Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot

Part 5

Chapter 53,692 wordsPublic domain

gelijk zeker dichter het uitdrukt, hier eene belegering doorstond, waarbij het heet toeging en die met overgave der sterkte en gevangenneming der rampspoedige vorstin eindigde. Welke rol daarbij deze steenen omgeving, welke wij hier zien, kan gespeeld hebben is ons onbekend; maar zooveel schijnt zeker dat het eigenlijk gezegde kasteel daar ter plaatse niet stond, terwijl het gemis van schietgaten in de borstwering ook aan een ander gebruik dan dat des krijgs denken doet. Hoe dit ook zij, de plek waar wij ons thans bevinden is eene historische, en wanneer wij straks den omgang zullen rondwandelen, zult gij moeten erkennen dat het gebouw, althans als wachttoren, uitstekende diensten kan bewijzen. Willen wij nu eens tot die wandeling naar boven besluiten, dan voer ik u langs bloem- en grasrijke paden tot voor den hoofdingang der ruimte binnen den muur, boven welken vroeger een opschrift stond in Latijnsch proza, waarbij het »Aere civitatis publico" ten bewijze strekte dat burgemeesters te dien tijde wel hunne namen boven de poorten zetteden, maar toch het geld waarmede die betaald werden door de burgerij lieten opbrengen. Het tegendeel was dan ook trouwens niet te vergen of te verwachten, en dat zij hunne namen op die wijze gaarne vereeuwigd zagen is te begrijpelijker, naarmate dit voor de meesten hunner wel het eenige middel was om bij de nakomelingschap in herinnering te blijven. Maar reeds zijn wij de hier en daar met boomen beplante ruimte binnengetreden, en daar hier, na het verdwijnen van den put, waaraan zich een volksgeloof vastknoopte--namelijk dat men er mee naar _Katwijk_ kon komen--, niets te zien valt, haasten wij ons de trap te beklimmen, welke naar den omgang geleidt. Zie zoo! Wij zijn er. Kijk nu eens door die muuropeningen naar buiten, waar schoone stads- en landgezichten--natuurlijk eenigszins à ~vol d'oiseau~--u wachten. De torenspitsen van _Noordwijk_, _Oegstgeest_ en _Valkenburg_ duiken uit een zee van groene weilanden en bosschen aan den gezichteinder op, de Hooglandsche kerk, dat prachtige overblijfsel van middeleeuwschen kunstzin ligt voor u; het Raadhuis en de Marekerk, de »Saaihal" en de Sint-Petruskerk verheffen hunne torentjes van hier gezien minder fier ten hemel, omdat wij zooveel dichter bij dien hemel zelven staan. Het westenwindje stoeit met de bladeren der boomen en zendt ons bloemengeuren toe uit de wandelpaden rondom ons. Dat groote gebouw ginds is, gij herinnert het u reeds, het Academisch ziekenhuis, dat er met zijne rechte lijnen van hier gezien uitziet als eene kolossale ~sarcophaag~. Dat tal van hooge schoorsteenen, waaruit de rookwalm dik en dompig opstijgt, getuigt van _Leidens_ bloeiende industrie, de talrijke zwarte en witte stippen op de groenende landouwen zijn de waarborg voor zijn druk bezochte veemarkt en betoogen de noodzakelijkheid der voortdurende instandhouding van zijn Boterhuis, terwijl de spoortrein welke daar ginds zijn vlag van stoom zegevierend doet voortijlen getuigt van eene aansluiting bij het Europeesch spoorwegnet, die niet anders dan gunstig op de welvaart dezer gemeente kan werken.--Niet waar? Gij kunt u bijna niet losscheuren van dat schoone gezicht, en toch het moet, want wij hebben nog veel te zien eer onze wandeling ten einde is. Volg mij dus weder naar beneden, sla een blik op dat ronde bekken in verband staande met de fontein op de Vischmarkt, welke daaruit, met een paard en molen, wordt voorzien van het genoegzame water, dat door kunstmatige persing naar boven moet gedreven worden, en verlaat dan met mij eene stichting die zoo zij al geene Romeinsche is--toch de taal der Romeinen menigmaal moet gehoord hebben wanneer de professoren er hunne maaltijden hielden en de studenten hunne promotiepartijen vierden. Wij gaan dus de Nieuwstraat op--die, gelijk dit ook in vele andere steden het geval is--tot de oudste gedeelten der bebouwde stad behoort, en bereiken door de Wintersteeg de Hooglandsche Kerkgracht, waar wij ons haasten een blik te slaan eerst op het Heilige Geest- of Armen-, Wees- en Kinderhuis, met zijn zestiende-eeuwsch voorkomen, zijne beelden en eigenaardige voorstelling van het nederdalen des Heiligen Geestes boven de voorpoort, dan op de daartegenover gelegene Luthersche kerk; maar keeren onmiddellijk op onze schreden terug, om het grijze gebouw, welks schoone Gothische vormen ons reeds getroffen hebben, toen wij op de burgtinne wandelden, de Sint-Pancraskerk, in 1315 gewijd, eerst van buiten dan van binnen te beschouwen. Heeft zij, wat haar leeftijd betreft, het hoofd te buigen voor de stichting ter eere van St.-Pieter en Paulus, in kunstwaarde is hare victorie over hare oudere zuster onbetwistbaar. Hoe stout en harmonisch zijn die lijnen aan de beide hoofdingangen, vooral die van den noorder transept-gevel, hoe fijn is dat boven-muurwerk, hoe indrukwekkend dat geheel, waar het niet door kleingeestige winzucht en huisjesmelkerij tot omsluiering veroordeeld werd. Waarlijk ORLERS had wel gelijk door te verklaren dat er geen »constrycker kercke in gantsch _Holland_" zou geweest zijn indien zij afgebouwd ware en in plaats van het klokhuis, waarin de zware klok hangt, welke vroeger »de Cruysmarckt" (kermis) placht in te luiden, een toren het gebouw waardig daaraan ware toegevoegd. Toch is het uiterlijke van dat gebouw indrukwekkend en vooral is het prachtig en schoon den Godgewijden tempel te zien zooals hij zich vertoont aan de zijde der Hartesteeg, wanneer het blauwachtig zilveren maanlicht zijn steenen kantwerk omstraalt en zich spiegelt in zijn hooge kruisramen. En behalve die schoonheid van bouw bezat zij ook nog andere voorrechten, welke haar boven hare oudere zuster verhieven. Zij werd namelijk vijftig jaren na hare inwijding eene canonicale kerk, de zetel van het kapittel »Ten hoogen lande," welks rijke prebenden en vicary-goederen eene bron van inkomsten waren voor de geestelijkheid, doch later aan de stad _Leiden_ en nog later aan den staat gekomen zijn.

Zoo gij wilt, zullen wij ons thans door de kosterij in de kerk begeven welke op zes en dertig zuilen rust en, met bruin-eikenhouten banken bezet, er zeer eerwaardig uitziet. Ook hier betreden wij heiligen grond, want onder de kille zerken rusten mannen van groote verdiensten. Niet de minste onder hen is hij wiens naam en afbeeldsel aan een der hoofdzuilen gevonden wordt, PIETER ADRIAANSZ. VAN DER WERFF, twaalf malen--en ook in 1574--Burgemeester van _Leiden_, twee malen lid van _Hollands_ staten, de man voor wien Leiden een standbeeld wil oprichten op een der openbare pleinen, als wilde men daardoor aanduiden dat hij zich niet jegens een kerkgenootschap, maar omtrent het geheele vaderland had verdienstelijk gemaakt. Maar ook andere regeeringsfamiliën der stad hebben hier eene rustplaats gevonden. Dat getuigen de grafschriften der VAN DER MEERS en VAN BANCHEMS, en van die EVA VAN HOOGEVEEN, wier naam zich hecht aan eene weldadige stichting--het Hoogeveenshofje in de Doelensteeg, welke wij straks voorbijgingen. Vergeet vooral niet die zerk in het koor te bezichtigen, waarop een man en eene vrouw, de eerste in ijzeren krijgsgewaad, staan afgebeeld, en waarop vroeger een ijzeren hoofdhelm was geplaatst, die thans aan zijne bestemming schijnt onttrokken te zijn; want daaronder rust, in een looden kist, het gebeente van JUSTINUS VAN NASSAU, natuurlijken zoon van den »Vader des Vaderlands" en Admiraal van _Zeeland_, met dat zijner gemalin ANNA VAN MERODE.

Het samentreffen dier twee namen is vooral opmerkelijk in het oog van hem, die zich herinnert dat in de ~St.-Gudule~ te _Brussel_ een monument gevonden wordt voor een Graaf DE MERODE, wiens voorname aanspraak op die onderscheiding juist daarin bestond dat hij met de zijnen er in geslaagd is de regeering van een anderen WILLEM DEN EERSTE, Grave van Nassau, omver te werpen. Ook CULBIUS VAN ZOLM, de getrouwe dienaar, eerst van

"Ce héros qui régna sur la France "Et par droit de conquête et par droit de naissance",

later van den rampspoedigen FREDERIK V, Koning van _Boheme_, rust daar van zijnen edelmoedigen arbeid. Maar reeds valt uw oog met welgevallen op een gedenkteeken ter eere van den dichter JOANNES LE FRANCQ VAN BERKHEY, wiens zoetvloeiende poëzie zoo dikwijls _Leidens_ roem verheerlijkte en nog heden meer moest gekend en gewaardeerd worden, en dan weder maakt die geest der poëzie zich van u meester, dat is uwe verbeeldingskracht ontwaakt en voert u terug naar de dagen van weleer. Die ledige ruimte wordt gevuld met eene knielende schare, waarop de Heiligenbeelden, getint door de veelkleurige kerkglazen, goedkeurend schijnen neder te zien. Het hoogaltaar straalt in den glans van het aangebrachte waslicht en eene rij kanunniken mengt zijne stemmen in het koor dat het »~Gloria in excelsis~" of het »~Dies irae, dies illa~" doet klinken door de hooge gewelven; het laatste zeker niet het minst nu van verre reeds de noodstorm brult--die den beeldstorm voorafgaat. De beeldstorm. Zie, hij is gekomen met moker en houweel. De biddende schare is uiteengestoven, de priesters zijn verdwenen, de lichten des altaars gedoofd en in plaats van dat alles eene woeste schare die in luttel uren vernielt, vergruizelt, neerhaalt, vertrapt, vernietigt wat jaren kunstvlijts hebben in het leven geroepen. Dan ook dit tooneel gaat voorbij. De orde is hersteld, het hoogaltaar verdwenen en de ledige draagsteenen duiden nog slechts de plaats aan waar de Heiligenbeelden gestaan hebben. En weder klinkt daar een kerkgezang; maar 't is niet meer het plechtige lied in de Latijnsche taal door weinigen ~voor~ de gemeente aangeheven--neen, het dankt aan de Dietsche sprake eene ruwe kracht en klinkt tegelijk uit duizend monden, want het wordt gezongen door al de vergaderden, zonder onderscheid van leeftijd of kunne. Zie hen daar neergezeten, die kloeke poorters met den ernst des levens op het gelaat, en wees er zeker van dat die handen, welke zich zoo gewillig vouwen ten gebede, zich straks--mocht het noodig zijn--even krachtig zullen klemmen om den greep van het zijdgeweer of de kolf van den snaphaan. En weder .... maar reeds lang genoeg verwijlden wij te dezer plaatse. Wij moeten verder en gaan door de Hooglandsche Kerkkoorsteeg naar de Hooigracht, slaan linksaf, laten het kerkje der Bisschoppelijke Klerezij, welks toegang wij hier zien, onbezocht, en bereiken spoedig een hofje, »het Sint-Anna Aalmoezeniershuis", waar de portierster ons gaarne in de gelegenheid stelt de kleine kapel, in 1492 gebouwd, met het zich daarin bevindende altaar »ghewijt in die eer der heylighe vrouwe sinte anna", het eenige dat in den beeldstorm gespaard bleef, te bezichtigen. Zij vertoont u dan ook het kamertje en eenige voorwerpen bij den laatsten pastoor in gebruik, die nu reeds ongeveer driehonderd jaren tot zijne vaderen verzameld is, zoodat die zaken een zeer eerbiedwaardigen ouderdom moeten hebben. Ik raad u echter, voor zooveel deze niet in schilderijen, altaarsieraden en koperen kandelaars bestaan, omzichtig te wezen bij uwe bewondering, aangezien het glas- en aardewerk niets anders met den pastoor gemeens heeft dan dat het dienen moest om het gebrokene te vervangen. Wij treden dus maar weer naar buiten waar wij de Hooigracht ten einde, links, den nieuwen Rijn op-, het kerkgebouw eener vrije gemeente voorbijgaan, en Middelste en Uiterste gracht onbezocht latende op de Heerengrachtsbrug gekomen een blik slaan op het rechts gelegen Utrechtsche veer, waar de stoomboot naar _Woerden_ juist haar schril gefluit doet hooren en de Utrechtsche trekschuit spreekt van een rustiger geslacht, dat dit middel van vervoer voor zijne behoeften voldoende vond. Zoo een schuitenmijmering zou, onder de hand van een DICKENS, iets belangwekkends kunnen verkrijgen, iets elegisch, dat als maatgezang zou ruischen wanneer het water zachtkens kabbelt tegen het kalm voortschrijdende vaartuig; maar voor zoo iets ontbreekt ons alweer de tijd. Wij slaan dus linksom, de oostzijde der Heerengracht op en zijn dus in het nieuwste gedeelte der stad, door de zesde vergrooting, in 1659, verkregen. De vijfde toch bracht het niet verder dan het aan de westzijde gelegen huis, waar een gedenksteen in den gevel ons te lezen geeft:

"Door gunst van God "Staat hier het slot "Van 't laatst vergrooten".

Aan onze zijde zien wij het »Oude mannen- en vrouwenhuis" in het jaar 1783 gesticht en zouden u ook het Minnehuis, eene dergelijke inrichting, kunnen aanwijzen, indien wij de aan onze rechterhand gelegene vierde Groenesteeg binnentraden, welker bewoners met »de Predikantsdochter" van HEINE getuigen kunnen:

"Wir bekommen nur etwas zu sehen, "Wenn sie jemanden begraben."

Daar ik u echter niet op eene begraafplaats rondleiden wil, gaan wij die steeg voorbij, bereiken het Waardkerksplein en zien daar de groote fabriek der Heeren DE HEYDER EN Co. die ook al »door 't geweld der vlammen vernield" doch evenzeer »in beetren staat hersteld" werd; echter niet door de »trouw der burgerij" maar door eenige brandwaarborgmaatschappijen, die zulk eene trouw tegenwoordig overbodig maken. Op datzelfde plein staat ook de nieuwe kerk van de Waard, in de wandeling »de Loodskerk" genoemd, een hoogst eenvoudig Godsgebouw, voor het meerendeel uit hout samengesteld, en in niets gelijkende op de verwezenlijking van het plan, om daar ter plaatse eene groote kerk met een »driehonderd Rijnlandsche voeten hoogen toren" te bouwen; welk voornemen een begin van uitvoering ontving, toen het vierjarig zoontje van Burgemeester JOHAN MEERMAN, op den 5en November 1663 er de eerste steen van leide. Er werd zelfs nog meer gedaan: de Thesaurier-extra-ordinaris maakte een reisje naar Amsterdam om Noordsche masten voor het heiwerk aan te koopen; doch hierbij bleef het dan ook. De staatkundige verwikkelingen der volgende jaren gedoogden niet het plan uit te voeren en de houten loods die wij voor ons zien was het vrij mager surrogaat voor het schoone Godsgebouw, dat men zich gedroomd had. Wanneer wij den blik naar de overzijde wenden, ontdekt gij het nederig bedehuis eener Christelijk-Gereformeerde gemeente, die er, zonder inmenging van staats- of stadsbestuur, vrij spoedig in slaagde zich eene vergaderplaats tot godsdienstig doeleinde te verzekeren, welke hoewel niet weelderig ingericht, althans uit steen is opgetrokken en aan de eenvoudige eischen van den daarin uitgeoefend wordenden eeredienst voldoet.

Vervolgen wij onzen weg, dan bereiken wij al spoedig de ter linkerzijde gelegene Haven, waar een zeker getal stoombooten met verschillende nummers ons de graden van »Volharding" tebinnenbrengen, welke de Maatschappij van dien naam noodig had om _Gouda_, _Leiden_ en tusschenliggende gemeenten eene geregelde stoom-communicatie te verzekeren. Aan het einde dezer gracht verrijst, de in Dorischen stijl gebouwde Zijlpoort, waarvan in 1667 de eerste steen gelegd werd, op welks bovenlokaal een tijdt lang de Leidsche Rederijkers vergaderden, waarna het in 1736 tot Armenschool werd ingericht. Nevens die poort zien wij den toegang tot de begraafplaats der Catholieken, maar bezoeken deze evenmin als wij dit de overige Godsakkers gedaan hebben. Wij gaan dus eenige voetstappen terug en bereiken door de Korte Looierstraat, de Verwersstraat, een tamelijk ruim plein, waar eenige nette arbeiderswoningen staan door de Diaconie der Nederduitsche Hervormde Gemeente voor minvermogenden gebouwd en tegen zeer matige huurprijzen beschikbaar gesteld. Vervolgens komen wij weder op de Heerengracht, maar op dat gedeelte 't welk den bijnaam van »Oude" draagt, omdat het geacht wordt niet tot de vijfde of zesde--maar tot de vierde vergrooting der stad te behooren, welke reeds in 1610 plaats had. Slaan wij vanhier een blik op de tegenover ons gelegene Oude Vest en Ouden Cingel, dan zien wij op den hoek der laatstgenoemde gracht en der Koolstraat een groot gebouw, »de Zoutkeet" van de firma »WEYLAND en DE FREMERIJ", welke aldaar korten tijd na de zooeven genoemden vierde vergrooting der stad gesticht werd en zeker onder de meest belangrijke industrieele ondernemingen mag gerekend worden. Achter haar ligt alweder eene begraafplaats, die der minste klasse, wanneer men in het doodenrijk nog van klassen mag gewagen. Wij laten beiden--evenals de daartegenover gelegene bad- en zwemplaats--onbezocht, slaan eerst links- dan rechtsom en komen op die wijze naar de Haarlemmerstraat, welke wij aan de Donkersteeg hebben verlaten, om haar aan de Havenbrug weder te betreden. Het Sint-Janshofje den 26en Juni 1504 opgericht en gesticht »ter Eere Gods, van MARIA zijn gebenedijde moeder en van de twaalf apostelen" onbezien latende, wijden wij onze aandacht aan eene andere stichting bij welke insgelijks van dezelfde »gebenedijde" sprake is, namelijk de Roomsch-Catholieke kerk aan »onze Lieve Vrouwe Hemelvaart" toegewijd, in quasi-Gothischen stijl opgetrokken, en inwendig der bezichtiging waardig, al ware het slechts om het beeldhouwwerk van VENEMAN, dat daarin wordt aangetroffen en de fraaie beschildering (polychromie) van het priesterkoor met het kostbare hoofdaltaar. Zij heet in den mond des volks, nog steeds »de Monpeer", afgeleid van het Fransche »Mon Père" en verkregen door het oude gebouw »de zon" genaamd, dat op dezelfde plaats stond, waarin--gelijk VAN MIERIS ons mededeelt--een Fransche ongeschoende Karmeliet den dienst als pastoor waarnam. Een weinig verder staat weder een kerk, thans schoolgebouw voor eene Roomsch-Catholieke onderwijs-inrichting. Gaan wij nu de daarnevens gelegene Bakkerssteeg--ook Pelikaanstraat genoemd--in, dan wordt onze aandacht ter linkerzijde getrokken door een groot gebouw dat zich bijna van de Marendorps Achtergracht tot aan de Oude Vest uitstrekt: eene bewaarschool voor kinderen derzelfde godsdienstgezindte, door geestelijke zusters bestuurd. Op die (gedempte) achtergracht vindt gij eene poort, thans mede tot dit gesticht behoorende en een bijzonder, eenigszins vervallen woonhuis, beiden duidelijke sporen vertoonende van een bouwtrant, welke aan vroegere eeuwen herinnert. Door wien en wanneer het gesticht werd, boezemt ons voor het oogenblik minder belangstelling in. Het is ons genoeg te weten dat het huis, waartoe ook de poort behoorde, in 1574 bewoond werd door PIETER ADRIAANSZ. VERMEER, of zooals hij meer bekend is VAN DER WERFF, _Leidens_ fieren burgemeester, een van die krachtige heldengestalten onzer historie, welke het begrijpelijk maken hoe het kleine handelsvolk zich, met goed gevolg, tegen het machtig _Spanje_ kon verzetten, eene figuur die met JOHAN VAN DER DOES en JAN VAN HOUT een drietal uitmaakt, dat bij het nageslacht zal leven, zoolang _Nederland_ zich zijne groote mannen herinnert.

Zijn wij de kleine straat ten einde en, linksaf, de Oude Vest opgegaan, dan trekt al spoedig »Meermansburg", een zeer deftig en aanzienlijk hofje, onze aandacht. Gesticht door den Heer MAERTEN MEERMAN, bewindhebber van de _Oost-Indische_ compagnie »ter kamere van _Delft_" en zijne echtgenoote HELENA VERBURCH, op den grond van het vroegere klooster Nazareth, dient het, volgens de bepalingen van den stichtbrief, behalve voor den portier die gehuwd mag wezen, voor »eerbaere, nugtere weduwen ofte vrouwspersonen, ten minste boven de veertigh jaeren oudt sijnde, geen kinderen hebbende, ofte, dezelve hebbende, te moeten houden t' eenemaal buyten laste van 't voorz. hofken" en is eene hoogstgezochte verblijfplaats voor burgerjuffrouwen, wier middelen niet te ruim zijn of althans geacht worden dat niet te wezen en die gaarne in eene hoogstkalme omgeving hare laatste levensdagen slijten willen.

Men vergunne ons thans door de Bouwelouwesteeg weder de Haarlemmerstraat te bereiken en aangezien wij dit niet kunnen doen zonder de Marendorpsachtergracht over te steken, wijs ik u op het nieuwe schoollokaal daar verrezen, dat alweder doet zien hoe onbekrompen alles wat het openbaar onderwijs betreft hier geregeld wordt; terwijl ik op die straat gekomen, linksaf gaande, mij haast weder de Bakkerssteeg te bereiken, thans echter dat gedeelte 't welk naar de Hooigracht voert, waar ik u verzoek een blik te slaan op de tweede kerk der Christelijk-Gereformeerden, hun Diaconiehuis en het hofje van FRANÇOIS HOUTTIJN, om dan door de rechts gelegene Heerensteeg op den Middelweg te komen, waar wij eerst de Remonstrantsche kerk, dan het Evangelisch-Luthersch Wees- en Oudeliedenhuis, eindelijk het Invalidenhuis aanschouwen. Van het laatste zullen wij ons echter een beter denkbeeld kunnen maken, indien wij--gelijk we dan ook doen--ons door de Koppenhinksteeg naar den Ouden Rijn begeven, rechtsafgaan en den blik vestigen op het ruime met hoog geboomte beplante plein, waar wij op de daar geplaatste banken eenige grijze verdedigers des vaderlands zien neergezeten. Zij zijn, gelijk we aan hunne bewegingen meenen te bemerken, in een levendig gesprek gewikkeld. Spreken zij over de dagen vanouds, toen zij onder de vanen van den algemeen beminden WILLEM II ten strijde togen op de velden van Waterloo of lauwren gaarden bij _Hasselt_ en _Leuven_ of geldt wellicht hunne conversatie de gewichtige vraag of de kok genoegzame zorgen heeft gewijd aan den reusachtigen soepketel? Wij weten het niet; maar zooveel is zeker dat zij veel gezien, veel gedaan, veel ondervonden hebben, dat zij het vaderland trouw dienden en een onweersproken recht bezitten op de eervolle rust, welke hun hier verleend wordt; zoodat wij, hen ziende, instemmen met het woord van onzen JACOB VAN LENNEP:

"Het vaderland vergeet die braven niet!"

Weder een eindweegs verder zien wij een gebouw, dat, bekend onder den naam van »Huiszittenhuis" de zetel is der Diaconie van het Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap en tevens als armbakkerij gebruikt wordt. Ruim het vierde eener eeuw geleden was het een twistappel tusschen de Stedelijke regeering en den Kerkeraad. Thans is de veete daardoor ontstaan, en door eenige eerzuchtigen op treurige wijze gevoed, naar het gebied der historie verwezen, en is er, welke quaestiën ook aan de orde gesteld worden, althans van de befaamde »huiszittenhuisquaestie" geene sprake meer.

Zoo pratende zijn wij de Vischbrug weder genaderd en voeren wij u langs Aal-, Bloem- en Boommarkt, over de Borstelbrug, door de Paardensteeg, over de Blauwpoortsbrug en Steenstraat, weder naar den Heerenweg, welke eigenlijk de Stationsweg heeten moest; natuurlijk met het doel om u naar de plek te geleiden, vanwaar wij het genoegen hadden u te komen afhalen. Daar de trein nog lang niet in het gezicht en het aan zoo'n station gewoonlijk vrij saai en vervelend is, noodig ik u uit eenige oogenblikken met mij dat Zomerzorg binnen te treden, waar wij zoo straks voorbijgingen.

Gij zult u voorzeker dat bezoek niet beklagen, hetzij ge u nederzet onder het geboomte en den blik slaat op die inderdaad keurige bloemperken en op dien vijver door den zonneglans verzilverd en met goudschubbige visschen als bezaaid; hetzij gij de zaal beschouwt, waarin _Leidens_ ~beau monde~ de vlucht neemt, wanneer het zomerweder maar niet wil toegeven dat DUNKLER of VÖLLMAR juist in de open lucht de gaven van hun muziekcorps moeten tentoonstellen, hetzij gij u begeeft naar de achterzijde en, neergezeten op de eenvoudige houten bank het oog laat weiden over een echt Hollandsch landschap,--steeds zult gij moeten toegeven, dat Zomerzorg met zijne vriendelijke wandeldreven ook in uw oog den goeden dunk rechtvaardigt, dien stadgenoot en vreemdeling daarvan koesteren; dat het, welke plaatsen van vereeniging en genot er ook in en om _Leiden_ verrijzen mogen, eene geheel eigenaardige aantrekkelijkheid bezit, die het in den strijd met deze de overwinning verzekeren--althans geene nederlaag berokkenen zal.

Maar reeds klinkt de schel ten teeken dat de trein in het gezicht is.

Ik bid u, schrik niet op en haast u maar niet!

Men waarschuwt hier bijtijds, dat wil zeggen vroeg genoeg voor lieden die aan langdurig afscheidnemen gewoon zijn.

En daar wij niet tot die soort behooren kunnen wij doodbedaard opwandelen naar het Station.

Zie zoo, we zijn er. De locomotief vertraagt hare vaart, het geratel houdt stil.