Korte beschrijving van Leiden: wegwijzer voor vreemdeling en stadgenoot
Part 3
en zij werpen een blik van eerbied op de plek waar de »Predikant der Engelsche gemeente bij het klokhuis" den laatsten adem uitblies. Wij hopen dat zij in dat geval nog eenige opmerkzaamheid zullen overhouden voor de nevens dat hofje gevestigde instelling voor de Indische taal-, land- en volkenkunde, welke ons aan Nederlands koloniën in _Azië_ herinnert, door ons verkregen, toen _Engeland_ zijne macht in _Amerika_ vestigde of uitbreidde. Indien wij thans over het Pieterskerkplein het Godsgebouw nog eens rondwandelen, om den aanblik daarvan, waar die niet door kleine huisjes bedorven is, te genieten, dan valt ons oog in de eerste plaats op het aloude 's-Gravenstein, thans huis van arrest, welks beeld van Themis ons aan den tijd doet denken toen hier voor het laatst een schavot werd opgeslagen. Verder vertoont zich aan deze zijde niets wat onze belangstelling waardig is. Wij slaan dus rechtsaf en vragen eene wijle uwe aandacht voor dat blok huizen tegenover de noorderkerkdeur, waar niets meer doet vermoeden dat daar vroeger een vorstelijk verblijf stond, dat met den grond van des Graven steen (de oude naam voor gevangenis) een eiland vormde door breede grachten omringd en slechts door bruggen met het vasteland verbonden. Dat blok huizen begrensd door de Muscadelsteeg, de Lokhorststraat, het Pieterskerkhof en de Pieterskerkstraat, in welke laatste de kerk der Doopsgezinden zich bevindt, droeg in vervlogen eeuwen den naam van het huis Te Lockhorst en vernam de eerste levenskreten van den Hollandschen Graaf en Roomsch Koning WILLEM II. Zoo dit u belangstelling inboezemt, hoezeer zal die niet worden verhoogd door te weten dat ook een andere Hollandsche Graaf hier het eerste levenslicht aanschouwde, wiens naam met liefde door het nageslacht wordt genoemd; en wel FLORIS V, der Keerlen God, zooals hij knarsetandend geheeten werd door de ontevredene edelen des lands, wier macht hij fnuikte, waar die misbruikt werd tot knevelarij der onderzaten, en wier haat de hand van _Velzens_ Heer wapende met het vorstenmoordend staal. Waarlijk, onze fantasie mocht dat slot weder opbouwen, het zou fantasie wezen en niets meer; want geen enkele steen is er welke aan dat glansrijke verleden herinnert. Wij houden ons dan ook niet langer op om hier te mijmeren; maar, altijd rechts houdende, staan wij al spoedig aan de Heerensteeg, wier naam ons aan de oude Predikheeren van Sint-Jan herinnert, en die in 1592 ten gebruike der inwoners begaanbaar gemaakt werd, waartoe echter eene overeenkomst noodig was van de Stad met den Commandeur der Duitsche orde, wiens betrekking tot deze plek nog in de benaming der niet verre van hier gelegene Commandurysteeg voortleeft. De Heerensteeg doorgaande komen wij uit op het Rapenburg, slaan rechtsom en bevinden ons al spoedig voor een pleintje, gedeeltelijk als parkje aangelegd, door een ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, welks openstaande deur tot binnentreden uitlokt, hetgeen evenzeer het geval is met die van het daarachter gelegen gebouw, met glazen dak, waarin de Academische Bibliotheek thans op waardige wijze is gehuisvest. Wij moeten hier even toeven en zijn binnen weinige oogenblikken in de ruime kamer, waar het dienstdoend personeel zich bezig houdt met het afgeven en verzenden of het terug ontvangen van boeken, en waar de talrijke doozen en boekjes gevonden worden, welke een completen catalogus vervangen, voor welke een minister wien men een standbeeld wil oprichten geene gelden op de begrooting wilde brengen omdat hij »het nut er niet van inzag". Had die catalogus nu betrekking gehad op het gebied der kunst men zou zulk eene handelwijze begrepen hebben, want »kunst is geen regeeringszaak" was zijne leuze; maar hier gold het »wetenschap." Vanwaar dan die zonderlinge meening? Ook de daarnevens gelegene leeskamer eischt onze aandacht, al ware het slechts om het portret van WILLEM I, dat den schoorsteen versiert en de beeltenissen van beroemde hoogleeraren hier en in de voorzaal opgehangen. Gaat gij nu verder met mij de keurige wenteltrappen op, welke u tot de verschillende verdiepingen van het gebouw brengen, dan trekt nog eene beeltenis van Prins MAURITS uw oog, en vraagt gij met verbazing hoe dat marmeren gedenkteeken ter eere van zekeren Graaf LAUDON hier terecht gekomen is. Die verbazing zal echter ophouden wanneer gij weet dat dit tehuis behoorde in de Engelsche Presbyteriaansche kerk, dat deze in het bedehuis der Gefaliede Begijnen gehouden werd, en dat dit later tot Academische Bibliotheek werd ingericht. Gij slaat dan tevens, en wel in de eerste plaats, een blik op dat boekental--eenige duizenden deelen--en begrijpt niet hoe hier nog over »betrekkelijke armoede" kan geklaagd worden, gelijk onlangs in een werkje van den geleerden Dr. SCHOTEL geschiedde. Wij verlaten dus het keurige gebouw, na ons herinnerd te hebben dat het WILLEM I, de Vader des Vaderlands, was aan wien de Bibliotheek hare twee eerste boeken dankte en dat die boeken bestonden uit de »Biblia Regia" en den »Joodschen Talmud". Daarna steken wij het pleintje weder over, slaan rechtsom, en vervolgen zoo onzen weg langs het boomrijke Rapenburg, tot aan de Houtstraat, welke wij echter eerst binnengaan nadat wij een bezoek gebracht hebben aan het Museum van natuurlijke historie dat zich in dat groote gebouw, op den hoek daarvan, bevindt. In een tal van zalen vindt gij hier schier alles bijeen, wat op zoötomisch en delfstoffelijk gebied uwe aandacht kan eischen. Bij het eerste gedeelte zal die wellicht het meest geboeid worden door de rijke afdeeling »vogels", bij de laatste door de kast met edelgesteenten. Gij zult de verscheurende dieren bewonderen en u verbazen over de grootte der nachtvogels, die u, met uitgespreide vlerken, schijnen aan te grijnzen; maar wat gij ook langdurig beschouwt of met vluggen tred voorbijgaat altijd zult gij bij het heengaan de overtuiging medenemen, dat gij eene verzameling aanschouwd hebt, welke als eene der rijkste van Europa moet aangemerkt worden, eene die den trots des Leidenaars uitmaakt, maar daarom niet minder door hem als eene belasting op zijn beschikbaren tijd wordt aangemerkt, wanneer hij, ter wille van vrienden of verwanten, genoodzaakt wordt meer dan eenmaal 's jaars er heen te gaan. Gij duidt het mij dan ook zeker niet ten kwade, als ik thans weder met u naar buiten treed en, de Houtstraat doorgaande, op het daaraan grenzende »Gerecht", uwe aandacht vestig op hetzelfde 's-Gravenstein dat wij straks van de andere zijde zagen en blijkbaar uit twee gedeelten bestaat in verschillende eeuwen gesticht. Dat aan de zijde der Houtstraat, in 1672 voltooid, draagt behalve eenige burgemeesterlijke geslachtswapens in de gevelspits een tweetal beelden, de gerechtigheid en de voorzichtigheid voorstellende, welke, als bewaaksters van het tusschen hen instaande wapen, geene verwerpelijke attributen mogen genoemd worden. Het andere deel, meer naar de zijde waar vroeger het huis Te Lockhorst stond, ziet er daarentegen vrij middeleeuwsch uit en verkrijgt iets schilderachtigs door het torentje, dat zich ongeveer ter helfte van de getraliede galerij verheft. Bij die galerij, in het midden der gracht, welke, gelijk wij reeds zeiden, ook dezen »steen" omspoelde, verhief zich in vroegere jaren een zoogenaamd »groen zootje", rondom bewald, en op de hoeken met vier leeuwen versierd, die _Leidens_ wapenschild vasthielden. Dit was de gerechtsplaats, welke zonderling genoeg, in de oude sententiën »Schoonverdriet" geheeten wordt, die tot 1671 in stand bleef, en toen, bij de verbouwing van het huis, verdween; waarna men zich behielp met een houten schavot, dat, zoodra er executie moest gedaan worden, werd opgericht voor het gebouw, tegenover de Papengracht, alwaar het getal toeschouwers zooveel grooter kon wezen dan op het Gerecht, »ten einde eenen ijgelijck, des begeerig zijnde, te bekwamer de voorsz. executie zoude konnen aanschouwen". Hoe dit ook zij het groene zootje verdween in 1671 en Mr. JOHAN MEERMAN, wiens wapenschild mede den gevel van dat gebouw versiert, had dus geen kans daarop zoo gruwzaam behandeld te worden, als zijn vriend JOHAN DE WITT dat op het Haagsche groene zootje gedaan werd.
Slaan wij thans de tegenover ons liggende Lockhorststraat in, dan wordt ter linkerzijde onze aandacht getrokken door een gebouw, dat blijkens zijn opschrift: »Pietati, Linguis et Artib. Liberal S.SPQ, Lugdunensis Restav", met een vroom en geleerd doel door _Leidens_ raad werd gesticht, en wel in 1600, zooals het daaronder gestelde jaartal aanduidt. Het is de »Latijnsche schole", thans het Gymnasium, gesteld op de plek waar vroeger de vierschaar van _Rijnland_ gehouden werd. De cijfers welke het jaar aanwijzen, een jaar waarin de slag bij _Nieuwpoort_ gewonnen werd, doen ons zien hoe de gevoerde oorlog niet in staat was de harten van _Leidens_ regeerders af te trekken van de zorge voor kunsten en wetenschappen, welke zij, ook onder den klank der wapenen, in hooge eere hielden.
Heet de steeg op welker hoek het Gymnasium staat de Schoolsteeg, de gracht welke wij, insgelijks aan de linkerzijde der Lockhorststraat, doch aan het eind daarvan, voor ons zien, mocht wel de Schoolstraat heeten. Nauwelijks toch zijn wij haar opgegaan of wij zien ter linkerzijde een grootsch gebouw, met hooge blauwe steenen stoep, waarboven wij de woorden: »Hoogere Burgerschool" lezen, welks lokalen, zeer geschikt voor de lessen daar in verschillende vakken gegeven, tevens dienen voor de avondschool van het gunstig bekende genootschap »Mathesis scientiarum genitrix" in 1785 gesticht en sedert eene bron van kennis geworden voor menigeen wiens naam onder de deftige burgers van _Leiden_ schitterend heeft uitgeblonken. Niet verre van daar, in dat oude gebouw, met zijn fraaien gevel en het vriendelijke »Pax Huic Domui" boven de rondbogige poort, is de Leidsche schilder- en teeken-academie »Ars aemula naturae" gevestigd en bevindt zich eene bijzondere school door den Heer J. KNEPPELHOUT uit eigene fondsen gesticht en onderhouden, gelijk ook de daarnevens staande Gymnastiekschool--waarvan de bouwtrant eenigszins gunstig afsteekt bij al hetgeen in de laatste jaren binnen _Leiden_ verrees--door hem werd in het leven geroepen.
Indien wij nu linksafslaan dan komen wij op de zoogenaamde Langebrug, gaan even de Papengracht op, om het keurige Brouckshovenshofje te bezichtigen, in de hoop dat het ons vergund zal worden op de regentenkamer eenige niet onverdienstelijke schilderijen te beschouwen, en vervolgen dan onzen weg naar het Rapenburg, u ter rechterzijde een huis en tuin aanwijzende dat zich van daar tot de Papengracht uitstrekt, vroeger een deel van het Sint-Barbaraklooster,--of wilt gij liever van het Prinsenhof--later het eerste academiegebouw van _Leidens_ hoogeschool. Nu rechtsomslaande bewonderen wij de prachtige rij huizen welke zich aan beide zijden dezer gracht--die naar men meent aan de Heeren VAN RAAPHORST haren naam dankt--verheffen, werpen een blik op het aan de overzijde gelegen rechtsgebouw en bereiken al spoedig de Sint-Anthoniesbrug, alwaar wij weder een dier schoone stadsgezichten genieten, waarin _Leiden_ zoo rijk is. Wij houden ons echter daarbij niet op, maar betreden het Noordeinde, waar wij rechts de zaal »voor christelijke belangen" zien, gesticht in een tijd toen de kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente steeds voortging met moderne predikanten te beroepen, zoodat hun die gaarne leeraren van eene andere richting hoorden niets overbleef dan buiten de kerkgebouwen eene plaatse des gebeds te openen. Als wij nu rechtuitgaan bereiken wij de plaats, waar vroeger de Witte poort zulk een eigenaardig gezicht opleverde, en de Kweekschool voor zeevaart is gesticht op de plek waar de moutmolen stond bewoond door den vader van REMBRANDT, welke vorst der schilders dan ook daar het levenslicht aanschouwde. Wij vervolgen dus onzen weg, slaan tevens een blik op de oude Kazerne, thans door artilleristen betrokken, en keeren dan op onze schreden terug om de oude Varkenmarkt op te gaan, waar wij rechts het Loridanshofje, vlak voor ons de poort van den Doelen--thans Cavaleriekazerne--beschouwen, welker fraaie voorstelling van St.-Joris en den draak, in steen opgericht, ons aangenaam aandoet, bij al het platte en povere wat onze negentiende-eeuwsche bouwmeesters ons niet zelden te aanschouwen geven. Die doelen--beter gezegd die doelens, want op dit terrein lagen er twee nevens elkander--welke ons aan het glansrijkste tijdperk onzer schutterijen herinneren, hebben thans al hun vroegeren luister verloren. De door THIBAUT beschilderde glasruiten, waarop _Hollands_ graven staan afgebeeld, de keurige portretten van hoplieden der XVIIe eeuw, welke vroeger die ruime zalen versierden, zullen wij straks in het stedelijk museum terugvinden; maar van het aardige hoektorentje, dat zich, eene eeuw geleden, nog boven het dak verhief, en waarin »eene eetplaats getimmert was, welke tot vermaeckelijkheid met tafel en gasten te gelijk rond gedraaid kon worden" is geen spoor meer te ontdekken, en het voorplein »met schoone boomen beplant" is een dorre plek gronds geworden, bestemd voor de oefeningen in de edele rij- en drilkunst van eerstbeginnende ruiters. Wanneer wij nu over de Groenhazengracht weder het Rapenburg willen bereiken zullen wij u maar niet op de Garnizoens-infirmerie wijzen, welke daar gevonden wordt, te minder omdat die spoedig zal worden overgebracht naar een ruim gebouw dat buiten de Morschpoort wordt opgericht. Liever slaan wij den blik op het oude huis aan den hoek der beide grachten, met het opschrift »Bibliotheca Thysiana", eene boekerij door den Hoogleeraar THYSIUS, historiograaf van _Holland_, achtergelaten en voor het publiek toegankelijk gesteld. Het groote hardsteenen gebouw dat niet verre van daar gezien wordt is 's Rijks Herbarium; een weinig verder voorbij de Doelensteeg--waarin het Eva Van Hoogeveens hofje zich bevindt--aanschouwen wij het Kabinet van pleisterbeelden, gravures en teekeningen en daarnevens het ijzeren hek, dat eene binnenplaats of beter gezegd een voorplein van den openbaren weg afsluit, waarbij gij links eene deur vindt, welke naar het Academiegebouw voert, vroeger de verblijfplaats der Witte Nonnen, die er natuurlijk al uit waren toen de »blonde jeugd van Leiden" hier zijn intocht deed. Als wij ons bij den concierge aanmelden zal hij er niets tegen hebben, ons de verschillende auditoria en de senaatskamer te laten bezichtigen, welke laatste vooral merkwaardig is door de portretten der hoogleeraren, die hier in lange rijen statig op u nederzien, als een vendel soudenieren in den dienst der wetenschap. Er is iets indrukwekkends in het zien van de gelaatstrekken dier mannen op de plaats waar zij geleefd en gewerkt hebben, iets dat ons tot langdurige bespiegelingen zoude opwekken, wanneer het bestek onzer wandeling geene kortheid gebood; en, dit in aanmerking genomen, treden wij weder naar buiten waar de Hortus Academicus, welks ingang nevens het Academiegebouw gelegen is, onze aandacht vraagt en ons bezoek eischt.
Al wat het plantenrijk merkwaardigs aanbiedt vindt gij hier bijeen, even smaakvol als wetenschappelijk gerangschikt. Ruime kasten, waaronder die der »Victoria Regia" het meest uwe aandacht trekt, brengen de tropische gewassen in den waan dat zij hun geboorteland--geboortewater zou ik van sommigen moeten zeggen--niet verlaten hebben, dat zij geene
"Tristes exilés sur la terre étrangère"
zijn. Zij groeien en bloeien er dan ook dapper op los en wekken de verbazing op van vreemdeling en stadgenoot, die deze schoone inrichting komen bezoeken. Hebt gij het voorrecht den waardigen hortulanus te ontmoeten, dan zal hij u gaarne nog eenige inlichtingen geven, altijd belangrijk uit den mond van een man, wiens dichterlijk geschreven proza aantoont, dat hij de taal der bloemen beluisterd en den harteklop der planten gevoeld heeft, als hij de pen opneemt om ze te beschrijven. Gij zult dan gaarne met hem uitrusten op eene der tuinbanken, welke zulke schoone gezichten opleveren; maar dan zal het na luttel poozens weder aan mij zijn om te herinneren dat wij verder moeten, dat de daarnevens gelegen Sterrenwacht nog onze aandacht vraagt en dat wij, naar buitentredende, nog wel eens een blik mogen slaan op het uitwendige der Academie, haar eigenaardig torentje en hooge kruisramen. En gij gaat, al onttrekt gij u noode aan die met ambergeur doorwademde bloemwarande, en gij wandelt met mij de Cellebroersgracht op, waarbij gij natuurlijk aan de Celliten of Alexianen denkt, die, ziekentroosters en bedienaars der begrafenissen tevens--en dat beiden kosteloos--hier hunne woonplaats en kapel hadden, vanwaar zij eenmaal 's jaars--op kermis--uittogen, om met een ezel door de stad te rijden, teneinde den intocht van JEZUS binnen _Jeruzalem_ den volke in herinnering te brengen. Toen ook deze broeders met de bewoners van andere conventen verdreven waren, werd hier het zoogenaamde Staten-College gesticht, waarin kosteloos jongelieden werden gehuisvest, die voor den predikdienst in de Nederlandsche Hervormde kerk werden opgeleid. Thans is het eene manége, gelijk de paardenkop boven de poort moet te kennen geven. Het gehinnik van STEGERHOEKS rossen en telgangers vervangt er den zang van vroegmet en vesper der monniken, en de plaats waar VAN DER PALM studeerde aanschouwt de pogingen van hen, die voor de eerste maal een paard beklimmen, op het gevaar af spoedig zandruiter te worden. Het is zeker dan ook om die reden dat men de antieke poort, welke daar twee eeuwen lang gestaan heeft, deed wegbreken en dit meesterstukje van portland-cement daarvoor in de plaats stelde. Zoo'n paardenkop is dan ook heel interessant en veel eigenaardiger dan die twee leeuwen op het andere poortje.
Het viertal hofjes dat zich op deze gracht en in de daaraangrenzende Zegersteeg bevindt, vluchtig beschouwende, kunnen wij ons terstond naar de Sterrenwacht begeven, welker ingang hier gevonden wordt. Vergun mij echter bij dat bezoek uw geleider slechts te zijn in dien zin dat ik u onmiddellijk na onze aankomst overlaat aan de zorg van den custos, die u wel zal aanbevelen bij de autoriteiten wier rechtsgebied wij binnentreden; want hoewel ik niets ter wereld tegen de sterrenkunde heb, en er zelfs een tijd was toen ik NIEUWLANDS »Orion" uit het hoofd kende; ofschoon ik met gepasten eerbied Jupiter, Mars, Venus en andere grootmachten aan den hemel beschouw, en den Grooten Beer--den beste der beren omdat hij steeds op een behoorlijken afstand blijft--een goed hart toedraag, zoo ben ik toch een zeer ongeschikt persoon om u hier ter plaatse van eenig nut te zijn. Ik houd mij echter aanbevolen, zoodra wij dit gebouw en het erf waarop het gesticht is verlaten hebben, mijne taak weder op te vatten, en, na u de plek gewezen te hebben, waar het nieuwe Zoötomisch Kabinet verrijzen zal, met u de Cellebroersgracht overgaande, door de Bakkerssteeg--men heeft er verschillende in deze stad--naar den Vliet te wandelen, waar het eerste voedsel binnen _Leiden_ werd aangebracht toen de derde van Wijnmaand 1574 was aangebroken, om dan, door de Molensteeg, de Koepoortsgracht en de Raamsteeg te bereiken, waar wij een blik slaan op het ruime plein dat de ramp van 1807 ontstaan deed en waarop de academische gebouwen zullen verrijzen, tot welker stichting de regeering besloten heeft, en ons eenige oogenblikken ophouden bij het Roomsch-Catholieke Wees- en Oudeliedenhuis, dat zich op den hoek van Raamsteeg en Sint-Jacobsgracht verheft.
Aangezien het plein er echter meer als een wildernis uitziet dan als eene wandelplaats of exercitieveld gelijk het vroeger was, haasten wij ons eerst rechts- dan linksomslaande, over de laatstgemelde gracht den Vestwal te betreden, die er zoo schilderachtig uitzag toen de koepelvormige toren der nu afgebroken Koepoort, evenals de torens van _Bourgondië_ en _Oostenrijk_, door welig en hoogopgaand geboomte werd overschaduwd. Thans zien wij er de laatste nog slechts, waarbij een krijgsknecht de wacht houdt die er op moet toezien dat gij voorbijgaande uwe sigaar--wanneer gij die rookt--dooft, opdat geen vonk daarvan de kracht ontboeie, welke in dien toren sluimert, eene kracht door BARTHOLD SCHWARTZ der menschheid geschonken, waarvan het Ruïneplein nog de vreeselijke sporen vertoont. Ik weet niet of hij er nog lang zal staan, dat eerwaardig overblijfsel uit vervlogene eeuwen, die zijn tweelingbroeder, niet lang geleden, zag vallen onder den moker, welke reeds zooveel eerwaardigs hier ter stede vernielde; maar lang of kort, het doet mij goed aan het hart dat hij voortgaat met eerbied in te boezemen, zij het bij allen niet door zijn vorm dan toch door zijn inhoud, en ik wensch hem liever dus te zien vallen dan als eene bewaarplaats van producten door het stelsel van LIERNUR verkregen een smadelijk bestaan te zien voortsleepen.
Wanneer gij nu met mij voortwandelt zult gij eene liefelijke plek gronds aanschouwen, welke de Leidenaar met vooringenomenheid zijn Plantsoen heet, eene wandelplaats waarvan het bergje--met het rustiek koepeltje op zijn top en de breede Singelgracht, waarin witte zwanen dartelen, aan zijn voeten--zeker niet het minst pittoreske gedeelte uitmaakt. Wellicht verneemt gij van hier reeds de tonen eener militaire muziek en verhaast gij daarom den tred naar de zijde vanwaar het geluid tot u komt. Zoo gij dat doet dan staat gij weldra voor »Musis Sacrum", de zomersociëteit voor _Leidens_ burgerij in alle schakeeringen. Wilt gij er eenige oogenblikken met mij uitrusten, plaats u dan onder de ruime veranda. Of wilt gij liever verder gaan, sla dan een blik op de Hoogewoerdspoort die haar toren zoo slank ten hemel heft, op den doodenakker aan de overzijde van den Rijn, wiens hooggetopte populieren--bewogen door het zuidenwindje--wuiven, trillen en groeten, als waren het palmen des vredes, tuigende van de ruste des doods. Richt wanneer gij de poort,--reeds ten doode veroordeeld--zijt binnengetreden even het oog op de Binnenvestgracht en het Tevelshofje, en breng dan met mij een bezoek aan het keurige Ethnographisch museum--waarvan SIEBOLDS rijke verzameling, _China_ en _Japan_ betreffende, recht heeft op de eerste vermelding. Een eind verder vinden wij ter linkerzijde het »Gesticht der Voorzienigheid", eene instelling tot opvoeding van jeugdige Roomsch-Catholieke meisjes; en nog eenige schreden dan gaan wij de Sint-Jorissteeg in, en het ruime Levendaal op, teneinde een blik te slaan op het kerkgebouw waar Israël den God van »Abraham, Isaac en Jacob" aanroept. Daarna gaan wij door de Barbarasteeg weder naar de Hoogewoerd en zien wij ter rechterzijde de sociëteit ~Concordia~, de eenige hier ter stede waar het mannenpassende kegelspel nog in eere wordt gehouden.
Aan het einde der Hoogewoerd gekomen, gaan wij, rechtsomslaande, het Gangetje door en dan, links, de Botermarkt op, waar eene reeks keurige winkels verrezen is, wier gaslicht des avonds, door het water weerkaatst, een zeer eigenaardig schouwspel oplevert. Het huis op den hoek van Botermarkt en Gangetje is ook in zooverre van beteekenis dat het vóór de derde vergrooting der stad in 1389 den naam »Roodentoren" droeg, gelijk ons het volgende opschrift leert, dat in den gevel te lezen staat:
Anno dertien hondert tachtig negen Is Leyden vergroot door Godes segen Steenschuyr was doen vest: Myn naem Rooden toren, Stae schier int best: Danckt Godt daervooren.