Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot

Part 4

Chapter 42,942 wordsPublic domain

Dat »schier in 't best" staan is evenzeer het geval met de dan volgende Vischmarkt, waar onze aandacht weldra getrokken wordt door de met keurig beeldhouwwerk versierde fontein, die daar in het jaar 1692 werd geplaatst en welker stralen des Woensdags en Zaterdags van 's voormiddags tien tot elf uren ten hemel stijgen of boogvormig den al te nabijkomenden toeschouwer bedreigen. Dit heeft evenzoo plaats op den laatsten werkdag in April van ieder jaar, des namiddags van zes tot zeven uren, wanneer het schoone klokkenspel van den stadhuistoren, welke ook van deze zijde door de Vischpoort te naderen is, zich doet hooren, terwijl eene vroolijke schare

"met juublende onrust in het bloed, "den eersten Mei begroet."

Gaan wij thans langs de Vischbrug, waar een cirkel van lichter gekleurde steenen wellicht aan een vroeger rechtsgebied herinnert, naar de Aalmarkt, dan wordt ons oog aangenaam geboeid door de Waag, uit arduin opgetrokken, maar met marmeren gevelsteen »uitbeeldende 't werk, 't welk in de waage werd gedaan". Ook het daarachter gelegen en daaraan verheelde Boterhuis, welks deur in de Mandenmakerssteeg uitkomt, bezit zoodanigen marmersteen welke de boterhandel aanschouwelijk voorstelt, en die beide kunstgewrochten (helaas met eene dikke verflaag besmeerd) danken wij aan de hand van den kunstenaar ROMBOUT VERHULST, die door dat werk zichzelven, maar ook den kunstzin der regeering vereeuwigd heeft; iets wat men zeker niet getuigen zal van het Schoolgebouw en het Telegraafkantoor, die insgelijks op de Aalmarkt gevonden worden. Wij zullen ons daarbij dan ook niet ophouden; maar, aan de Vrouwensteegsbrug gekomen, daarop even stilstaan om het schoone stadsgezicht te genieten dat zich hier aan beide zijden voordoet. Vervolgens willen wij den Apothekersdijk opgaan, waar ik er op reken dat gij in mijne woning, tegenover het nieuwe schoolgebouw, eenige oogenblikken uitrust. Ik zal u dan menig boekwerk kunnen in handen geven, waardoor gij een juister en ruimer inzicht zult krijgen in zaken, welke ik slechts even kan aanstippen, maar die ORLERS, SIMON VAN LEEWEN, VAN MIERIS, VAN ALPHEN, KIST, SCHOTEL, ELZEVIER, MONTAGNE en anderen u meer uitgebreid willen mededeelen. In elk geval kunnen wij hier een oogenblik uitrusten; gelijk ik voornemens ben het ook te doen.

* * * * *

Zie zoo. Wij zijn bereid onze wandeling voort te zetten. Wilt gij nu, om het ~varietas delectat~ toe te passen, in plaats van door de Paardensteeg, met mij, door de Schapensteeg, over de Haarlemmerstraat, naar de Turfmarkt gaan, dan ziet gij aan beide zijden der eerstgenoemde steeg eene herinnering aan het Turfdragersgild--een dier vereenigingen, welke ondanks hare niet te loochenen gebreken, zooveel tot de krachtsontwikkeling en welvaart der burgerij hebben bijgedragen. Aan de zijde der Haarlemmerstraat ontwaart gij het ruime gildehuis, vroeger door den commissaris der corporatie bewoond, aan den kant van het Galgewater de zoogenaamde Turfbel, welke, in den tijd toen het recht tot vervoer van brandstoffen uitsluitend aan het gild behoorde, telkens klepte om de dragers, die gewoonlijk in de buurt der »bel" woonden, uit te noodigen zich voor de loting aan te melden, waarbij het werk verdeeld werd. Ook deze vereeniging heeft haren tijd gehad. De stralenkrans om haar ietwat groezelig hoofd is getaand en verdwenen. Iedereen die turfdragen en turftonnen wil mag het doen naar hartelust. Ieder is vrij in deze eeuw .... maar het is als fluistert de geest van den laatsten der commissarissen uit de bovenvensters van het oude gebouw ons woorden toe, die onze geestdrift zouden temperen .... Daarom luisteren wij er maar niet naar; wij mochten anders eens bekeerd worden van ons liberalisme. Wat baat het toch »de verzenen tegen de prikkelen te slaan". Wij hebben die »verzenen" veel te veel noodig om verder te wandelen en wel naar den Ouden Cingel--in de volkstaal de Oude Vest geheeten--eene benaming waarop de, parallel met deze loopende, gracht aan de andere zijde van het water slechts aanspraak heeft, om daar stil te houden voor een met portland-cement »volgegooiden" muur, en een poort waarop een volmolen geplaatst is in steen uitgehouwen. »Binnentredende op eene ruime voorplaats ziet men twee uitspringende vleugels, rustende ieder op vier steenen pilaren en twee pilasters, welke eene galerij of wandelplaats maken" zegt VAN MIERIS en nog is dit zoo. Ook het gebouw zelf--van de Jonische bouworde--heeft geene verandering ondergaan. Nog altijd vindt gij bovenaan den muur de verschillende attributen der lakenbereiding voorgesteld. Gij ziet hier dan ook de oude Lakenhalle, gesticht in een tijd toen de regeering zich nog gerechtigd achtte te waken voor den goeden naam der industrie, welke binnen hare muren gedreven werd, gelijk blijkt uit de verordeningen en interpretatiën, welke de laken-, saai-, baai- en greinhallen beheerschten.

Sedert lang is echter deze belemmering der vrije »handteeringe" opgeheven, en werd het gebouw tot verschillende doeleinden gebezigd, waarvan het magazijn der Maatschappij van weldadigheid het meest dagelijksche en de inrichting tot cholera-hospitaal de schrikwekkendste en aandoenlijkste was. Thans is het ons »Museum van schilderijen en oudheden" dat voor tien cents de persoon dagelijks te bezichtigen is. Het glazen gedeelte van het overigens leien dak moge geschikter zijn voor een photographisch atelier dan voor eene tentoonstelling van schilderijen; toch is het gebouw de moeite der bezichtiging overwaardig; en al blijven wij van oordeel dat menig schilderstuk hier gevonden zijne plaats op het Raadhuis had moeten blijven behouden, wij verheugen ons aan de andere zijde dat menig kunstgewrocht, 'twelk anders door gebrek aan genoegzame zorg zoude zijn teloor gegaan, hier eene schuilplaats heeft gevonden tegen den vernielenden invloed van tijd, vocht en ... ~wandalisme~. Als zoodanig begroeten wij dan ook hier met genoegen de glasschilderijen uit Sint-Joris-doelen en die kloeke hoplieden waarvan wij reeds vroeger gewaagden. Ook »het laatste oordeel" van LUCAS VAN LEYDEN--vroeger in Burgemeesterskamer opgehangen--vindt gij hier met tal van andere kunstgewrochten blijkbaar evenzeer van kerkelijken oorsprong. Ook de Staalmeesters van J. DE BAANE, ~welke in dit gebouw zoozeer op hunne plaats zijn~, en zoovele andere stukken hebben recht op onze aandacht. Wel het laatste, niet het eerste, kan getuigd worden van de schilderij, welke wij aan het penseel van VAN BREE danken, waarin VAN DER WERFFS zelfopofferend aanbod gehuldigd wordt; van de portretten van den beroemden JANUS DOUZA, _Noordwijks_ fieren Heer, van den Burgemeester ORLERS, van den Stadsbode PIETER CORNELISZ VAN DER MORSCH, en van de kast met verschillende voorwerpen, betreffende _Leidens_ beleg en andere voor onze stad belangrijke gebeurtenissen. Dezen behoorden mijns inziens op het Raadhuis te zijn gebleven, tot welks geschiedenis zij, als het ware, behooren. De portretten die VAN DER WERFF en VAN HOUT moeten voorstellen had men echter gerust hier kunnen plaatsen of in »het huis met de hoofden" aan den man brengen, daar deze noch VAN DER WERFFS noch VAN HOUTS gelaatstrekken te aanschouwen geven, en blijkbaar andere minbekende personen moesten vereeuwigen, zooals ook duidelijk blijkt uit het laatstbedoelde portret dat den persoon in quaestie op zijn zeventigste jaar voorstelt, welken leeftijd JAN VAN HOUT nimmer heeft bereikt. Ook de beeltenis van stichters der hofjes hadden wij liever voortdurend op de regentenkamers gewenscht, waar zij eigenlijk tehuis behooren en iets ~zeggen~; terwijl zij hier slechts eene ~ruimte innemen~. Het zal voorzeker uwe aandacht niet ontgaan zijn dat de meeste stukken gerestaureerd en met eene niet geringe hoeveelheid vernis bedekt zijn, welke ons, vooral als de zon zoo schel door de photographische-atelier-bovenramen schiet, zeer doen verlangen naar de ~peinture mate~ in het kabinet WIERTZ te _Brussel_. Toch mogen wij dit gebouw niet verlaten, zonder ons te herinneren wat al ijver, geduld en talent er is noodig geweest om velen dier stukken te herstellen en wij brengen dan ook hulde toe aan de pogingen hier aangewend, om voor de nakomelingschap te bewaren wat anders voor altijd zoude verloren gaan.

Kom, steek nu den catalogus in den zak, en wandel met mij den Ouden Cingel weder op tot aan de Mare, sla linksom en verwijl eenige oogenblikken met mij op de plek waar vroeger de standplaats was der

"Marepoort, "Die oud en slecht genoemd werd, "Toen hij door 't edelachtbaar woord "Ten ondergang gedoemd werd."

Zoo gij den blik ter rechterzijde wendt, ziet gij de begraafplaats, welke nog altijd het Papegaaisbolwerk geheeten wordt, omdat daar vroeger de Papegaaistoren stond, een van die talrijke wachttorens, welke op bijna evenredige afstanden tusschen de wallen waren opgericht, waarvan wij ons door dien van _Oostenrijk_ nog eene voorstelling kunnen maken. Daarachter verheffen zich ronde ijzeren gevaarten, de vertegenwoordigers van den nieuwen tijd, de stolpen en retorten der Gasfabriek, welker inkomsten, door een feitelijk monopolie verkregen, gedurende geruimen tijd de stedelijke financiën hebben gebracht in eenen staat welke het mogelijk maakt de drukkende kosten van het onderwijs te bestrijden, welke, door verschillende wetten en verordeningen, van deze stad worden gevorderd. Ter linkerzijde ziet gij een gebouw dat niet minder van den nieuweren tijd en zijne sociale begrippen gewaagt: de broodfabriek door eenige aanzienlijke ingezetenen opgericht om de nijvere burgerklasse goed en goedkoop brood te verschaffen--al werd een deel dier klasse hierdoor het onafhankelijk burgerbestaan ontnomen;--dat desalniettemin de oprichters eene goede zaak voorstonden, zal ieder in het oog vallen, die het ~succes~ voor een ~beginsel~ aanziet, en geen overwegend bezwaar heeft in het verdwijnen of verzwakken van een eerbiedwaardigen middelstand, welke steeds de kracht van ons vaderland uitmaakte. Dat wij hier tevens de aanlegplaats der Haarlemsche trekschuit voor ons hebben, die ons aan vroegere toestanden herinnert, blijkt u, daar juist een zoodanig vaartuig zich gereed maakt van wal te steken. Natuurlijk stappen wij er niet in, hoewel anders de vaart op een warmen zomerdag niet onaangenaam is, maar gaan wij de brug bij de broodfabriek over en de Korte Langegracht--eene ~contradictio in terminis~--op, slaan een blik op de Armenkerk--de Hoogduitsche geheeten, toen _Leiden_ bij zijne thans nog bestaande Walsche, er ook eene Engelsche en eene Hoogduitsche Gemeente op nahield--en komen al spoedig aan de Westdwers- of zoogenaamde IJzerengracht, welke thans in een ruim plein veranderd is. Haar overgaande komen wij weder op dezelfde brug, welke ons straks tot den Ouden Cingel toegang verleende en slaan linksaf, om zoodoende op de Oude Vest te komen, waar in de eerste plaats onze aandacht getrokken wordt door het Coninckshofje, dat in 1873 zijn honderdjarig bestaan vierde, zoodat het nog in zijne prille (hofjes-) jeugd is, vergeleken bij andere stichtingen van dien aard, en in ancienniteit verre achterstaat bij het Elizabeth-Gasthuis dat niet verre vandaar gevonden wordt. Beter zou het zich in dat opzicht kunnen meten met het nu als schoolgebouw gebezigde Nosocomium Academicum, vroeger het Walsche Weeshuis, en als zoodanig in 1768 ingewijd met een vroolijken maaltijd, die echter zeer onvroolijk verstoord werd door een brand in het Heilige Geest- of Armen-, Wees- en Kinderhuis, welke gelukkig bijtijds ook door de pogingen der Walsche weesjongens werd gestuit. Weinige schreden verder verrijst voor onze oogen de onlangs vernieuwde Schouwburg, thans onzer academiestad waardig, waar, behalve onze binnenlandsche tooneelgezelschappen, zich ook de Vlamingers, en de Fransche en Hoogduitsche operisten doen hooren. Wij zullen er maar niet binnentreden, omdat het er bij dag vrij duister is; maar kunnen u bij een langer verblijf wel aanraden met het keurig nette gebouw en betrekkelijk groot tooneel kennis te maken. Wij gaan dus verder, slaan links den hoek om en bevinden ons vrij spoedig voor de Marekerk, welke in 1649 gebouwd en dadelijk voor den Protestantschen eeredienst ingericht werd. Daar deze kerk als zoodanig noch uit een architectonisch noch uit een historisch oogpunt belangrijk kan geheeten worden, geven wij ons de moeite niet om ons naar de overzijde der gracht te verplaatsen en er toegang te verzoeken. Wij slaan liever dadelijk de een eindweegs verder, ter rechterzijde gelegene, Brandewijnsteeg in, vanwaar wij aan een soort van pleintje komen dat ~officieel~ het Vrouwenkerkhof maar in de volkstaal »het klooster" heet, hoewel die naam slechts aan een verder gelegen gedeelte van dit doolhof van straten toekomt. De oude muur welke zich voor ons oog vertoont schijnt voor de juistheid dier benaming te pleiten; hetgeen niet belet dat andere gedeelten dezer buurt daarop een gelijk recht zouden kunnen doen gelden; want inderdaad _Leiden_ was aan deze zijde der stad klooster en weder klooster. Toch hebben wij hier geen kloostermuur, maar wel die der Lieve-Vrouwekerk voor ons, die in de XIVe eeuw gebouwd, en in deze afgebroken werd, nadat zij van 1584 af voor de godsdienstoefeningen der Walsche gemeente gebezigd was. SCALIGERS gebeente werd daar eens ter ruste gelegd en zijn gedenkteeken daar gevonden. Had de zooeven genoemde kerkgemeente de macht niet om die eerbiedwaardige plek, waar zoovele edele _refugiés_ begraven waren, voor den moker des afbrekers te veiligen? Wij weten het niet; maar dit weten we dat zij, indien ze het gedaan had, aanspraak zou verkregen hebben op de erkentelijkheid van hen, die een eerbiedwaardig overblijfsel uit vroegere eeuwen gaarne voor het nageslacht willen behouden zien.

Niet verre vandaar vindt gij het Sionshofje, het Cecilia-Gasthuis, thans buiten gebruik, en het goed ingerichte Werkhuis; doch ondanks de belangrijkheid dezer gebouwen zal het u wellicht niet onaangenaam zijn dit »dedaal" van straten te verlaten en de Haarlemmerstraat te betreden, welke wij naar de zijde van de Hartebrug verder opwandelen, waarna wij eenige oogenblikken wijden aan de Roomsch-Catholieke kerk, welke aan den hoek der Mare staat en gewijd is aan »Onze lieve Vrouwe onbevlekte ontvangenis", boven welker hoofdaltaar eene kopie naar RUBENS, »de stervende heilige FRANCISCUS", onze aandacht trekt. Voordat wij nu de Donkersteeg ingaan, slaan wij weder den blik op een kring van in het oogvallende keien, waar, naar onze meening, de plek moet wezen waar zich het rechtsgebied van _Leiderdorp_ en van _Oegstgeest_ vroeger scheidde en de roode steen te vinden was.

Indien wij aan het eind der steeg op de Hoogstraat gekomen zijn dan verrijzen rechts het oude huis Ter Lugt, en links eenige huizen voor ons oog, welke, deels op deze straat, deels op den Nieuwen Rijn gelegen, ten opschrift dragen »de trouw der burgerij heeft hier 't geen door 't geweld der vlammen werd vernield in beet'ren staat hersteld" en wij herinneren ons dat in het jaar 1766 hier een brand woedde, welks treurige uitwerkselen door vrijwillige giften zoozeer werden gelenigd, dat niet slechts de verbrande perceelen door nieuwe vervangen werden, maar zelfs ongeveer twee duizend gulden overschoot, die tusschen de eigenaars, tevens bewoners, der gebouwen werden verdeeld. De beschrijver van dit »blij-eindend treurspel" voegt bij zijn verhaal deze opmerking, welke zeker niet zonder bijgedachte geschreven werd: »onzes bedunkens verdient het wel opmerking, dat men sedert den brand alhier zoo menigmalen van zwaren brand hoorde gewagen". Waarlijk ook die woorden zouden ons tot nadenken nopen, indien wij niet wat anders te doen hadden; want reeds zijn wij linksaf den Nieuwen Rijn opgeslagen en gaan wij, na een blik op de twee Korenbeurzen geworpen te hebben, weder, linksom, de Burgsteeg binnen, om, na eenige schreden gedaan te hebben, stil te staan voor een steenen poort met ijzeren hek, waarboven een klimmende leeuw staat met den eenen voorpoot het Leidsche wapen vasthoudende en met den anderen een zwaard voerende, om daardoor het »~Pugno pro Patria~", onder dat wapen geschreven, tot waarheid te maken. Een gedicht in de Latijnsche taal, waarin de Burg sprekende wordt voorgesteld, verhaalt ons verschillende topographische en historische bijzonderheden, welke ik bij u als bekend vooronderstel. Gij vindt daar tevens de namen der Burgemeesteren onder wier bestuur deze poort is gebouwd en daaronder die van den eersten stedelijken Burggraaf JAN PIETERSZ. VAN DER MAERSCHE. Die poort in- en het voorplein, door reusachtige kastanjeboomen overschaduwd betredende, ziet gij ter linkerzijde eene groote koffiehuiszaal, waar vooral op de marktdagen eene groote levendigheid heerscht; ter rechterzijde eene stalling en--u omkeerende--het eigenlijk gezegde »Heeren Logement aan den Burg" alwaar ook de openbare verkoopingen van onroerende goederen gehouden worden. Wilt gij hier nu eenige oogenblikken uitrusten, dan zullen wij niet in de koffiehuiszaal, niet in den zoogenaamden »gemeenen haard"--eene fiksche zaal die niets gemeens heeft met het gemeene in den slechten zin des woords--en evenmin in eenig ander vertrek van het ruime gebouw, maar onder de prachtige kastanjes, waarvan ik zoo straks gewaagde, plaats nemen; vooral omdat wij hier een goed gezicht hebben op de tweede burchtpoort, eigenlijk een ijzeren hek dat men bereikt langs een trap van blauwen steen, aan welker voet twee kolommen gevonden worden, welke volgens de overlevering op de Vischbrug stonden in het midden der XIIIe eeuw en, als door WILLEM II (den Hollandschen Graaf en Roomsch Koning) gesticht, het Keizerlijk en het Stedelijk wapen vertoonden. Ook hier stond voorheen een Latijnsch vers, evenals dat boven de buitenpoort van PETRUS SCRIVERIUS, dat, eigenlijk meer een oudheidkundig betoog, op den leeftijd van den burg een duizendtal jaren afdong, zoodat de »Wachttoren der Romeinen"--als eene inschrijving der publieke schuld onder NAPOLEON,--door den dichter nagenoeg getierceerd werd, iets wat den bezitters natuurlijk geen genoegen deed. Maar nog meer dan door dezen toegang wordt onze blik geboeid door die groenende, met vruchtboomen, bloemen en boschjes beplante, met beelden versierde hoogte, waarboven het ronde gebouw zich verheft, welks kanteelen niet onaardig te midden dier bloeiende natuur uitkomen. Dat dit gebouw echter slechts een romp is en geene woning, zult gij straks wanneer gij er met mij binnengaat ontwaren; dat daarbinnen vroeger een doolhof was, kan uwe belangstelling te beter wekken, wanneer gij uit LE FRANCQ VAN BERKHEY ziet hoe prettig keuvelen en koozen het daar moet geweest zijn in den

"Tijd der Werthers en Charlotten, "Tijd der moesjes en der pruiken,"

toen er nog Arcadische priëeltjes waren, waarin »dartele minnegoodjes" zweefden en »schoone harderinnen" harten braken en ontstaken, om, gelijk van zelf spreekt, met roosjes op de kaken, zelven in 't labyrinth te raken. Nu vinden wij er geene priëeltjes, tenzij gij er de kazematten voor houden wilt welke op evenredige afstanden onder de borstwering worden aangetroffen. Of deze priëeltjes ooit voor den dienst van Mars zijn bestemd geweest is moeilijk te beslissen. Zeker is het dat de rampspoedige ADA van _Holland_ in _Leidens_ Burg vluchtte, toen zij

"door Kennemers besprongen",