene treurige tijding: de wachter van den vuurtoren is vijf dagen geleden gestorven aan een aanval van kwaadaardige koorts. Hij leefde daar alleen met zijn inlandsche bedienden, die hem niet hadden willen begraven, uit vrees dat men hen later beschuldigen mocht, hun meester te hebben vermoord. Wij hadden hier dus in de eerste plaats een heiligen plicht te vervullen. De gezagvoerder van de _Kediri_ maakte eene officieele verklaring van het overlijden op, en wij begeleidden het lijk naar het graf, dat wij onder de schaduw van een prachtigen boom hadden laten delven.

De vuurtoren, die drie jaar geleden door eene aardbeving werd vernield, is sedert herbouwd, en verrijst vast en stevig op eene veertig el hooge rots. Dank zij deze veilige hoogte, had hij niet te lijden van de ramp; zelfs had de torenwachter, ten gevolge van de heerschende duisternis, niets bespeurd van de geweldige golf van den 27; eerst in den morgen van den 28, toen het weder dag begon te worden, ontdekte hij de langs de kust aangerichte verwoesting.

Van het groote geplaveide platform, waarop de vuurtoren verrijst en dat wij langs een trap van honderd-een-en-zestig treden bereiken, heeft men een zeer schoon gezicht op de straat Soenda en den grenzenloozen Indischen-oceaan. Ver weg, in het noorden, bespeurt men Krakatau, en in dezelfde richting, maar veel dichter bij, het groote Prinseneiland, geheel met dichte bosschen bedekt. Voor onze voeten teekent zich de grillige kustlijn, met haar kapen en inhammen, omzoomd met eene gansche reeks rotsige eilandjes: wij staan hier op de uiterste westelijke landpunt van dat heerlijke eiland Java, dat van het westen naar het oosten, van de straat Soenda tot de straat van Bali, eene lengte heeft van niet minder dan duizend-zestig kilometers.

Op het platform, om den vuurtoren, staan verschillende bijgebouwen en de zeer comfortabele woning van den wachter. Al deze gebouwen zijn ruim en zeer goed ingericht, en het geheel maakt een zeer gunstigen indruk. Het aangrenzende woud, weleer ondoordringbaar, vertoont nu, van het strand tot aan den voet der heuvelen--dat wil zeggen over eene strook gronds van drie- tot vierhonderd ellen breed--het beeld der meest volkomen verwoesting. Hier en daar staan nog enkele reusachtige stammen, van hun bast ontroofd, maar veel grooter is het aantal der gevelde boomen. Toch is de natuur reeds aan het werk om de aangerichte verwoesting weder te herstellen, de geslagen wonde te heelen: overal breken de schitterend groene bladeren van wilde bananen door de dikke laag van asch en puimsteen, die den bodem bedekt, heen; gansche scharen van lianen en woekerplanten strekken naar alle kanten haar armen uit, omwikkelen met haar ondoordringbaar net de verdroogde wortelen der woudreuzen en klauteren lustig en levensvol tegen de doode verbleekte stammen omhoog.

23 Mei.--Daar het in de eenige hut van de _Kediri_ van de hitte niet was uit te houden, heb ik, gewikkeld in mijn reisdeken, den nacht op het dek doorgebracht. Omstreeks drie uren werd ik door eene hevige regenbui gewekt. Kort daarop werd het anker gelicht en zetten wij koers naar het Prinseneiland. Om zeven uur in den morgen bereikten wij zijne oostkust. Dit eiland, het grootste van alle eilanden die in de straat van Soenda verspreid liggen, is onbewoond en werd tot dusver nog nooit wetenschappelijk onderzocht. Het strand is letterlijk overdekt met puimsteenen.

De geteisterde zoom langs de kust heeft eene breedte van minstens vijfhonderd el. Wij zijn hier dichter bij Krakatau; de verbolgen zee heeft hier dan ook nog grooter verwoestingen aangericht dan bij Java's eerste Punt. Er is bijna geen enkele boom staande gebleven; overal zijn in den kalen, door diepe geulen en spleten doorploegden grond de reusachtige wortels blootgewoeld, die het gaan zeer bemoeilijken. Ook moet men zich in acht nemen voor de verraderlijke puimsteenen, die zeer dikwijls diepe met water gevulde kuilen voor het oog verbergen: men meent vasten grond onder de voeten te hebben, en zinkt eensklaps tot aan de borst in het water.

Op het oogenblik der uitbarsting bevonden zich toevallig zes- en- vijftig personen op het Prinseneiland, bezig met houthakken: allen hebben er het leven bij ingeschoten. Op de noordkust bereikte de golf eene hoogte van omstreeks vijftien el.

Van het Prinseneiland zetten wij rechtstreeks koers naar het noorden, naar Telok-Betong in de baai van Lampong op Sumatra. Onze weg voert ons langs Krakatau, dat wij op korten afstand, aan stuurboordzijde voorbijvaren. Zoo kunnen wij dan nu van nabij een blik werpen op dat eiland, waarvan de naam zoo talloos vele malen werd uitgesproken, sedert eene vreeselijke ramp het bestaan van dit vergeten plekje grond aan de wereld openbaarde. Vergeefs zoekt men er thans naar het geringste spoor van dien weelderigen plantengroei, die voor ongeveer negen maanden nog het gansche eiland als met een groenen mantel omplooide. Onder de witte lijkwade van asch en puimsteen ligt thans op Krakatau alle leven vernietigd.